DOI: 10.5553/NTS/266665532020035001013

Nederlands Tijdschrift voor StrafrechtAccess_open

Actualiteiten rechtspraak

NTS 2020/13

HR 19 november 2019, 18/04120, ECLI:NL:HR:2019:1796

DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
, 'NTS 2020/13', Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2020-1, p. 54-55

Dit artikel wordt geciteerd in

      Schietpartij in woonwijk Spijkenisse in 2016. Poging doodslag (art. 287 Sr) en voorhanden hebben alarmpistool en bijhorende munitie (art. 26.1 WMM). Voorwaardelijk opzet

    • Aantekening redactie

      De verdachte is door het hof wegens o.m. ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Het cassatiemiddel richtte zich tegen het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op de doodslag. Wat was er gebeurd? Op 4 november 2016 kreeg de politie omstreeks 21:54 uur een melding dat er zou zijn geschoten op een parkeerplaats in een wijk in Spijkenisse. Een vrouw die ten tijde van het incident in haar woning aan aanwezig was, verklaarde dat zij zag dat er drie mannen met allemaal een pistool in hun handen naar een man aan het schieten waren en dat de andere man, met ook een pistool in zijn handen, terugschoot, richting de drie mannen. Twee mannen stonden tussen een caravan en een rode auto op een lege parkeerplaats. Aan de andere kant van de caravan stond ook een man. De vierde man (de verdachte) stond een stukje verderop ter hoogte van het tunneltje dat onder het flatblok loopt. Het hof stelde vast dat:

    • ‘– de verdachte op een in een woonwijk, bij een flatblok gelegen parkeerplaats meermalen met een vuurwapen heeft geschoten;

    • – in en nabij een Renault Clio een kogel en hulzen zijn aangetroffen die met het door de verdachte gebruikte wapen zijn verschoten;

    • – deze Renault Clio zich bevond haaks op de parkeervakken met de witte caravan en schuin tegenover de witte caravan;

    • – aan weerszijden van deze caravan zich drie mannen bevonden;

    • – de verdachte “een stukje verderop” stond ter hoogte van het tunneltje dat onder het flatblok loopt;

    • – een getuige heeft verklaard dat die mannen en de verdachte over en weer in elkaars richting schoten.

    • Het Hof acht op grond van voormelde feiten en omstandigheden met de advocaat-generaal en de rechtbank (…) wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte minst genomen met voorwaardelijk opzet heeft gepoogd een of meerdere personen van het leven te beroven, waarbij de verdachte een vuurwapen met munitie heeft gebruikt. Door immers op een in een woonwijk gelegen, parkeerplaats meermalen met een vuurwapen gericht en op korte afstand, op één of meer personen te schieten heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij (een van) deze personen zou raken in vitale delen met dodelijk gevolg en heeft hij klaarblijkelijk bewust die aanmerkelijke kans aanvaard.’

      Volgens A-G Spronken gaat het erom of de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van (een van) de mannen dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Dat lijkt wat streng. Schieten in een woonwijk op personen die ‘een eindje verderop staan’ (terwijl naderhand hulzen en kogels worden gevonden op de plek waar de personen waarop is geschoten stonden) roept naar algemene ervaringsregels de reële niet onwaarschijnlijke kans op dat een of meer van die personen dodelijk worden getroffen. De aard van de handeling (schieten op die personen) maakt dat dan nauwelijks meer kan worden aangenomen dat de verdachte niet een keuze heeft gemaakt tegen het leven van die personen maar heeft gedacht dat het zo’n vaart niet zou lopen. Anders gezegd: wanneer onder die omstandigheden wordt geschoten, worden kennelijk de schouders opgehaald voor het leven van de personen in wiens richting men schiet. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dan ook niet onbegrijpelijk:

      ‘Op grond hiervan heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte zich op korte afstand van de andere mannen bevond en zodanig was gepositioneerd dat hij met het schieten in de richting van de Renault Clio ook in de richting van de andere mannen heeft geschoten en dat aldus de aanmerkelijke kans bestond dat hij (een van) deze personen zou raken in vitale delen met dodelijk gevolg, terwijl de verdachte door op deze wijze op de parkeerplaats te schieten, klaarblijkelijk bewust die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.’


Print dit artikel