1573806x_omslag108px
Rss

StAB


Meer op het gebied van Bestuursrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 4, 2011 Alle samenvattingen uitklappen


Peter Willems

    Er is sprake van een lozing in de zin van de Waterwet; nu een voorwaarde waaronder mag worden geloosd wordt overtreden, is terecht een last onder dwangsom opgelegd.

    Beperking van het luiden van kerkklokken is niet in strijd met de vrijheid van godsdienst; de APV maakt de mogelijkheid tot het belijden van godsdienst niet illusoir.

    Een rechterlijke uitspraak is geen gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 43, lid 2, van de Natuurbeschermingswet 1998; geen intrekking vergunning.

Jurisprudentie

ABRvS 27 juli 2011, nr. 201007705/1/M2 (Hof van Twente)

Auteurs Daniëlle Roelands-Fransen
Samenvatting

    Europese MER-richtlijn (85/337/EEG) te beperkt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.


Daniëlle Roelands-Fransen

    Appellante is belanghebbende nu zij een bundeling van rechtstreeks betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee een effectieve rechtsbescherming is gediend.

    Handhaving op grond van de zorgplichtbepaling is uitsluitend aan de orde in gevallen waarvoor het Activiteitenbesluit geen uitputtende regeling bevat. Geen verplichting om eerst zorgplicht-maatwerkvoorschriften vast te stellen voordat tot handhavend optreden wordt overgegaan.De rechtszekerheid brengt mee dat de drijver van de inrichting vooraf kan weten dat zijn handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht.

    Vernietiging Natuurbeschermingswetvergunningen voor een kolencentrale in Eemshaven. Tevens weigering vergunningen nu een nieuwe aanvraag is vereist. Een passende beoordeling van mogelijk nadelige gevolgen voor de natuur ontbreekt omdat niet is uitgegaan van het volledige project. Voorts is onvoldoende onderzocht wat de gevolgen zijn van de uitstoot van stikstof voor een aantal Duitse Waddeneilanden.

    Knalapparatuur op teeltgrond maakt geen deel uit van Wm-inrichting en is ook niet aan te merken als een op zichzelf staande inrichting.

    De overtreding is dermate gering dat handhavend optreden disproportioneel zou zijn.

    Ondanks vernietiging van de milieuvergunning door ABRvS is voortzetting van de bouw van de inrichting niet onrechtmatig omdat met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat opnieuw vergunning zal worden verleend.

    Uit tekst artikel 19kd Natuurbeschermingswet valt niet af te leiden dat onder de daar genoemde omstandigheden sprake is van een uitzondering op de vergunningplicht. Verder is de in dit artikel genoemde referentiedatum (7 december 2004) in strijd met de Habitatrichtlijn voor zover het gaat om Vogelrichtlijngebieden die reeds vóór die datum zijn aangewezen.

    De norm waarop appellanten zich beroepen strekt niet tot bescherming van hun belangen (relativiteitsvereiste).

Jurisprudentie

ABRvS 13 juli 2011, nr. 201007590/1 (Medemblik)

Auteurs Valérie van ’t Lam
Samenvatting

    Het in de vergunning stellen van hogere geluidgrenswaarden dan in de aanvraag staan vermeld, is niet ongeoorloofd.


Valérie van ’t Lam

    Recreatiewoning is geurgevoelig object ook al dient deze woning niet tot permanent verblijf.

    Verbeurte dwangsom door bevoegd gezag wegens niet-tijdig beslissen. Tevens wordt het bevoegd gezag opgedragen om geluidscontrolemetingen uit te (laten) voeren.

    Vergunning terecht geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan.

    Het college heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de bedrijfswoning deel uitmaakt van de Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting.

    Bij het vaststellen van andere afstanden als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet geurhinder is het toegestaan om onderscheid te maken tussen veehouderijen al naar gelang hun omvang.

    Appellante is belanghebbende. Vernietiging besluit nu er geen zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Het relativiteitsvereiste staat niet aan vernietiging van het besluit in de weg.

    Ook in een krimpsituatie kan behoefte bestaan aan nieuwbouwwoningen.


Tycho Lam

    Projectbesluit. Voor wat betreft bebouwing nog niet in rechte onaantastbaar maar voor wat betreft gebruik wel.

    Wabo. Het algemeen gebruiksverbod is niet van toepassing op bestemmingsplannen die onder de WRO tot stand zijn gekomen.

    Vergunningsvrij bouwen. Uitleg van criterium ‘op de grond staand’ in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en de Nota van toelichting bij het Bor.

    Relativiteitsbeginsel en bezwaren inzake geluid en natuur.

    Het bepaalde in 5.18 van het Bor is ontleend aan artikel 3.22 van de Wro (oud). De jurisprudentie van de Afdeling behoudt haar gelding. Tijdelijke bouwweg op toekomstig tracé is een tijdelijke voorziening.

    Toepassing artikel 1.4 Chw. Uitleg begrip centrale overheid. Verdrag van Aarhus.

    Toepassing Wgh. Industrieterrein. Alle geluidproducerende delen van de inrichting moeten als Wgh-inrichting worden bestemd. Relatie met Chw.

    Twee MER-ren voor twee projecten in één plan. Autonome ontwikkeling.

    Realiseren ondergrondse carport is bouwen in de zin van de Woningwet en bouwvergunningplichtig. Geen op de grond staand bijgebouw.

    Relativiteitsbeginsel en bezwaren inzake geluid, maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid.

    Geen oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan elektromagnetische velden door middel van GSM/UMTS-masten enerzijds en de vermindering van het welbevinden en schade aan de gezondheid anderzijds.

    Impliciete vrijstelling bij verlenen bouwvergunning.


Tonny Nijmeijer

    Bor. Bijbehorend bouwwerk. Uitleg oppervlakte-eis.


Luuk Gerritsen

Tycho Lam

    Afwijking van provinciaal contourenbeleid gerechtvaardigd in verband met bestaande rechten.

    Afwijking van CROW-normen inzake grootschalige detailhandel.

    De eerder bestaande voorzienbaarheid op grond van het bestemmingsplan ‘Kortland 1976’ is doorbroken door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Kortland’.

    Bij de planvergelijking in het kader van de beoordeling van een aanvraag om vergoeding van planschade moet worden bezien of een in de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbepaling evident in strijd is met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO en daaraan, indien daarom in een concreet geval was gevraagd, onmiskenbaar geen toepassing had kunnen worden gegeven. Bij afwezigheid van een dergelijke evidentie mag degene die om vergoeding van planschade verzoekt, niet aannemen dat een planvoorschrift geen geldige titel voor het verlenen van vrijstelling bevat.


Berthy van den Broek

    Niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid staat vast dat in verband met een ongunstige verkavelingssituatie een maximale invulling van het vorige planologische regime niet mogelijk was, omdat een ongunstige verkavelingssituatie niet alleen ontstaat door uitruil van kavels, maar ook indien een kavel bijvoorbeeld na verkoop of erfenis een ongunstigere ligging heeft gekregen ten opzichte van andere kavels.