DOI: 10.5553/TBSenH/229567002022008003002

Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & HandhavingAccess_open

Artikel

Interveniëren met effect?

Twee perspectieven op de aanpak van financieel-economische criminaliteit door het Functioneel Parket

Trefwoorden effectieve interventies, financieel-economische criminaliteit, functioneel Parket, recidive, Publiek-Private Samenwerking
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. drs. A. de Crom, Mr. T.P.M. Meekel en Dr. J.H.R. van Onna, 'Interveniëren met effect?', Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving 2022, p. 147-156

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Introductie

      Fraude, milieucriminaliteit en witwassen veroorzaken grote schade aan maatschappij, economie en milieu.1x In dit artikel wordt het woord financieel-economische criminaliteit (en de afkorting FINEC) gebruikt als overkoepelende term voor fraude, milieucriminaliteit en witwassen. Het belang van het voorkomen en bestrijden ervan is evident, maar de wijze waarop is niet eenvoudig. Recente onderzoeksrapporten laten zien dat het adequaat voorkomen en bestrijden geen sinecure is.2x Zie bijvoorbeeld over de aanpak van milieucriminaliteit: De markt de baas. Een verkenning naar ervaren knelpunten in de aanpak milieucriminaliteit (Rapport CCV september 2019); Dreigingsbeeld milieucriminaliteit 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 3472413; Handhaven in het duister (Rapport Algemene Rekenkamer van juni 2021). Wetgeving is vaak ingewikkeld en de omstandigheden en gevolgen van de delicten zijn doorgaans verscholen. Het handhavingsstelsel is bovendien gelaagd, met zowel publieke als private partijen die uiteenlopende rollen en bevoegdheden hebben. Handhavingsinstrumenten, van preventief tot punitief, kunnen nog doeltreffender en effectiever worden ingezet.3x Zie onder andere R.M.J. de Rijck, ‘Doeltreffend, evenredig en afschrikkend: de Europese maatstaf voor straftoemeting in milieuzaken’, Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming 2018/1, p. 5-13.

      Binnen het gelaagde handhavingsstelsel neemt de strafrechtelijke aanpak door het Openbaar Ministerie vanwege de specifieke ingrijpende bevoegdheden en rechtsstatelijke positie een bijzondere plek in. In praktijk en beleid van het Functioneel Parket (FP), het parket dat het overgrote deel van financieel-economische (FINEC) zaken afhandelt, speelt de vraag hoe effect kan worden bereikt een centrale rol. Het FP ziet het interveniëren met effect, dat wil zeggen het bereiken van maatschappelijk effect, als overkoepelend doel van zijn manier van werken. Om dit doel te bereiken wil het FP zijn strafrechtelijke instrumentarium op een ‘moderne’ manier inzetten. Dit gaat verder dan het traditionele ultimum remedium, als uiterste redmiddel. Hoewel het strafrecht onveranderd van belang is om uitwassen tegen te gaan, kan de rol van het strafrecht ook breder zijn. Bij het behandelen van strafzaken kunnen ook inzichten uit dergelijke zaken vertaald worden naar een aanpak die een individuele strafzaak overstijgt. Daardoor kan via het strafrecht een criminaliteitsprobleem worden geagendeerd en kunnen andere handhavende diensten gestimuleerd of geactiveerd worden om actie te ondernemen. Strafrecht alleen is tenslotte eigenlijk nooit de oplossing om een criminaliteitsprobleem duurzaam aan te pakken, zo schrijft het FP in zijn strategiedocument. Het strafrecht als onderdeel van een bredere aanpak kan een breder en meer structureel effect bereiken. Het strafrecht kan zo als optimum remedium functioneren bij het voorkomen en bestrijden van FINEC, aldus het FP.4x J.H. Crijns, ‘Strafrecht als ultimum remedium. Levend leidmotief of archaïsch desideratum’, Ars Aequi 2012/61, afl. 1, p. 11-18.

      Om het strafrecht een optimum remedium te kunnen laten zijn en met effect te kunnen interveniëren, is het zaak om overzicht te hebben van de verschillende interventies die het FP, al dan niet met zijn (handhavings)partners, überhaupt kan inzetten en bij welke nagestreefde doelen die interventies passen.5x Met interventies wordt bedoeld: het afdoen van een strafrechtelijk signaal of strafzaak door een ingreep van het OM, een rechter of door een handhavingspartner van het OM. Daarnaast is het van belang kennis te verzamelen en te ontwikkelen over de inzet en effectiviteit van dergelijke interventiemogelijkheden.6x Het is van belang op te merken dat het inzetten van interventies is gebonden aan juridische, morele dan wel praktische grenzen, zoals proportionaliteit, uitvoerbaarheid en tijd. Daarnaast kunnen ook (onwenselijke) ­neveneffecten een rol spelen. In dit artikel wordt hier niet expliciet op ingegaan. Het FP, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zijn daarom alle interventiemogelijkheden bij de aanpak van FINEC gestructureerd bijeen aan het brengen en zijn daarnaast kennis over inzet en effecten aan het verzamelen. Nadat beschrijvingen van interventies zijn verzameld via documentanalyse, interviews en expertsessies, worden ze beschreven en opvraagbaar gemaakt via een online applicatie – Toolbox Strafrecht – met als doel de opsporing en vervolging te ondersteunen bij het kiezen van effectieve interventies.7x In het lopende project ‘Toolbox Strafrecht’ zijn momenteel meer dan 200 interventies geïdentificeerd en beschreven. Via een website zullen medewerkers bij het OM, bij de opsporing en bij handhavingspartners deze interventies kunnen raadplegen via een systeem van filters en keuzemenu’s (waaronder de perspectieven uit dit artikel: doelen en partners). Het betreffen strafrechtelijke interventies door het OM of de rechter, maar ook civielrechtelijke interventies, interventies uit de WED, interventies door tuchtrechtelijke instanties of juist door toezichthouders of poortwachters die van waarde kunnen zijn voor het bestrijden en voorkomen van ­FINEC. Wetenschappelijke inzichten zijn hierbij van belang. Het FP voert daarom op verschillende manieren (criminologisch-juridisch) onderzoek uit naar de inzet en effectiviteit van de verschillende interventies, zoals in samenwerking met universitaire studenten.8x Het onderzoek naar de aard van FINEC en de inzet en effectiviteit van interventies maakt deel uit van de gezamenlijke Onderzoeksagenda van het Functioneel Parket en het Landelijk Parket.

      In dit artikel worden de bevindingen van twee van dergelijke onderzoeken in samenhang beschreven. De studies benaderen het vraagstuk van interveniëren met ­effect beide op basis van empirisch onderzoek, maar vanuit verschillende perspectieven. Beide vormen belangrijke perspectieven op hoe te (kunnen) interveniëren met effect en vullen elkaar daarin dus aan. In het eerste perspectief worden interventies benaderd vanuit het doel dat kan worden bereikt door de interventies in te zetten en in het tweede perspectief staat de partner met wie het FP samenwerkt centraal.9x In het project worden zes doelen benoemd: 1. Verstoren/stoppen doorlopende overtreding, 2. Herstellen, 3. Bestraffen/vergelden, 4. Recidive voorkomen, 5. Preventie door maatschappij en markt, 6. Preventie door overheid.

      In het eerste deel van dit artikel wordt specifiek ingaan op interventies die kunnen bijdragen aan het voorkomen van recidive, een van de klassieke doelen die nagestreefd kan worden in een strafzaak. Drie criminologische theorieën (de afschrikkings-, gelegenheids-, en ­sociale bindingstheorie) worden gebruikt om te beschrijven waarom verwacht kan worden dat bepaalde interventies effectief zijn. Vervolgens wordt beschreven in hoeverre deze verwachtingen worden ondersteund door empirisch onderzoek. Daarvoor is een systematische literatuurreview verricht waarin studies zijn ­meegenomen die binnen het terrein van FINEC de daadwerkelijke effecten op recidive hebben onderzocht. Uiteindelijk voldeden negen studies aan de opgestelde ­in- en exclusiecriteria, waaronder een reeds bestaande systematische review. Mede vanwege de beperkte hoeveelheid empirisch onderzoek is de kennis aangevuld met praktijkervaringen door middel van zeven interviews met (senior) beleidsmedewerkers van het FP en een interview met een unitmanager van de Reclassering ­Nederland. Zij zijn gevraagd naar hun ervaringen met interventies die het FP inzet met het oog op het voorkomen van recidive en hun visie op de effectiviteit daarvan. Daarnaast is aangesloten bij dertien expertmeetings met officieren van justitie en parketsecretarissen, verdeeld over de verschillende vestigingen van het FP, en is een expertmeeting van het FP met de Reclassering ­Nederland bijgewoond.

      In het tweede deel van het artikel wordt het vraagstuk van interveniëren met effect benaderd vanuit het uitgangspunt dat samenwerking met publieke en private partners vaak noodzakelijk en wenselijk is om met effect te kunnen interveniëren. Dit tweede perspectief richt zich op de mogelijkheden die ontstaan uit samenwerkingen met private partners.10x Samenwerking met publieke partners is uiteraard ook van groot belang voor het FP, maar omwille van de omvang van het artikel beperken we ons tot de private partners. Voor het cluster van interventiemogelijkheden met private partijen wordt de Responsive Regulation theorie gebruikt om de verwachtingen over de inzet en effectiviteit hiervan nader te duiden.11x I. Ayres & J. Braithwaite, Responsive regulation. Transcending the deregulation debate, New York: Oxford University Press 1992. Ook hier zijn mede vanwege de beperkte hoeveelheid onderzoek de verwachtingen getoetst aan de praktijk door middel van interviews met zeven beleidsmedewerkers van het FP en met drie medewerkers van private partners waarmee het FP samenwerkt. Zij zijn gevraagd naar hun ervaringen met interventies die het FP met private partijen inzet en hun visie op de effectiviteit.

      In het derde en laatste deel van dit artikel worden de belangrijkste bevindingen en implicaties voor de rechtshandhaving besproken en wordt kort gereflecteerd op de gehanteerde onderzoeksmethode.

    • 2. Interveniëren met het doel van het voorkomen van recidive

      Een van de manieren om het (willen) bereiken van maatschappelijk effect naar de praktijk te vertalen, is het ­nadenken over welke doelen in een zaak worden nagestreefd. Vergelding, generale preventie en speciale preventie zijn een aantal van de bekende strafdoelen. Bij vergelding wordt door middel van de straf de schuld van de dader aan de maatschappij vereffend. Generale preventie richt zich op afschrikking van potentiële daders en op de bevestiging van de maatschappelijke norm. Speciale preventie ziet op het voorkomen van recidive.12x J. van Dijk, W. Huisman & P. Nieuwbeerta, Actuele Criminologie, Den Haag: Sdu 2018. Het is dit laatste doel dat in de praktijk van rechtshandhaving vaak op de voorgrond staat. Ook in de wetenschap is hier relatief veel aandacht voor, alleen spitst zich dit met name toe op commune criminaliteit.13x Zie hierover bijvoorbeeld M. Boone, ‘Effectiviteit van straffen’, in: M. Boone & C. Brants (red.), Criminologie en strafrecht, Den Haag: Boom Lemma Uitgevers 2013, p. 201-228; J.M. Harte, Zo werkt het. Over hoe onderzoek bijdraagt aan betere interventies, Den Haag: Boom criminologie 2019. FINEC wordt daarnaast ook niet als aparte categorie meegenomen in de recidivemonitor van het WODC. Op het terrein van FINEC is relatief weinig bekend over succes of falen van interventies die recidive beogen te voorkomen. Op basis van drie belangrijke criminologische theorieën kunnen wel mechanismen onderscheiden worden op basis waarvan verwacht kan worden dat de kans op recidive afneemt, namelijk afschrikking, gelegenheden wegnemen en resocialisatie. Deze worden hieronder besproken en vervolgens wordt beschreven of resultaten uit de empirie en praktijk deze verwachtingen ondersteunen. Die resultaten richten zich zowel op natuurlijke personen als op rechtspersonen.

      2.1 Afschrikking

      De afschrikkingstheorie stelt dat door het verbinden van negatieve consequenties aan het criminele gedrag, de dader in de toekomst hiervan kan worden weerhouden.14x G.S. Becker, ‘Crime and punishment: An economic approach’, Journal of Political Economy 1968/2, afl. 2, p. 169-217. Ten aanzien van het voorkomen van recidive gaat het dan met name om de (ervaren) kosten die een interventie teweegbrengt, waardoor iemand in de toekomst ­anders zal beslissen. De afschrikking kan betrekking hebben op materiële kosten (zoals een boete) of op immateriële kosten (zoals reputatieschade). Afschrikking speelt historisch en maatschappelijk gezien een belangrijke rol in het denken over strafrechtelijke handhaving. Een veelgehoorde zienswijze in maatschappij en politiek is dan ook dat straffen omhoog moeten om recidive te voorkomen. Hoewel de verwachtingen vaak hoog zijn, nuanceren studies op het terrein van de commune criminaliteit dit beeld. Zo laat bijvoorbeeld een Nederlandse meta-analyse van 40 studies zien dat het effect van punitieve sancties op recidive vaak gering is.15x B. Wartna, D. Alberda & S. Verweij, ‘Een meta-analyse van Nederlands recidiveonderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies’, Tijdschrift voor Criminologie 2013/55, afl. 1, p. 3-23. Bij daders van FINEC wordt in de literatuur de verwachting beschreven dat zij (zowel natuurlijke als rechtspersonen) in het bijzonder ontvankelijk zijn voor afschrikking. Dit type daders wordt namelijk in hoge mate als rationeel gezien en zij worden gevoelig geacht voor interventies die informele kosten teweegbrengen, zoals reputatieschade of sociale afkeuring.16x D.S. Nagin & R. Paternoster, ‘Personal capital and social control: The deterrence implications of a theory of individual differences in criminal offending’, Criminology 1994/32, p. 581-606; S.S. Simpson, M. Rorie, M. Alper & N.M. Schell-Busy, ‘Corporate crime deterrence: A systematic review’, Campbell Systematic Reviews 2014/10, afl. 1, p. 1-105. De gevoeligheid voor reputatieschade zou voornamelijk aanwezig zijn bij rechtspersonen.17x R. Paternoster & S.G. Tibbetts, (2016). ‘White-collar crime and perceptual deterrence’, in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of ­white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 622-640.

      Uit empirische studies volgen echter wisselende resultaten met betrekking tot de effectiviteit van interventies die via afschrikking moeten leiden tot het voorkomen van recidive. Een belangrijke studie betreft de systematische review van Simpson en collega’s van 106 studies met betrekking tot organisatiecriminaliteit.18x S.S. Simpson, M. Rorie, M. Alper & N.M. Schell-Busy, ‘Corporate crime deterrence: A systematic review’, Campbell Systematic Reviews 2014/10, afl. 1, p. 1-105. Deze resultaten laten zien dat zowel ten aanzien van een organisatie (rechtspersoon) als de werknemers (natuurlijke personen) formele punitieve sancties, zoals een geldboete of gevangenisstraf, een klein tot geen significant afschrikkend effect hebben. Er wordt echter ook geconcludeerd dat de data en methoden van veel studies tekortschieten om harde conclusies te kunnen trekken. Deze resultaten onderschrijven dus niet de verwachting dat daders van FINEC gevoeliger zijn voor afschrikking dan daders van commune criminaliteit. Deze studie gaat echter niet expliciet in op de effecten van reputatieschade. Twee studies van Karpoff en collega’s zien hier wel op, en wanneer het frauderende rechtspersonen betreffen, ondersteunen de resultaten de verwachting dat reputatieschade effectief is om recidive te voorkomen.19x J.M. Karpoff, D.S. Lee & G.S. Martin, ‘The cost to firms of cooking the books’, Journal of Financial and Quantitative Analysis 2008/43, afl. 3, p. 581-612; J.M. Karpoff & J.R. Lott, ‘The reputational penalty firms bear from committing criminal fraud’, Journal of Law & Economics 1993/36, p. 757-802.

      Een belangrijk deel van de interventies die door het FP kunnen worden ingezet, is gebaseerd op het idee van afschrikking. Deze punitieve sancties worden dan ook in een zeer groot deel van de zaken ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan de hoofdstraffen, zoals een gevangenisstraf en geldboete, waarmee wordt ingezet op het genereren van materiële kosten, maar ook aan andere interventies zoals het openbaar maken van een rechterlijke uitspraak waarmee wordt ingezet op immateriële kosten. In lijn met de beschreven onderzoeksresultaten, denken geïnterviewde medewerkers van het FP ook dat (enkel) punitieve sancties, zoals een geldboete opleggen, niet de meest effectieve interventie betreft om recidive te voorkomen. Het type dader dat bij het FP in beeld komt, wordt door respondenten vaak als calculerend beschreven, waarbij strafrechtelijk ingrijpen dan als bedrijfsrisico wordt ingecalculeerd. De respondenten hechten waarde aan het belang van de afschrikwekkende werking van sancties, maar dan vooral ten aanzien van de afschrikkende werking van het afpakken van crimineel vermogen of van reputatieschade. Een voorbeeld dat dit illustreert betreft een zaak tegen een rechtspersoon, waarvan de rechterlijke uitspraak werd gepubliceerd in een vaktijdschrift. De geïnterviewden gaven aan dat deze sanctie door het FP werd geëist, omdat verwacht werd dat dit effectiever zou zijn om recidive te voorkomen dan om alleen een boete op te leggen. Het publiceren van de uitspraak in een vaktijdschrift kan reputatieschade meebrengen voor de betrokken rechtspersoon, waardoor hier een sterker afschrikkend effect van uit kan gaan. Daarnaast heeft het als bijkomend voordeel dat de betrokken beroepsgroep geïnformeerd en gewaarschuwd is. Hierbij werd dus de afschrikking die een geldboete teweeg kan brengen aangevuld met het inzetten op afschrikking door reputatieschade. Wanneer in het kader van afschrikking dus niet enkel aan de klassieke straffen wordt gedacht, kan met interventies die inzetten op immateriële kosten mogelijk een groter effect worden gesorteerd. Zoals het voorbeeld illustreert, kan de gehanteerde mediastrategie daarbij een belangrijke rol spelen.

      2.2 Gelegenheden beperken of wegnemen

      Een tweede mechanisme om recidive te voorkomen is het beperken van gelegenheden voor criminaliteit, zoals beschreven in de gelegenheidstheorie.20x M. Felson, Crime and Everyday Life, Thousand Oaks, USA: Pine Forge Press/Sage 1997. De kerngedachte hiervan luidt: ‘de gelegenheid maakt de dief’. Volgens deze theorie is de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan het aanpakken van gelegenheidsstructuren waardoor de criminele gedragingen niet mogelijk, moeilijker of minder aantrekkelijk zijn. Volgens de theorie geldt dit voor zowel commune criminaliteit als voor FINEC.21x M. Felson & R. Clarke, ‘Opportunity makes the thief: practical theory for crime prevention’, in: B. Webb (red.), Police research series, London: Home Office, Policing and Reducing Crime Unit 1998; M. Felson, Crime and Ev­eryday Life, Thousand Oaks, USA: Pine Forge Press/Sage 1997. Onderzoek op het terrein van commune criminaliteit richt zich met name op generale preventie (bijvoorbeeld het plaatsen van straatlantaarns of camera’s) en niet op de effecten op het voorkomen van recidive. Echter, deze theorie kan aanknopingspunten bieden voor potentieel effectieve interventies bij het voorkomen van recidive. Wanneer dit gedachtegoed toegepast wordt op FINEC, biedt met name het aanpassen van de gelegenheidsstructuur waarin de criminele gedraging plaatsvindt aanknopingspunten. De gelegenheidsstructuren bij FINEC (bijvoorbeeld het hebben van een bestuursfunctie) wijken vaak af van die bij commune criminaliteit (een potentiële inbreker ziet een open raam). De speciale toegang tot een bepaalde positie wordt bij FINEC van relatief groot belang geacht. Binnen een beroeps- of bedrijfsmatige rol kan er namelijk een speciale toegang tot gelegenheden ontstaan, die kan helpen om de schijn van legitimiteit te creëren. Vanuit een bestuursfunctie kan iemand bijvoorbeeld meer gelegenheid hebben tot het plegen van fraude, of een notaris kan meer en specifieke mogelijkheden hebben tot witwassen. Interventies zouden dus effectief kunnen zijn bij het voorkomen van recidive wanneer de gelegenheid tot die speciale toegang wordt weggenomen of wanneer er barrières worden opgeworpen.

      Net als op het terrein van de commune criminaliteit is er nog weinig onderzoek naar de daadwerkelijke effecten van dit type interventies op recidive bij daders van ­FINEC. De beschikbare studies zijn overwegend theoretisch van aard en richten zich op generale preventie. Een empirische onderbouwing voor de daadwerkelijke effectiviteit van interventies bij het voorkomen van recidive ontbreekt dus vooralsnog.22x De auteur is geen studie bekend geworden die aan de opgestelde inclusiecriteria voldeed.

      Het FP heeft meerdere interventies tot zijn beschikking die aansluiten bij de gelegenheidstheorie. Dit zijn ­bijvoorbeeld een (strafrechtelijk of civielrechtelijk) beroeps- en bestuursverbod, ontzetting van ondernemingsrechten en het delen van informatie met gemeentes of vergunningverleners (via de BIBOB-tip) waardoor bijvoorbeeld een vergunning wordt ingetrokken. Verder kan ook worden gedacht aan interventies die op basis van de Wet op de economische delicten (WED) mogelijk zijn, zoals de stillegging of onderbewindstelling van een onderneming. Een ander interessant voorbeeld betreft het ‘houdverbod’.23x In de momenteel aanhangige Wet aanpak dierenmishandeling en dierenverwaarlozing wordt voorgesteld om de mogelijkheden tot het opleggen van een houdverbod uit te breiden. Dit is een verbod of limiet op het houden van dieren, wat bijvoorbeeld nuttig kan zijn voor recidiverende boeren die niet meer in staat zijn hun boerenbedrijf goed op orde te krijgen. Uit de interviews blijkt dat verwacht wordt dat dit type gelegenheid beperkende interventies effectief kunnen zijn bij het voorkomen van recidive. Ook blijkt dat de wens bestaat om vaker van dit type interventies gebruik te maken dan tot op heden gebeurt. De theoretische verwachtingen over deze strategie worden dus ondersteund door de verwachtingen en ervaringen in de praktijk van het FP. Interventies die hierbij aansluiten lijken dus een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van recidive te kunnen leveren.

      2.3 Resocialisatie

      Het idee dat resocialisatie bijdraagt aan het voorkomen van recidive is onder andere terug te vinden in de sociale bindingstheorie.24x T. Hirschi, Causes of Delinquency, Berkeley, USA: University of California Press 1969. De theorie stelt dat wanneer individuen beter gebonden zijn aan de sociale en morele omgeving, zij zich (beter) houden aan de regels en zich minder of niet inlaten met criminaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan het hebben van een stabiele relatie en een stabiele werksituatie. Als iemand juist minder gebonden is, zou diegene vaker crimineel gedrag vertonen. Door sociale bindingen te versterken, kan iemand dus in de toekomst weerhouden worden van het opnieuw in de fout gaan.25x J.H.R. van Onna, Blurred Lines: A Study of White-Collar Crime Involvement (diss. VU Amsterdam), 2018. Er is veel onderzoek naar daders van commune criminaliteit dat laat zien dat zij vaak een verzwakte binding hebben en dat een afname van invloed is op recidive en dat een versterking leidt tot een afname van crimineel gedrag.26x Zie bijvoorbeeld J.H. Laub & R.J. Sampson, Shared beginnings, divergent lives: Delinquent boys to age 70, Cambridge, USA: Harvard University Press 2003. De rol van verzwakte sociale bindingen bij daders van FINEC is in de theoretische literatuur onderwerp van debat. Aan de ene kant wordt gesteld dat men in hogere mate gebonden is dan andere typen daders en dat een versterking van bindingen dus mogelijk minder effect heeft dan bij daders van commune criminaliteit.27x M.L. Benson, ‘Developmental perspective on white-collar criminality’ in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 253-274; D.O. Friedrichs, Trusted criminals: white-collar crime in contemporary society, Belmont: Wadsworth Cengage Learning 2010. Aan de andere kant laat onderzoek zien dat, ondanks dat men vaker een conventioneel leven leidt in vergelijking met commune daders, daders vaak minder gebonden zijn in vergelijking met een controlegroep.28x P.M. Klenowski & K.D. Dodson, (2016). ‘Who commits white-collar crime, and what do we know about them?’, in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 101-126; D. Weisburd & E. Waring, White-collar crime and criminal careers, New York: Cambridge University Press 2001; J.H.R. van Onna, Blurred Lines: A Study of White-Collar Crime Involvement (diss. VU Amsterdam), 2018. Ook op het gebied van FINEC zou het inzetten op sterke bindingen dan dus gunstig kunnen zijn bij het voorkomen van recidive.

      Er zijn nog weinig empirische studies beschikbaar over de effectiviteit van resocialisatie op recidive bij daders van FINEC. Wel blijkt uit een studie naar veroordeelde witteboordencriminelen dat de investeringen in persoonlijk kapitaal (huwelijk en stabiele werksituatie) beschermen tegen crimineel gedrag.29x N.L. Piquero, A.R. Piquero & D. Weisburd, ‘Long-term effects of social and personal capital on offending trajectories in a sample of white-collar offenders’, Crime & Delinquency, 2016/62, afl. 11, p. 1510-1527. Daarnaast bleek in onderzoek dat belastingfraudeurs significant minder kans hadden om binnen twee jaar te recidiveren, wanneer bij de reactie op het delict meer gevoelens van mogelijkheden tot re-integratie werden ervaren.30x K. Murphy & N. Harris, ‘Shaming, shame and recidivism: A test of reintegrative shaming theory in the white-collar crime context’, The British Journal of Criminology, 2007/47, afl. 6, p. 900-917.

      Een belangrijke interventie die het FP tot zijn beschikking heeft om in te zetten op het versterken van sociale bindingen is samenwerken met de Reclassering. De Reclassering kan bijvoorbeeld gevraagd worden advies uit te brengen over de kans op recidive en over geschikte interventies. Daarnaast kan de Reclassering toezicht houden op gestelde voorwaarden en de betrokkene begeleiden bij gedragsinterventies die kunnen worden ­opgelegd. Daarbij kan de Reclassering onder andere ondersteunen bij het versterken van bindingen met de maatschappij zoals hulp bij het zoeken naar een woning, werk en het creëren of versterken van een sociaal vangnet. De Reclassering is momenteel nog maar in beperkte mate betrokken bij daders van het FP, mede omdat weinig gedragsinterventies worden opgelegd.31x Dit blijkt uit de interviews en zie hierover J.J.H. Beckers, Tussen Ideaal en Werkelijkheid. Een Empirische Studie naar de Strafrechtelijke Aanpak van ­Organisatiecriminaliteit in Nederland (diss. Rotterdam), 2016; Fraudemonitor van het Openbaar Ministerie 2019-2020. Uit de interviews blijkt dat de Reclassering bij fraude vaak alleen wordt betrokken bij duidelijke schuldenproblematiek, zoals bij socialezekerheidsfraude. In de interviews kwam naar voren dat nog verbetermogelijkheden worden gezien bij de samenwerking met de Reclassering om zo de kans op recidive te verkleinen. Er gaat momenteel minder aandacht uit naar resocialisatie dan bij daders van commune criminaliteit en het resocialisatiebeleid lijkt ook nog niet optimaal aan te sluiten bij daders van ­FINEC. Zo zijn er bijvoorbeeld momenteel in Nederland geen specifieke gedragsinterventies of risicotaxatie-instrumenten ontwikkeld voor deze doelgroep.32x W. Huisman & D. Lesmeister, ‘Strafrecht door de ogen van een witteboordencrimineel: Gevolgen en beleving van strafrechtspleging door vervolgden voor witteboordencriminaliteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2018/60, afl. 4, p. 457-478; K. Kerley & H. Copes, ‘The effects of criminal justice contact on employment stability for white-collar and street-level offenders’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2004/48, p. 65-84; K.A. Mason, ‘Punishment and paperwork: White-collar offend­ers under community supervision’, American Journal of Criminal Justice 2007/31, afl. 2, p. 23-36. Bij ­FINEC zou in sommige gevallen het hebben van werk bijvoorbeeld juist een risicofactor kunnen vormen; denk aan de speciale toegang. Wanneer, zoals in de vorige paragraaf uiteengezet, speciale toegang tot een beroepsgroep met een interventie (tijdelijk) wordt weggenomen zou het in het kader van resocialisatie ook van belang zijn om aandacht te hebben voor de (toekomstige) werksituatie. Mogelijk tegen de verwachting in, kunnen interventies die zich richten op resocialisatie dus ook bij daders van FINEC een belangrijke rol spelen bij het interveniëren met effect. Meer aandacht en onderzoek hiernaar is daarom wenselijk.

    • 3. Interveniëren met private partners

      Naast het voorgaande perspectief van het voorkomen van recidive, is het voor een effectieve aanpak ook noodzakelijk om de interventies te bekijken vanuit andere perspectieven. Zoals aangekondigd zal in dit tweede deel van dit artikel worden ingegaan op de partners met wie het FP de samenwerking aangaat. Het FP staat er namelijk niet alleen voor bij het bereiken van de verschillende strafdoelen. Volgens het strategiedocument van het FP gebruikt het FP zijn instrumentarium in verbinding met andere vormen van handhaving en toezicht, om zodoende effectief te zijn. Het FP kan de samenwerking aangaan met zowel publieke als private partijen om FINEC te bestrijden en te voorkomen, om zodoende een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te creëren. Er bestaan veel publieke en private partners die hun eigen bevoegdheden en interventiemogelijkheden hebben om invloed uit te oefenen op (potentiële) daders. In dit deel staan daarom de partijen waarmee het FP kan samenwerken en hun interventies centraal, waarbij we ons in dit artikel beperken tot de private partijen. We richten ons hierbij in dit artikel ook op de rol die private partijen kunnen spelen in het voorkomen van crimineel gedrag op basis van zaaksoverstijgende informatie.

      De samenwerking tussen het FP en private partijen sluit aan bij de uitgangspunten van zelfregulering en marktwerking, die een belangrijk onderdeel vormen van het handhavingsstelsel in Nederland.33x W. Huisman & A. Beukelman, Invloed op regelnaleving door bedrijven. Inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2007. Het past daarnaast ook binnen een bredere maatschappelijke trend om private partijen, zoals bedrijven en belangenorganisaties, te betrekken bij overheidstaken en hen hierin een gedeelde verantwoordelijkheid te geven.34x Het begrip private partijen wordt soms ook wel omschreven als ‘maatschappelijke stakeholders’ of ‘maatschappelijke omgeving’; C.A. Meerts, ‘Corporate investigations, corporate justice and public-private relations: Towards a new conceptualisation’, Springer Nature 2019.

      Deze manier van toenadering zoeken en samenwerken met private partijen, kan worden bezien vanuit de re­sponsive regulation theorie van Ayres en Braithwaite.35x I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992. Volgens deze theorie vereist een effectieve aanpak van regelovertredingen zoals bij FINEC allereerst dat interventies zo worden ingezet dat ze aansluiten bij motieven van (potentiële) daders. Sommige daders reageren het beste op een aanpak met de zachte hand, zoals waarschuwingen en informele maatregelen, terwijl andere daders juist door een harde punitieve straf op het rechte pad (moeten) worden gezet. Daarnaast benadrukt de responsive regulation theorie dat sancties escalerend ingezet (moeten) worden. Wanneer de mildere sanctie niet het gewenste effect bereikt, kan worden gegrepen naar een zwaarder (punitiever) instrument uit het handhavingsarsenaal. Zo zou een dialoog met onbewuste of onverschillige daders kunnen worden aangaan om deze te overtuigen niet verder de fout in te gaan. Werkt dat niet, dan kan er een officiële waarschuwing worden gegeven. Indien geen gehoor wordt gegeven aan de waarschuwing, kan vervolgens worden gegrepen naar een bestuurlijke geldboete. Mits deze boete hoog genoeg is, kan deze afschrikkend werken tegenover calculerende daders. Indien een geldboete niet effectief blijkt, kan worden gegrepen naar strafrechtelijke vervolging. Als voorbeelden van zwaardere sancties uit het arsenaal tegen criminele rechtspersonen worden de tijdelijke of permanente stillegging van de onderneming of de intrekking van een essentiële vergunning genoemd.36x I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992. Dit wordt wel omschreven als een feitelijke doodstraf voor bedrijven en is zodoende bij uitstek een interventie die gelegenheid wegneemt. Wanneer potentiële daders weten dat interventies op deze escalerende wijze zullen worden ingezet, zullen zij ook eerder bij een waarschuwing de wet gaan naleven, zo veronderstelt de theorie.

      De responsive regulation theorie speelt een belangrijke rol in de handhaving van tal van toezichthoudende diensten in Nederland en in het buitenland en is ook van belang voor het FP om het interveniëren met effect te duiden. Daarom is het opvallend dat deze theorie nog weinig empirisch is getoetst, zeker in Nederlandse context en voor zover het gaat over preventieve interventies.37x P. Mascini, & E. van Wijk, ‘Vis ruikt nou eenmaal zo. Responsive Regula­tion bij de Voedsel en Waren Autoriteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2008/2. Hoewel de theorie er op papier logisch uitziet, blijken er in de praktijk nog veel obstakels te zijn om de juiste sanctie toe te passen.38x H. van de Bunt e.a., ‘Hoe stevig is de piramide van Braithwaite?’, Tijdschrift voor Criminologie 2007/4. Ondanks dat de praktijk weerbarstig is, lijkt responsive regulation nog steeds een goed streven voor handhavingsorganisaties, waaronder het FP.

      Het moet dan ook in dit kader worden gezien dat het FP probeert om een breed palet aan interventies in te zetten dat aansluit bij de motieven van (potentiële) daders. Om een optimaal maatschappelijk effect te sorteren, is het ook nodig dat er aandacht is voor het overtuigen, instrueren, adviseren en het aanwakkeren van maatschappelijk toezicht en sociale controle waar dit nodig is.39x H. van de Bunt e.a., ‘Hoe stevig is de piramide van Braithwaite?’, Tijdschrift voor Criminologie 2007/4. Dit kan bijvoorbeeld door het informeren over misstanden of juist over de werkwijzen van criminelen. Het FP kan dit echter vaak niet alleen, maar in nauwe samenwerking met partners zijn er meer mogelijkheden om effectief te interveniëren. In deze voorfase hebben private actoren vaak sleutelposities, waarbij hun kennis, connecties en invloed kunnen bijdragen aan criminaliteitspreventie. Het FP doet er daarom goed aan om de handen ineen te slaan met deze organisaties en hun interventiemogelijkheden te benutten. Onderstaand worden drie interventiemogelijkheden uitgelicht, namelijk de samenwerking met belangenorganisaties, poortwachters en marktpartijen.

      3.1 Samenwerken met belangenorganisaties

      Belangenorganisaties zijn organisaties die opkomen voor een bepaald algemeen of collectief belang, veelal in de vorm van een stichting of vereniging.40x L.J.A. Damen, Bestuursrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013. Wanneer belangenorganisaties dezelfde doelen nastreven als het OM en de strafwetgever, ontstaat de gelegenheid voor het FP en belangenorganisaties om de krachten te bundelen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij milieuwetgeving en organisaties die pleiten voor natuurbehoud. Ook collectieve belangenorganisaties, zoals vakbonden, streven soms dezelfde doelen na als het FP, bijvoorbeeld bij het tegengaan van gevaarlijke arbeidsomstandigheden en arbeidsuitbuiting. Een samenwerking tussen beide partijen kan onwenselijke en verboden situaties helpen voorkomen.

      Het betrekken van belangenorganisaties bij handhaving wordt ook in de literatuur bepleit in het kader van de theorie van tripartisme.41x I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992. Volgens deze theorie zorgt het informeren van belangenorganisaties over bestaande of potentiële misstanden ervoor dat dit voor de overtreders reputatieschade en civiele claims teweeg kan brengen. De dreiging hiervoor kan dusdanig afschrikkend werken dat het bedrijven en personen vervolgens motiveert om zich in de toekomst aan de wet te houden. In deze theorie krijgen belangenorganisaties de benodigde informatie en bevoegdheden om handhavingsorganisaties, zoals het OM, aan te sporen om wetsovertreders te bestraffen. Binnen de Nederlandse context zou dit kunnen neerkomen op het starten van artikel 12-procedures om het OM tot vervolging te doen overgaan.42x Beklagprocedure bij het gerechtshof over niet vervolging door het OM ex. artikel 12 van het wetboek van strafvordering.

      Uit de afgenomen interviews blijkt dat het FP inderdaad samenwerkt met belangenorganisaties. In tegenstelling tot de theorie van tripartisme, gaat het hier echter niet om het teweegbrengen van reputatieschade of civiele claims tegen individuele daders. Ook het aanmoedigen van artikel 12-procedures zou een vreemd doel zijn, bekeken vanuit OM-perspectief. Wat voor het FP vooropstaat in deze samenwerkingen, is het verspreiden van kennis over gevaarlijke of schadelijke fenomenen. Door samen te werken met belangenorganisaties kan een breder publiek of juist een specifieke selecte doelgroep worden bereikt. Het aansturen op media-aandacht en publiciteit kan daarbij een belangrijke rol spelen, waar onder andere een afschrikwekkende werking van uit kan gaan. Hiermee kunnen het FP en belangenorganisaties ook anderen wakker schudden en hen hiermee alerter maken op vormen van crimineel gedrag. Een voorbeeld hiervan is de samenwerking tussen onder andere het OM, Wereld Natuur Fonds en Meld Misdaad Anoniem.43x Meld Misdaad Anoniem, Nederlandse dierenhandel kan helpen in de strijd tegen wildlife crime, 2018 geraadpleegd via www.meldmisdaadanoniem.nl/blog/2018/10/22/wildlife-crime-campagne/. Om wildlife crime (handel in beschermde dieren en planten) beter te bestrijden, is een campagne gestart om mensen bewust te maken van de ernst van wilfdlife crime door voorbeelden uit de strafrechtpraktijk aan te halen en aan te sporen om vaker signalen van wildlife crime te melden. Dit soort bewustwordingscampagnes en oproepen aan het publiek hebben geleid tot meer meldingen van bestaande misstanden. Of deze typen samenwerkingen waarbij de publiciteit wordt opgezocht ook echt leiden tot afschrikking en minder crimineel gedrag, kan echter nog niet worden beoordeeld, omdat de onderzochte voorbeelden nog vrij recent waren.

      3.2 Samenwerken met poortwachters

      Het FP kan ook samenwerken met poortwachters in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals banken, andere financiële instellingen, belastingadviseurs, notarissen en advocaten.44x T. Beekhuis & W. S. de Zanger, ‘De niet meldende Wwft-plichtige handelaar in het strafrecht’, Delikt en Delinkwent, 2019/10; D. Mijnheer, ‘Publiek-private samenwerkingen bij de bestrijding terrorismefinanciering’, Tijdschrift voor Compliance 2019/1. Op hen rust een wettelijke plicht om maatregelen te nemen om financiële delicten tegen te gaan. Dit kan bijvoorbeeld door het melden van ongebruikelijke transacties en het doen van een cliëntenonderzoek. Buiten dit wettelijke minimum om, is echter nog veel meer ruimte om samen te werken tussen het FP en poortwachters. Juist door de betrokken actoren in deze sleutelposities alerter te maken op mogelijk strafbaar gedrag, kan FINEC eerder gedetecteerd en gemeld worden.

      Door de betrokkenheid van het FP worden regelmatig beschrijvingen van criminele fenomenen gedeeld met bepaalde poortwachters. Uit deze fenomeenbeelden kunnen vervolgens indicatoren, red flags of andere kenmerken worden gedestilleerd, waar een poortwachter weer extra alert op kan zijn. Hierdoor kunnen bepaalde transacties met meer nauwkeurigheid als ongebruikelijk aangemerkt worden. Inmiddels bestaan diverse task forces waarin informatie wordt gedeeld met poortwachters, voor onder andere het tegengaan van terrorismefinanciering en witwassen.45x D. Mijnheer, ‘Publiek-private samenwerkingen bij de bestrijding terrorismefinanciering’, Tijdschrift voor Compliance 2019/1; E.V. den Boer, ‘Count­ering Criminal Facilitation Through Public-Private Cooperation in The Netherlands’, in: G. Jacobs e.a. (red.), International Security Management, Springer: Cham 2021, p. 463-476. Naast het versterken van deze signalerings- of waarschuwingsfunctie van poortwachters, kan een samenwerking ook leiden tot het opwerpen van praktische barrières voor potentiële daders. Hierbij valt te denken aan het instellen van een limiet bij het overboeken van geld, het instellen van een IBAN-Naam Check en gebruikmaken van tweestapsverificatie bij financiële transacties.46x Nederlandse Vereniging van Banken, Stijging schade als gevolg van digitale fraude maakt gezamenlijke aanpak noodzakelijk, 2021. Geraadpleegd via www.nvb.nl/nieuws/stijging-schade-als-gevolg-van-digitale-fraude-maakt-gezamenlijke-aanpak-noodzakelijk/. Het opwerpen van barrières sluit aan bij de eerder genoemde gelegenheidstheorie en kan verondersteld worden om effectief te zijn om strafbaar gedrag te voorkomen door het verstoren van gelegenheidsstructuren.47x Ook kunnen poortwachters aangemerkt worden als ‘guardians’ in de zin van de routine activiteiten theorie van Cohen & Felson (1979).

      3.3 Samenwerken met marktpartijen en hun brancheorganisaties

      Ten slotte kan het FP ook toenadering zoeken tot bedrijven die deel uitmaken van de productieketen van een goed of dienst, zoals producenten, importeurs, verkopers en commerciële afnemers. Door samen te werken met bonafide bedrijven in de productieketen, kan gericht worden ingegrepen op een crimineel verdienmodel dat in een bepaalde bedrijfskolom voorkomt. Wanneer bijvoorbeeld in een productieketen een groot aantal bedrijven hetzelfde werk verricht, zal het benaderen van één enkele marktpartij weinig effect hebben. In dat geval kan het FP, indien beschikbaar, ook een overkoepelende brancheorganisatie aanspreken om de informatie verder te verspreiden onder de bij de brancheorganisatie aangesloten ondernemingen.48x Het benaderen van de overkoepelende brancheorganisatie kan ook nuttig zijn indien er een beperkt aantal bedrijven actief is in de sector. Zo heeft het FP samengewerkt met brancheorganisaties voor textielbeheer en de horeca om meer aandacht te vestigen op arbeidsuitbuiting en andere misstanden die komen kijken bij het wassen van hotelbeddengoed op industriële schaal.49x P. Vermaas, ‘Alexander More wil strafzaken benutten’, Opportuun 2018, afl. 1. Hierbij heeft het FP informatie uitgewisseld om indicatoren van uitbuiting beter te herkennen, potentiële slachtoffers te voorkomen en onbewuste facilitators alert te maken op de risico’s van hun handelen. Ook zijn medewerkers van deze private zijde uitgenodigd om een zitting in de rechtbank bij te wonen, waarbij zij ook door de mond van de rechter en de verdachte de gevolgen van arbeidsuitbuiting te horen kregen. Door brancheorganisaties op dit soort manieren te betrekken, worden zij niet alleen alerter op het bestaan van deze vorm van misdaad, maar kunnen zij ook concrete maatregelen nemen. Naar aanleiding van deze samenwerking wordt intensiever gecontroleerd op CAO-voorwaarden en worden de bij de brancheorganisatie aangesloten bedrijven geïnformeerd over indicatoren dat iets niet in de haak is.

      In de praktijk blijkt dat bij samenwerkingen met marktpartijen gerichte interventies kunnen worden ingezet in diverse stappen in de productieketen. Door bedrijven alert te maken op de kenmerken van FINEC en de bijbehorende risico’s, kan dit eerder gedetecteerd worden en kunnen bedrijven voorkomen dat zij zich inlaten met malafide producten of diensten. Volgens de geïnterviewde medewerkers kunnen brancheorganisaties vaak hun achterban bereiken met de relevante informatie, bijvoorbeeld door nieuwsbrieven, informatie op websites en door het aankaarten van onderwerpen tijdens gezamenlijke overleggen. Een keerzijde van dit soort samenwerkingen is echter wel dat het FP selectief is met wie het samenwerkingen aangaat. Zij kunnen immers niet met iedereen aan tafel zitten. Daarnaast beslaan productieketens tegenwoordig vele landen, terwijl het handelen van het FP zich voornamelijk richt op Nederlandse bedrijven om mee samen te werken. Dat maakt het vaak lastig om in te grijpen daar waar het strafbare feit zich daadwerkelijk afspeelt. Toch lijkt veel winst te behalen door bedrijven aan te sporen zich niet in te laten met malafide leveranciers van producten en diensten. Hoewel de effectiviteit hiervan niet eerder is onderzocht, wordt in de interviews benoemd dat het FP wel signalen binnenkrijgt dat misdaad zowel vaker wordt belet als wordt gedetecteerd. De productieketens lijken dus daadwerkelijk weerbaarder gemaakt.

    • 4. Discussie en conclusie

      Dit artikel begon met de vaststelling dat interveniëren met effect bij FINEC geen eenvoudige opgave is. Om maatschappelijk effect te bereiken is het van belang om zicht te hebben op de verschillende interventiemogelijkheden die het FP, al dan niet met zijn (handhavings)partners, heeft en om kennis te hebben over de effectiviteit van dergelijke interventiemogelijkheden. In dit artikel is dit vraagstuk vanuit twee perspectieven verkend: de doelen die men nastreeft, specifiek het voorkomen van recidive, en de interventies in samenwerking met derden, specifiek met private partijen. De voorgaande twee delen zijn geschreven op basis van theoretische verwachtingen, (systematisch empirisch) literatuuronderzoek en interviews met medewerkers van het FP, de Reclassering en private partijen.

      Alvorens de belangrijkste resultaten voor de praktijk op een rij te zetten, is het van belang kort stil te staan bij drie aandachtspunten. Een eerste punt van aandacht is dat het kiezen van een interventie niet alleen wordt of zou moeten worden ingegeven door het (te verwachten) effect. De keuze is gebonden aan juridische, normatieve en praktische grenzen. Soms is een interventie effectief, maar niet passend, te tijdrovend of niet proportioneel. Het doel heiligt immers niet altijd de middelen. Voorbeelden hiervan zijn het intrekken van een vergunning (bijvoorbeeld mogelijk effectief maar disproportioneel in bepaalde omstandigheden) of het onder bewind laten stellen van een onderneming (complex in uitvoering). Andere praktische grenzen worden gevormd door de vaak complexe zaken van het FP die lange doorlooptijden kennen en waar de capaciteit schaars is. Een tweede punt van aandacht is dat interventies idealiter aansluiten bij de overwegingen en motieven van de overtreder. Anders geformuleerd; ze moeten passend zijn bij de aard van de regelovertreding en dader. Een derde punt is dat het van belang is om de ongewenste neveneffecten van interventies niet uit het oog te verliezen. Interventies kunnen op verschillende groepen verschillende effecten hebben. Een overzicht van verschillende effecten van straffen laat bijvoorbeeld zien dat naast eerder besproken mogelijke gewenste effecten (zoals speciale en generale preventie) er ook verschillende ongewenste effecten kunnen optreden, zoals het eroderen van een positieve sociale norm aangaande de wet, weerstand en het nemen van tegenmaatregelen.50x Zie bijvoorbeeld B. van Rooij, ‘Behavioral Jurisprudence: The Quest for Knowledge about the Ex-ante Function of Law and Behavior’, Jerusalem Review of Legal Studies, 2020/22, afl. 1, p. 57-77.

      Ten slotte is het van belang om een kanttekening te plaatsen bij de gebruikte onderzoeksmethode. Mede vanwege de beperkte beschikbaarheid van empirisch onderzoek naar effectiviteit van interventies op het terrein van FINEC, vormen de resultaten van de interviews een belangrijke bron. Aangezien het grotendeels respondenten van het FP betreft, kent dit perspectief uiteraard beperkingen gezien de positie of eventuele belangen van FP’ers. Dit kan van invloed zijn op de perceptie en de gemaakte inschattingen. Hiertegenover staat dat de respondenten veel zicht hebben op de inzet van interventies en zij veel ervaring hebben in de handhaving. Daarnaast is gepoogd een diverse groep respondenten te interviewen en is het perspectief van FP’ers aangevuld met het perspectief van de Reclassering en enkele private partners. Een aanbeveling voor toekomstig onderzoek is ook respondenten te bevragen aan wie de interventies worden opgelegd. Verder is de data door de koppeling aan theoretische verwachtingen en empirische resultaten met elkaar in verband gebracht (data­triangulatie). Door deze resultaten in samenhang te bezien, zijn conclusies te trekken die een bijdrage kunnen leveren aan het relatief onderbelichte onderzoeksterrein van effectieve interventies voor FINEC.

      Met deze kanttekeningen in het achterhoofd: welke implicaties hebben de bevindingen uit dit artikel voor de opsporings- en vervolgingspraktijk? Een belangrijke bevinding in het eerste deel is dat de literatuur suggereert dat net zoals bij commune criminaliteit, interventies gebaseerd op afschrikking vaak geen sterk effect hebben op het voorkomen van recidive. Hoewel interventies met een afschrikkende werking een centrale rol spelen in de strafrechtelijke aanpak, laat onderzoek zien dat de verwachtingen omtrent effectiviteit vaak te hoog zijn als het gaat om gedragsbeïnvloeding en het voorkomen van recidive. De verwachtingen over het inzetten op de reputatie van rechtspersonen stemmen positiever. Daarbij kan de gehanteerde mediastrategie een belangrijke rol spelen. Het FP heeft ook uiteenlopende mogelijkheden om gelegenheden voor regelovertredingen te beperken of helemaal weg te nemen. Hoewel er nog weinig empirisch onderzoek is dat zich specifiek richt op FINEC, suggereren theoretische verwachtingen en de inschattingen van FP-medewerkers dat dit een effectieve strategie is. Meer empirisch onderzoek hiernaar is dus ­gewenst. Tot slot lijken interventies gericht op resocialisatie een effectief middel om recidive te voorkomen, maar deze worden nog niet vaak ingezet bij FINEC. Het is dus nuttig om meer aandacht te ontwikkelen voor het belang van resocialisatie en de rol van de Reclassering daarbij. Bij FINEC is vaak op het eerste gezicht niet altijd duidelijk of er onderliggende problematiek is, maar het vaker vragen van Reclasseringsadvies zou van toegevoegde waarde kunnen zijn. Verder kan ook gedacht worden aan onderzoek naar een apart risicotaxatie-instrument voor daders van FINEC.

      Dat ook het betrekken van andere partners dan de Reclassering nuttig kan zijn, is duidelijk geworden in het tweede deel van dit artikel. Dit perspectief nam namelijk als uitgangspunt dat het FP met uiteenlopende partners – in dit artikel private partners – kan samenwerken om een groter effect te bereiken bij het (bestrijden en) voorkomen van FINEC. Dit is gegeven de gelaagde inrichting van het handhavingsstelsel niet alleen gewenst maar ook noodzakelijk, omdat het strafrecht alleen criminaliteit niet structureel kan oplossen. Een overkoepelend kenmerk van interventies in samenwerking met private partijen is dat zij in theorie weinig beslag leggen op de schaarse capaciteit van het FP om zaken te doen, maar in de praktijk nog wel de nodige voeten in de aarde kunnen hebben. Tegelijkertijd weet het FP hiermee de capaciteiten van private partijen te benutten. Door de private partijen te betrekken, worden zij alerter, actiever en weerbaarder bij het bestrijden van criminaliteit. Hoewel de preventieve werking vooralsnog niet empirisch kan worden aangetoond, zit er veel potentie in op basis van theoretische verwachtingen en de ervaringen van respondenten. Empirisch onderzoek hiernaar is dus aan te bevelen.

      In beide delen van het artikel komt naar voren dat het opwerpen van barrières voor criminaliteit effectief kan zijn. De gelegenheidstheorie geeft een theoretische onderbouwing van effectiviteit en de samenwerking met een private partij biedt hiertoe praktische mogelijkheden. Wanneer door middel van een samenwerking met een private partij barrières worden opgeworpen, zijn er volgens respondenten meetbare resultaten zichtbaar die duiden op een afname van criminaliteit. In de praktijk is dus bij het beperken van gelegenheden winst te behalen. Samenwerkingen met private partijen lijken een onmisbaar wapen in het interventiearsenaal van het FP. Zo kunnen samen signalen van criminele fenomenen worden uitgewisseld, praktische barrières worden opgeworpen en kan bewustwording worden gecreëerd bij marktpartijen en in de samenleving in het algemeen. Voorwaarde om de samenwerking een succes te laten worden is echter dat het FP en de betrokken partner dezelfde doelen nastreven. Door de samenwerking op dit doel te baseren, staan alle neuzen zo veel mogelijk dezelfde kant op en gaan commerciële en publieke belangen zo min mogelijk door elkaar lopen.

      Ter afsluiting merken we op dat een belangrijke overkoepelende bevinding is dat nog relatief weinig bekend is over succes of falen van interventies bij de aanpak van FINEC. Een rode draad door de twee delen is dat vaak maar mondjesmaat onderzoek bestaat over de inzet en effectiviteit van interventies bij FINEC. Wetenschappelijk onderzoek over effectiviteit van interventies is over het algemeen beperkt, richt zich vaak op commune criminaliteit en empirisch onderzoek naar bestaande interventies van het FP ontbreekt vaak. Dit artikel laat zien dat nog veel nader onderzoek nodig is en geeft hiervoor enkele concrete aanknopingspunten. Meer en gestructureerd onderzoek tussen het FP en universiteiten naar de inzet en effectiviteit van interventies is niet alleen wenselijk, maar uiteindelijk noodzakelijk om effectief te kunnen interveniëren. Mede vanwege de benoemde praktische grenzen, kan dit type onderzoek bijdragen aan het effectiever inzetten van de beschikbare middelen en mankracht. Door kennis te verzamelen in de Toolbox Strafrecht kan dit worden bevorderd. Zo beogen het FP en zijn partners (CCV en NVWA) bij te dragen aan het effectief bestrijden en voorkomen van ­FINEC.

    Noten

    • * Anke de Crom en Thomas Meekel hebben stage gelopen bij het Functioneel Parket en hebben daar (afzonderlijk) onderzoek gedaan voor hun master­scripties. Dit artikel is hierop gebaseerd.
    • 1 In dit artikel wordt het woord financieel-economische criminaliteit (en de afkorting FINEC) gebruikt als overkoepelende term voor fraude, milieucriminaliteit en witwassen.

    • 2 Zie bijvoorbeeld over de aanpak van milieucriminaliteit: De markt de baas. Een verkenning naar ervaren knelpunten in de aanpak milieucriminaliteit (Rapport CCV september 2019); Dreigingsbeeld milieucriminaliteit 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 3472413; Handhaven in het duister (Rapport Algemene Rekenkamer van juni 2021).

    • 3 Zie onder andere R.M.J. de Rijck, ‘Doeltreffend, evenredig en afschrikkend: de Europese maatstaf voor straftoemeting in milieuzaken’, Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming 2018/1, p. 5-13.

    • 4 J.H. Crijns, ‘Strafrecht als ultimum remedium. Levend leidmotief of archaïsch desideratum’, Ars Aequi 2012/61, afl. 1, p. 11-18.

    • 5 Met interventies wordt bedoeld: het afdoen van een strafrechtelijk signaal of strafzaak door een ingreep van het OM, een rechter of door een handhavingspartner van het OM.

    • 6 Het is van belang op te merken dat het inzetten van interventies is gebonden aan juridische, morele dan wel praktische grenzen, zoals proportionaliteit, uitvoerbaarheid en tijd. Daarnaast kunnen ook (onwenselijke) ­neveneffecten een rol spelen. In dit artikel wordt hier niet expliciet op ingegaan.

    • 7 In het lopende project ‘Toolbox Strafrecht’ zijn momenteel meer dan 200 interventies geïdentificeerd en beschreven. Via een website zullen medewerkers bij het OM, bij de opsporing en bij handhavingspartners deze interventies kunnen raadplegen via een systeem van filters en keuzemenu’s (waaronder de perspectieven uit dit artikel: doelen en partners). Het betreffen strafrechtelijke interventies door het OM of de rechter, maar ook civielrechtelijke interventies, interventies uit de WED, interventies door tuchtrechtelijke instanties of juist door toezichthouders of poortwachters die van waarde kunnen zijn voor het bestrijden en voorkomen van ­FINEC.

    • 8 Het onderzoek naar de aard van FINEC en de inzet en effectiviteit van interventies maakt deel uit van de gezamenlijke Onderzoeksagenda van het Functioneel Parket en het Landelijk Parket.

    • 9 In het project worden zes doelen benoemd: 1. Verstoren/stoppen doorlopende overtreding, 2. Herstellen, 3. Bestraffen/vergelden, 4. Recidive voorkomen, 5. Preventie door maatschappij en markt, 6. Preventie door overheid.

    • 10 Samenwerking met publieke partners is uiteraard ook van groot belang voor het FP, maar omwille van de omvang van het artikel beperken we ons tot de private partners.

    • 11 I. Ayres & J. Braithwaite, Responsive regulation. Transcending the deregulation debate, New York: Oxford University Press 1992.

    • 12 J. van Dijk, W. Huisman & P. Nieuwbeerta, Actuele Criminologie, Den Haag: Sdu 2018.

    • 13 Zie hierover bijvoorbeeld M. Boone, ‘Effectiviteit van straffen’, in: M. Boone & C. Brants (red.), Criminologie en strafrecht, Den Haag: Boom Lemma Uitgevers 2013, p. 201-228; J.M. Harte, Zo werkt het. Over hoe onderzoek bijdraagt aan betere interventies, Den Haag: Boom criminologie 2019. FINEC wordt daarnaast ook niet als aparte categorie meegenomen in de recidivemonitor van het WODC.

    • 14 G.S. Becker, ‘Crime and punishment: An economic approach’, Journal of Political Economy 1968/2, afl. 2, p. 169-217.

    • 15 B. Wartna, D. Alberda & S. Verweij, ‘Een meta-analyse van Nederlands recidiveonderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies’, Tijdschrift voor Criminologie 2013/55, afl. 1, p. 3-23.

    • 16 D.S. Nagin & R. Paternoster, ‘Personal capital and social control: The deterrence implications of a theory of individual differences in criminal offending’, Criminology 1994/32, p. 581-606; S.S. Simpson, M. Rorie, M. Alper & N.M. Schell-Busy, ‘Corporate crime deterrence: A systematic review’, Campbell Systematic Reviews 2014/10, afl. 1, p. 1-105.

    • 17 R. Paternoster & S.G. Tibbetts, (2016). ‘White-collar crime and perceptual deterrence’, in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of ­white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 622-640.

    • 18 S.S. Simpson, M. Rorie, M. Alper & N.M. Schell-Busy, ‘Corporate crime deterrence: A systematic review’, Campbell Systematic Reviews 2014/10, afl. 1, p. 1-105.

    • 19 J.M. Karpoff, D.S. Lee & G.S. Martin, ‘The cost to firms of cooking the books’, Journal of Financial and Quantitative Analysis 2008/43, afl. 3, p. 581-612; J.M. Karpoff & J.R. Lott, ‘The reputational penalty firms bear from committing criminal fraud’, Journal of Law & Economics 1993/36, p. 757-802.

    • 20 M. Felson, Crime and Everyday Life, Thousand Oaks, USA: Pine Forge Press/Sage 1997.

    • 21 M. Felson & R. Clarke, ‘Opportunity makes the thief: practical theory for crime prevention’, in: B. Webb (red.), Police research series, London: Home Office, Policing and Reducing Crime Unit 1998; M. Felson, Crime and Ev­eryday Life, Thousand Oaks, USA: Pine Forge Press/Sage 1997.

    • 22 De auteur is geen studie bekend geworden die aan de opgestelde inclusiecriteria voldeed.

    • 23 In de momenteel aanhangige Wet aanpak dierenmishandeling en dierenverwaarlozing wordt voorgesteld om de mogelijkheden tot het opleggen van een houdverbod uit te breiden.

    • 24 T. Hirschi, Causes of Delinquency, Berkeley, USA: University of California Press 1969.

    • 25 J.H.R. van Onna, Blurred Lines: A Study of White-Collar Crime Involvement (diss. VU Amsterdam), 2018.

    • 26 Zie bijvoorbeeld J.H. Laub & R.J. Sampson, Shared beginnings, divergent lives: Delinquent boys to age 70, Cambridge, USA: Harvard University Press 2003.

    • 27 M.L. Benson, ‘Developmental perspective on white-collar criminality’ in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 253-274; D.O. Friedrichs, Trusted criminals: white-collar crime in contemporary society, Belmont: Wadsworth Cengage Learning 2010.

    • 28 P.M. Klenowski & K.D. Dodson, (2016). ‘Who commits white-collar crime, and what do we know about them?’, in: S.R. Van Slyke e.a. (red.), The Oxford Handbook of white-collar crime, New York: Oxford University Press 2016, p. 101-126; D. Weisburd & E. Waring, White-collar crime and criminal careers, New York: Cambridge University Press 2001; J.H.R. van Onna, Blurred Lines: A Study of White-Collar Crime Involvement (diss. VU Amsterdam), 2018.

    • 29 N.L. Piquero, A.R. Piquero & D. Weisburd, ‘Long-term effects of social and personal capital on offending trajectories in a sample of white-collar offenders’, Crime & Delinquency, 2016/62, afl. 11, p. 1510-1527.

    • 30 K. Murphy & N. Harris, ‘Shaming, shame and recidivism: A test of reintegrative shaming theory in the white-collar crime context’, The British Journal of Criminology, 2007/47, afl. 6, p. 900-917.

    • 31 Dit blijkt uit de interviews en zie hierover J.J.H. Beckers, Tussen Ideaal en Werkelijkheid. Een Empirische Studie naar de Strafrechtelijke Aanpak van ­Organisatiecriminaliteit in Nederland (diss. Rotterdam), 2016; Fraudemonitor van het Openbaar Ministerie 2019-2020.

    • 32 W. Huisman & D. Lesmeister, ‘Strafrecht door de ogen van een witteboordencrimineel: Gevolgen en beleving van strafrechtspleging door vervolgden voor witteboordencriminaliteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2018/60, afl. 4, p. 457-478; K. Kerley & H. Copes, ‘The effects of criminal justice contact on employment stability for white-collar and street-level offenders’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2004/48, p. 65-84; K.A. Mason, ‘Punishment and paperwork: White-collar offend­ers under community supervision’, American Journal of Criminal Justice 2007/31, afl. 2, p. 23-36.

    • 33 W. Huisman & A. Beukelman, Invloed op regelnaleving door bedrijven. Inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2007.

    • 34 Het begrip private partijen wordt soms ook wel omschreven als ‘maatschappelijke stakeholders’ of ‘maatschappelijke omgeving’; C.A. Meerts, ‘Corporate investigations, corporate justice and public-private relations: Towards a new conceptualisation’, Springer Nature 2019.

    • 35 I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992.

    • 36 I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992.

    • 37 P. Mascini, & E. van Wijk, ‘Vis ruikt nou eenmaal zo. Responsive Regula­tion bij de Voedsel en Waren Autoriteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2008/2.

    • 38 H. van de Bunt e.a., ‘Hoe stevig is de piramide van Braithwaite?’, Tijdschrift voor Criminologie 2007/4.

    • 39 H. van de Bunt e.a., ‘Hoe stevig is de piramide van Braithwaite?’, Tijdschrift voor Criminologie 2007/4.

    • 40 L.J.A. Damen, Bestuursrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013.

    • 41 I. Ayres & J. Braithwaite, ‘Responsive regulation. Transcending the deregulation debate’, New York: Oxford University Press 1992.

    • 42 Beklagprocedure bij het gerechtshof over niet vervolging door het OM ex. artikel 12 van het wetboek van strafvordering.

    • 43 Meld Misdaad Anoniem, Nederlandse dierenhandel kan helpen in de strijd tegen wildlife crime, 2018 geraadpleegd via www.meldmisdaadanoniem.nl/blog/2018/10/22/wildlife-crime-campagne/.

    • 44 T. Beekhuis & W. S. de Zanger, ‘De niet meldende Wwft-plichtige handelaar in het strafrecht’, Delikt en Delinkwent, 2019/10; D. Mijnheer, ‘Publiek-private samenwerkingen bij de bestrijding terrorismefinanciering’, Tijdschrift voor Compliance 2019/1.

    • 45 D. Mijnheer, ‘Publiek-private samenwerkingen bij de bestrijding terrorismefinanciering’, Tijdschrift voor Compliance 2019/1; E.V. den Boer, ‘Count­ering Criminal Facilitation Through Public-Private Cooperation in The Netherlands’, in: G. Jacobs e.a. (red.), International Security Management, Springer: Cham 2021, p. 463-476.

    • 46 Nederlandse Vereniging van Banken, Stijging schade als gevolg van digitale fraude maakt gezamenlijke aanpak noodzakelijk, 2021. Geraadpleegd via www.nvb.nl/nieuws/stijging-schade-als-gevolg-van-digitale-fraude-maakt-gezamenlijke-aanpak-noodzakelijk/.

    • 47 Ook kunnen poortwachters aangemerkt worden als ‘guardians’ in de zin van de routine activiteiten theorie van Cohen & Felson (1979).

    • 48 Het benaderen van de overkoepelende brancheorganisatie kan ook nuttig zijn indien er een beperkt aantal bedrijven actief is in de sector.

    • 49 P. Vermaas, ‘Alexander More wil strafzaken benutten’, Opportuun 2018, afl. 1.

    • 50 Zie bijvoorbeeld B. van Rooij, ‘Behavioral Jurisprudence: The Quest for Knowledge about the Ex-ante Function of Law and Behavior’, Jerusalem Review of Legal Studies, 2020/22, afl. 1, p. 57-77.

Anke de Crom en Thomas Meekel hebben stage gelopen bij het Functioneel Parket en hebben daar (afzonderlijk) onderzoek gedaan voor hun master­scripties. Dit artikel is hierop gebaseerd.

Print dit artikel