DOI: 10.5553/TvJr/259035002019001001008

Tijdschrift voor JeugdrechtAccess_open

Actualia

Procedurele aspecten en IPR

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. T. de Vette, 'Procedurele aspecten en IPR', Tijdschrift voor Jeugdrecht 2019-1, p. 12-12

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Jurisprudentie

      Geen ongeoorloofde overbrenging in de zin van Kinderontvoeringsverdrag

      Rechtbank Den Haag 4 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:988 (datum publicatie: 4 maart 2019)

      Verzoek vader tot teruggeleiding kinderen naar Spanje. De rechtbank oordeelt dat aangenomen moet worden dat de vader en de moeder, en daarmee de kinderen, in elk geval vanaf eind augustus 2016 steeds twee (wisselende) gewone verblijfplaatsen hebben gehad, te weten Nederland en Spanje. Het feit dat de kinderen in Spanje zijn geboren en daar de eerste zeven weken van hun leven hebben doorgebracht, is tegen de achtergrond van de steeds wisselende verblijven van de ouders onvoldoende om vast te stellen dat hun gewone verblijfplaats in Spanje is. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de ouders op enig moment een bewuste en definitieve keuze hebben gemaakt de kinderen in Spanje (dan wel in Nederland) groot te brengen. Nu de ouders afwisselend in twee landen verbleven, kan geen sprake zijn van een (on)geoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van het Verdrag. Het Verdrag voorziet niet in de situatie dat niet één duidelijke gewone verblijfplaats kan worden aangewezen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de andere aangevoerde stellingen en verweren die zijn gegrond op de toepasselijkheid van het Verdrag. Het verzoek van de vader wordt afgewezen.

      Beëindiging gezag vader die met minderjarige in India verblijft

      Rechtbank Noord-Holland 14 februari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:1686 (datum publicatie: 4 maart 2019)

      De RvdK verzoekt het gezag te beëindigen van een vader die zijn minderjarige dochter zonder toestemming van de moeder mee naar India heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek toe. Los van de vraag of er al dan niet sprake is van ontvoering, staat vast dat de minderjarige in een belangrijke levensfase, waarin zij bezig was zich te hechten, van de ene op de andere dag is weggehaald bij haar moeder die op dat moment de verzorgende ouder was en van Nederland naar India is overgebracht. De vader is de afgelopen twee jaar niet in staat geweest om contact mogelijk te maken tussen de moeder, de minderjarige en haar zus. Pas recent is er onder grote en voortdurende druk van de Indiase rechter voor het eerst in twee jaar contact geweest, maar dit contact is niet structureel, ondanks de ‘orders’ van de Supreme Court van India. Hoewel er bij de RvdK geen zorgen zijn over de welstand waarin de minderjarige opgroeit, zijn er wel grote zorgen over haar emotionele ontwikkeling. Deze zorgen worden door de rechtbank gedeeld. Behalve de vader weet niemand hoe het met de minderjarige gaat, wat haar is verteld en wat dit alles met haar doet. Het blijft onduidelijk of er voor de minderjarige hulpverlening in India is ingezet. De vader informeert de moeder niet over het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige en is niet in staat het gesprek met de moeder over de minderjarige aan te gaan. Dit alles leidt tot het oordeel dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat deze situatie al dermate lang voortduurt dat de aanvaardbare termijn is overschreden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het gestelde in artikel 1:266, eerste lid onder a, BW.

      Geen doorbreking appel-verbod

      Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:924 (datum publicatie: 8 maart 2019)

      De minderjarige is op 6 februari 2017 uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. De moeder heeft verzocht tot vervanging van de GI. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen, waartegen zij in hoger beroep gaat. Zij beroept zich ter zitting in hoger beroep op doorbreking van het appelverbod op grond van het belang van het kind. Het hof acht haar echter niet-ontvankelijk in haar verzoek, nu de grief tegen de doorbreking van het appelverbod voor het eerst is gedaan tijdens de mondelinge behandeling, hetgeen in dit geval te laat is.


Print dit artikel