1573806x_omslag108px
Rss

StAB


Meer op het gebied van Bestuursrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 4, 2010 Alle samenvattingen uitklappen
Artikel

M.e.r.-jurisprudentie op hoofdlijnen

Een terug- en vooruitblik op het m.e.r.-instrument

Auteurs Tjeerd van der Meulen

Tjeerd van der Meulen

    NSL bedoeld noch geschikt als beoordelingskader bij vergunningverlening. Onderzoeksverplichting hoeft niet te worden gekoppeld aan inspraak dan wel een voor beroep vatbaar besluit.

    Volgens bestendige jurisprudentie kan veelal met een eenmalige controleverplichting worden volstaan.

    Appellante als overtreder aan te merken nu zij op basis van de huurovereenkomst verantwoordelijk is voor de naleving van de milieueisen. Daaraan doet niet af dat zij geen exploitant van de inrichting is.


Valérie van ‘t Lam

    Ook na het inwerking treden van de Crisis- en herstelwet dienen de oprichting en het gebruik van de windturbines aan de nationale doelstellingen te worden getoetst. Opdracht aan het college om het gebrek in het besluit te herstellen.

    De betekenis van het rechtszekerheidsbeginsel strekt niet zo ver dat op grond daarvan de verplichting om aan een wettelijk criterium te toetsen niet zou gelden.

    Twijfelachtig of de Nbw 1998 vergunningverlening met toepassing van de salderingsmethode toestaat. Schorsing vergunning om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen ontstaan.

    Schadevergoeding wegens het niet tijdig nemen van een handhavingsbesluit. Geluidvoorschriften strekken niet alleen tot bescherming tegen aantasting woongenot van omwonenden maar ook van de daaruit voortvloeiende (economische) belangen van verhuurder zoals huurderving.

    Indien wordt voldaan aan de ammoniakeisen in het Besluit huisvesting moet het bevoegd gezag ervan uitgaan dat tevens wordt voldaan aan het vereiste dat de geuremissie voldoet aan het vereiste dat de best beschikbare technieken worden toegepast.

    De Nbw 1998 biedt geen grondslag voor het van rechtswege vervallen van de vergunning.

    Bij het uitvoeren van de passende beoordeling dient te worden uitgegaan van de feitelijk vergunde situatie ten tijde van het van kracht worden van de aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn.

    De Wet milieubeheer biedt geen steun voor de opvatting dat bij de beoordeling van de vraag of controlevoorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden, onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende milieugevolgen.

    Ondanks het niet overschrijden van de drempelwaarde dient gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de (Europese) m.e.r.-richtlijn die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een m.e.r. In dit geval is naar deze andere factoren gekeken en is in redelijkheid geoordeeld dat er geen omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven.

    De Wgv en de geurverordening houden rekening met plaatselijke milieuomstandigheden en verdragen zich in zoverre met de IPPC-richtlijn.

    Pas als de mogelijke onredelijkheid (technisch/financieel) van een verwaarloosbaar bodemrisico in de zin van de NRB is aangetoond, kan in een bestaande situatie de haalbaarheid van een aanvaardbaar bodemrisico worden afgewogen. In dit geval geen sprake van een investering die niet van vergunninghoudster kan worden gevergd.

    Door het honoreren van het verzoek om wijziging van de voorschriften zou de grondslag van de vergunningaanvraag worden verlaten.

    Activiteiten niet hobbymatig en in strijd met het bestemmingsplan.

    Bescherming gezondheid en veiligheid dieren is belang dat door de Woningwet wordt bestreken maar niet door het Bouwbesluit 2003. In dat besluit ontbreekt een norm inzake de brandveiligheid ter bescherming van dieren.


John Schinkel

    Hoogte dwangsom staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang. Het bevoegd gezag mag afwijken van de normen in de ‘Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen’ van het ministerie van Justitie.

    Afdeling onbevoegd om kennis te nemen van het geschil nu – behoudens enkele uitzonderingen – tegen besluiten op grond van de Waterwet geen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook de invoeringswet Waterwet biedt geen grondslag voor beroep.

    Artikel 1.1a van de Wm is een vangnetbepaling die slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gebruikt als grondslag voor het opleggen van een last onder dwangsom.


Aletta Blomberg

    In dit geval heeft het college in redelijkheid kunnen aannemen dat een ondernemersrisico van 100% gerechtvaardigd is. Geen schadevergoeding vanwege intrekking van de milieuvergunning.

Jurisprudentie

ABRvS 1 september 2010, nr. 200909806/1/M2 (Wierden)

Auteurs Hans Paul Nijhoff
Samenvatting

    Een niet permanent bewoonde recreatiewoning is geen geluidgevoelig gebouw in de zin van het Activiteitenbesluit.


Hans Paul Nijhoff

    Gedoogbesluit is onvoldoende onderbouwd.

    Bij de beoordeling van een tracébesluit kan de rechter slechts toetsen of er geen sprake is van een onevenredige belangenafweging.

    Parkeernormen in bestemmingsplan.Relatie tussen voorschriften, parkeernota en bouwverordening.

    Erven bij woningen in de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding.

    Vrijstelling ex artikel 19 WRO voor een tijdelijke situatie.


Tycho Lam

    Kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Bro.

    Ontheffing ingevolge artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro en afname van het aantal woningen.

    Verwijzing in planvoorschriften naar beleidsdocument inzake parkeernormen. VNG-brochure en afstand tot aan crematorium.

    Belangenafweging in geval van een verplaatsing van een varkenshouderij naar een LOG-gebied.

    Huisvesting van tijdelijke werknemers in een hotel. Definitie van het begrip hotel.

    Jurisprudentie inzake artikel 19, derde lid, van de WRO blijft gelden voor ontheffingen ex artikel 3.23, eerste lid, van de Wro.

    Projectbesluit en het beschikbaar stellen van stukken langs elektronische weg.

    Eisen overleg artikel 3.1.1 Bro.

    Kosten ten tijde van dat besluit niet anderszins verzekerd omdat exploitatieovereenkomst is gesloten na vaststelling besluit. Geringe omvang van strook grond aanleiding om rechtsgevolgen in stand gelaten.

    Industrieterrein en geluidzone. Veranderingen in jurisprudentie inzake definitie industrieterrein vanwege invoering Crisis- en herstelwet.

    Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen aangezien sprake is van een te klein oppervlak om bebouwing op te richten.

    Procedureregels in planvoorschriften met betrekking tot besluiten tot het verlenen van vrijstelling respectievelijk wijziging van het bestemmingsplan.


Tonny Nijmeijer

    Het in het vernietigde reconstructieplan opgenomen beleid inzake de voorwaarden die aan ontwikkelingslocaties moeten worden gesteld, is door de raad overgenomen en als eigen beleid toegepast.

    Het in de door de provincie vastgestelde Categorieaanwijzing neergelegde criterium ‘duurzame locatie’, is onvoldoende duidelijk en concreet om als toetsingskader voor een bouwaanvraag te kunnen dienen.

    Toepassing Wgv. Aanlegplaatsen voor pleziervaartuigen geen geurgevoelig object. Niet alleen een permanent verblijf maar ook een kort verblijf is beschermingswaardig.

    Gelet op krimpende bevolking is onvoldoende gemotiveerd dat plan economisch uitvoerbaar is.

    Ontvankelijkheid. Aangezien in zienswijze gehele plan is bestreden, mag in beroep ook bezwaar inzake financiële uitvoerbaarheid worden aangevoerd.

    Wro voorziet niet in de mogelijkheid om bij een projectbesluit algemeen verbindende voorschriften vast te stellen.

    Toepassing Wgv. Aanvaardbaar verblijfsklimaat op golfbaan die binnen de geurcontour van agrarisch bedrijf ligt.

    Voor de waardering van de panden is ten onrechte uitgegaan van de huuropbrengst, omdat de panden niet-bedrijfsmatig worden verhuurd tegen niet-marktconforme prijzen.

    Het betoog dat de parterre op de peildatum niet voor bewoning geschikt was en dat daarom voor de bepaling van de hoogste waarde niet van de waarde als woonruimte maar als bedrijfsruimte moet worden uitgegaan, faalt, omdat ook voor de vaststelling van eventuele waardevermindering moet worden uitgegaan van hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en niet van de feitelijke situatie. De gestelde schade wegens leegstand van de parterre en verbouwing tot woonruimte is niet het gevolg van de planologische wijziging maar van de beëindiging van de huurovereenkomst.

    De vergunningen zijn verleend om het gebruik als attractiepark feitelijk te kunnen realiseren. Niet aannemelijk is geworden dat de gestelde schade niet als een direct gevolg van de planologische wijzigingen behoort te worden aangemerkt.

    Naast zelfstandige bewoningen door een gezin, verdragen ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning.

    Voor zover het college ter zake een stringent beleid voert, laat dat onverlet dat er geen wettelijke voorschriften zijn die aan gebruikmaking van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling in de weg staan en niet aannemelijk is dat uitgesloten moet worden geacht dat een belangenafweging tot gevolg heeft dat het college daartoe overgaat. Dat onder het oude bestemmingsplan nieuwbouw met meer bouwlagen en een groter verhuurbaar vloeroppervlak kon worden gerealiseerd, zoals gesteld, betekent niet dat appellant door de mindere bebouwingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt omdat de percelen op de peildatum in bebouwde toestand een hogere waarde vertegenwoordigen dan de grondwaarde voor de meest optimale bebouwing.

    De partiële herziening is een schadebeperkende omstandigheid waarmee bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding rekening dient te worden gehouden omdat appellant anders een vergoeding zou ontvangen voor schade welke hij niet lijdt.

    De beoordeling van de situeringswaarde in termen als rommelige uitstraling en goed kwaliteitsniveau betekent op zichzelf niet dat het verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest.

    De uitgevoerde planologische vergelijking bevat geen geheel geobjectiveerde waardevergelijking, doordat slechts is uitgegaan van het bouwplan van appellant voor een bepaald appartementencomplex. Daarmee staat niet vast dat de waarde van het perceel en het daarop gevestigde woonhuis niet is verminderd ten gevolge van andere in het bestemmingsplan vervallen bouwmogelijkheden.

    Anders dan bij indirecte schade speelt bij directe schade een rol in hoeverre de maximale mogelijkheden van het oude planologische regime rendabel zijn.