DOI: 10.5553/NTS/266665532020035001021

Nederlands Tijdschrift voor StrafrechtAccess_open

Actualiteiten rechtspraak

NTS 2020/21

HR 1 oktober 2019, 17/00380, ECLI:NL:HR:2019:1454

DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
, 'NTS 2020/21', Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2020-1, p. 61-62

Dit artikel wordt geciteerd in

      Oplichting (meermalen gepleegd) door via ‘onzinverhalen’ tegenover kwetsbare oudere dame andere personen uit haar kennissenkring te bewegen tot afgeven van geldbedragen t.g.v. verdachte, art. 326 Sr

    • Aantekening redactie

      Voor oplichting ex artikel 326 lid 1 Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot in die bepaling bedoelde handelingen. Niet vereist is dat het oplichtingsmiddel rechtstreeks wordt aangewend jegens degene die wordt bewogen tot desbetreffende handelingen. Oplichting kan ook geschieden door tegenover een (niet-strafbare) tussenpersoon het oplichtingsmiddel aan te wenden, mits verdachte daarbij heeft gehandeld met het in artikel 326 Sr bedoelde oogmerk.1xVgl. HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246. Het hof heeft de verdachte wegens ‘oplichting, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het middel bevatte de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte de in de betreffende personen heeft ‘bewogen’ tot afgifte van geldbedragen op de wijze zoals bewezen is verklaard, getuigde van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen was omkleed.
      Wat was er gebeurd? Verdachte heeft op zeer geraffineerde wijze misbruik gemaakt van een oudere dame, die het goed met hem voorhad. Tegenover haar deed hij zich op allerlei manieren voor als slachtoffer van omstandigheden, dat op korte termijn weer over geld zou kunnen beschikken. Zo heeft verdachte erkend dat hij tegen de oude dame verschillende onzinverhalen heeft verteld. Hij vertelde onder meer dat hij werkzaam was bij de Europese Unie dan wel de NAVO, voor die baan veel moest reizen en hij niet over zijn geld kon beschikken omdat zijn rekening was geblokkeerd dan wel vanwege een registratie bij het BKR. Voorts heeft hij diverse berichten, zoals e-mailberichten van zogenaamde werkgevers en sms-berichten, vals opgemaakt om zijn onzinverhalen kracht bij te zetten. De oude dame had toegang tot deze stukken, en gebruikte de informatie als ze geld vroeg aan anderen ten behoeve van verdachte. De aangevers zijn aanvankelijk steeds benaderd door de oude dame. Zij heeft, nadat haar eigen financiële mogelijkheden ten behoeve van verdachte waren uitgeput, mensen uit haar kennissenkring gevraagd om verdachte financieel te ondersteunen. Op die manier kreeg verdachte toegang tot mensen die hij anders wellicht nooit succesvol had kunnen benaderen: ouderen, die gelet op de (soms al decennia bestaande) vriendschap met de oude dame vol vertrouwen waren. De oude dame vertelde de onzinverhalen die verdachte haar vertelde door aan haar kennissenkring. Vast staat dat al die over verdachte vertelde verhalen ‘verzinsels’ van verdachte betroffen. Aangevers zijn vervolgens overgegaan tot het geven van geld aan de oude dame ten behoeve van verdachte. De oude dame leidde dit geld telkens door naar verdachte. In totaal zijn er tonnen bij verdachte terechtgekomen en door hem uitgegeven. Toen aangevers, tevergeefs, probeerden hun geld terug te krijgen heeft verdachte ze eindeloos aan het lijntje gehouden en tegen hen gelogen. Door de verdediging werd aangevoerd dat nu er op één situatie na nooit ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en deze derden, die derden niet door de verdachte zijn opgelicht. Het hof oordeelde echter dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld en dat daarom van oplichting kon worden gesproken. De vraag was dus of van oplichting ook sprake kan zijn als de oplichtingsmiddelen niet rechtstreeks worden aangewend jegens degene die een goed afgeeft, maar door tussenkomst van een derde. Uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad kon reeds worden opgemaakt dat ‘indirecte oplichting’ wel degelijk mogelijk is,2xHR 16 oktober 1922, NJ 1923, p. 20 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246. mits het opzet van de verdachte erop is gericht om van het (niet direct benaderde) slachtoffer de afgifte te verkrijgen. Dat opzet bestaat uit ‘oogmerk’, wat uiteraard betekent dat voorwaardelijk opzet niet volstaat. Nu de oude dame in deze zaak niet als medepleger werd aangemerkt en het hof op voorwaardelijk opzet geënte bewoordingen bezigde, was het opzet nog wel een issue. De Hoge Raad oordeelde dat met uitzondering van het ene slachtoffer dat wel persoonlijk door de verdachte was benaderd, het oplichten van de slachtoffers door de verdachte niet uit de bewijsvoering kon worden afgeleid:

      ‘Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte zich mede met behulp van ‘onzinverhalen’ tegenover een oudere dame, [betrokkene 1] , heeft voorgedaan als een slachtoffer van omstandigheden dat op korte termijn weer over geld zou kunnen beschikken. Nadat haar eigen financiële mogelijkheden waren uitgeput, heeft [betrokkene 1] die verzinsels doorverteld aan diverse personen uit haar kennissenkring en deze gevraagd om de verdachte financieel te ondersteunen. Die personen hebben vervolgens geld gegeven aan [betrokkene 1] ten behoeve van de verdachte. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat, op aangever [benadeelde 2] na, tegen wie de verdachte zelf heeft gelogen teneinde deze te bewegen tot afgifte van geldbedragen, de aangevers aanvankelijk steeds door [betrokkene 1] zijn benaderd om geldbedragen af te geven.
      De bewezenverklaringen, voor zover inhoudende dat de verdachte zich telkens schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 9] , kan niet zonder meer worden afgeleid uit de door het Hof gehanteerde bewijsvoering. De bestreden uitspraak is in zoverre, mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
      Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof omtrent het oogmerk van de verdachte om zich door de in de bewezenverklaringen genoemde oplichtingsmiddelen wederrechtelijk te bevoordelen niet meer heeft overwogen dan dat de verdachte ‘op zijn minst de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld’ en dat het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die rechtstreeks of indirect door de in de bewezenverklaringen vermelde oplichtingshandelingen de daarin genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen.
      Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.’

    Noten

    • 1 Vgl. HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246.

    • 2 HR 16 oktober 1922, NJ 1923, p. 20 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246.


Print dit artikel