DOI: 10.5553/TBSenH/229567002019005003002

Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & HandhavingAccess_open

Artikel

Strafzaken in het overzeese deel van het Koninkrijk

Enkele praktische aspecten en verschillen met Nederland

Trefwoorden verlofstelsel, Gemeenschappelijk Hof van Justitie, Gerecht in eerste aanleg, Hoger beroep, herziening
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Prof. mr. dr. G.G.J.A. Knoops, 'Strafzaken in het overzeese deel van het Koninkrijk', Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving 2019, p. 127-132

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      Het strafrechtsysteem in de Nederlandse Antillen, of, om in hedendaagse staatskundige termen te spreken: het overzeese deel van het Koninkrijk, krijgt in de Nederlandse vaktijdschriften niet die aandacht die het verdient. In zijn bundel ‘Grepen uit de Antilliaanse jurisprudentie’ merkt professor Jan Reijntjes op dat het ‘(…) jammer is dat van de Antilliaanse rechtspraak zo weinig naar buiten komt (…). Publicatie van uitspraken in de vakbladen is meer uitzondering dan regel, en annotatie komt zo mogelijk nog minder vaak voor.’1x J.M. Reijntjes, Grepen uit de Antilliaanse jurisprudentie. Deel 2, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2015, p. iii.

      Voor de Nederlandse strafrechtadvocaat die verdachten bijstaat in het overzeese gebied van het Koninkrijk is een rechtsvergelijkend inzicht in met name de strafvorderlijke verschillen tussen het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: Sv CUR) – dat overigens in de basis min of meer gelijkluidend is voor wat betreft Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden – en dat van Nederland van belang. Dit belang is toegenomen nu in de afgelopen jaren de expertise van Nederlandse strafadvocaten steeds meer wordt ingeroepen door verdachten in het overzeese deel van het Koninkrijk. Dit geldt voornamelijk in complexe financiële en fiscale strafzaken, waarin Nederlandse advocaten samen met een lokale advocaat de verdediging voeren. In dit artikel zullen een aantal praktische aspecten worden besproken met betrekking tot het voeren van de verdediging in het overzeese deel van het Koninkrijk, alsmede zal worden ingegaan op een aantal in het oog springende verschillen met Nederland.

    • 2. Het verlofstelsel

      De eerste stap waarmee een Nederlandse raadsman in het overzeese deel van het Koninkrijk van doen krijgt, is het zogeheten verlofstelsel. De Nederlandse raadsman of -vrouw zal, alvorens hij of zij in een strafprocedure voor het Gerecht in eerste aanleg (hierna: het Gerecht) of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het Hof) kan optreden, verlof dienen te krijgen van het Hof om zulks te mogen doen.2x Zie o.a. artikel 57 lid 2 Sv CUR. Daartoe dient een verzoek te worden ingediend bij het Hof.3x Zie o.a. artikel 57 lid 2 Sv CUR. Het Hof kan in een dergelijk verzoek voorzien, indien sprake is van een ‘bijzonder geval’. Hiervan kan onder meer sprake zijn bij zaken met een grote maatschappelijke impact of een grote complexiteit en bij zaken die een bijzondere expertise vergen die niet in voldoende mate wordt aangetroffen bij advocaten die bij het Hof staan ingeschreven. Tevens kan een rol spelen dat de buitenlandse advocaat de verdachte reeds eerder heeft bijgestaan. Deze bijzondere omstandigheden kunnen op zich, dan wel in onderlinge samenhang worden beschouwd.4x Zie ook beschikking Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 24 september 2018, nummer HAR – 131/18. Het Hof heeft de bevoegdheid om, niettegenstaande de wens van de verdachte, het verlof te weigeren, indien naar zijn oordeel geen sprake is van een dergelijk bijzonder geval. In het verleden heeft het Hof bijvoorbeeld een dergelijk verlof toegewezen in een drietal complexe herzieningsprocedures.5x Vonnis Gemeenschappelijk hof 7 maart 2017, zaaknummer 113/16 (gepubliceerd op Dutchcarribeanlegalportal.com onder nr. 8070), ECLI:NL:OGHACMB:2013:4 (Spelonk) en ECLI:NL:OGHACMB:2015:5. In september 2018 nog werd daarentegen een verzoek tot verlof afgewezen daar het Hof van oordeel was dat geen sprake was een bijzonder geval als voornoemd.6x Zie ook beschikking Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 24 september 2018, nummer HAR – 131/18.

      Voor de Nederlandse raadsman of -vrouw die in het overzeese deel van het Koninkrijk wenst op te treden, is het dus zaak om het verlofverzoek zo specifiek mogelijk uiteen te zetten en te onderbouwen. Daarbij zijn onder meer de navolgende aspecten van belang:

      1. de aard van de zaak;

      2. de complexiteit/gevoeligheid van de zaak;

      3. het vereiste specialisme;

      4. de reden dat dit specialisme juist door de Nederlandse advocaat geleverd kan worden;

      5. de bereidheid tot samenwerking met een lokale advocaat, die ook genoemd moet worden in het verzoek om verlof.

    • 3. De Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering in het overzeese deel van het Koninkrijk

      Indien de Nederlandse advocaat verlof heeft om op te treden in het overzeese deel van het Koninkrijk, dan heeft deze te maken met andere Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering dan in Nederland. Curaçao, alsmede Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden hebben immers alle een eigen Wetboek van Strafrecht en Strafvordering.7x De BES-eilanden hebben gezamenlijk een eigen Wetboek van Strafrecht en Strafvordering.

      De overzeese Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering zijn allemaal voor wat betreft de basis min of meer gelijkluidend. Er zijn echter per (ei)land bepaalde kleine verschillen waar te nemen. Een voorbeeld hiervan betreft de omstandigheid dat de Arubaanse wetgever het Wetboek van Strafrecht van Aruba aanpaste, in die zin dat de strafmaat op autodiefstallen in aanzienlijke mate werd verhoogd.8x Dit wordt ook toegelicht in r.o. 4.2 van ECLI:NL:OGHACMB:2014:34. De reden hiervoor was gelegen in de problematiek op Aruba met alsmaar aanhoudende autodiefstallen. Voorts kan ter adstructie worden gewezen op de omstandigheid dat in 2012 in Sint Maarten de wetgever in het concept van het nieuwe Wetboek van Strafrecht de bepaling die levenslanggestraften het recht gaf op herziening van hun vonnis na 20 jaar schrapte.9x Het ging om art. 28 uit het concept wetboek van strafrecht. Zie ook: http://www.dutchcaribbeanlegalportal.com/news/crime/4830-aanpassing-wetboek-van-strafrecht-sint-maarten. In 2015 werd overigens deze bepaling bij aparte landsverordening toch weer aan het Wetboek van Strafrecht toegevoegd.10x Landsverordening van de 21e april 2015 tot wijziging van de Staatsregeling en andere landsverordeningen vanwege de invoering van het Wetboek van Strafrecht en tot wijziging van dat wetboek naar aanleiding van de uitspraak van het Constitutioneel Hof (Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht), Afkondigingsblad van Sint Maarten, jaargang 2015, nr. 9. Zie ook: http://www.sintmaartengov.org/government/AZ/laws/AFKONDIGINGSBLAD/AB%2009%20Invoeringslandsverordening%20Wetboek%20van%20Strafrecht.pdf.

      Hoewel wordt getracht de wetgeving binnen het gehele Koninkrijk zo veel mogelijk concordant te regelen (zie hiervoor o.a. § 4 van dit artikel over het concordantiebeginsel), bestaan er niettemin zoals gezegd in de praktijk wel degelijk verschillen tussen de strafwetgeving in Nederland en die in het overzeese deel van het Koninkrijk waarmee de Nederlandse advocaat die daar optreedt rekening dient te houden. Zo zijn bijvoorbeeld het hoger beroep en de herziening in het overzeese deel van het Koninkrijk op een aantal punten principieel anders geregeld dan in Nederland. Daarop zal later in dit artikel nader worden teruggekomen. Tevens kent het Antilliaanse strafprocesrecht bijvoorbeeld een eigen procesgang tot het verkrijgen van een rechterlijke voorziening, te weten het strafvorderlijk kort geding, welke het Nederlands strafprocesrecht niet kent. Ook hierop zal verder in dit artikel nader worden ingegaan.

      De verschillen in de onderscheidende wetboeken kunnen onder meer (zijn) ontstaan doordat bijvoorbeeld in de Nederlandse wetgeving wijzigingen worden aangebracht en deze wijzigingen (vooralsnog) niet zijn overgenomen in de wetgeving van de andere landen van het Koninkrijk. Een voorbeeld hiervan betreft de wetgeving omtrent de herziening, waarop aldus nader zal worden ingegaan in § 5.4 van dit artikel. Andere voorbeelden van redenen voor bestaande verschillen tussen de diverse wetboeken kunnen onder meer worden gevonden in (fundamenteel) verschil in maatschappelijke opvattingen, of specifieke problematiek. Zie in dit verband bijvoorbeeld het reeds hierboven genoemde voorbeeld terzake de problematiek omtrent autodiefstallen op Aruba.

    • 4. Het concordantiebeginsel

      Ondanks de verschillen tussen de Nederlandse en de overzeese strafwet, wordt, zoals reeds kort genoemd, wél getracht de wetgeving binnen het Koninkrijk zo veel mogelijk concordant toe te passen. Derhalve dient de strafwet op de Antillen – behoudens de hierna genoemde uitzonderingen – concordant met de Nederlandse wet te worden geïnterpreteerd. Dit volgt uit het zogenoemde concordantiebeginsel, zoals vervat in artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut). Ingevolge voornoemde bepaling van het Statuut wordt, onder andere,11x Ingevolge art. 39 Statuut geldt dit ook voor: het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede bepalingen omtrent maten en gewichten. het strafrecht en de strafvordering in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld. Zoals hiervoor reeds uiteengezet, is daarvan in de praktijk lang niet altijd sprake (mede gelet op de verschillen in de diverse wetboeken). De rechter kan derhalve in voorkomende gevallen door middel van harmoniserende of concorderende interpretatie de eenheid van het rechtssysteem herstellen.12x Zie ook HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, m.nt. Kortmann. Zie tevens A-G Vlas in ECLI:NL:PHR:2013:BY1880.

      Op grond van het concordantiebeginsel wordt (min of meer) gelijkluidende regelgeving in beginsel hetzelfde uitgelegd.13x Zie ook HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, r.o. 3.4, alsmede o.a. HR 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1885, NJ 1996/283 (r.o. 3.4), HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005/190 (slot rov. 3.5.2). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt voorts dat echter voor concorderende interpretatie géén plaats is wanneer 1) de wetgever van het andere land van het Koninkrijk juist heeft willen afwijken van het Nederlandse recht,14x Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas Hoge Raad 1 februari 2013, NJ 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 19 oktober 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX5797 (r.o. 3.3.2). 2) een bepaling van het andere land van het Koninkrijk zich verzet tegen de toepassing van de Nederlandse bepaling,15x Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas Hoge Raad 1 februari 2013, 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 8 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0144, NJ 1991/325 (r.o. 3.3); conclusie A-G Bakels onder 2.18 voor GR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4768, NJ 2001/31. HR 19 oktober 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX5797 (r.o. 3.3.2). of 3) een relevant (fundamenteel) verschil in maatschappelijke opvattingen een afwijkende uitleg rechtvaardigt.16x Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas voor Hoge Raad 1 februari 2013, NJ 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, r.o. 3.4. Volgens A-G Wortel in de conclusie bij de uitspraak van de Hoge Raad in een Antilliaanse zaak over de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 359 lid 2 Sv (NL), zou een beroep op het concordantiebeginsel alleen toegewezen kunnen worden ‘indien er geen twijfel over bestaat dat de wetgever in het betreffende deel van het Koninkrijk geen bezwaar zal of kan maken tegen overneming van de elders in gang gezette of doorgevoerde rechtsontwikkeling (wetswijziging of jurisprudentie).’17x Conclusie A-G Wortel bij HR 5 juni 2007: ECLI:NL:HR:2007:BA2160, 01322/06 A, NJ 2007/400, m.nt. Reijntjes.

      Als voorbeeld van de praktische toepassing van concorderende interpretatie in het strafrecht binnen het Koninkrijk, kan gelden de sanctionering van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Dit is in Nederland geregeld in artikel 359a Sv. Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao kent een vergelijkbare bepaling, te weten artikel 413 Sv CUR. In de praktijk wordt dit Curaçaose artikel 413 Sv CUR concordant geïnterpreteerd met de Nederlandse variant (art. 359a Sv). Deze vergelijkbare bepalingen worden hetzelfde uitgelegd, en derhalve zal de Curaçaose rechter aansluiting zoeken bij de vigerende Nederlandse jurisprudentie op dit punt. De in Curaçao optredende raadsman of raadsvrouw kan aldus een beroep doen op bijvoorbeeld de arresten ‘Afvoerpijp’ en ‘Onbevoegde hulpofficier van justitie’.18x HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (afvoerpijp) en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 (de onbevoegde hulpofficier).

    • 5. Een aantal in het oog springende verschillen tussen Nederland en het overzeese deel van het Koninkrijk

      5.1 Inleiding

      Ondanks het bestaan van het concordantiebeginsel, bestaan er thans nog steeds een aantal belangwekkende verschillen tussen het strafrechtsysteem in Nederland en het overzeese deel van het Koninkrijk, waarvan de in het overzeese deel van het Koninkrijk optredende Nederlandse advocaat zich rekenschap moet geven. Op een drietal in het oog springende aspecten zal in dit artikel nader worden ingegaan. Benadrukt wordt dat dit geen limitatieve opsomming van verschillen betreft. Volledigheid op dit gebied gaat het bestek van dit artikel te buiten. De verschillen die in dit artikel nader zullen worden besproken zijn: het strafvorderlijk kort geding, alsmede de verschillen in de regeling van hoger beroep en de herziening.

      5.2 Strafvorderlijk kort geding

      Het Antilliaanse strafprocesrecht onderscheidt zich onder meer van het Nederlandse, gelet op het feit dat het een eigen procesgang kent tot het verkrijgen van een rechterlijke voorziening bij dringende noodzaak.19x Zie ook art. 43 Sv CUR en Reijntjes 2015, p. 92. Deze procesgang wordt meestal aangeduid als het ‘strafvorderlijk kort geding’.20x Reijntjes 2015, p. 92. Dit strafvorderlijk kort geding bestaat eruit dat in alle gevallen, waarin het belang van een goede rechtsbedeling een voorziening dringend nodig maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening kan worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.21x Zie o.a. art 43 lid 1 Sv CUR. Deze procesgang tot het verkrijgen van een rechterlijke voorziening kan aldus slechts worden aangewend, indien geen specifieke rechtsgang openstaat.22x Reijntjes, 2015, p. 92. Ook de officier van justitie kan een dergelijk verzoek aan de rechter doen. De rechter kan dit echter niet ambtshalve.23x Zie art. 43 lid 2 Sv CUR en Reijntjes, 2015, p. 92.

      De voorzieningen die kunnen worden getroffen, kunnen zowel uit een gebod als een verbod bestaan, ook met betrekking tot gedragingen in de toekomst,24x Zie o.a. art. 43 lid 5 Sv CUR. of het nalaten daarvan.25x Reijntjes, 2015, p. 93 en Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 31. Anders dan in het civiele kort geding, zijn de voorzieningen geen voorlopige voorzieningen, al dragen zij wel het karakter van ordemaatregelen.26x Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 29-30 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 94. De opgelegde ordemaatregelen mogen niet zo ver reiken dat daarmee een uitbreiding van het wettelijk strikt omlijnde strafrechtelijke sanctiestelsel wordt bewerkstelligd.27x Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 31 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 94. De voorzieningen zouden ‘in elk stadium van strafvordering (van opsporing tot en met executie)’ kunnen worden getroffen,28x Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 30 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 96. en er dient sprake te zijn van spoedeisendheid.29x Reijntjes, 2015, p. 94.

      Een voorbeeld van een verzoek dat volgens vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof valt onder de reikwijdte van artikel 43 Sv CUR, betreft een verzoek dat ziet op de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verzoek dat ertoe strekt om het Openbaar Ministerie te bevelen een opgelegde terbeschikkingstelling met dwangverpleging onmiddellijk ten uitvoer te leggen.30x Dit is terug te vinden in een niet gepubliceerde beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao d.d. 1 maart 2019. Voor het Openbaar Ministerie staat de procedure van artikel 43 bijvoorbeeld open teneinde bij een situatie van tegenstrijdige belangen tussen medeverdachten, een onwillige advocaat ertoe te bewegen de verdediging te beperken. Dat in een dergelijk geval voor het Openbaar Ministerie de weg van artikel 43 Sv CUR openstaat, volgt ook expliciet uit de memorie van toelichting bij artikel 57 Sv CUR – welk artikel bepaalt dat bij tegenstrijdige belangen tussen medeverdachten, zij niet door dezelfde advocaat kunnen worden bijgestaan.31x Zie expliciet vermeld in de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van justitie d.d. 29 mei 2017, nummers HAR 68/2017 en HAR 69/2017 r.o. 3.2 (niet gepubliceerd).

      Anders dan in Nederland, beschikt het Antilliaanse strafprocesrecht aldus over een zogenoemde ‘restvoorziening’, die onder meer door de verdediging te allen tijde van het strafproces kan worden aangewend in situaties van spoedeisendheid en waarbij er geen specifieke rechtsgang openstaat. De Nederlandse wetgever heeft een dergelijke procedure niet aan het strafprocesrechtelijke instrumentarium toegevoegd. Thans kan in Nederland het civielrechtelijke kort geding soms uitkomst bieden voor spoedeisende kwesties in een strafzaak. Echter, mijn ervaring is dat de voorzieningenrechter doorgaans terughoudend is om in lopende strafzaken te interveniëren. In herzieningszaken zijn er wel voorbeelden waarbij de voorzieningenrechter bijvoorbeeld een vordering om verstrekking van DNA-materiaal toewees.32x ECLI:NL:RBDHA:2017:7623.

      Over de wenselijkheid om ook in Nederland een dergelijke voorziening als een strafvorderlijk kort geding in de wet op te nemen, wordt in de literatuur verschillend gedacht.33x Zie hiervoor ook Reijntjes, 2015, p. 99 e.v., die bij het bespreken van de praktijk ingaat op de stellingen van voorstanders en tegenstanders van dit strafvorderlijk kort geding. Over deze in het Antilliaanse procesrecht bestaande procesgang stelt Reijntjes in ieder geval dat het voorziet in een onmiskenbare behoefte, en daarom dient te worden gehandhaafd. Daarbij pleit hij wel voor verduidelijking en aanvulling van de bestaande regeling.34x Reijntjes, 2015, p. 102.

      5.3 Het hoger beroep

      Ook het hoger beroep is op een aantal punten principieel anders geregeld dan in Nederland.35x Reijntjes, 2015, p. 89. Het overzeese deel van het Koninkrijk heeft weliswaar afzonderlijke gerechten in eerste aanleg, maar de rechters van deze gerechten maken – anders dan in Nederland – allen tegelijk ook deel uit van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.36x Zie ook Reijntjes, 2015, p. 89. Het Gerecht in eerste aanleg maakt ook organisatorisch deel uit van het Hof.37x Zie www.gemhofvanjustitie.org. Er is dus in feite geen sprake van een extern hoger beroepcollege, maar van een ‘intern appel, een beroepsgang binnen hetzelfde rechtscollege’, aldus Reijntjes.38x Reijntjes, 2015, p. 89.

      Men kan zich de vraag stellen of deze situatie niet op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van een geheel nieuwe beoordeling van een zaak in hoger beroep, zoals artikel 6 EVRM vereist. Reijntjes stelt echter vast dat het overzeese systeem als het gaat om hoger beroep, niet bezwaarlijk is omdat in artikel 17 lid 4 van de Rijkswet omtrent het Gemeenschappelijk Hof is vastgelegd dat de beoordeling in appel steeds door een andere rechter dient plaats te vinden dan in eerste aanleg.39x Reijntjes, 2015, p. 89. Niettemin merkt deze rechtsgeleerde auteur op dat ‘beide rechters wel dichter bij elkaar zitten dan men in Nederland gewend is’.40x Reijntjes, 2015, p. 89. Dit geldt temeer als men bedenkt dat het Hof meestentijds in totaal maar ongeveer 20 vaste rechters telt. Ondanks dat voor de verdediging de kans van slagen van een artikel 6 EVRM-klacht op dit punt niet groot zal zijn, is deze situatie verre van optimaal.

      Het problematische aspect van deze situatie laat zich bij uitstek zien bij een succesvol cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof, waarbij de Hoge Raad terugwijst of verwijst. In de Nederlandse situatie kan de Hoge Raad naar een ander Hof verwijzen dan het Hof dat het vernietigde arrest wees. Daarmee wordt de onafhankelijkheid van de nieuwe behandeling bevorderd. Voor het overzeese deel van het Koninkrijk geldt dat de Hoge Raad slechts naar hetzelfde Gemeenschappelijke Hof als dat het vernietigde arrest wees kan verwijzen. Weliswaar zullen bij de nieuwe behandeling andere rechters zitting houden dan in eerste aanleg, maar feit blijft dat al deze rechters in het overzeese deel van het Koninkrijk gezamenlijk deel uitmaken van hetzelfde gemeenschappelijke hof. Dit betekent dat er minder waarborgen zijn voor een volstrekt nieuwe, externe en onafhankelijke behandeling van de strafzaak, hetgeen juist de essentie is van het stelsel van rechtsmiddelen.

      5.4 De herziening

      Niet alleen voor wat betreft het hoger beroep, maar ook voor wat betreft de herziening is de regeling in het overzeese deel van het Koninkrijk principieel anders op een aantal punten. In Nederland ligt het herzieningsoordeel in handen van de Hoge Raad der Nederlanden: het hoogste rechtsprekende orgaan dat bovendien nog niet eerder bij de feitelijke beoordeling van een zaak betrokken is geweest. De verdediging in strafzaken in het overzeese gebied ziet zich echter geconfronteerd met de juridische situatie dat het oordeel over een herziening van een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof ook aan ditzelfde Hof is voorbehouden. Bovendien wordt – wanneer een zaak daadwerkelijk wordt heropend – het nieuwe hoger beroep weer door datzelfde Hof behandeld. Anders dan in Nederland, speelt de Hoge Raad hier geen enkele rol, aldus ook Reijntjes.41x Reijntjes, 2015, p. 89. Wellicht nog meer dan bij de situatie van het hoger beroep, zoals hiervoor uiteengezet, betekent dit feitelijk dat sprake is van de slager die zijn eigen vlees keurt.

      Reijntjes kwalificeert deze gang van zaken in het overzeese deel van het Koninkrijk als ‘minder bevredigend’,42x Reijntjes, 2015, p. 89. hetgeen wat mij betreft een eufemisme mag heten. Men kan zich immers afvragen of deze vorm van herziening voldoet aan de essentie van een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM. Daar komt bij dat door dit verschil in wetgeving er sprake is van een hoge mate van rechtsongelijkheid binnen het Koninkrijk. Daarnaast bestaat echter ook een verschil in de definitie van het begrip novum, op grond waarvan een zaak mogelijk heropend zou kunnen worden. In 2012 is immers in Nederland op dit punt een wetswijziging doorgevoerd die een verruiming van het novumbegrip inhoudt. In het overzeese gebied geldt echter nog altijd de oude meer beperkte definitie. Dit klemt temeer nu in het overzeese gebied voor de veroordeelde die een potentiële gerechtelijke dwaling wil blootleggen – anders dan in Nederland – géén mogelijkheid bestaat om via de procureur-generaal bij de Hoge Raad een voorbereidend onderzoek te vragen. In Nederland kan dat sinds de wetswijziging van 2012 bij zogeheten twaalfjaars-feiten die de rechtsorde ernstig hebben geschokt wél. Bovendien dient in Nederland de procureur-generaal advies in te winnen van de Adviescommissie Afgesloten Strafzaken (ACAS) wanneer er sprake is van een opgelegde gevangenisstraf van zes jaar of meer. De ACAS doet onderzoek naar de noodzakelijkheid van het uitvoeren van een voorbereidend onderzoek met het oog op het aantonen van een mogelijk novum in een zaak.43x Zie art. 461-462 Wetboek van Strafvordering Nederland. Deze regeling ontbreekt in het overzeese gebied van het Koninkrijk en brengt aldus de daar veroordeelde in een beduidend nadeliger positie vergeleken met een veroordeelde in Nederland. Voor de verdediging brengt dit onder meer met zich mee dat men in het overzeese gebied, anders dan het geval kan zijn in Nederland, te allen tijde zelf het gehele feitenonderzoek naar een mogelijk novum dient uit te voeren en financieren.44x Zie voor het financieringsaspect: G.J.A. Knoops, ‘Herziening anno 2018: ten voor- of ten nadele?’, NJB 2018.

      Ook in het wetsontwerp voor een nieuw Wetboek van Strafvordering Curaçao wordt bovengenoemde ongelijkheid vooralsnog niet weggenomen.45x Er wordt momenteel gewerkt aan de invoering van een nieuw Wetboek van Strafvordering. Idealiter wordt dat wetboek ingevoerd op Curaçao, Aruba en Sint Maarten. Het invoeringsproces verloopt echter moeizaam; mede gezien de politieke situatie waarin het verloop relatief hoog is. De bekende concepten zijn daarnaast ook nog aan verandering onderhevig. In dit artikel is uitgegaan van de versie zoals die auteur bekend was op het moment van publicatie. De voorgenomen wijzigingen gelden niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het meest recente concept wordt wel het in Nederland gehanteerde novumbegrip overgenomen, hetgeen thans de verdediging in het overzeese gebied handvaten biedt voor een beroep op het concordantiebeginsel ten aanzien van dit novumbegrip. Immers, bepleit kan worden dat gelet dat er – gelet op het op handen zijnde wetsontwerp op dit punt – ‘geen twijfel over bestaat dat de wetgever in het betreffende deel van het Koninkrijk geen bezwaar zal of kan maken tegen overneming van de reeds in Nederland doorgevoerde wetswijziging’.46x Ingevolge het criterium voor toepassing concordantiebeginsel in conclusie A-G Wortel bij HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2160, 01322/06 A, NJ 2007/400, m.nt. Reijntjes. Ten aanzien van het voorbereidend onderzoek ziet het er echter naar uit dat in het nieuwe wetboek als mogelijkheid slechts wordt opgenomen dat een verzoek tot nader onderzoek kan worden ingediend bij de procureur-generaal van het Openbaar Ministerie. Deze zou dan kunnen bepalen of een voorbereidend onderzoek noodzakelijk wordt geacht. In die voorgestelde constructie doet zich echter nog een fundamenteel probleem voor, dat maakt dat ook deze regeling op essentiële punten achterblijft bij de huidige Nederlandse regeling omtrent herzieningen. In de voorgestelde regeling dient het verzoek immers te worden ingediend bij de procureur generaal van het Openbaar Ministerie, en niet die van de Hoge Raad. Het Openbaar Ministerie, waaronder de in de voorgestelde regeling bedoelde procureur-generaal valt, is anders dan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, geen onafhankelijk orgaan en geen adviserend orgaan, maar een volwaardige procespartij in een herzieningsprocedure. Het Openbaar Ministerie is de vervolgende instantie en heeft zodoende al een oordeel over de schuld van de veroordeelde gegeven.47x Zie voor deze fundamentele verschillen en ongelijkheden ter zake de herzieningsregeling: G.G.J.A. Knoops & H.K. van den Doel, ‘Over de grenzen van de herzieningsprocedure’, Expertise & Recht 2018-6, p. 262-267.

      In een poging deze ongelijkheid aan te vechten en alsnog de Hoge Raad te betrekken bij de herziening, is in een recente herzieningszaak die speelde in het overzeese gebied, door de verdediging cassatie ingesteld tegen de afwijzing van het Gemeenschappelijk Hof van het herzieningsverzoek. Ofschoon het Wetboek van Strafvordering Curaçao deze cassatiemogelijkheid tegen herzieningsvonnissen niet noemt, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze mogelijkheid ook niet werd uitgesloten. Sterker nog, beroep in cassatie staat bij wet open tegen vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof, en de afwijzing van het herzieningsverzoek is bij vonnis gegeven. In de cassatieschriftuur is onder meer aangevoerd dat de huidige herzieningswet in het overzeese deel strijdig is met artikel 6 EVRM. Bij arrest van 6 november 2018 verklaarde de Hoge Raad echter met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014, veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.48x Zie Hoge Raad, 25 maart 2014, ECLI:NK:HR:2014:692 en Hoge Raad, 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2060.

      Naar aanleiding van deze afwijzing heeft de verdediging een klacht neergelegd bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin onder meer een schending van artikel 6 is betoogd. Bij beslissing van 20 juni 2019 is de klacht echter ongemotiveerd door een enkelvoudige rechter verworpen.49x Pieter v. The Netherlands, appl. 25982/19, d.d. 20 juni 2019.

      Dit betekent dat vooralsnog de rechtsongelijkheid in de regeling voor herziening blijft voortbestaan, en deze nadeligere positie voor de verdediging in het overzeese gebied standhoudt.

    • 6. Tot slot

      Kortom: de Nederlandse advocaat die in het overzeese deel van het Koninkrijk wil optreden, ziet zich gesteld voor een aantal juridische en praktische verschillen tussen de rechtsgang aldaar en hier in Nederland. In dit artikel zijn daarvan enkele voorbeelden gegeven, maar er bestaan uiteraard nog meer verschillen die van belang zijn voor het voeren van de verdediging. Het is dan ook van belang dat de Nederlandse advocaat die in het overzeese deel van het Koninkrijk gaat optreden, zich van tevoren terdege vergewist van deze verschillen en op dit gebied zal samenwerken met een lokale advocaat.

    Noten

    • * Met dank aan mr. J.A. Baaijens, advocaat bij Knoops’ advocaten te Amsterdam en mr. M. Vaders, advocaat bij Vaders Advocaten te Curaçao, vanwege hun bijdrage aan de totstandkoming van dit artikel.
    • 1 J.M. Reijntjes, Grepen uit de Antilliaanse jurisprudentie. Deel 2, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2015, p. iii.

    • 2 Zie o.a. artikel 57 lid 2 Sv CUR.

    • 3 Zie o.a. artikel 57 lid 2 Sv CUR.

    • 4 Zie ook beschikking Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 24 september 2018, nummer HAR – 131/18.

    • 5 Vonnis Gemeenschappelijk hof 7 maart 2017, zaaknummer 113/16 (gepubliceerd op Dutchcarribeanlegalportal.com onder nr. 8070), ECLI:NL:OGHACMB:2013:4 (Spelonk) en ECLI:NL:OGHACMB:2015:5.

    • 6 Zie ook beschikking Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 24 september 2018, nummer HAR – 131/18.

    • 7 De BES-eilanden hebben gezamenlijk een eigen Wetboek van Strafrecht en Strafvordering.

    • 8 Dit wordt ook toegelicht in r.o. 4.2 van ECLI:NL:OGHACMB:2014:34.

    • 9 Het ging om art. 28 uit het concept wetboek van strafrecht. Zie ook: http://www.dutchcaribbeanlegalportal.com/news/crime/4830-aanpassing-wetboek-van-strafrecht-sint-maarten.

    • 10 Landsverordening van de 21e april 2015 tot wijziging van de Staatsregeling en andere landsverordeningen vanwege de invoering van het Wetboek van Strafrecht en tot wijziging van dat wetboek naar aanleiding van de uitspraak van het Constitutioneel Hof (Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht), Afkondigingsblad van Sint Maarten, jaargang 2015, nr. 9. Zie ook: http://www.sintmaartengov.org/government/AZ/laws/AFKONDIGINGSBLAD/AB%2009%20Invoeringslandsverordening%20Wetboek%20van%20Strafrecht.pdf.

    • 11 Ingevolge art. 39 Statuut geldt dit ook voor: het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede bepalingen omtrent maten en gewichten.

    • 12 Zie ook HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, m.nt. Kortmann. Zie tevens A-G Vlas in ECLI:NL:PHR:2013:BY1880.

    • 13 Zie ook HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, r.o. 3.4, alsmede o.a. HR 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1885, NJ 1996/283 (r.o. 3.4), HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005/190 (slot rov. 3.5.2).

    • 14 Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas Hoge Raad 1 februari 2013, NJ 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 19 oktober 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX5797 (r.o. 3.3.2).

    • 15 Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas Hoge Raad 1 februari 2013, 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 8 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0144, NJ 1991/325 (r.o. 3.3); conclusie A-G Bakels onder 2.18 voor GR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4768, NJ 2001/31. HR 19 oktober 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX5797 (r.o. 3.3.2).

    • 16 Zie ook ECLI:PHR:2013:BY1880 (conclusie A-G Vlas voor Hoge Raad 1 februari 2013, NJ 2013/82, ECLI:NL:HR:2013:BY1880), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409, r.o. 3.4.

    • 17 Conclusie A-G Wortel bij HR 5 juni 2007: ECLI:NL:HR:2007:BA2160, 01322/06 A, NJ 2007/400, m.nt. Reijntjes.

    • 18 HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (afvoerpijp) en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 (de onbevoegde hulpofficier).

    • 19 Zie ook art. 43 Sv CUR en Reijntjes 2015, p. 92.

    • 20 Reijntjes 2015, p. 92.

    • 21 Zie o.a. art 43 lid 1 Sv CUR.

    • 22 Reijntjes, 2015, p. 92.

    • 23 Zie art. 43 lid 2 Sv CUR en Reijntjes, 2015, p. 92.

    • 24 Zie o.a. art. 43 lid 5 Sv CUR.

    • 25 Reijntjes, 2015, p. 93 en Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 31.

    • 26 Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 29-30 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 94.

    • 27 Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 31 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 94.

    • 28 Memorie van Toelichting art. 43 Sv CUR p. 30 en zie ook Reijntjes, 2015, p. 96.

    • 29 Reijntjes, 2015, p. 94.

    • 30 Dit is terug te vinden in een niet gepubliceerde beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao d.d. 1 maart 2019.

    • 31 Zie expliciet vermeld in de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van justitie d.d. 29 mei 2017, nummers HAR 68/2017 en HAR 69/2017 r.o. 3.2 (niet gepubliceerd).

    • 32 ECLI:NL:RBDHA:2017:7623.

    • 33 Zie hiervoor ook Reijntjes, 2015, p. 99 e.v., die bij het bespreken van de praktijk ingaat op de stellingen van voorstanders en tegenstanders van dit strafvorderlijk kort geding.

    • 34 Reijntjes, 2015, p. 102.

    • 35 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 36 Zie ook Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 37 Zie www.gemhofvanjustitie.org.

    • 38 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 39 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 40 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 41 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 42 Reijntjes, 2015, p. 89.

    • 43 Zie art. 461-462 Wetboek van Strafvordering Nederland.

    • 44 Zie voor het financieringsaspect: G.J.A. Knoops, ‘Herziening anno 2018: ten voor- of ten nadele?’, NJB 2018.

    • 45 Er wordt momenteel gewerkt aan de invoering van een nieuw Wetboek van Strafvordering. Idealiter wordt dat wetboek ingevoerd op Curaçao, Aruba en Sint Maarten. Het invoeringsproces verloopt echter moeizaam; mede gezien de politieke situatie waarin het verloop relatief hoog is. De bekende concepten zijn daarnaast ook nog aan verandering onderhevig. In dit artikel is uitgegaan van de versie zoals die auteur bekend was op het moment van publicatie. De voorgenomen wijzigingen gelden niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

    • 46 Ingevolge het criterium voor toepassing concordantiebeginsel in conclusie A-G Wortel bij HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2160, 01322/06 A, NJ 2007/400, m.nt. Reijntjes.

    • 47 Zie voor deze fundamentele verschillen en ongelijkheden ter zake de herzieningsregeling: G.G.J.A. Knoops & H.K. van den Doel, ‘Over de grenzen van de herzieningsprocedure’, Expertise & Recht 2018-6, p. 262-267.

    • 48 Zie Hoge Raad, 25 maart 2014, ECLI:NK:HR:2014:692 en Hoge Raad, 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2060.

    • 49 Pieter v. The Netherlands, appl. 25982/19, d.d. 20 juni 2019.

Met dank aan mr. J.A. Baaijens, advocaat bij Knoops’ advocaten te Amsterdam en mr. M. Vaders, advocaat bij Vaders Advocaten te Curaçao, vanwege hun bijdrage aan de totstandkoming van dit artikel.

Print dit artikel