Tijdschrift voor Gezondheidsrecht

Artikel

De Verordening geavanceerde therapie in theorie en praktijk: een tussenstand

Trefwoorden celtherapie, gentherapie, weefselmanipulatieproducten, cellen, weefsel, geavanceerde therapie
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. drs. J.A. Lisman en mr. E. Vollebregt, 'De Verordening geavanceerde therapie in theorie en praktijk: een tussenstand', TvGR 2011, p. 199-211

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      Onlangs verscheen in dit tijdschrift een artikel van de hand van E.T.M. Olsthoorn-Heim en H.D.C. Roscam Abbing onder de titel ‘Regeneratieve geneeskunde in gezondheidsrechtelijk perspectief’.1x E.T.M. Olsthoorn & H.D.C. Roscam Abbing, ‘Regeneratieve geneeskunde in gezondheidsrechtelijk perspectief’, TvGR 2010, p. 348-362. In dit zeer interessante, voornamelijk op regeneratieve therapieën met menselijke cellen en weefsels gerichte2x Het artikel belicht de verordening voornamelijk uit de invalshoek van het doel van de geneeskundige interventie: de regeneratieve geneeskunde en de producten die daarbij gebruikt worden en belicht de somatische celtherapie en weefselmanipulatieproducten die op menselijke weefsels en cellen zijn gebaseerd. Hiermee blijft de groep geneesmiddelen voor gentherapie volledig buiten beschouwing. Door deze eenzijdige belichting lijkt het artikel het concept ATP tot deze twee groepen ATP’s te beperken. Het artikel van Olsthoorn en Roscam Abbing laat verder de geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die in de regeneratieve geneeskunde gebruikt zouden kunnen worden, maar die niet op menselijke weefsels of cellen zijn gebaseerd, volledig buiten beschouwing. Het gaat hierbij om producten die gebaseerd zijn op dierlijke cellen of weefsel. Hieraan kleven geheel andere gezondheidsrechtelijke aspecten dan aan materiaal van menselijke herkomst. artikel werd veelvuldig verwezen naar de nieuwe Europese wetgeving met betrekking tot de zogenoemde ‘geavanceerde therapieën’ (‘ATP’s’), Verordening (EG) nr. 1394/2007 (de ‘verordening’).3x Verordening (EG) Nr. 1394/2007 inzake geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en van Verordening (EG) nr. 726/2004.
      Naar onze mening verdient deze verordening nadere specifieke aandacht, waarbij ook het functioneren ervan in de praktijk aan de orde gesteld moet worden. Er is veel kritiek op hoe de verordening in elkaar steekt en op de wijze waarop zij – in de lidstaten – uitgevoerd wordt. Verder blijkt er bij het bedrijfsleven weinig aandacht voor de ‘phasing-in’-procedure van producten die binnen de definitie van ATP vallen en die voor de inwerkingtreding van de verordening al rechtsgeldig op de markt waren in de EU. Bovendien loopt het aantal ingediende aanvragen voor een handelsvergunning voor de betrokken producten sterk achter ten opzichte van de verwachtingen.

      Dit artikel gaat daarom in op de totstandkoming van de verordening, de beleidsmatige keuzes die daaraan ten grondslag liggen en de losse eindjes die naar onze mening nog bestaan. Ook zal worden ingegaan op de aansluiting van deze wetgeving op de overige (Europese) wetgeving met betrekking tot het verkrijgen van grondstoffen voor geavanceerde therapieën. Verder schenken we aandacht aan het functioneren van de verordening in de praktijk. Het artikel eindigt met enige conclusies over het naar onze mening matige functioneren van de verordening in de (biotechnologische) praktijk. We hopen dat deze conclusies zouden kunnen leiden tot een verbetering van de regulering van deze fascinerende groep nieuwe behandelmethoden, waarvan het nut voor de bevordering van de volksgezondheid veelbesproken is.

    • 2 De totstandkoming van de verordening

      Eén van de onderwerpen waarover in de EU-instituties veel gesproken werd ten tijde van het opstellen van wetgeving met betrekking tot medische hulpmiddelen4x Jaren negentig: met name bij de discussies over Richtlijn 98/79/EG, de richtlijn met betrekking tot in vitro diagnostica. was de toepassing in de geneeskunde van producten die zijn afgeleid van weefsels en cellen, afkomstig van mens of dier. Er bestond – tot de inwerkingtreding van de Verordening geavanceerde therapie – een ‘regulatoir gat’ voor bewerkte weefsels, de groep producten die wordt aangeduid met ‘Tissue Engineered Products’ ofwel weefselmanipulatieproducten.5x Een uitgebreide beschrijving van de totstandkomingsgeschiedenis is te vinden in: E.R. Vollebregt & J.A. Lisman, ‘De nieuwe Verordening Geneesmiddelen voor Geavanceerde Therapie; Enige beschouwingen bij de nieuwste loot aan de stam van de EU-wetgeving over medische producten’, «JGR» Plus 2007, p. 67-91. Hoewel de geneesmiddelenwetgeving een goede basis bood voor het reguleren van producten voor somatische celtherapie en voor gentherapie, werd toch een verordening vastgesteld die de drie categorieën weefselmanipulatieproducten, producten voor somatische celtherapie en gentherapie – samengebracht onder de term ‘geneesmiddelen voor geavanceerde therapie’ – betreft. Al deze producten voor geavanceerde therapie worden sindsdien door de verordening dus gereguleerd alsof het gaat om een (bijzonder) geneesmiddel.6x Waarbij overigens nog overgangstermijnen gelden voor producten die al in de handel zijn tot 30 december 2012 (voor producten die op weefsels gebaseerd zijn) resp. 30 december 2011.

    • 3 De toelating van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie

      3.1 Gecentraliseerde procedure

      Sinds 1995 bestaat – naast de nationale systemen voor de toelating van geneesmiddelen – de gecentraliseerde procedure.7x Ingevoerd door middel van Verordening (EEG) nr. 2023/93, inmiddels vervangen door Verordening (EG) nr. 726/2004. De gecentraliseerde procedure voorziet in de indiening van een aanvraag bij het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) in Londen. De aanvraag wordt voorgelegd aan het wetenschappelijk comité CHMP (Committee on Human Medicinal Products). De CHMP bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale bevoegde autoriteiten plus daarnaast enige via coöptatie aangewezen extra leden met een specifieke expertise. Binnen het comité wordt bij een nieuwe aanvraag uit de leden een rapporteur en een corapporteur aangewezen. De rapporteur en de corapporteur zijn ieder verantwoordelijk voor het opstellen van een beoordelingsrapport door een team van beoordelaars waarin over het algemeen medewerkers en deskundigen van hun eigen organisatie (nationale bevoegde autoriteit) zitting hebben. De twee beoordelingsrapporten worden beide aan de overige leden van de CHMP voorgelegd en worden in de vergadering van de CHMP omgezet tot een officieel advies van de CHMP.8x De gebruikte term is: opinion. Het advies van de CHMP wordt aan de Europese Commissie die – na advisering door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik – het advies omzet in een besluit. Indien dit besluit strekt tot toelating van het geneesmiddel, wordt voor het geneesmiddel een handelsvergunning verleend en wordt het opgenomen in het Europees register van geneesmiddelen.

      3.2 Specifieke aspecten voor producten voor geavanceerde therapie

      In het geval de aanvraag voor een handelsvergunning een product betreft waarop de verordening van toepassing is, wordt deze niet rechtstreeks aan de CHMP gezonden, maar eerst aan een nieuw opgericht comité voor geavanceerde therapieën, de CAT.9x Art. 8 Verordening. De doelstelling van de CAT is om de Europese topexpertise op het gebied van geavanceerde therapieën bij elkaar te brengen.10x Zie preambule van de verordening, overweging 11. Voor de samenstelling van de CAT is evenals voor de andere wetenschappelijke comités van de EMA gekozen voor één lid per lidstaat, met dien verstande dat voor vijf van de CAT-leden geldt dat zij ook lid zijn van de CHMP. Naast de lidstaten worden ook de beroepsgroep van de medisch specialisten en die van de patiëntenorganisaties vertegenwoordigd. Namens beide groepen worden twee leden benoemd door de Europese Commissie op voordracht van het Europees Parlement.11x Art. 21 Verordening.
      De CAT voert een volledige beoordeling uit van het dossier dat bij de aanvraag behoort en tracht consensus te bereiken over het uit te brengen advies en het bijbehorende beoordelingsrapport. Het advies – dan wel unaniem, dan wel het standpunt van de meerderheid van de CAT – en het beoordelingsrapport worden aan de CHMP gezonden. Vervolgens verloopt de procedure identiek aan de procedure voor andere gecentraliseerde aanvragen.

    • 4 Reikwijdte Verordening geavanceerde therapie

      4.1 De systematiek van de Europese wetgeving voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie

      Bij de opstelling van de verordening is door de Europese wetgever een merkwaardige aanpak gekozen. In plaats van het stellen van regels voor een bepaalde categorie geneesmiddelen in het kader van het regelgevend systeem van de geneesmiddelen, de Geneesmiddelenrichtlijn 2001/83/EG,12x Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PB L 311 van 28.11.2001, p. 67-128. is voor het omgekeerde gekozen: een bepaalde groep producten, of ze nu aan de definitie van geneesmiddel voldoen of niet, werd onder de reikwijdte van de geneesmiddelenwetgeving gebracht. De wetgever kwalificeert de verordening als een lex specialis,13x Zie Explanatory Memorandum COM(2005) 567 final, p. 6. omdat zij specifieke regels bevat voor de gedefinieerde producten voor geavanceerde therapie, die van toepassing zijn in plaats van – en niet in aanvulling op – de normale regels die gelden voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen.14x De Europese Commissie verwijst hiermee – naar onze smaak op onjuiste wijze – naar het adagium lex specialis derogat lex generalis dat uitsluitend ziet op strijdigheid van wettelijke regels, gevallen waarin een rechter zou moeten kiezen uit verschillende van toepassing zijnde wettelijke regels, die tot een verschillend resultaat zouden leiden. De Verordening is van toepassing op de erin gedefinieerde producten en derogeert daarom automatisch al aan andere wetgeving, zoals Verordening (EG) nr. 726/2004, Richtlijn 2001/83/EG en wetgeving met betrekking tot medische hulpmiddelen.

      Het systeem van de verordening houdt dus in dat producten die uit levensvatbare cellen worden geproduceerd als geneesmiddel geclassificeerd worden, als ze binnen de definitie van product voor celtherapie, gentherapie of weefselmanipulatieproduct vallen. Of de producten overigens binnen de definitie van geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83 vallen is irrelevant.15x Overigens was het wel de intentie van de Commissie toen zij het voorstel voor de Verordening indiende dat deze alleen ATP’s zou reguleren die binnen de reikwijdte van het begrip ‘geneesmiddel’ in art. 2 (1) van Richtlijn 2001/83 vielen, zie het voorstel COM (2005) 567 final, p. 3 (par. 2.2). Hierdoor worden niet-geneesmiddelen, omdat ze producten voor geavanceerde therapie zijn, mogelijk toch als geneesmiddel gereguleerd. De verordening verwijst, zoals hiervoor uiteengezet, voor de toelating van producten voor geavanceerde therapie naar een uitgebreide versie van de gecentraliseerde procedure bij het EMA. Dit is een verschil met de normale systematiek waarin een product pas een geneesmiddel is als het aan de definitie van geneesmiddel voldoet. Het gevolg hiervan is dat een geheel nieuwe classificatieproblematiek ontstaat. Immers, om nu te bepalen of een product een geneesmiddel is of niet moet het product niet alleen langs de definitie van geneesmiddel wordt gelegd, maar ook langs de definitie van product voor gentherapie, de definitie van product voor celtherapie en de definitie van weefselmanipulatieproduct. Dat dit nieuwe classificatieprobleem zich voordoet, heeft de wetgever onderkend. Daarom biedt de verordening een wetenschappelijke adviesprocedure aan om te bepalen wat eigenlijk de status is van een nieuw te ontwikkelen therapie/product.16x Via de procedure van art. 17 Verordening geavanceerde therapie. Blijkens het meest recente verslag van het comité is van deze mogelijkheid al 35 keer gebruikt gemaakt. Het EMA raadt aanvragers van harte aan om deze adviesprocedure te gebruiken. Dat de classificatie van geavanceerde therapieën niet altijd een eenvoudige zaak is, blijkt uit de gegeven adviezen die op de website van het Europese geneesmiddelenbureau zijn te raadplegen.17x <www.ema.europa.eu>, > Regulatory, > Human medicines, > Advanced therapies, > ATMP classification, > Summaries. Curieus is dat van sommige producten slechts wordt vastgesteld dat het om een geneesmiddel voor geavanceerde therapie gaat, zonder dat wordt aangegeven in welke van de drie subcategorieën het product valt.

      Artikel 2 van de Verordening geavanceerde therapie bevat een aantal definities voor producten waarop de verordening ziet. Het gaat om geneesmiddelen voor gentherapie, voor celtherapie en weefselmanipulatieproducten. In het eerste lid, onder c, wordt gedefinieerd welke cellen als ‘gemanipuleerd’ worden beschouwd. Een element van deze definitie is dat de cellen wezenlijk gemanipuleerd zijn en dat de cellen niet bestemd zijn voor de uitoefening van dezelfde essentiële functie bij de ontvanger als bij de donor. Zowel producten voor autologe als voor niet-autologe transplantatie van cellen, waarbij geen significante wijziging is aangebracht in de eigenschappen van de cellen en/of de cellen dezelfde essentiële functie blijven vervullen, vallen daardoor niet onder de definitie van weefselmanipulatieproducten en daarmee ook niet binnen de reikwijdte van de verordening. Als gevolg hiervan worden dergelijke producten – denk bijvoorbeeld aan stamcellen die voor later gebruik geconserveerd worden en daarna als therapie worden gebruikt – niet als geneesmiddel gereguleerd. Dit is des te relevanter, omdat dit nu juist een gebied is waarop veel bedrijven zich thans richten.

      4.2 De ‘hospital exemption’

      De verordening bevat een bijzondere regeling voor producten die weliswaar onder haar reikwijdte vallen, maar waar geen grensoverschrijdende handel mee plaatsvindt; de zogenoemde ‘hospital exemption’.18x Olsthoorn en Roscam Abbing duiden deze groep geavanceerde therapie producten aan met de term ‘unicum’. Zij menen dat deze producten buiten de reikwijdte van de verordening vallen (p. 352), maar hiermee zijn wij het niet eens. Deze producten worden wel degelijk door de verordening gereguleerd. Het gaat om geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die op individuele basis voor een bepaalde patiënt in hetzelfde ziekenhuis, althans in dezelfde lidstaat, worden bereid en toegepast.19x Art. 28 lid 2 Verordening (EG) nr. 1394/2007, die een nieuw zevende lid toevoegt aan art. 3 van Richtlijn 2001/83/EG. Indien een product voor geavanceerde therapie aan de criteria voldoet, biedt de verordening een uitzondering op de verplichting dat vóór het gebruik een handelsvergunning moet zijn verleend door de Europese Commissie op basis van advisering door de CAT en de CHMP. Deze uitzondering geldt alleen indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld dat sprake moet zijn van een niet-routinematige bereiding en dat alle handelingen, verkrijging van grondstof, bewerking en toediening, in dezelfde lidstaat worden uitgevoerd. Indien dit niet het geval is, dient – ondanks het unieke karakter van het product – toch een handelsvergunning aangevraagd en verleend te worden. Ook producten die niet onder de geneesmiddelenwetgeving vallen, maar wel binnen de definitie van geavanceerde therapeutische producten, kunnen onder deze specifieke clausule worden bereid en toegepast.

      Hoewel de eis van een Europese handelsvergunning niet geldt, worden strenge eisen gesteld aan de producten waarop deze ‘hospital exemption’ wordt toegepast, men zou kunnen zeggen ter ‘vervanging’ van de handelsvergunning. Blijkens de verordening dient voor de toepassing van de uitzondering op de registratieplicht door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat toestemming verleend te zijn en dienen deze bevoegde autoriteiten ervoor te zorgen dat gelijkwaardige eisen met betrekking tot geneesmiddelenbewaking, traceerbaarheid en de kwaliteit van de bereiding van deze geneesmiddelen voor geavanceerde therapie worden gesteld zoals die zouden gelden voor deze geneesmiddelen als er een handelsvergunning voor verleend zou zijn. In feite vervangt deze bepaling in de verordening dus het vereiste van een handelsvergunning door het vereiste van een nationale vergunning, waarbij aan dezelfde eisen moet worden voldaan. De algemene eisen zijn onder meer terug te vinden in Bijlage 1 bij Richtlijn 2001/83/EG, deel I t/m III, aangevuld met de eisen die specifiek aan producten voor geavanceerde therapie gesteld worden in dezelfde bijlage, deel IV.

      De implementatie in de Nederlandse wetgeving van de hospital exemption is nogal beperkt gebleven. In de Geneesmiddelenwet is slechts een uitzondering op de verplichting tot het hebben van een handelsvergunning opgenomen (art. 40 lid 3 nieuw onderdeel d) voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die met toestemming van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid worden bereid onder de hospital exemption. Verder wordt het Staatstoezicht opgedragen toezicht te houden op het voldoen aan de eisen inzake traceerbaarheid, geneesmiddelenbewaking en de kwaliteit die worden gesteld aan deze producten (art. 40 lid 8).20x Wet van 13 november 2008, houdende aanpassing van de Geneesmiddelenwet in verband met Verordening (EG) nr. 1394/2007; Stb. 2008, 498. Het komt ons als nogal merkwaardig voor dat – hoewel de beoordeling van het voldoen aan regulatoire eisen voor alle andere geneesmiddelen aan het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) is toevertrouwd – de beoordeling van deze speciale groep producten door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) wordt uitgevoerd. Dit is des te merkwaardiger daar bij de beoordeling van andere geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, zowel in de CAT als in de CHMP, Nederland wel degelijk door het CBG wordt vertegenwoordigd.

      De wet zwijgt over de procedure die gevolgd moet worden om aan de IGZ aan te tonen dat aan alle eisen voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie wordt voldaan en ook over de criteria die de IGZ moet hanteren voor het al dan niet verlenen van toestemming. Ook verwijst de wet niet naar de bepalingen in de Europese wetgeving waarin de eisen die aan de bereiding van deze producten worden gesteld. Wel wordt op de website van de IGZ21x < www.igz.nl >. informatie gegeven over de mogelijkheid om toestemming te vragen. Via de website kan ook een formulier voor deze aanvraag worden gedownload. Hoewel voor de beoordeling van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie door de gebruikelijke bevoegde autoriteiten de normale termijn van 210 dagen geldt, verleent de IGZ toestemming binnen twee weken na de aanvraag. Ook valt op dat – in afwijking van de voor alle geneesmiddelen inclusief geneesmiddelen voor geavanceerde therapie geldende procedures – bijwerkingen in het geval van toepassing van de hospital exemption bij de IGZ gemeld moeten worden. Inmiddels heeft de CAT aangekondigd een dialoog aan te gaan met de nationale bevoegde autoriteiten voor toepassing van de hospital exemption. De CAT wijst hierbij op de toepasselijkheid van de normale regels op de producten die nationaal toegelaten worden.22x Zie Regulatory Affairs Pharma, March 2011, p. 16-17.
      Desgevraagd heeft de IGZ meegedeeld inmiddels slechts drie aanvragen ontvangen te hebben en in één geval toestemming verleend te hebben.23x Persoonlijke mededeling van mw. drs. J.J.M.E. Hegge, Inspecteur Farmacie en Medische Technologie, IGZ, 25 februari 2011.

    • 5 Samenloop met wetgeving inzake weefsels en cellen

      Een bijzonder probleem met betrekking tot producten waarvan de grondstof gevormd wordt door cellen of weefsels van menselijke donors, of het nu de patiënt zelf betreft of een derde, is de specifieke wetgeving die van toepassing is op het doneren en testen van cellen of weefsels. Deze wetgeving komt voort uit Richtlijn 2004/23/EG en is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl). Het gaat hierbij met name om de eisen die gesteld worden met betrekking tot het voorkomen van commercieel gebruik van om niet verkregen lichaamsmaterialen.

      Dit probleem werd al aan de orde gesteld door J.A. Bovenberg in zijn artikel ‘Weefsel, winst en belasting’.24x J.A. Bovenberg, ‘Weefsel, winst en belasting’, TvGR 2009, p. 398-413. De voornaamste conclusie was dat Nederland op twee gedachten hinkt als het gaat om de regulering van het commercieel gebruik van om niet afgestaan lichaamsmateriaal ten behoeve van het gebruik van dit materiaal in een industriële setting. Deze situatie is nog niet verbeterd, want nog steeds is het zeer onduidelijk op welke wijze grondstoffen voor geavanceerde therapieën – veelal autoloog materiaal – in een productieproces terecht kunnen komen.

      Anders dan Olsthoorn en Roscam Abbing stellen in hun artikel over regeneratieve geneeskunde zijn wij van mening dat het systeem van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal in veel gevallen niet van toepassing zou moeten zijn op de verkrijging van grondstoffen voor producten voor geavanceerde therapie. In de eerste plaats zal het leeuwendeel van de als grondstof gebruikte cellen en weefsels van de patiënt zelf afkomstig zijn. Het ‘oogsten’ van het benodigd lichaamsmateriaal is daarbij een onderdeel van de geavanceerde therapie, dat ook onder de eisen van de handelsvergunning valt en dat niet los te zien is van het geheel van de behandeling. Het zou in dat kader vreemd zijn als in dit proces een orgaanbank – als derde partij – ingezet moest worden.25x De Nederlandse IGZ hanteert voor autologe celtherapie de fictie dat het materiaal in dezelfde procedure wordt verkregen en teruggeplaatst, zodat art. 2 Wvkl de toepasselijkheid van deze wet uitsluit. Aan de eisen zoals die uit Richtlijn 2004/23/EG c.a. volgen zal – buiten het regelgevend kader voor lichaamsmateriaal – zeker voldaan worden in verband met de eisen die aan de behandeling gesteld worden. Ook indien de lichaamsmaterialen allogeen gebruikt zullen worden, kan verondersteld worden dat de verkrijging onderdeel is van de behandeling en dus ook door het dossier en de handelsvergunning bestreken zal worden.

      Overigens wijzen wij voor de nationale situatie nog op de cryptische zin in artikel 2 Wvkl dat deze niet van toepassing is op lichaamsmateriaal “voor zover daarop de Geneesmiddelenwet van toepassing is”. Hoewel dit voor producten voor geavanceerde therapie nu juist niet het geval is,26x Omdat deze bij EU-verordening geregeld zijn, mogen EU-lidstaten alleen voor de uitvoering bepaalde zaken nader regelen op dat gebied voor zover de verordening hen dat expliciet opdraagt. beoogde deze bepaling naar onze mening wel geneesmiddelen bereid uit lichaamsmateriaal buiten beschouwing te laten. Zodra een grondstof bestemd is in een geneesmiddel gebruikt te worden, valt deze voor zover relevant onder de bepalingen van de geneesmiddelenwetgeving, dus dit geldt voor lichaamsmaterialen vanaf het moment van verkrijging.

      Helaas is de praktijk weerbarstig. De Nederlandse IGZ stelt zich op het standpunt dat zelfs indien cellen of weefsels worden verzameld ten behoeve van de behandeling van de donor van dit desbetreffend lichaamsmateriaal, de verkrijging hiervan dient plaats te vinden door een ‘orgaanbank’ waarvan de statuten bepalen dat deze organisatie niet in staat mag zijn om winst uit te keren. In de praktijk betekent dit dat commerciële actoren in dit veld aangeraden wordt om als tussenschakel een rechtspersoon die niet gericht is op het maken van winst in te schakelen, bijvoorbeeld een stichting. Ons is niet goed duidelijk wat het praktisch nut is van de tussenschakeling van een dergelijke stichting als een soort stroman met rechtspersoonlijkheid, strikt voor de vorm.

      Ten slotte kan geconstateerd worden dat voor producten voor geavanceerde therapie binnen de Europese Unie een geharmoniseerd stelsel tot stand is gebracht. Het is dan volgens ons niet mogelijk dat nog nadere nationale eisen gesteld worden indien de patiënt en/of de donor zich in verschillende lidstaten bevinden. Ook is moeilijk voor te stellen dat het in het Europa zonder grenzen niet toegestaan zou zijn dat gedurende de geavanceerde therapie de cellen of weefsels in verschillende lidstaten bewerkt zouden mogen worden. Immers, juist in deze innovatieve tak van de geneeskunde kan niet van de houder van de handelsvergunning gevergd worden dat deze zich in alle lidstaten vestigt en zich vervolgens in alle lidstaten aan specifieke nationale regels zal gaan houden. Dat zou namelijk in strijd zijn met de interne marktdoelstellingen van de verordening en de Europese geneesmiddelenmiddelenwetgeving in het algemeen.

    • 6 Implementatie en uitrol van de Verordening geavanceerde therapie op Europees niveau

      Toen de verordening eind 2007 in werking trad, moest er nog veel gebeuren om de verordening handen en voeten te geven, voordat zij van toepassing zou zijn vanaf 30 december 2008. In het Advanced Therapy Medicinal Products (ATMP) Regulation Implementation Plan, gedateerd 11 december 2007 (vlak voor publicatie van de verordening), zijn dergelijke activiteiten, waaronder het vaststellen van richtsnoeren voor GMP27x Good Manufacturing Practices: nauwkeurige specifieke richtlijnen voor de vervaardiging van ATP’s. en GCP28x Good Clinical Practices: specifieke richtlijnen voor het uitvoeren van klinisch onderzoek met ATP’s. voor ATP’s, het vaststellen van de procedure voor het beoordelen van het aanvraagdossier, het vaststellen van richtsnoeren voor follow-up van efficacy en adverse reactions, en ook voor risk management, opgesomd.

      Verder werd er veel verwacht van de verordening met betrekking tot kleine en middelgrote bedrijven – die spelen een belangrijke rol bij de innovatie op het gebied van producten voor geavanceerde therapie. De procedure voor wetenschappelijke beoordeling en certificering van data van kleine en middelgrote bedrijven, die beloofd wordt in artikel 18 van de verordening, liet behoorlijk lang op zich wachten, want zij werd pas gepubliceerd op 24 juli 2009 en trad kort daarna in werking.29x Verordening 668/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beoordeling en certificering van de kwalitatieve en niet-klinische gegevens in verband met geneesmiddelen voor geavanceerde therapie ontwikkeld door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, Pb 2009 L194/7. Deel IV van Richtlijn 2001/83/EG werd pas in september 2009 gewijzigd om de vereisten voor producten voor geavanceerde therapie toe te voegen30x Richtlijn 2009/120/EG van de Commissie van 14 september 2009 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft, Pb 2009 L242/3. en die wijziging hoefden de lidstaten pas op 5 april 2010 geïmplementeerd te hebben. Veel van de richtsnoeren van het EMA traden ook pas laat in werking, in 2009 of zelfs pas in 2010.31x Van de richtsnoeren voor Regulatory and procedurele guidance was is er maar één in 2008 in werking getreden, de rest in 2009 en 2010, zie <www.ema.europa.eu>, > Regulatory, > Human medicines, > Advanced therapies, > Guidance.

      Ten slotte is ook het CAT er nog niet uit hoe in alle gevallen de vereisten op het gebied van kwaliteit, effectiviteit en veiligheid concreet vertaald moeten worden. Het CAT is erachter gekomen dat die vereisten van aanvraag tot aanvraag nogal kunnen verschillen vanwege het grote verschil tussen de producten die onder de definitie van product voor geavanceerde therapie vallen.32x Maureen Kenny, ‘EMA seeks out ATMP manufacturers in advance of approval deadlines’, Regulatory Affairs Pharmaceuticals, March 2011, p. 14. In de woorden van het CAT: “Special tools for the assessment of these are already provided in the ATMP legislation but their optimal application needs to be fully explored”.33x CAT Work Programme 2010-2015 (<www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2010/11/WC500099029.pdf>), p. 2. Dit heeft in de praktijk geleid tot een praktijk van het eerst ‘parkeren’ van producten in de wetenschappelijk adviesprocedure, zodat het CAT meer tijd heeft om het product te doorgronden en het met de aanvrager eens te worden over de voor de aanvraag te hanteren standaarden.

      Het behoeft geen uitgebreide uitleg dat het uitblijven van essentiële richtsnoeren en uitvoeringsregelingen het er voor ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, niet duidelijker op maken. Dit heeft dan ook bepaald geen gunstig effect gehad op het klimaat van indiening van aanvragen.

    • 7 Implementatie van de Verordening geavanceerde therapie in de Nederlandse wetgeving

      De implementatie van de Verordening geavanceerde therapie in de Nederlandse wetgeving heeft plaatsgevonden door middel van een wijziging van de Geneesmiddelenwet.34x Wet van 13 november 2008, houdende aanpassing van de Geneesmiddelenwet in verband met de Verordening (EG) nr. 1394/2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PbEU L 324) (Stb. 2008, 498). Aan deze implementatie is zowel door de regering als door het parlement weinig aandacht geschonken. Met name op het punt van de ‘hospital exemption’ wordt zoals hiervoor al vermeld – ons inziens – de plank misgeslagen, omdat inderdaad de suggestie wordt gewekt dat de betrokken producten ongereguleerd blijven, behoudens toestemming van de IGZ. Dit is naar onze mening in elk geval in strijd met de Verordening geavanceerde therapie en zeker ook niet de bedoeling van de (Europese) wetgever.
      De IGZ geeft op haar website een uitgebreide toelichting van de procedure voor de aanvraag van toestemming voor toepassing van de hospital exemption en sluit hierin, ons inziens onterecht, aan bij de formuleringen in de Geneesmiddelenwet in plaats van bij de eisen van bijlage 1 bij Richtlijn 2001/83/EG.35x Zie: < www.igz.nl >, > Geneesmiddelen en medische technologie, > Geavanceerde therapie (ATMP), > Procedure voor het verkrijgen van een hospital exemption voor ATMPs.

    • 8 Het functioneren van de verordening in de praktijk

      8.1 Twee grote masten op één schip

      In de verordening wordt de besluitvorming over de toelating van geavanceerde therapieën binnen het Europese geneesmiddelenagentschap EMA verdeeld over twee verschillende schijven: aanvragen worden in eerste instantie behandeld door een nieuw opgericht comité, de CAT.36x Art. 20 Verordening. Het oordeel van dit comité heeft vervolgens een betrekkelijke waarde, omdat het uiteindelijke oordeel over de aanvraag niet door de CAT bepaald wordt, maar op basis van het oordeel van de CAT door CHMP. De gekozen, evident politiek gemotiveerde, constructie leidt naar onze mening tot een situatie die als ‘worst of both worlds’ gekenschetst kan worden. De CAT, die is opgezet om alle topexpertise op het gebied van geavanceerde therapie bijeen te brengen in de EMA, wordt slechts als adviesorgaan van de CHMP ingezet. Voor de CHMP geldt dat zij als eindverantwoordelijke toch een definitief oordeel over de balans van werkzaamheid en risico’s van deze nieuwe producten dient te geven. Uiteindelijk neemt de Commissie dan de eindbeslissing op basis van het advies van het CHMP. Het resultaat is een meer gecompliceerde variant van de gecentraliseerde procedure voor geneesmiddelen.

      Een ander aspect van het hanteren van een dubbel beoordelingssysteem voor deze producten betreft de productie van het beoordelingsrapport. Het systeem van de toelating van geneesmiddelen berust op beoordelingsrapporten die door beoordelingsteams, onder leiding van de rapporteur en corapporteur, worden geschreven. Dergelijke teams kunnen eigenlijk alleen door bepaalde nationale autoriteiten, zoals het Nederlandse CBG, worden samengesteld, omdat daar de benodigde expertise beschikbaar is. Als gevolg hiervan zal de keuze van de rapporteur en corapporteur in de CAT voor een product voor geavanceerde therapie alleen kunnen vallen op een van de vijf leden van de CAT die tevens lid zijn van de CHMP. De overige leden van de CAT zullen immers niet in staat zijn om de continuïteit van de beoordeling in de CHMP te waarborgen. Bovendien dient de rapporteur terug te kunnen vallen op een van de belangrijke nationale bevoegde autoriteiten, omdat in de kleinere agentschappen onvoldoende expertise bestaat om een beoordelingsteam in te stellen, zeker niet als het gaat om geavanceerde therapieën. Iedere vijf jaar worden nieuwe leden in de CHMP en de CAT benoemd, waardoor ook de selecte groep rapporteurs kan wijzigen.

      8.2 Worden er wel geavanceerde therapieën ontwikkeld?

      De verordening is van toepassing sinds 30 december 2008. Het overgangsrecht brengt met zich mee dat vanaf 31 december 2011 en vanaf 31 december 2012 voor geavanceerde therapieën waarin weefsels van menselijke oorsprong zijn vervat een handelsvergunning volgens de verordening verleend moet zijn. Na die data komt de bestaande (nationale) toelating voor de betrokken producten namelijk te vervallen en zullen patiënten geen toegang meer hebben tot deze producten omdat de fabrikanten ze niet meer mogen vervaardigen en afleveren. Dit betekent dat aanvraagprocedures voor handelsvergunningen voor deze producten reeds volop in gang gezet zouden moeten zijn, wil de aanvrager zijn activiteiten in dit veld voort kunnen zetten.

      Een van de eerste regulatoire stappen met betrekking tot iedere aanvraag voor een handelsvergunning betreft het indienen van een onderzoeksplan bij kinderen, dat vroeg in de klinische fase plaats dient te vinden.37x Al vroeg in de klinische fase dient een PIP, paediatric investigation plan, ingediend te worden bij het Comité Kindergeneeskunde van de EMA op grond van de Verordening Kindergeneeskunde (Verordening (EG) nr. 1901/2006. Zonder een uitgevoerd PIP of een beslissing van het Comité Kindergeneeskunde dat afgezien kan worden van onderzoek bij kinderen of dat dit onderzoek later kan worden uitgevoerd, wordt een aanvraag voor een handelsvergunning niet in behandeling genomen. Uit de rapportages van de EMA blijkt dat tot op heden slechts vier van dergelijke onderzoeksplannen voor producten voor geavanceerde therapie zijn ingediend.38x Monthly report Committee for Advanced Therapie (CAT), January 2011 meeting. Ook het aanbod van nieuwe aanvragen blijft zeer beperkt. In de periode dat de verordening functioneert is slechts één handelsvergunning voor een geneesmiddel voor geavanceerde therapie verleend. Van de drie overige aanvragen zijn er twee door de aanvrager ingetrokken en is er een afgewezen. Helaas doet het EMA geen mededelingen over in behandeling zijnde aanvragen, maar meldde wel dat in ieder geval ‘enkele’ bedrijven hadden aangegeven nog aanvragen te zullen indienen tijdens de overgangsperiode.39x Zie noot 38.

      Het EMA heeft zich gerealiseerd dat er zeer weinig gebruik van de verordening wordt gemaakt en is daarom begonnen met het benaderen van vergunninghouders van bestaande producten.40x EMA Work Programme 2011, par. 2.9, p. 27 (zie <www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2011/02/WC500102044.pdf> en CAT Work Programme 2010-2015 (<www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2010/11/WC500099029.pdf>). In de literatuur wordt thans gemeld dat het EMA hier ook daadwerkelijk actief mee bezig is.41x Zie Kenny 2011 (zie noot 32), p. 14. Er zouden namelijk al ten minste twintig betrokken producten op de markt zijn.42x Kenny 2011 (zie noot 32).

      Gelet op het geringe aantal procedures voor het verkrijgen van een handelsvergunning dat gestart is sinds de inwerkingtreding van de verordening, zou verondersteld kunnen worden dat in de praktijk veel gebruik gemaakt wordt van de hospital exemption. Bedrijven die actief zijn in de sector van de geavanceerde therapie zouden ervoor kunnen kiezen om in plaats van de Europese procedure via de EMA nationale toestemming te verkrijgen. In de Nederlandse situatie blijkt dit echter niet zo te zijn, daar de IGZ slechts een gering aantal aanvragen heeft ontvangen.
      Een andere mogelijkheid is dat de fabrikanten van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie niet op de hoogte zijn van de eisen die op korte termijn voor hun producten zullen gaan gelden. Inmiddels heeft de CAT het initiatief genomen om fabrikanten actief te benaderen en ze op de hoogte te stellen van de nieuwe regulatoire eisen voor hun producten.43x Kenny 2011 (zie noot 32).

      Een groot probleem bij het samenstellen van een aanvraagdossier voor een ATP blijft ten slotte de onduidelijkheid over de eisen aan de over te leggen data (zoals hiervoor besproken). Verder blijft de gebrekkige harmonisatie op het gebied van regelgeving voor klinische proeven de ATP-fabrikanten parten spelen.44x CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 2. De traditionele geneesmiddelenpartijen hebben al grote moeite met de ruimte die de richtlijn voor klinische proeven45x Richtlijn 2001/20/EG. aan nationale beoordelingsinstanties laat, omdat die nationale instanties die ruimte nemen.46x Zie de samenvatting van de inzendingen in de consultatie van de herziening van de richtlijn klinische proeven (<ec.europa.eu/health/files/clinicaltrials/2010_03_30_summary_responses.pdf>), par. 4.1. Als gevolg daarvan moet een fabrikant nog steeds aan allerlei verschillende nationale eisen voldoen. Dit is ook een van de redenen waarom de Commissie thans bezig is met de herziening van die richtlijn. Voor ATP-fabrikanten speelt dit echter nog sterker, vanwege de relatieve onbekendheid van nationale ethische comités met ATP’s.

      Dan speelt er aan het einde nog de problemen met vergoeding en ‘Health Technology Assessment’47x Health Technology Assessment betreft de beoordeling van de waarde van een bepaalde behandeling in vergelijking tot andere behandelingen of niet behandelen. De uitkomst van een dergelijke beoordeling is een kosten/batenvergelijking. van de betrokken producten. Ook op dit gebied signaleert het CAT een wijd uiteenlopende praktijk tussen de verschillende lidstaten die allesbehalve in het voordeel van een snelle toegang tot de markt werkt voor de betrokken producten.48x CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 2.

      Het CAT heeft in haar Work Programme 2010-2015 aangekondigd dichter bij de markt te gaan staan en werk te maken van het actief ondersteunen van bedrijven om hen zo snel mogelijk door de procedure te krijgen.49x CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 3 e.v. Het CAT heeft echter geen invloed op het stadium daarvóór (klinische proeven) en dat daarna (vergoeding), beide cruciaal en beide nog steeds ferm onder controle van de lidstaten.

      Zoals hiervoor reeds gesuggereerd kan het zijn dat veel bedrijven die actief zijn of willen worden ervoor kiezen om de procedure via het EMA te ontlopen en in plaats daarvan gebruik te gaan maken van de hospital exemption. Een van de redenen die daaraan ten grondslag kan liggen is de perceptie dat het niet goed mogelijk is om het toelatingssysteem voor geneesmiddelen toe te passen op producten die op het snijvlak van experiment en toepassing verkeren. Hierbij geldt voorts dat het voor biotechnologische ondernemingen duidelijk is dat het doorlopen van een toelatingsprocedure bij de EMA een ambitieus project is met een groot afbreukrisico, waaraan bovendien zeer hoge kosten verbonden zijn.

      De enige andere reden die de lage activiteit bij het EMA verklaart is dat er simpelweg geen tot zeer weinig producten zijn die het stadium van aanvraag van een handelsvergunning bereikt hebben of er juist momenteel heel veel in de aanvraagprocedure zitten. Het laatste is echter niet aannemelijk gegeven de openbare statements van het EMA. Dat lijkt ons, gegeven de activiteit op biotechnologisch gebied, echter niet de juiste verklaring.

    • 9 Conclusies

      Met de Verordening geavanceerde therapie heeft de Europese wetgever ons opgezadeld met een zeer ingewikkelde regeling die tot de nodige afbakeningsproblemen leidt. Dit leidt tot interpretatieverschillen tussen de verschillende lidstaten die, voor bedrijven die actief zijn in deze markt, zeer veel problemen met zich mee kunnen brengen. Er ontstaat namelijk een situatie waarin juist vaak de kleinere bedrijven, die actief zijn in de regeneratieve geneeskunde, tegen vragen oplopen die door de autoriteiten niet altijd beantwoord kunnen worden. Het kleine aantal handelsvergunningen (heden: 1) en aanvragen (heden: 4) dat tegenover de grote activiteiten in de industrie staat, kan op verschillende zaken duiden. Het kan zijn dat bedrijven en onderzoekers zich niet realiseren dat hun producten via de gecentraliseerde procedure toegelaten moeten worden en welke dossiereisen hierbij gesteld worden. Het kan ook zijn dat er op grote schaal gebruik gemaakt zal gaan worden van de ‘hospital exemption’. Hierdoor zou de verordening een averechts effect krijgen: in plaats van concentratie van kennis en knowhow bij het Europese agentschap, vindt er een vlucht plaats naar beoordelingen door de nationale, bevoegde autoriteiten. Ook wordt de industrie gedwongen om veelvuldig juridische hulp in te roepen om de op haarzelf van toepassing zijnde wetgeving te kunnen begrijpen en gebruiken. Dit kan niet de bedoeling zijn van de verordening, die in considerans 5 bepaalt: “Vanwege de nieuwheid, complexiteit en technische specificiteit van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie zijn specifieke geharmoniseerde regels nodig om het vrije verkeer van deze geneesmiddelen in de Gemeenschap te waarborgen en te zorgen dat de interne markt op biotechnologisch gebied goed functioneert”. Thans lijkt ons eerder het tegendeel te gaan gebeuren.

    Noten

    • 1 E.T.M. Olsthoorn & H.D.C. Roscam Abbing, ‘Regeneratieve geneeskunde in gezondheidsrechtelijk perspectief’, TvGR 2010, p. 348-362.

    • 2 Het artikel belicht de verordening voornamelijk uit de invalshoek van het doel van de geneeskundige interventie: de regeneratieve geneeskunde en de producten die daarbij gebruikt worden en belicht de somatische celtherapie en weefselmanipulatieproducten die op menselijke weefsels en cellen zijn gebaseerd. Hiermee blijft de groep geneesmiddelen voor gentherapie volledig buiten beschouwing. Door deze eenzijdige belichting lijkt het artikel het concept ATP tot deze twee groepen ATP’s te beperken. Het artikel van Olsthoorn en Roscam Abbing laat verder de geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die in de regeneratieve geneeskunde gebruikt zouden kunnen worden, maar die niet op menselijke weefsels of cellen zijn gebaseerd, volledig buiten beschouwing. Het gaat hierbij om producten die gebaseerd zijn op dierlijke cellen of weefsel. Hieraan kleven geheel andere gezondheidsrechtelijke aspecten dan aan materiaal van menselijke herkomst.

    • 3 Verordening (EG) Nr. 1394/2007 inzake geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en van Verordening (EG) nr. 726/2004.

    • 4 Jaren negentig: met name bij de discussies over Richtlijn 98/79/EG, de richtlijn met betrekking tot in vitro diagnostica.

    • 5 Een uitgebreide beschrijving van de totstandkomingsgeschiedenis is te vinden in: E.R. Vollebregt & J.A. Lisman, ‘De nieuwe Verordening Geneesmiddelen voor Geavanceerde Therapie; Enige beschouwingen bij de nieuwste loot aan de stam van de EU-wetgeving over medische producten’, «JGR» Plus 2007, p. 67-91.

    • 6 Waarbij overigens nog overgangstermijnen gelden voor producten die al in de handel zijn tot 30 december 2012 (voor producten die op weefsels gebaseerd zijn) resp. 30 december 2011.

    • 7 Ingevoerd door middel van Verordening (EEG) nr. 2023/93, inmiddels vervangen door Verordening (EG) nr. 726/2004.

    • 8 De gebruikte term is: opinion.

    • 9 Art. 8 Verordening.

    • 10 Zie preambule van de verordening, overweging 11.

    • 11 Art. 21 Verordening.

    • 12 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, PB L 311 van 28.11.2001, p. 67-128.

    • 13 Zie Explanatory Memorandum COM(2005) 567 final, p. 6.

    • 14 De Europese Commissie verwijst hiermee – naar onze smaak op onjuiste wijze – naar het adagium lex specialis derogat lex generalis dat uitsluitend ziet op strijdigheid van wettelijke regels, gevallen waarin een rechter zou moeten kiezen uit verschillende van toepassing zijnde wettelijke regels, die tot een verschillend resultaat zouden leiden. De Verordening is van toepassing op de erin gedefinieerde producten en derogeert daarom automatisch al aan andere wetgeving, zoals Verordening (EG) nr. 726/2004, Richtlijn 2001/83/EG en wetgeving met betrekking tot medische hulpmiddelen.

    • 15 Overigens was het wel de intentie van de Commissie toen zij het voorstel voor de Verordening indiende dat deze alleen ATP’s zou reguleren die binnen de reikwijdte van het begrip ‘geneesmiddel’ in art. 2 (1) van Richtlijn 2001/83 vielen, zie het voorstel COM (2005) 567 final, p. 3 (par. 2.2).

    • 16 Via de procedure van art. 17 Verordening geavanceerde therapie. Blijkens het meest recente verslag van het comité is van deze mogelijkheid al 35 keer gebruikt gemaakt.

    • 17 <www.ema.europa.eu>, > Regulatory, > Human medicines, > Advanced therapies, > ATMP classification, > Summaries.

    • 18 Olsthoorn en Roscam Abbing duiden deze groep geavanceerde therapie producten aan met de term ‘unicum’. Zij menen dat deze producten buiten de reikwijdte van de verordening vallen (p. 352), maar hiermee zijn wij het niet eens. Deze producten worden wel degelijk door de verordening gereguleerd.

    • 19 Art. 28 lid 2 Verordening (EG) nr. 1394/2007, die een nieuw zevende lid toevoegt aan art. 3 van Richtlijn 2001/83/EG.

    • 20 Wet van 13 november 2008, houdende aanpassing van de Geneesmiddelenwet in verband met Verordening (EG) nr. 1394/2007; Stb. 2008, 498.

    • 21 < www.igz.nl >.

    • 22 Zie Regulatory Affairs Pharma, March 2011, p. 16-17.

    • 23 Persoonlijke mededeling van mw. drs. J.J.M.E. Hegge, Inspecteur Farmacie en Medische Technologie, IGZ, 25 februari 2011.

    • 24 J.A. Bovenberg, ‘Weefsel, winst en belasting’, TvGR 2009, p. 398-413.

    • 25 De Nederlandse IGZ hanteert voor autologe celtherapie de fictie dat het materiaal in dezelfde procedure wordt verkregen en teruggeplaatst, zodat art. 2 Wvkl de toepasselijkheid van deze wet uitsluit.

    • 26 Omdat deze bij EU-verordening geregeld zijn, mogen EU-lidstaten alleen voor de uitvoering bepaalde zaken nader regelen op dat gebied voor zover de verordening hen dat expliciet opdraagt.

    • 27 Good Manufacturing Practices: nauwkeurige specifieke richtlijnen voor de vervaardiging van ATP’s.

    • 28 Good Clinical Practices: specifieke richtlijnen voor het uitvoeren van klinisch onderzoek met ATP’s.

    • 29 Verordening 668/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beoordeling en certificering van de kwalitatieve en niet-klinische gegevens in verband met geneesmiddelen voor geavanceerde therapie ontwikkeld door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, Pb 2009 L194/7.

    • 30 Richtlijn 2009/120/EG van de Commissie van 14 september 2009 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wat geneesmiddelen voor geavanceerde therapie betreft, Pb 2009 L242/3.

    • 31 Van de richtsnoeren voor Regulatory and procedurele guidance was is er maar één in 2008 in werking getreden, de rest in 2009 en 2010, zie <www.ema.europa.eu>, > Regulatory, > Human medicines, > Advanced therapies, > Guidance.

    • 32 Maureen Kenny, ‘EMA seeks out ATMP manufacturers in advance of approval deadlines’, Regulatory Affairs Pharmaceuticals, March 2011, p. 14.

    • 33 CAT Work Programme 2010-2015 (<www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2010/11/WC500099029.pdf>), p. 2.

    • 34 Wet van 13 november 2008, houdende aanpassing van de Geneesmiddelenwet in verband met de Verordening (EG) nr. 1394/2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PbEU L 324) (Stb. 2008, 498).

    • 35 Zie: < www.igz.nl >, > Geneesmiddelen en medische technologie, > Geavanceerde therapie (ATMP), > Procedure voor het verkrijgen van een hospital exemption voor ATMPs.

    • 36 Art. 20 Verordening.

    • 37 Al vroeg in de klinische fase dient een PIP, paediatric investigation plan, ingediend te worden bij het Comité Kindergeneeskunde van de EMA op grond van de Verordening Kindergeneeskunde (Verordening (EG) nr. 1901/2006. Zonder een uitgevoerd PIP of een beslissing van het Comité Kindergeneeskunde dat afgezien kan worden van onderzoek bij kinderen of dat dit onderzoek later kan worden uitgevoerd, wordt een aanvraag voor een handelsvergunning niet in behandeling genomen.

    • 38 Monthly report Committee for Advanced Therapie (CAT), January 2011 meeting.

    • 39 Zie noot 38.

    • 40 EMA Work Programme 2011, par. 2.9, p. 27 (zie <www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2011/02/WC500102044.pdf> en CAT Work Programme 2010-2015 (<www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Work_programme/2010/11/WC500099029.pdf>).

    • 41 Zie Kenny 2011 (zie noot 32), p. 14.

    • 42 Kenny 2011 (zie noot 32).

    • 43 Kenny 2011 (zie noot 32).

    • 44 CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 2.

    • 45 Richtlijn 2001/20/EG.

    • 46 Zie de samenvatting van de inzendingen in de consultatie van de herziening van de richtlijn klinische proeven (<ec.europa.eu/health/files/clinicaltrials/2010_03_30_summary_responses.pdf>), par. 4.1.

    • 47 Health Technology Assessment betreft de beoordeling van de waarde van een bepaalde behandeling in vergelijking tot andere behandelingen of niet behandelen. De uitkomst van een dergelijke beoordeling is een kosten/batenvergelijking.

    • 48 CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 2.

    • 49 CAT Work Programme 2010-2015 (zie noot 40), p. 3 e.v.