DOI: 10.5553/VSZ/277267382021001001006

Voetbal- & Sportjuridische ZakenAccess_open

Artikel

Rapport ‘Ongelijke leggers’ besproken

Trefwoorden governance, tuchtrecht, grensoverschrijdend gedrag
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dolf Segaar, 'Rapport ‘Ongelijke leggers’ besproken', Voetbal- & Sportjuridische Zaken 2021-1, p. 32-33

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      Het op 28 april 2021 gepresenteerde rapport ‘Ongelijke Leggers’1xMarjan Olfers & Anton van Wijk, Ongelijke leggers, Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de gymsport, Verinorm 2021, geschreven in opdracht van de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU). doet verslag van het onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de gymsport. Grensoverschrijdend gedrag wordt daarin gedefinieerd als ‘elke vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een (al dan niet seksuele) connotatie (duiding) dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een gewelddadige, manipulatieve, bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende, of kwetsende situatie wordt gecreëerd’.2xIdem, p. 357.

    • 2. Kern van het onderzoek

      Kern van het onderzoek wordt gevormd door vragenlijsten, die zijn ingevuld door (oud-)sporters van de KNGU. Volwassen en minderjarige gymsporters is gevraagd naar hun ervaringen met grensoverschrijdend gedrag. Opvallend is, dat maar weinig (oud-)sporters hebben meegewerkt. Van de volwassenen reageerde 21%, bij de jeugd was dat slechts 17%. Het rapport erkent dat de kwantitatieve resultaten uit de vragenlijsten derhalve niet representatief zijn voor de gehele gymsport maar slechts illustratief. Wel constateert men dat de misstanden ernstig zijn.
      Twee derde van de oud-sporters (66%) die zich hebben gemeld via de online vragenlijst geeft aan dat zij te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag, waarbij het (oplopend in meest voorkomend) gaat om: (i) seksueel gedrag, (ii) roddelen, pesten, discriminatie en buitensluiten, (iii) mentaal, verbaal of fysiek geweld en (iv) dwang, chantage of machtsmisbruik.
      Belangrijke risicofactoren voor grensoverschrijdend gedrag zijn het machtsoverwicht van de trainer en de beslotenheid van de topsportcultuur. Ook het selecteren op zeer jonge leeftijd en de vele trainingsuren werken grensoverschrijdend gedrag in de hand.3xIdem, p. 364. Topsporters ervaren dit gedrag overigens vaak als normaal.
      Bij grensoverschrijdend gedrag gaat het niet alleen om de sporter en trainer, maar ook om ouders, artsen, clubbestuurders en, als eindverantwoordelijke, de KNGU. Zij allen zijn verantwoordelijk indien zij weet hebben of hadden kunnen hebben van het grensoverschrijdende gedrag en geen of onvoldoende actie hebben ondernomen. Aansprakelijkheid ligt dan overigens op de loer, maar daar gaat het rapport niet over.
      Verbetering lijkt gevonden te kunnen worden in de governance van de KNGU. Deels is dat gedaan, doordat in 2020 intimidatie en geweld een plaats hebben gekregen in het tuchtrecht. Voordien werden meldingen informeel afgedaan. Maar een belangrijke verbetering zou nog kunnen worden bereikt wanneer clubs en trainers meer centraal aan de KNGU gebonden worden. De onderzoekers constateren dat de KNGU op dit moment namelijk nauwelijks grip op hen heeft. Daardoor loopt het afhandelen van meldingen niet goed.

    • 3. Aanbevelingen

      Het rapport beveelt allereerst aan de gemaakte fouten jegens oud-sporters en het hun aangedane leed te erkennen en hen schadevergoeding en nazorg daarvoor aan te bieden. Vervolgens moet grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar gemaakt worden, het moet ‘op de agenda gezet worden’ en moeten ouders en sporter ‘een stem gegeven worden’. Hoe intensiever de training, hoe belangrijker het vervolgens ook is om meer trainers in de hal te hebben (‘meer-ogen-principe’). De randvoorwaarden om dit mogelijk te maken moeten voornamelijk komen uit het beschikbaar stellen van meer geld, meer opleiding, meer onderzoek en meer controle.

    • 4. Conclusie

      Vooropgesteld: het is een goede zaak als misstanden in de sport worden onderzocht en de uitkomsten daarvan openbaar gemaakt worden. Maar het is ook een bekende reflex om geconstateerde misstanden op te lossen met onderzoek, opleiding, geld en controle.
      Wat ik in het rapport mis, en ik vind dat een gemiste kans, is een aanbeveling die is gerelateerd aan het morele kompas van belanghebbenden, over de cultuur van sportorganisaties als de KNGU. Een aanbeveling om te komen tot een ‘Ethische Code’, zogezegd.
      Je zou een dergelijke aanbeveling verwacht hebben in deel 3 van het onderzoek en met name in hoofdstuk 10, dat gaat over governance. Men spreekt weliswaar over goed sportbestuur en het creëren van een veilig sportklimaat, over cirkels van verantwoordelijkheid, maar over ethiek wordt in het rapport nergens gesproken. En dat vind ik een gemis, want goed sportbestuur is ondenkbaar als er niet ook een stevige focus ligt op de ethiek in de sport.
      Ik ben het eens met de conclusie dat opleiding noodzakelijk is, maar deze zou zich wat mij betreft primair moeten richten op het formuleren van een Ethische Code en op de toepassing daarvan. Zo’n ethisch trainingsprogramma moet bijdragen aan het verbeteren van het moreel kompas van allen die met (top)sporters werken.

    Noten

    • 1 Marjan Olfers & Anton van Wijk, Ongelijke leggers, Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de gymsport, Verinorm 2021, geschreven in opdracht van de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU).

    • 2 Idem, p. 357.

    • 3 Idem, p. 364.


Print dit artikel