DOI: 10.5553/NTS/266665532020035001019

Nederlands Tijdschrift voor StrafrechtAccess_open

Actualiteiten rechtspraak

NTS 2020/19

HR 1 oktober 2019, 18/01426, ECLI:NL:HR:2019:1476

DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
, 'NTS 2020/19', Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2020-1, p. 59-60

Dit artikel wordt geciteerd in

      Jeugdzaak. Diefstal met geweld (art. 312.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). Benoeming deskundige. Kan een niet als deskundige in de zin van art. 51i.1 Sv benoemd persoon door rechter ttz. als ‘deskundige’ worden gehoord?

    • Aantekening redactie

      Het middel in deze jeugdzaak klaagde dat het hof drie personen (waaronder mensen van de Jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming) ter zitting als deskundige heeft gehoord zonder dat deze personen voorafgaand aan het horen als deskundige zijn benoemd met een opdracht tot het geven van informatie of het doen van onderzoek op een terrein waarvan zij specifieke of bijzondere kennis bezitten, als bedoeld in artikel 51i lid 1 Sv. Kan dat? De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting dat een persoon uitsluitend als deskundige ter terechtzitting door de rechter kan worden gehoord indien deze persoon voorafgaand aan dat verhoor – overeenkomstig artikel 51i lid 1 Sv op de in de wet bepaalde wijze – als deskundige is benoemd, onjuist is. De rechter is op grond van artikel 299 Sv in verbinding met artikel 287 lid 2 en 3 Sv en artikel 315 lid 1 Sv bevoegd tot het doen oproepen en het horen als deskundige van een persoon op een terrein waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit, ook als deze niet tevoren als deskundige is benoemd met een opdracht tot het geven van informatie of het doen van onderzoek. Dat neemt niet weg dat de rechter kan beslissen dat voorafgaand aan het horen ter terechtzitting benoeming tot deskundige dient plaats te vinden, bijvoorbeeld omdat het is aangewezen dat voorafgaand aan dat verhoor door de betreffende persoon een schriftelijk verslag over een voor de strafzaak relevant vraagpunt of te verrichten onderzoek wordt uitgebracht. Het is vervolgens aan de rechter om bij de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv te beoordelen welke betekenis toekomt aan de ter terechtzitting afgelegde verklaring, waarbij onder meer de deskundigheid van de betreffende persoon met betrekking tot de aan zijn oordeel onderworpen vragen van belang kan zijn.1xVgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8821.
      Niet elke persoon die als deskundige op de terechtzitting wordt gehoord is een forensisch deskundige als bedoeld in artikel 51i Sv e.v. en de bepalingen over de deskundige (art. 51i t/m 51m Sv) gelden niet onverkort voor elke persoon die de rechter als deskundige op de zitting hoort. Iemand die enkel als deskundige verklaart of rapporteert over de persoon van de verdachte is natuurlijk een ander type deskundige dan een forensisch deskundige wiens rapport of verklaring bewijswaarde kan hebben. Een reclasseringswerker die een voorlichtingsrapportage uitbrengt over de (persoon van de) verdachte, wordt in beginsel niet als deskundige aangemerkt, maar kan dus wel als deskundige op de zitting worden gehoord zonder dat hij of zij (telkens) in die hoedanigheid wordt benoemd.

    Noten

    • 1 Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8821.


Print dit artikel