DOI: 10.5553/NTS/266665532020035001010

Nederlands Tijdschrift voor StrafrechtAccess_open

Actualiteiten rechtspraak

NTS 2020/10

HR 10 december 2019, 18/04224, ECLI:NL:HR:2019:1932

DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
, 'NTS 2020/10', Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2020-1, p. 51-51

Dit artikel wordt geciteerd in

      Profijtontneming, w.v.v. uit zich ontdoen van gevaarlijke stoffen, begaan door rechtspersoon. OM ontvankelijk in ontnemingsvordering, nu vordering niet binnen in art. 511b.1 Sv genoemde termijn van 2 jaren na strafvonnis e.a. aanhangig is gemaakt?

    • Aantekening redactie

      De ontnemingsprocedure betreft niet een nieuwe ‘criminal charge’, maar een afsplitsing, voortzetting, onderdeel of aanhangsel (‘sequeel’) van de procedure in de hoofdzaak. Daarbij gelden twee voorwaarden: de vordering wordt tijdig aangekondigd en de daartoe strekkende procedure wordt bijtijds ingezet. Artikel 511b lid 1 Sv ziet op die tweede conditie. Een ontnemingsvordering dient ingevolgde het eerste lid van artikel 511b Sv namelijk zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig te worden gemaakt. Deze periode van twee jaren vangt naar de bedoeling van de wetgever aan op de dag van de uitspraak in eerste aanleg over de hoofdzaak en loopt door ook al is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De einddatum van deze termijn wordt bepaald door de datering van de ontnemingsvordering. Wat betreft het moment dat een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt, heeft de wetgever de datering van deze vordering beslissend geacht. De termijn van twee jaar beoogt de voortvarendheid van ontnemingsprocedures en de rechtszekerheid te bevorderen. Het tijdig aanhangig maken van een ontnemingsprocedure schept voor de veroordeelde de gewenste duidelijkheid. Indien het Openbaar Ministerie nalaat binnen deze termijn een ontnemingsvordering in te dienen, moet de veroordeelde erop kunnen vertrouwen dat een dergelijke vordering niet meer boven zijn hoofd hangt. De klacht van het middel hield in dat de tweede ontnemingsvordering, of anders bezien: dezelfde vordering maar andermaal aangebracht, dateert van na afloop van de tweejaarstermijn van artikel 511b lid 1 Sv.
      De officier van justitie heeft op 6 december 2010 – binnen twee jaren na het op 5 februari 2009 uitgesproken vonnis in de strafzaak de ontnemingsvordering ingediend bij de meervoudige strafkamer van Rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 6 september 2012 onbevoegd verklaard kennis te nemen van de ontnemingsvordering. Op 8 november 2012 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering opnieuw aangebracht, ditmaal bij de meervoudige economische kamer van Rechtbank Amsterdam. In hoger beroep achtte het hof het OM ontvankelijk in de ontnemingsvordering heeft het aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd, waarbij het de betalingsverplichting heeft vastgesteld op € 621.696,90. Het Hof heeft het verweer verworpen dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de op 8 november 2012 opnieuw aangebrachte ontnemingsvordering. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen daarbij betrokken dat (i) de officier van justitie al op 6 december 2010 een op dezelfde grondslag en, behoudens een nadien aangebrachte correctie in het voordeel van de betrokkene, hetzelfde bedrag betrekking hebbende ontnemingsvordering aanhangig had gemaakt, (ii) de betrokkene door die op 6 december 2010 aangebrachte ontnemingsvordering binnen de in artikel 511b lid 1 eerste volzin Sv genoemde termijn op de hoogte is geraakt dat tegen hem een ontnemingsvordering werd ingesteld en (iii) na de uitspraak van de rechtbank, waarin deze zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van de ontnemingsvordering, niet onnodig is getalmd met het opnieuw aanbrengen van de ontnemingsvordering met de oproeping voor de wel bevoegde rechter te verschijnen. De Hoge Raad overwoog allereerst dat in de wet aan de niet-naleving van de in artikel 511b lid 1 Sv genoemde termijn geen rechtsgevolg wordt verbonden. De wetsgeschiedenis houdt in dat overschrijding van de genoemde termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Die wetsgeschiedenis dwingt echter niet ertoe dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid zonder uitzondering moet worden verbonden aan de overschrijding van die termijn. Bijzondere omstandigheden kunnen met zich brengen dat de belangen die artikel 511b lid 1 Sv beoogt te beschermen, niet wezenlijk in het geding zijn en dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring in de ontnemingsvordering achterwege wordt gelaten. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de ontnemingsvordering op 8 november 2012 opnieuw is aangebracht, in het onderhavige geval niet tot gevolg heeft dat de officier van justitie niet in de ontnemingsvordering kan worden ontvangen.


Print dit artikel