DOI: 10.5553/NTS/266665532020035001009

Nederlands Tijdschrift voor StrafrechtAccess_open

Actualiteiten rechtspraak

NTS 2020/9

HR 10 december 2019, 18/04454, ECLI:NL:HR:2019:1920

DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
, 'NTS 2020/9', Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2020-1, p. 50-50

Dit artikel wordt geciteerd in

      Rijden tijdens rijontzegging, art. 9.1 WVW 1994. Bewijsklacht. Bewezenverklaring is niet toereikend gemotiveerd

    • Aantekening redactie

      Het Hof achtte in deze zaak bewezen dat de verdachte op 12 juni 2015, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, heeft gereden. Ingevolge het eerste lid van artikel 9 WVW 1994 is het degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen. Doorgaans draait het in dit soort zaken om de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte van de rijontzegging wist of had moeten weten. Ook in deze zaak klaagde het middel wel dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd’, maar draaide het eigenlijk om een daaraan voorafgaande vraag, namelijk of überhaupt wel kon worden bewezen dat er door een rechter een rijontzegging was opgelegd. Het bewijs hield in dat uit een nadere controle van de politie naar voren kwam dat het rijbewijs van de bestuurder van de Jaguar volledig ongeldig is verklaard sinds 25 maart 2009 en dat het betreffende rijbewijs op dat moment bij het CBR (Divisie vorderingen) ligt en voorts dat uit de justitiële documentatie het volgende bleek:

      CVOM: 96-087473-15
      Feit 2: art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994.
      Kwalificatie: overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994.
      Maat. classif.: ongeldig verklaard rijbewijs.
      Pleegdatum: 2 mei 2015 te Geldermalsen.

      Is het gegeven dat de verdachte voorafgaande aan de pleegdatum veroordeeld is vanwege overtreding van artikel 9 lid 2 eerste volzin WVW 1994 (het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard) redengevend voor het bewijs? De Hoge Raad oordeelt dat dit niet het geval is:

      ‘De bewezenverklaring is niet toereikend gemotiveerd. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid dat de verdachte bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorijtuigen was ontzegd, noch dat een ontzegging van kracht was ten tijde van het onder 4 tenlastegelegde feit. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, is de – uit bewijsmiddel 8 blijkende – omstandigheid dat de verdachte voorafgaande aan het onder 4 tenlastegelegde feit is veroordeeld vanwege overtreding van art. 9, tweede lid eerste volzin, Wegenverkeerswet 1994 – het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard – daartoe niet redengevend.’

      Weliswaar mocht de verdachte niet rijden gelet op de ongeldigverklaring, bewijs voor overtreding van het eerste lid van artikel 9 WVW levert dit inderdaad niet op. Het ongeldig verklaren van een rijbewijs moet los worden gezien van een (eventuele) rijontzegging. Zo schort een ongeldigverklaring van het rijbewijs de rijontzegging niet op; zij lopen naast elkaar.1xZie over beide figuren ECLI:NL:PHR:2007:BA7651.

    Noten

    • 1 Zie over beide figuren ECLI:NL:PHR:2007:BA7651.


Print dit artikel