DOI: 10.5553/TCR/092986492021029004001

Tijdschrift voor Civiele RechtsplegingAccess_open

Artikel

Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit

Trefwoorden class action, massaschade, afwikkeling, exclusieve belangenbehartiger, rechtsmiddel
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Elselique Hoogervorst, Carla Klaassen en Albert Knigge, 'Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit', TCR 2021, p. 111-122

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      Sinds de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) per 1 januari 2020 bevat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) bijzondere procedurevoorschriften voor een collectieve actie die op de voet van art. 3:305a BW wordt ingesteld. Deze regels zijn neergelegd in titel 14A Rv en vormen een lex specialis ten opzichte van het algemene procesrecht. De wetgever beoogt met de WAMCA-procedure de mogelijkheid te bieden massaschade collectief en op een efficiënte en effectieve wijze finaal af te wikkelen.

      De introductie van de mogelijkheid om in een collectieve actie schadevergoeding in geld te vorderen wordt over het algemeen gezien als een van de belangrijkste veranderingen die de ­WAMCA teweeg heeft gebracht.1x Hiertoe is het voordien in art. 3:305a lid 3 BW opgenomen verbod tot schadevergoeding in geld geschrapt. Voor het onderwerp van dit artikel is minstens zo belangrijk dat belanghebbenden, die zelf geen procespartij zijn, door een uitspraak gebonden kunnen worden en die uitspraak tussen hen en de gedaagde gezag van gewijsde krijgt. In het kader van deze beschouwing is hiernaast een andere met de WAMCA geïntroduceerde nouveauté van belang, namelijk de zogenoemde exclusieve belangenbehartiger (ook wel: EB). De afwijkende gang van zaken in een ­WAMCA-procedure is in belangrijke mate op deze wijzigingen terug te voeren.2x Zie over de hoofdlijnen van de WAMCA, onder vele andere, W.H. van Boom, ‘WCA → WCAM → WAMCA’, TvC 2019, afl. 4, p. 154-160, C.J.M. Klaassen, ‘De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie: eindelijk werkelijkheid, nu nog gaan werken …’, TCR 2019, afl. 4, p. 145-152 en H.K. Schrama & M.J. Bosselaar, ‘Een jaar WAMCA; het eerste stof neergedaald?’, TOP 2021/111.

      Inmiddels zijn onder het regime van de WAMCA meer dan veertig collectieve procedures aanhangig gemaakt, van uiteenlopende aard.3x De uitgebrachte collectieve dagvaardingen in bodemprocedures zijn kenbaar vanwege de verplichting tot aantekening hiervan in het centraal register voor collectieve vorderingen (art. 1018c lid 2 Rv), te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen. Daarnaast zijn onder de WAMCA kort gedingen aanhangig gemaakt die grotendeels niet in het register zijn aangetekend omdat titel 14A Rv, m.u.v. art. 1018c lid 1 Rv, niet op kort gedingen van toepassing is (art. 1018b lid 1 jo. art. 254 Rv). Deze laten wij verder buiten beschouwing. Ook zijn de nodige rechterlijke (tussen)uitspraken gedaan.4x Een eindvonnis in een bodemprocedure is gewezen door Rb. Den Haag 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10283 (Amnesty International c.s./Staat) en Rb. Den Haag 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10737 (Stichting Bureau Clara Wichman c.s./Staat). Dit roept de vraag op of en in hoeverre tegen rechterlijke beslissingen gewezen onder de WAMCA hoger beroep en cassatie kan worden ingesteld, en zo ja, door wie dit kan of moet geschieden en wat vervolgens het verloop van de procedure is. De WAMCA en de parlementaire toelichting hierop geven hierover weinig informatie. Titel 14A Rv bevat (slechts) enkele specifieke bepalingen over de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel. Voor het overige bepaalt art. 1018b lid 2 Rv dat de tweede titel van Boek 15x Art. 78-259 Rv m.b.t. de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg. van toepassing is, tenzij in titel 14A anders is bepaald. Deze bepaling is slechts ter verduidelijking opgenomen.6x De minister merkt op dat de collectieve actie een vorderingsprocedure is (art. 3:305a BW verwijst naar de ‘rechtsvordering’), waaruit strikt genomen al volgt dat daarop de regels van de dagvaardingsprocedure van toepassing zijn (zoals de algemene bepalingen uit de eerste titel (art. 1-77 Rv)). Omdat titel 14A Rv bijzondere procedurevoorschriften bevat voor collectieve acties heeft de minister er niettemin voor gekozen de regels van de vorderingsprocedure expliciet van toepassing te verklaren; zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 31 en 34 (MvT). Zie tevens Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV). Ook andere onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op een WAMCA-procedure van toepassing als in titel 14A niet anders is bepaald7x Zo wordt bijv. toepassing van art. 93 Rv (de absolute competentie van de kantonrechter) uitgesloten in art. 1018b lid 3 Rv. en de aard en strekking van de ­WAMCA-procedure zich daartegen niet verzetten.8x De aard en strekking van de WAMCA lijken zich bijv. te verzetten tegen voeging en tussenkomst door een belangenorganisatie die op grond van art. 1018d Rv een collectieve vordering had kunnen instellen, zie Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299, r.o. 5.13, opgenomen in het register (afwijzing vordering Stichting Car Claim tot voeging in de zaak van Stichting Diesel Emissions Justice/Volkswagen c.s.). De zevende en de elfde titel van Boek 1 Rv betreffende respectievelijk hoger beroep en cassatie zijn derhalve in beginsel ‘gewoon’ van toepassing.9x Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV). Wat dit echter precies betekent, in het licht van de ­eigenaardigheid van een WAMCA-procedure, is bepaald niet klip-en-klaar.

      In deze beschouwing bespreken wij enkele aspecten van hoger beroep en cassatie in het kader van een collectieve actie onder de WAMCA. Het accent zal liggen op het hoger beroep. Daar waar de wettelijke regeling naar onze mening hiaten vertoont of althans (de toepassing hiervan) onduidelijk is, zullen wij suggesties doen voor de wenselijke (in)richting.

    • 2 Wie kunnen een rechtsmiddel instellen?

      Van belang is om voorop te stellen dat in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW de acterende belangenorganisatie aan de eisende kant als partij optreedt (hierna daarom ook wel aangeduid als claimorganisatie). Zij treedt krachtens haar statuten op in eigen naam, maar ten behoeve van de belangen van anderen. De claimorganisatie is in deze procedure zowel formele als materiële procespartij.10x HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, JOR 2020/136, m.nt. T.M.C. Arons; JBPr 2020/61, m.nt. P.M. Vos (Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 3.2. De personen wier belangen de claimorganisatie behartigt, zijn geen partij in de procedure en kunnen dus geen rechtsmiddel instellen. Zij zijn echter – behoudens een opt-outverklaring11x Zie art. 1018f lid 1 en 1018h lid 5 Rv. c.q. op voorwaarde van een opt-inverklaring12x Zie art. 1018f lid 5 en 1018k lid 1 Rv. Op verzoek van een partij kan de rechter bepalen dat een opt-outverklaring in plaats van een opt-inverklaring moet worden uitgebracht, zie art. 1018f lid 5 slot Rv. Art. 9 lid 3 Richtlijn (EU) 2020/1828 betreffende representatieve vorderingen voor consumenten stelt een opt-inverklaring voor buitenlandse belanghebbenden verplicht. De wet wordt hierop aangepast, zie art. II onder B van het implementatievoorstel dat op 1 mei 2021 ter internetconsultatie is aangeboden. – wel gebonden aan een uitspraak.13x Art. 1018k lid 1 Rv (in afwijking van art. 236 Rv). Vgl. A-G De Bock in haar conclusie voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, par. 3.14-3.17.

      De WAMCA-procedure voorziet in een vorm van gedwongen consolidatie ofwel samenvoeging indien onder de daartoe gestelde voorwaarden meer dan één collectieve actie over dezelfde gebeurtenis(sen) en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen aanhangig is gemaakt.14x Art. 1018d lid 3 Rv: collectieve vorderingen worden na inschrijving op de rol gezamenlijk behandeld als één zaak. De rechter wijst in dat geval in beginsel één claimorganisatie aan als exclusieve belangenbehartiger;15x De aanwijzing van een EB lijkt ook te moeten plaatsvinden als er slechts één belangenorganisatie als eiser optreedt. Zie de rolbeslissingen van Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299 (SDEJ/VW c.s.), r.o. 2.3 en expliciet Rb. Amsterdam 24 maart 2021, C/13/688861 / HA ZA 20-881 (SDEJ/FCA c.s.), r.o. 2.12, beide opgenomen in het register. eventueel kunnen meerdere belangenorganisaties deze status verkrijgen.16x Art. 1018e lid 1 Rv. Zie uitgebreid over de EB B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA-exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021, afl. 3, p. 67-77. De figuur van de exclusieve belangenbehartiger is in het leven geroepen om de procedure te stroomlijnen en te zorgen dat de gedaagde één aanspreekpunt heeft. Dit zou de bereidheid tot schikken – waaraan de WAMCA beoogt bij te dragen – kunnen vergroten. Ook voor de rechter en de ­leden van de achterban is door aanwijzing van een exclusieve ­belangenbehartiger duidelijk wie de leiding heeft aan de kant van eisers, aldus de memorie van toelichting.17x Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 42 (MvT). De exclusieve belangenbehartiger treedt in de procedure op als vertegenwoordiger van de andere claimorganisaties en behartigt de belangen van alle personen die behoren tot de door de rechter in dit verband nauw omschreven groep.18x Art. 1018e lid 2 en 3 Rv. Hoewel de andere claim­organisaties zowel formele als materiële procespartij blijven in de ­geconsolideerde procedure,19x Art. 1018e lid 3 Rv. verricht de exclusieve belangen­behartiger in beginsel de proceshandelingen. De rechter kan echter een niet als EB gekozen claimorganisatie toestemming geven zelf (bepaalde) proceshandelingen te verrichten.

      De vraag kan worden gesteld wat de omstandigheid dat proceshandelingen in een WAMCA-procedure in beginsel door de aangewezen exclusieve belangenbehartiger dienen te worden verricht, betekent voor de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep en cassatie. In de parlementaire stukken wordt deze vraag niet behandeld. Wel antwoordt de minister op Kamervragen over de mogelijkheid van hoger beroep, dat hoger beroep in beginsel mogelijk is en door ‘een partij’ volgens de ‘gewone regels’ kan worden ingesteld. Hij maakt hierbij geen melding van enigerlei afwijking wat betreft de wijze waarop dit zou moeten gebeuren, maar gaat hierop ook niet verder in.20x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV). De gewone regels voor het instellen van hoger beroep houden in dat in meerpartijenprocedures waarbij sprake is van subjectieve cumulatie van vorderingen, iedere partij zelfstandig kan beslissen of zij hoger beroep of cassatie instelt en tegen welke wederpartij. Een partij is daarvoor niet afhankelijk van de bereidheid van haar medepartijen. Bij subjectieve ­cumulatie is immers in wezen sprake van verschillende, ten opzichte van elkaar zelfstandige procedures tussen telkens twee partijen die in één geding worden behandeld.21x H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017/66, F.J.P. Lock, ‘Samen thuis, samen uit. Nieuwe regels voor de processueel ondeelbare rechtsverhouding’, TvPP 2017, afl. 4, p. 127-128 met nadere verwijzingen, B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, ‘Ontvankelijkheid van en belang bij cassatieberoep’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/178 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/47.
      Dit zou anders zijn als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, die meebrengt dat geen beslissing kan worden genomen zonder dat alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure zijn betrokken, omdat de beslissing jegens iedere partij gelijkluidend moet zijn.22x Dit wordt niet snel aangenomen, zie Lock 2017, p. 128 e.v. en Van der Wiel & Dempsey 2019/181. In dat geval moet de rechter op verzoek van partijen of ambtshalve aan appellant de gelegenheid geven alle benodigde partijen op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken.23x HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans; JBPr 2017/38, m.nt. S.L. Mineur, r.o. 3.4-3.7.2. De regels betreffende processueel ondeelbare rechtsverhoudingen zien echter niet op de enkel vanuit efficiëntieoogpunt ingegeven geconsolideerde behandeling van collectieve vorderingen. Voor het predicaat processueel ondeelbare rechtsverhouding en toepassing van de daaraan verbonden gevolgen is immers bepalend of het onderliggende materiële geschil tot die kwalificatie noopt,24x Asser Procesrecht/Van Schaick2 2016/35. Vgl. sindsdien ook HR 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1407. en dat is hier – eventuele uitzonderingen daargelaten – niet aan de orde.

      De introductie van de exclusieve belangenbehartiger maakt volgens ons geen inbreuk op de hiervoor beschreven ‘gewone regels’, althans rechtvaardigen de status en achtergrond van deze figuur dit niet. De niet-aangewezen claimorganisaties blijven zoals gezegd zowel formele als materiële procespartij. De rechterlijke beslissingen binden zowel de exclusieve belangenbehartiger als de overige belangenorganisaties.25x Zie ook art. 1018k lid 1 Rv, waarin staat dat een onherroepelijke uitspraak ‘voor ieder der partijen’ verbindend is. Elke claimorganisatie kan naar onze mening als partij dan ook zelfstandig hoger beroep instellen en grieven aanvoeren.26x Hetzelfde geldt – mutatis mutandis – voor cassatie. Wij zullen hierna echter het hoger beroep tot uitgangspunt nemen. Als hoger beroep slechts zou zijn voorbehouden aan de exclusieve belangenbehartiger, lijkt dit ook te wringen met art. 6 EVRM.27x Op grond van art. 6 lid 1 EVRM heeft eenieder recht op een eerlijk proces ‘bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen’. Hoewel het in een collectieve actie primair gaat om de rechten van belanghebbenden, worden in ieder geval daarin ook de rechten en verplichtingen van een belangenorganisatie vastgesteld voor zover een uitspraak van de rechter betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De minister acht art. 6 EVRM ook voor belangenorganisaties ­relevant, zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 44-46 (MvT). Vgl. ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 29-30 (NV). Zie ook D.L. Barbiers, ‘Beoordeling van schadevergoedingsvorderingen door de rechter in collectieve actie’, NTBR 2020/35, par. 2.

      Daar zou tegen in kunnen worden gebracht dat de exclusieve belangenbehartiger als vertegenwoordiger van de andere belangenorganisaties optreedt en in die hoedanigheid namens alle belangenorganisaties één appeldagvaarding dient uit te brengen en één memorie van grieven moet indienen. Dit zou volgens ons echter de (ratio van de) aan de exclusieve belangenbehartiger toegekende vertegenwoordigingsbevoegdheid te buiten gaan. Art. 1018e lid 3 Rv biedt voor een dergelijke invulling van de rol van de exclusieve belangenbehartiger naar onze mening geen grondslag. De aanwijzing van de EB als vertegenwoordiger dient er louter toe om uit efficiencyoogpunt geconcentreerd en gecoördineerd proceshandelingen te verrichten in een reeds aanhangige en geconsolideerde procedure. Het (exclusief) aanhangig maken van hoger beroep valt naar onze mening buiten de scope van deze aan een EB toekomende bevoegdheid.

      Bovendien leidt een dergelijke benadering tot praktische problemen als de exclusieve belangenbehartiger zelf geen hoger beroep wil instellen omdat hij bijvoorbeeld met het oog op de achterban wel tevreden is met de beslissing of geen financiering meer voorhanden heeft om de kosten van het hoger ­beroep te dragen. Tevens is het mogelijk dat niet alle appellerende belangenorganisaties tegen dezelfde beslissingen willen opkomen en dezelfde grieven willen aanvoeren, terwijl uiteraard ook in een geconsolideerde procedure van belang is dat duidelijk is welke belangenorganisatie bepaalde beslissingen aanvecht en grieven naar voren brengt. Weliswaar kan dit ook bij het indienen van één appeldagvaarding en één memorie van grieven door de exclusieve belangenbehartiger worden ondervangen, maar wij betwijfelen of de met de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger beoogde efficiency hiermee is gediend. Wij menen dan ook dat het instellen van hoger beroep door iedere procespartij zelf kan geschieden, althans moet kunnen geschieden, evenals het indienen van een memorie van grieven, zoals ook in eerste aanleg elke eiser afzonderlijk een dagvaarding opstelt.

    • 3 Eén voor allen, allen voor één? Wat als niet door of tegen alle partijen hoger beroep wordt ingesteld?

      Een complicatie is dat een belangenorganisatie optreedt voor een bepaalde achterban, en de procedure in eerste aanleg is gevoerd ter bescherming van de belangen van de door de rechter nauw omschreven groep waarvan de belangen in de collectieve vordering worden behartigd.28x Art. 1018e lid 2 en 3 Rv. Dit brengt ons bij de vraag wat hoger beroep betekent voor de achterban, indien in het hoger beroep niet alle in de eerste aanleg betrokken partijen zijn betrokken. Hierbij valt te onderscheiden tussen de situatie waarin (1) niet alle belangenorganisaties in hoger beroep gaan en (2) door de oorspronkelijk gedaagde(n) niet alle belangenorganisaties in het hoger beroep worden betrokken.

      3.1 Niet alle belangenorganisaties stellen hoger beroep in

      In de vorige paragraaf hebben wij betoogd (althans bepleit) dat iedere belangenorganisatie zelfstandig in hoger beroep kan gaan, onder aanvoering van haar eigen grieven. Welke gevolgen ondervindt de achterban indien niet alle belangenorganisaties hoger beroep instellen? Te onderscheiden valt tussen (1) de situatie waarin sprake is van deelbelangen die door een bepaalde belangenorganisatie worden behartigd, en (2) de situatie waarin de belangen van de groep, of een deel van de groep, door meerdere belangenorganisaties worden behartigd.

      Stel: belangenorganisatie X komt overeenkomstig haar statuten op voor de belangen van personen in de hele EU, terwijl belangenorganisatie Y haar vorderingen overeenkomstig haar statuten beperkt tot de belangen van personen in Nederland. De rechter heeft de nauw omschreven groep verdeeld in de subgroepen ‘Nederland’ en ‘overige EU-landen’. Als de vorderingen ten behoeve van belanghebbenden in Nederland worden toegewezen, maar ten behoeve van de belanghebbenden in de overige EU-landen worden afgewezen, kan alleen belangenorganisatie X tegen deze afwijzing in hoger beroep gaan. Mochten haar vorderingen ten behoeve van de overige EU-belanghebbenden in hoger beroep worden toegewezen, dan heeft deze beslissing alleen voor deze subgroep gevolg. De toewijzende beslissing in eerste aanleg had jegens de Nederlandse belanghebbenden inmiddels kracht van gewijsde.
      Stel dat in dit voorbeeld alle vorderingen zijn afgewezen en alleen belangenorganisatie Y hoger beroep instelt. Dit hoger beroep zal zich dan noodzakelijkerwijs beperken tot de groep Nederlandse belanghebbenden, wier belangen ook door belangenorganisatie X werden behartigd.29x De vraag of de groep belanghebbenden uit de overige EU-landen belangenorganisatie X kan aanspreken voor het verlies van de kans op succes in hoger beroep, laten wij in deze bijdrage buiten beschouwing. Voor de binding van de achterban aan de uitspraak in hoger beroep c.q. het profijt dat de Nederlandse belanghebbenden hiervan kunnen hebben, maakt dit naar ons idee geen verschil, omdat de WAMCA nu eenmaal mogelijk maakt dat verschillende procespartijen voor dezelfde groep belanghebbenden opkomen. Daarbij maakt het niet uit of een belanghebbende zich heeft aangesloten bij een belangenorganisatie, en zo ja, bij welke. Het is juist de essentie van een 3:305a-actie dat wordt opgetreden voor een brede groep personen, waaronder ook zogenoemde free-­riders vallen.30x Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 6, p. 22 en nr. 9, p. 7, waarin de minister aangeeft dat een deelschikking voor alleen de achterban van de EB niet door de beugel kan. In lijn hiermee verbindt art. 1018k lid 1 Rv geen rechtsgevolg aan de omstandigheid of een belanghebbende bij een claimorganisatie is aangesloten. De uitspraak in eerste aanleg is dan weliswaar in kracht van gewijsde gegaan in de verhouding tussen belangenorganisatie X en gedaagde, maar niet ten aanzien van de groep Nederlandse belanghebbenden wier belangen zowel door X als door Y werden behartigd. Door het hoger beroep van belangenorganisatie Y zijn hun belangen nog onderwerp van geschil en is de uitspraak jegens hen niet onherroepelijk geworden. Zij kunnen eventueel profiteren van een voor hen gunstiger uitkomst van het hoger beroep.

      Het feit dat slechts belangenorganisatie Y hoger beroep instelt, heeft echter wel gevolgen voor de proceskostenvergoeding. Belangenorganisatie Y zal na een voor haar gunstig arrest de proceskosten in beginsel vergoed krijgen, zowel die van het appel als die van de eerste aanleg. De uitspraak in eerste aanleg is echter jegens belangenorganisatie X in kracht van gewijsde gegaan, omdat zij geen hoger beroep heeft ingesteld. Belangenorganisatie X zal dan ook met de kostenveroordeling in eerste aanleg blijven zitten.31x Wij laten andere complicaties hier buiten beschouwing, zoals de gevolgen van het al dan niet instellen van hoger beroep voor de vergoeding van de financieringskosten. Zie over verhaal van financieringskosten in eerste aanleg C.E. Santman & R.J. Philips, ‘De financiering van collectieve schadevergoedingsacties onder de WAMCA. Een inventarisatie van onzekerheden en mogelijkheden vanuit het perspectief van een procesfinancier’, MvV 2021, afl. 7/8, p. 275-286.

      3.2 Niet alle belangenorganisaties worden gedagvaard in hoger beroep

      Kan de oorspronkelijk gedaagde (in eerste aanleg) na een toewijzend vonnis volstaan met het dagvaarden van één of meerdere belangenorganisaties in hoger beroep, zonder daarin alle belangenorganisaties te betrekken? In het licht van de omstandigheid dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (zie par. 2), menen wij dat dit mogelijk is. Soms heeft de gedaagde (daarom) ook geen belang om alle belangenorganisaties in hoger beroep te dagvaarden. Ter illustratie gebruiken wij het in paragraaf 3.1 genoemde voorbeeld, waarin belangenorganisatie X opkomt voor de belangen van alle EU-ingezetenen en belangenorganisatie Y slechts voor de belangen van Nederlandse ingezetenen.

      Als de rechter de vorderingen ten aanzien van de subgroep ‘Nederland’ afwijst, maar ten aanzien van de groep overige EU-belanghebbenden toewijst, zal de oorspronkelijk gedaagde in het hoger beroep tegen deze toewijzing slechts belangenorganisatie X kunnen betrekken. Belangenorganisatie Y is immers niet opgekomen voor de belangen van deze groep. Als de oorspronkelijk gedaagde belangenorganisatie Y niettemin wel in hoger beroep zou dagvaarden, zal het hof haar niet-ontvankelijk moeten verklaren in het hoger beroep jegens belangenorganisatie Y.32x Zie over de sanctie niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang Stolker, in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 3:303 BW, aant. 1 en bijv. Rb. Den Haag 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10737 (Stichting Bureau Clara Wichman c.s./Staat), r.o. 4.1.

      Indien de rechter de vorderingen ten aanzien van de subgroep ‘Nederland’ toewijst en die van de overige EU-belanghebbenden afwijst, hoeft de gedaagde naar onze mening (ook) niet beide belangenorganisaties in hoger beroep te betrekken om te bewerkstelligen dat het vonnis wordt vernietigd ten aanzien van de gehele groep van Nederlandse ingezetenen. Dat beide organisaties voor de belangen van deze groep optraden, staat hieraan niet in de weg. Het instellen van hoger beroep heeft voor de Nederlandse ingezetenen namelijk tot gevolg dat het vonnis van de rechtbank jegens hen niet onherroepelijk is geworden, en hun rechten en belangen nog voorwerp van geschil zijn in het hoger beroep, en tenzij het vonnis in eerste aanleg bij voorraad uitvoerbaar was verklaard, is het vonnis door de schorsende werking van het hoger beroep voor hen niet executeerbaar. De niet in hoger beroep gedagvaarde belangenorganisaties zouden zich wel (moeten) kunnen voegen, mits zij een voldoende belang hebben.33x Ook is denkbaar dat afhankelijk van de omstandigheden de rechter toepassing geeft aan art. 118 Rv en de belangenorganisatie dwingt om tussen te komen. Het voorgaande laat onverlet dat de gedaagde belang zou kunnen hebben bij het dagvaarden van alle belangenorganisaties, bijvoorbeeld in verband met de proceskostenveroordeling.34x Art. 1018l Rv.

    • 4 Tegen welke beslissingen kan hoger beroep en/of cassatie worden ingesteld?

      De omstandigheid dat op een collectieve actie onder het regime van de WAMCA in beginsel de gewone regels van hoger beroep en cassatie van toepassing zijn, leidt tot het uitgangspunt dat ook in een WAMCA-procedure een partij binnen drie maanden vanaf de dag van de al dan niet gedeeltelijke beslissing op het petitum hoger beroep of cassatie kan instellen.35x Art. 339 lid 1 respectievelijk art. 402 lid 1 Rv. Hoger beroep en cassatie van een zuivere tussenuitspraak zijn ook in het kader van een WAMCA-procedure slechts mogelijk na rechterlijke toestemming, tenzij het gaat om een voorlopige voorziening.36x Art. 337 respectievelijk art. 401a Rv. Op de hoofdregel dat tegen een rechterlijke beslissing een rechtsmiddel openstaat, maakt de WAMCA twee uitzonderingen: de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger en de goedkeuring van een schikking.

      4.1 Geen rechtsmiddel tegen aanwijzing exclusieve belangenbehartiger

      Een belangenorganisatie kan in haar dagvaarding aangeven waarom zij zou moeten worden gekozen als exclusieve belangenbehartiger dan wel betogen welke andere belangenorganisatie naar haar mening het meest geschikt is voor deze rol. Ook de gedaagde partij kan desgewenst haar visie kenbaar maken. Dit laat echter onverlet dat het de rechter is die ter zake de keuze maakt – in het licht van de in art. 1018e lid 1 Rv genoemde omstandigheden – en hierbij de suggestie van partijen niet hoeft te volgen.37x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 20 (NV); zie tevens p. 15. Zie bijv. Rb. Den Haag 19 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10080 (Amnesty International c.s./Staat), r.o. 4.11-4.15. De rechtbank gaat niet mee in de primaire keuze van partijen, maar volgt wel hun tweede keuze. Het eindvonnis in deze zaak is gewezen op 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10283. Niettemin staat tegen de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger geen rechtsmiddel open.38x Art. 1018e lid 1 slot Rv. De plaats van het rechtsmiddelenverbod aan het slot van lid 1, dat uitsluitend ziet op de aanwijzing van de EB, doet vermoeden dat hoger beroep tegen een in hetzelfde vonnis op te nemen oordeel inzake de vaststelling van collectieve vordering en de nauw omschreven groep wel mogelijk is (art. 1018e lid 2 Rv). Een rechtsmiddel tegen de beslissing om de zaak te verwijzen naar een ander gerecht (zie eveneens art. 1018e lid 2 Rv) staat echter niet open op grond van art. 110 lid 3 Rv. Hoger beroep zou te veel ruimte geven aan gedaagden en de niet-aangewezen belangenorganisaties om de procedure te vertragen. Dat is niet in het belang van de personen wier belangen in de procedure centraal staan, aldus de minister.39x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 20 (NV). Volgens ons kan dit rechtsmiddelenverbod niet worden doorbroken op een van de doorbrekingsgronden.40x Daarvan zijn er drie: de rechter heeft een artikel (1) ten onrechte toegepast, (2) met verzuim van essentiële vormen toegepast of (3) ten onrechte buiten toepassing gelaten, zie HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242 (Enka/Dupont) en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent4 2018/24. Zie over de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 1018e lid 1 Rv ook E. Bauw, J. Biezenaar & M. van Mourik, Wetgeving collectieve actie (reeks Commentaar & Context), Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 204. In lijn met de bestaande doorbrekingsjurisprudentie kan immers worden betoogd dat de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger de ­andere belangenorganisaties geen rechten ontneemt.41x HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220 (Heep/Heep), r.o. 3.4 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102 (Pinackaers/Weisz c.s.), r.o. 3.6. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/25. Zij blijven, zoals vermeld, partij in de procedure en kunnen derhalve, indien nodig,42x Weliswaar hebben zij hiervoor toestemming van de rechter nodig, maar verwacht mag worden dat de rechter een gemotiveerd verzoek hiertoe niet snel zal afwijzen, in het licht van art. 6 EVRM. Zie ook Rb. Amsterdam 28 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5271 (Stichting Stop Online Shaming en Stichting Expertisebureau Online Kindermisbruik/X), r.o. 5.30. Kritisch over een ruimhartige houding van de rechter wat betreft het toestaan van proceshandelingen aan anderen dan de EB zijn Katan & Wallinga 2021, par. 5.1 (p. 75). zelf proceshandelingen verrichten en stukken in het geding brengen. Tevens hebben zij de mogelijkheid het functioneren van de exclusieve belangenbehartiger gedurende de procedure bij de rechter aan te kaarten.

      4.2 Een schikking, en dan?

      4.2.1 Rechtsmiddel tegen beslissing inzake een bereikte schikking

      Als partijen hangende de WAMCA-procedure een schikking hebben bereikt, wordt deze ter goedkeuring aan de rechter voorgelegd.43x Art. 1018h lid 1 Rv. Als de goedkeuring wordt verleend, zijn alle personen die behoren tot de nauw omschreven groep in de zin van art. 1018i lid 1 onder a en b Rv daaraan gebonden, tenzij zij een opt-outverklaring uitbrengen.44x Art. 1018f lid 1-4 jo. art. 1018h lid 5 Rv. Slechts tegen de weigering van goedkeuring staat beroep in cassatie open, dat bovendien door partijen gezamenlijk moet worden ingesteld.45x Art. 1018h lid 6 Rv. Hoger beroep is in geen geval mogelijk.46x De tekst van art. 1018h lid 6 Rv zou wellicht ook zo kunnen worden geïnterpreteerd, dat een beroep in cassatie slechts openstaat ingeval goedkeuring van een schikking wordt geweigerd, maar hoger beroep mogelijk is tegen zowel de goedkeuring als de weigering daarvan. Dit lijkt echter niet de bedoeling van de wetgever, zie Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV): ‘Als de rechter de collectieve schikking goedkeurt, is dus geen hoger beroep en cassatie mogelijk.’

      De minister verdedigt deze keuze door te wijzen op het feit dat het gaat om de goedkeuring van een schikking tussen partijen, en niet om een door de rechter vastgestelde schadeafwikkeling. Bovendien sluit dit aan bij art. 1018 lid 1 Rv, dat dezelfde regel kent voor schikkingen in de zin van art. 7:907 BW (ofwel WCAM47x Wet collectieve afwikkeling massaschade, wet van 23 juni 2005, Stb. 2005, 340, i.w.tr. 27 juli 2005, belangrijkste wijzigingen bij wet van 26 juni 2013, Stb. 2013, 255, i.w.tr. 1 juli 2013.-schikkingen), zo wordt opgemerkt.48x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV). Daarbij lijkt de minister uit het oog te verliezen dat goedkeuring van een WCAM-schikking wordt verzocht aan het gerechtshof Amsterdam, tegen de beslissing waarvan uiteraard slechts cassatie openstaat en geen hoger beroep.49x In de WCAM-praktijk blijkt de rechter overigens niet snel over te gaan tot weigering van de goedkeuring. Wel worden partijen, soms meer dan eens, teruggestuurd naar de onderhandelingstafel om de inhoud van de schikking aan te passen. Het gevolg is in ieder geval dat beide regelingen gelijk zijn getrokken voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel.

      Overigens lijkt de uitspraak waarbij de WAMCA-schikking al dan niet wordt goedgekeurd van kleur te verschieten, in de zin dat dit naar ons idee een beschikking zal zijn, en geen vonnis.50x Zie ook A. Knigge, L.F. Dröge & E.M. Hoogervorst, ‘Commentaar op art. 1018h’, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu 2021, aant. C.3 (bijgewerkt tot 1 april 2021) en Bauw, Biezenaar & Van Mourik 2020, p. 226. Op grond van de tekst van art. 1018h lid 6 Rv (‘partijen’) zou kunnen worden betoogd dat naast de partijen bij de schikking, ook belanghebbenden die in de goedkeuringsprocedure zijn verschenen cassatie kunnen instellen (zie art. 426 lid 1 jo. art. 1018h lid 2 jo. art. 1013 jo. art. 282 Rv). Het ligt echter meer voor de hand dat met ‘partijen’ de partijen bij de schikking wordt bedoeld, waarnaar wordt verwezen in art. 1018h lid 1 Rv. Dit komt ook overeen met de gang van ­zaken in een WCAM-procedure, zie art. 1018 lid 1 Rv. Op de goedkeuring van de schikking verklaart art. 1018h lid 2 Rv immers art. 1013 lid 1 en 2 Rv en art. 7:907 BW (WCAM) van overeenkomstige toepassing. Uit deze bepalingen volgt dat de goedkeuring van de rechter bij wege van verzoek moet worden gevraagd. Hoewel de WAMCA-procedure als een dagvaardingsprocedure aanvangt, verandert zij dus in dit stadium in een verzoekschriftprocedure (vergelijk art. 69 lid 2 Rv).

      4.2.2 Hoe verder?

      Indien de rechtbank de schikking goedkeurt, eindigt de WAMCA-procedure. Deze beslissing is verbindend voor alle leden van de nauw omschreven groep wier belangen in deze procedure werden behartigd,51x Art. 1018k lid 1 Rv. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 54 (MvT). tenzij zij een opt-outverklaring uitbrengen.52x Art. 1018f lid 1-4 jo. art. 1018h lid 5 Rv. Over de verbindendheid van de WAMCA-schikking zelf is niets met zoveel woorden in de wet opgenomen. In geval van een WCAM-schikking kunnen leden van de achterban rechten aan de schikking ontlenen als de rechter deze verbindend heeft verklaard overeenkomstig art. 7:907 lid 1 BW. De rechter zal een WAMCA-schikking naar onze mening eveneens verbindend moeten verklaren, hoewel art. 1018h Rv alleen spreekt van ‘goedkeuring’. Een wettelijke basis zou hiervoor kunnen worden gevonden in art. 1018h lid 2 Rv jo. art. 7:907 BW.

      Indien de rechtbank de schikking niet goedkeurt, rijst de vraag of de procedure ook dan eindigt als partijen in de afwijzing berusten of als de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de afwijzing verwerpt. Met andere woorden: is de uitspraak waarin goedkeuring aan de schikking wordt onthouden een onherroepelijke einduitspraak in de zin van art. 1018k lid 1 Rv? Dat is niet per se in het belang van de personen ten behoeve van wie de collectieve vordering is ingesteld. Over de vordering ter zake van hun belangen is (nog) niet beslist. Het ligt daarom meer voor de hand het schikkings- en goedkeuringstraject als een intermezzo te beschouwen, waarna de hoofdzaak weer kan worden voortgezet. De beschikking waarin het verzoek tot goedkeuring wordt afgewezen is in dat licht een tussenuitspraak, met daarin als bindende eindbeslissing de afwijzing van de goedkeuring van de schikking die daarmee een einde maakt aan de verzoekschriftprocedure. De zaak kan dan weer onder toepassing van art. 69 lid 3 Rv naar de dagvaardingsrol worden verwezen.

    • 5 Enkele (andere) complicaties bij (tussentijds) hoger beroep

      De minister refereert in de parlementaire stukken uitdrukkelijk aan de mogelijkheid dat de rechter op de voet van art. 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep openstelt, en noemt hierbij als voorbeeld de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep na een oordeel over de aansprakelijkheid.53x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV). De rechter zal (in de eerdere fase) ook tussentijds beroep kunnen openstellen tegen het oordeel dat de belangenorganisaties ontvankelijk zijn in hun vorderingen op basis van art. 3:305a BW jo. art. 1018c lid 5 Rv.54x Anders dan in het Voorontwerp voor de WAMCA, is in de uiteindelijke wettekst de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep ongeregeld gelaten. Hiermee wordt aangesloten bij kritische opmerkingen vanuit de praktijk, met name door advocaten die plegen op te treden als defence ­lawyer. Zie T. Bosters e.a., ‘Voorontwerp afwikkeling massaschade in collectieve actie’, NJB 2015/1138, par. 6. Gelet op de grote impact die een beslissing in een WAMCA-procedure veelal heeft en het grote financiële belang dat daarbij kan zijn betrokken, zullen partijen wellicht inderdaad tussentijds hoger beroep willen instellen tegen een voor hen ongunstige tussenuitspraak, alvorens verder te procederen. Indien aansprakelijkheid volledig wordt afgewezen of de belangenorganisaties niet-ontvankelijk worden verklaard, is overigens sprake van een eindvonnis, waartegen hoger beroep openstaat.
      Het komt echter voor dat niet alle claimorganisaties ontvankelijk worden verklaard, of dat de aansprakelijkheid van een, maar niet alle gedaagden wordt aangenomen. Een dergelijk ‘gemengd’ oordeel brengt een aantal knelpunten mee wat betreft de mogelijkheid en de gevolgen van hoger beroep. Dit werken wij uit aan de hand van het voorbeeld van een ‘gemengd’ ontvankelijkheidsoordeel.

      Een eerste knelpunt betreft de kwalificatie van dit ‘gemengde’ ontvankelijkheidsoordeel en de daaruit voortvloeiende appelmogelijkheden. Indien een belangenorganisatie niet-ontvankelijk wordt verklaard, is de procedure op dat moment voor haar geëindigd. Dit oordeel is ten opzichte van haar een eindvonnis. Worden de andere belangenorganisaties wel ontvankelijk verklaard, dan is het vonnis ten opzichte van hen een tussenvonnis en wordt de procedure ten behoeve van de ‘nauw omschreven groep’ belanghebbenden voortgezet. De niet-ontvankelijk verklaarde belangenorganisatie kan tegen de voor haar als eindvonnis geldende beslissing hoger beroep instellen. De gedaagden kunnen tegen het tussenvonnis waarin de andere belangenorganisaties ontvankelijk zijn verklaard slechts in hoger beroep als de rechter dit toestaat. Het feit dat het vonnis jegens een partij als eindvonnis kan worden gekwalificeerd, brengt immers niet mee dat de andere partijen ook zonder toestemming van dit vonnis in hoger beroep mogen komen.55x Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/105 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3640, NJ 2005/575 (O./Van Eeghen q.q.).

      Een tweede knelpunt betreft de beoordeling van de zaak indien het niet-ontvankelijkheidsoordeel jegens die ene belangenorganisatie wordt vernietigd en zij in hoger beroep alsnog ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Vaste rechtspraak is dat door het hoger beroep van een eindvonnis de gehele zaak aan het hof ter beslissing wordt voorgelegd. Het hof mag de zaak niet terugwijzen ter verdere beoordeling door de rechtbank, ook al mist de appellant daardoor feitelijk een groot deel van de beoordeling in eerste aanleg. De Hoge Raad heeft op deze regel een aantal uitzonderingen aanvaard, met als gemene deler dat de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen. Dit betekent dat het hof mag terugwijzen indien de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard vanwege het ontbreken van internationale rechtsmacht,56x Zie bijv. Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157 (VDTCI/Trafigura), r.o. 3.14. een arbitragebeding of uit hoofde van het onderwerp van geschil; dan wel in geval van ontslag van instantie.57x HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926, NJ 1993/654, m.nt. H.E. Ras onder NJ 1993/655 (Van der Belt/De Open Ankh), r.o. 3.2, HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949, NJ 1993/655, m.nt. H.E. Ras (Meulen/Keijsers), r.o. 3.6, HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581, m.nt. H.J. Snijders; JBPR 2010/17, m.nt. D. Roffel (AB&P c.s./AXA), r.o. 3.4.1. De Hoge Raad heeft terugwijzing verder toegelaten na vernietiging van een eindvonnis wegens het feit dat het mede was gewezen door een rechter die inmiddels tot raadsheer in een hof was benoemd.58x HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, NJ 2019/108, m.nt. H.B. Krans; JBPr 2018/46, m.nt. G. van Rijssen, r.o. 3.5.2-3.5.3. Zie over het verbod van terugwijzing voorts conclusie A-G De Bock 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:834, nr. 3.15-3.27. Partijen mogen er niettemin voor kiezen de zaak door het hof zelf te laten afdoen.59x Zie ook art. 76 Rv, waarin deze rechtspraak voor een deel is gecodificeerd. Door feitenrechters is ook buiten de door de Hoge Raad aanvaarde gevallen een uitzondering aangenomen op de regel dat een zaak niet mag worden teruggewezen,60x Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:48, r.o. 3.6.2 (verzet in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard). maar een uitzondering na vernietiging van een vonnis waarin een belangenorganisatie niet-ontvankelijk is verklaard op grond van art. 3:305a BW, is voor zover wij weten nog niet aangenomen.

      Het voorgaande brengt niet alleen mee dat voor de belangenorganisatie die eerst in hoger beroep ontvankelijk wordt geoordeeld de zaak door slechts één feitelijke instantie (het hof) wordt beoordeeld, maar ook (en dat is wellicht nog belangrijker) dat de door verschillende belangenorganisaties ter zake van dezelfde gebeurtenis ingestelde collectieve acties uit elkaar worden getrokken. Ter zake van dezelfde kwestie wordt dan immers bij de rechtbank een collectieve procedure gevoerd door de daar ontvankelijk verklaarde belangenorganisatie(s) alsook bij het hof door een andere – al dan niet concurrerende – belangenorganisatie. Dit terwijl de WAMCA juist beoogt deze collectieve acties gezamenlijk, als één zaak, en door dezelfde rechter te laten behandelen.61x Zie o.a. art. 1018c lid 3 jo. art. 1018d lid 1 en 3 Rv. Dat een dergelijke, met de bedoeling van de WAMCA op gespannen voet staande, splitsing van zaken geen theoretisch gedachtespinsel is, illustreert de zaak van Stichting VDTCI tegen Trafigura. De Stichting heeft vorderingen ingesteld tegen zowel Trafigura Beheer als Trafigura Limited.62x Deze vorderingen zijn ingesteld onder het oude art. 3:305a BW, maar ter illustratie van de hier besproken kwestie is dit niet van belang. In de procedure tegen Trafigura Limited heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen. In de procedure tegen Trafigura Beheer heeft zij de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. In hoger beroep verklaart het hof zich wel bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Trafigura Limited en verwijst de zaak overeenkomstig bovengenoemde regels naar de rechtbank ter verdere behandeling van het geschil. Het hof acht de Stichting ontvankelijk in haar vorderingen tegen Trafigura Beheer. Het hof mag de zaak tegen Trafigura Beheer niet terugwijzen, zodat het deze verder zelf zal beoordelen. Dat betekent dat de procedure wordt gesplitst.63x Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157 ­(VDTCI/Trafigura), r.o. 3.14, 3.15 en 3.46. Tegen deze beslissing is cassatie ingesteld, zie conclusie A-G De Bock 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:834. Houthoff is bij deze zaak betrokken.

      Wij kunnen ons voorstellen dat voor collectieve acties onder de WAMCA een nieuwe uitzondering wordt gemaakt op de regel dat de zaak na vernietiging van een ontvankelijkheidsoordeel niet wordt teruggewezen. De WAMCA introduceert immers een systeem waarin alle collectieve acties verplicht worden geconsolideerd.64x De rechter mag naar onze mening procedures dan ook niet naar believen splitsen als hem dit procesmatig beter voorkomt. Vgl. Rb. Amsterdam 22 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:309 (Swapschade B.V./ABN Amro). Dit kan anders zijn als vanwege het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt een collectieve vordering niet meer efficiënter en effectiever wordt geoordeeld. Dat is echter iets anders. Het betreft in wezen een vorm van gedwongen subjectieve cumulatie. In dat licht bezien ligt het niet voor de hand dat vanaf een vrij vroeg stadium collectieve acties uit elkaar gaan lopen en de ene procedure door het hof wordt afgedaan en de andere door de rechtbank, terwijl beide uitspraken in beginsel dezelfde groep belanghebbenden (kunnen) binden. Het lijkt ons daarom aangewezen dat het hof de mogelijkheid krijgt de zaak terug te wijzen naar de rechtbank indien niet alle partijen zijn betrokken in het hoger beroep en de collectieve procedure voor het overige nog aanhangig is bij de rechtbank.
      Deze problemen doen zich overigens niet voor indien het hof over een tussenvonnis oordeelt. Als de gedaagde hoger beroep mag instellen tegen een tussenvonnis waarin een belangenorganisatie ontvankelijk wordt verklaard en het hof dit vonnis bekrachtigt, verwijst het hof de zaak weer naar de rechtbank, tenzij partijen eenstemmig hebben aangegeven dat het hof de zaak zelf kan afdoen.65x Art. 355 Rv. Het hof doet de zaak (normaliter) ook zelf af als het geding in staat van wijzen is, zie art. 355 slot Rv. Als een tussenvonnis van de rechtbank wordt vernietigd, kan het hof de zaak aan zich houden om zelf over de hoofdzaak te beslissen; zie art. 356 Rv.

      Het bovenstaande laat onverlet dat terugwijzing en verdere behandeling door de rechtbank weer nieuwe knelpunten kunnen opleveren. Wat gebeurt er immers, of dient er te gebeuren met de voortgang van de bij de rechtbank aanhangige collectieve procedure hangende het hoger beroep van een van de belangenorganisaties tegen haar niet-ontvankelijkverklaring? Moet de rechtbank de collectieve procedure ondertussen voortzetten? Dat zou kunnen betekenen dat deze inmiddels is afgerond of op zijn minst een eind is gevorderd als de appellerende belangenorganisatie zich weer met een ontvankelijkheidsverklaring op zak bij de rechtbank meldt. Al die tijd heeft zij in de rechtbankprocedure niet op kunnen komen voor haar (specifieke) deel van de achterban en zijn er proceshandelingen verricht waarbij zij geen partij was. Haar vorderingen zijn immers niet meegenomen in het totaal aan vorderingen, en indien zij opkomt voor een andere groep belanghebbenden is haar achterban niet tot de nauw omschreven groep gerekend waarvan de belangen in de procedure werden behartigd. Dit levert een onwenselijke situatie op. Moet de rechtbank de procedure dan aanhouden totdat op de ontvankelijkheid onherroepelijk is beslist? Dat kan geruime tijd duren, nu ook een gang naar de Hoge Raad en vervolgens verwijzing naar een hof tot de procesmogelijkheden behoren. Toch lijkt aanhouding van de collectieve procedure bij de rechtbank het beste van twee kwaden.

      Met het voorgaande in gedachten doet de rechter er verstandig aan tussentijds hoger beroep voor gedaagden open te stellen indien een van de belangenorganisaties niet-ontvankelijk is verklaard. Als deze belangenorganisatie tegen dit oordeel in hoger beroep gaat, kan dan gelijktijdig het hoger beroep van de gedaagde(n) tegen het oordeel dat de overige belangenorganisaties wel ontvankelijk zijn, worden behandeld. Gelijktijdig hoger beroep van het eind- c.q. tussenvonnis over de ontvankelijkheid heeft als voordeel dat de ontvankelijkheidsvraag dan indien nodig tot voor de Hoge Raad door alle partijen kan worden uitgeprocedeerd. Deze benadering sluit aan bij het systeem van de WAMCA-procedure als zodanig, waarin immers een ‘knip’ wordt gemaakt tussen het partijdebat en de rechterlijke toetsing van de ontvankelijkheid enerzijds en de inhoudelijke behandeling van de vordering anderzijds. Hiermee wordt beoogd een lang en kostbaar debat over de materieelrechtelijke aspecten van de collectieve vordering te voorkomen in gevallen dat deze toch niet tot toewijzing kan leiden vanwege andere aspecten.66x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 3, p. 39(-40) (MvT). Tussentijds, zo nodig in meerdere instanties, finaal uitprocederen van de ontvankelijkheidskwestie door alle betrokkenen past in deze lijn. Bovendien vormt een eindoordeel over de ontvankelijkheid van de belangenorganisaties een goed startschot voor schikkingsonderhandelingen, omdat dan immers duidelijk is met welke claimorganisaties de gedaagden hebben te rekenen. En zoals eerder is weergegeven, staat ook in de WAMCA voorop dat een schikking tussen partijen de voorkeur heeft boven een rechterlijke beslissing. Ter voorkoming van misverstand tekenen wij aan dat de gedaagde uiteraard niet verplicht is tussentijds hoger beroep in te stellen, ook al wordt dit toegestaan; hij kan de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie derhalve alsnog na kennisneming van het rechterlijk oordeel over de materieelrechtelijke kwestie aanvechten.

    • 6 Enkele opmerkingen over de rechtspleging in hoger beroep: conform de bijzondere regels van titel 14A Rv of niet?

      6.1 Wat is er beoogd en geregeld?

      Hoe ziet de WAMCA-procedure in hoger beroep eruit? Wordt deze gevoerd op dezelfde wijze als een ‘gewone’ appelprocedure, of gelden ook in hoger beroep de specifieke regels van titel 14A Rv? Uit het feit dat de minister de ‘gewone regels’ van hoger beroep van toepassing acht,67x Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV): ‘Voor hoger beroep en cassatie tegen deze beslissingen gelden de gewone regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 332 e.v. voor hoger beroep en artikel 398 e.v. voor cassatie).’ zou kunnen worden afgeleid dat titel 14A Rv niet van toepassing is in hoger beroep. De minister antwoordt echter op vragen van Kamerleden die informeren naar de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen, en niet naar de wijze waarop dit vervolgens verloopt.

      In de wet valt evenmin een duidelijk antwoord te vinden. Zoals in de inleiding is opgemerkt, verwijst art. 1018b lid 2 Rv slechts ter verduidelijking naar de toepasselijkheid van de regels van de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg op de WAMCA-procedure en wordt niet bedoeld andere bepalingen uit te sluiten. De schakelbepaling van art. 353 lid 1 Rv verklaart deze bepalingen van titel 2 van Boek 1 Rv grotendeels van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook titel 14A Rv van toepassing is in hoger beroep. Het feit dat geen expliciete verwijzing naar het hoger beroep in art. 1018b Rv is te vinden, zou echter ook een aanwijzing kunnen zijn voor het tegendeel.

      Een dwingend antwoord op de vraag of de procedurevoorschriften van titel 14A Rv van toepassing zijn in hoger beroep lijkt daarom niet te geven en het lijkt vooral neer te komen op de vraag of het wenselijk is dat een collectieve actie in hoger beroep op dezelfde wijze wordt ingekleed als in eerste aanleg. Laten we eerst de gevolgen van de twee uitersten doordenken: (1) titel 14A Rv is volledig van toepassing en (2) titel 14A Rv is niet van toepassing in hoger beroep. Hierbij zij aangetekend dat een appelprocedure – waarin alle oorspronkelijke belangenorganisaties zijn betrokken – die voor het eerst bij het hof voorbij de ontvankelijkheidsfase komt, en dus niet inhoudelijk in eerste aanleg is beoordeeld, naar ons idee volledig overeenkomstig titel 14A Rv moet worden gevoerd, inclusief bijvoorbeeld de opt-out-/opt-inperiode na aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, de publicatievoorschriften en de verplichte schikkingsperiode.68x Dit speelt dus niet in het in par. 5 besproken geval, waarin wij terugwijzing bepleiten.

      6.2 ‘Let’s imagine’: de WAMCA-appelprocedure conform titel 14A Rv

      Als titel 14A Rv volledig van toepassing is in hoger beroep, zou dit onder meer betekenen dat:

      1. de appeldagvaarding de gegevens moet bevatten van art. 1018c Rv en deze binnen twee dagen na dagvaarding moet worden ingediend ter griffie en worden ingeschreven in het centraal register (art. 1018c lid 1 en 2 Rv);

      2. een aanhoudingstermijn van drie maanden bestaat, opdat andere belangenorganisaties een dagvaarding kunnen uitbrengen (art. 1018c lid 3 en 1018d Rv);

      3. inhoudelijke behandeling pas plaatsvindt na een beslissing op de ontvankelijkheid (art. 1018c lid 5 Rv jo. art. 3:305a BW);

      4. een exclusieve belangenbehartiger wordt gekozen en de precieze vordering en nauw omschreven groep worden ­bepaald, alsmede dat wordt bezien of verwijzing naar een ander gerecht nodig is (art. 1018e Rv);

      5. een termijn moet worden gegeven voor opt-out c.q. opt-in (art. 1018f lid 1 en 5 Rv);

      6. de publicatievoorschriften van art. 1018f en 1018j Rv moeten worden nageleefd;

      7. een verplichte schikkingstermijn moet worden gegeven (art. 1018g Rv);

      8. de schikking moet worden goedgekeurd (art. 1018h Rv);

      9. de rechter een collectieve schadeafwikkeling kan vaststellen, eventueel na een bevel tot overlegging van een voorstel door partijen (art. 1018i Rv);

      10. de onherroepelijke uitspraak in appel verbindend is voor partijen en de leden van de nauw omschreven groep (art. 1018k Rv);

      11. een hogere proceskostenveroordeling kan worden opgelegd dan conform art. 237 e.v. Rv (art. 1018l Rv); en

      12. individuele procedures kunnen worden geschorst, althans gedurende een jaar (art. 1018m Rv).

      Van art. 1018c lid 1 Rv is op voorhand duidelijk dat het niet past bij de procedure in hoger beroep. Een appeldagvaarding is doorgaans een ‘kale’ dagvaarding, omdat de grieven op een later moment volgen. Dit zal onder de WAMCA niet anders (hoeven te) zijn. Aanhouding van drie maanden om anderen de kans te geven zich bij de (appel)procedure aan te sluiten,69x Art. 1018c lid 3 jo. art. 1018d Rv. kan evenmin worden opgelegd, of heeft althans geen zin, omdat een nieuwe claimorganisatie niet voor het eerst in hoger beroep een collectieve actie kan instellen. Ook voeging of tussenkomst door een nieuwe claimorganisatie zal niet mogelijk zijn in het licht van het systeem van de WAMCA.70x Vgl. Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299, opgenomen in het register (afwijzing vordering Stichting Car Claim tot voeging in de zaak van Stichting Diesel Emissions Justice/Volkswagen c.s.), r.o. 5.13. Wel zullen partijen de informatie dienen te verstrekken die de rechter in staat stelt zo nodig ambtshalve de ontvankelijkheid te toetsen (zie par. 6.4.2 hierna).

      6.3 ‘Let’s imagine’: titel 14A Rv is niet van toepassing in hoger beroep; wat dan?

      Als – het andere uiterste – titel 14A Rv in het geheel niet van toepassing is op de rechtspleging in hoger beroep, betekent dit dat de bovenstaande regels niet van toepassing zijn en de procedure volledig wordt gevoerd volgens het reguliere procesrecht. In dat geval is echter de vraag hoe een schikking verbindend moet worden verklaard voor de leden van de achterban,71x Art. 1018h Rv. op welke basis de rechter kan overgaan tot een collectieve schadeafwikkeling,72x Art. 1018i Rv. op welke grondslag de leden van de achterban worden gebonden aan de uitspraak in hoger beroep,73x Art. 1018k Rv. hoe zij worden geïnformeerd over de uitspraken in hoger beroep,74x Art. 1018j Rv. en of de rechter een hogere kostenveroordeling kan opleggen dan normaliter.75x Art. 1018l Rv.

      6.4 Suggesties voor toepassing van WAMCA-bepalingen in hoger beroep

      6.4.1 Een middenweg

      Uit het bovenstaande blijkt wel dat zowel volledige toepassing als geen toepassing van titel 14A Rv in hoger beroep knelt. Het ligt niettemin voor de hand dat gelet op de aard van de WAMCA-procedure (enkele) bepalingen uit titel 14A Rv ook in hoger beroep (deels) toepassing vinden, zoals wij in het ­onderstaande nader zullen toelichten. Hierbij houden wij in ­gedachten dat de ratio van de WAMCA een efficiënte en effectieve wijze van afwikkeling van collectieve schadeclaims en andere collectieve vorderingen is.76x Overigens is er van diverse zijden reeds op gewezen dat de WAMCA-procedure, en de daarmee geïntroduceerde regels, vooral knelt in zaken waarin juist geen schadevergoeding in geld wordt gevorderd – zoals door de WAMCA mogelijk gemaakt –, maar een andere remedie wordt gezocht. Zie o.a. Van Boom 2019, p. 160.

      6.4.2 Ontvankelijkheidstoets

      De rechter dient de ontvankelijkheid onder het regime van de WAMCA indien nodig ambtshalve te toetsen.77x Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 39 (MvT) en Handelingen II 2018/19, nr. 44, item 6, p. 14. De wetgever ziet de ontvankelijkheidseisen bovendien als doorlopende vereisten.78x Zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 45 (MvT), in navolging van de onder dat Kamerstuknummer opgenomen ‘Aanbevelingen juristengroep uitvoering motie Dijksma’, p. 5. Hieruit vloeit naar onze mening voort dat het hof in hoger beroep eveneens moet toetsen of de belangenorganisaties voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 1018c lid 5 Rv jo. art. 3:305a BW, ook al is hiertegen geen grief gericht. Daarbij dient het hof te toetsen of de belangenorganisaties op dat moment ontvankelijk zijn, niet of de rechtbank hen (niet-)ontvankelijk heeft mogen verklaren. De ontvankelijkheidstoets is een toets ex nunc.79x Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2476 (Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 4.26-4.27, Rb. Amsterdam 9 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122, NJF 2021/23; JOR 2021/42, m.nt. T.M.C. Arons (Stichting Elco Foundation/Rabobank c.s.), r.o. 4.4 en Hof Amsterdam 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3039 ((Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 3.6.3, dat daaraan toevoegt dat dit niet wegneemt ‘dat ook feiten en/of omstandigheden uit het verleden mee kunnen wegen’. Dit is mede te verklaren door het feit dat in de periode tussen de ontvankelijkheidstoets in eerste aanleg en die in hoger beroep doorgaans nogal wat tijd verstrijkt, waarin de omstandigheden waarin de belangenorganisatie verkeert, kunnen zijn gewijzigd. Een en ander betekent dat de voor de beoordeling van de ontvankelijkheid noodzakelijke gegevens door belangenorganisaties ook in hoger beroep moeten worden aangedragen, eventueel na een bevel van de rechter op grond van art. 22 Rv.

      6.4.3 Aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger

      In het voorgaande is betoogd dat iedere belangenorganisatie zelfstandig hoger beroep kan instellen, onder aanvoering van haar eigen grieven (doorgaans bij memorie). De vraag is echter of vervolgens ook in hoger beroep de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger gewenst is. En zo ja, dient dit dan in beginsel dezelfde te zijn als in eerste aanleg, of vindt er een nieuwe ‘beauty contest’ plaats? Hoewel wij onze aarzelingen hebben bij de figuur van de exclusieve belangenbehartiger,80x Zie ook Klaassen 2019, par. 5 (p. 149). gelden de in paragraaf 2 weergegeven argumenten voor de introductie van de exclusieve belangenbehartiger ook in hoger beroep. Nadat de belangenorganisaties hun eigen memorie van grieven hebben ingediend, kunnen de proceshandelingen en de communicatie ook in hoger beroep in beginsel verlopen via de exclusieve belangenbehartiger, met dezelfde ‘escape’ als in eerste aanleg: indien daarvoor gronden bestaan, kan de rechter andere belangenorganisaties toestaan eigen proceshandelingen te verrichten.

      Wat ons betreft ligt het in de rede dat in hoger beroep in beginsel dezelfde exclusieve belangenbehartiger optreedt als in eerste aanleg, tenzij sprake is van een contra-indicatie (bijvoorbeeld omdat zich een wijziging heeft voorgedaan in de omstandigheden die bij de keuze hiervan een rol hebben gespeeld – zoals de omvang van de achterban en de grootte van het financiële belang daarvan –, er klachten zijn over het functioneren van de exclusieve belangenbehartiger in eerste aanleg, maar mogelijk ook bezwaren van de oorspronkelijke exclusieve belangenbehartiger zelf tegen voortzetting van diens rol). Ook in hoger beroep geldt dat het oordeel over de meest geschikte exclusieve belangenbehartiger aan de rechter is voorbehouden, waarbij bovendien voorkomen moet worden dat het debat daarover ontaardt in een verkapt hoger beroep tegen de – niet-appellabele – benoeming van een exclusieve belangenbehartiger in eerste aanleg. Ter voorkoming van onduidelijkheid zou voorts aantekening moeten worden gemaakt van de benoeming van de exclusieve belangenbehartiger in het centraal register voor collectieve vorderingen. Indien de oorspronkelijke exclusieve belangenbehartiger niet in hoger beroep is gegaan, maar één of meer andere belangenorganisaties wel, dient de appelrechter uiteraard een nieuwe exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen op de voet van art. 1018e lid 1 Rv.

      6.4.4 Opt-out en opt-in

      In eerste aanleg bestaat tweemaal de mogelijkheid tot het uitbrengen van een opt-outverklaring: na aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger (tenzij een opt-inverklaring is vereist voor buitenlandse belanghebbenden) en na de goedkeuring van een schikking.81x Art. 1018h lid 5 Rv. Naar onze mening is in hoger beroep niet opnieuw plaats voor een opt-out- of opt-inmoment aan het begin van de appelprocedure, na aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger. De procedure wordt gevoerd ten behoeve van een door de rechter ‘nauw omschreven groep’ personen. Zowel eisers als gedaagden kunnen dan een inschatting maken om hoeveel personen het gaat. Als personen uit deze groep in hoger beroep nog een mogelijkheid krijgen om zich aan de procedure te onttrekken, brengt dat onzekerheid mee over de uiteindelijke grootte ervan. Dit laat onverlet dat wij menen dat de opt-outmogelijkheid na rechterlijke goedkeuring van een schikking ook in hoger beroep dient te worden geboden, althans zien wij geen goede argumenten om daarmee dan anders om te gaan.

      6.4.5 Schikken

      In eerste aanleg legt de rechter aan partijen een termijn op waarin een schikking moet worden beproefd.82x Art. 1018g Rv. De ratio achter de WAMCA – het stimuleren van een schikking – is ook in hoger beroep relevant. Ook kan, evenals in eerste aanleg, voor de ingangsdatum van de schikkingstermijn worden aangeknoopt bij het moment dat de exclusieve belangenbehartiger wordt benoemd.83x Van Boom heeft gepleit voor een verplicht schikkingsmoment nadat een aantal kernvragen zijn beantwoord, zoals de aansprakelijkheid en de aannemelijkheid van schade, zie Van Boom 2019, p. 156.
      Als een schikking tot stand komt, zal deze ook in hoger ­beroep door het hof moeten worden goedgekeurd, opdat de ­leden van de achterban hieraan – behoudens een opt-outverklaring – gebonden zijn, en geldt onverkort hetgeen hiervoor over de verbindendheid is opgemerkt (zie par. 4.2.2).

      6.4.6 Aantekening in centraal register en publicatievoorschriften

      In het centraal register dienen op grond van de wet te worden ingeschreven: de eerste dagvaarding in eerste aanleg,84x Art. 1018c lid 2 Rv. de goedgekeurde schikking,85x Art. 1018h lid 4 Rv. de uitspraak waarbij de exclusieve belangenbehartiger wordt vastgesteld,86x Art. 1018e lid 5 Rv. en de uitspraak waarin een collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld.87x Art. 1018j lid 2 Rv. De ratio hiervan is dat ook andere belangenorganisaties op de hoogte (kunnen) zijn van een ingediende collectieve vordering en kunnen bepalen of zij eveneens een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis willen instellen.88x Aldus Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 36 en 37(-38). In de praktijk worden echter ook opvolgende dagvaardingen, rolbeslissingen en tussenuitspraken in het register aangetekend. Het register is daarmee een algemenere informatiebron geworden, wat niet alleen voor de betrokken partijen, maar ook voor andere belangstellenden van grote waarde is.

      In dat licht is het aan te bevelen dat de appeldagvaardingen in het register worden aangetekend. Deze appeldagvaardingen zullen in de regel ‘kale’ dagvaardingen zijn. De grieven volgen later. Het is de vraag of ook de memorie van grieven in het register moet worden opgenomen. Dat lijkt ons wat ver gaan. In het licht van bovengenoemde ratio kunnen reeds vraagtekens worden geplaatst bij de verplichting om een afschrift – ofwel een kopie – van de dagvaarding in eerste aanleg ter aantekening aan te bieden.89x Zie de toelichting op het Besluit register collectieve vorderingen, Stb. 2019, 446. Kritisch hierover ook B.M. Katan, ‘De WAMCA op je bord’, NTBR 2020/37. In hoger beroep kunnen zich geen nieuwe ­belangenorganisaties meer melden. Bovendien kan een belangenorganisatie zelfstandig hoger beroep instellen, zo hebben wij hiervoor betoogd, en eigen grieven indienen. Voor het opnemen van de memorie van grieven in het register bestaat daarom geen goede grond. Evenmin bestaat in hoger beroep een grond voor toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid als vermeld in art. 1018c lid 2 Rv in geval van (niet tijdig) aantekenen van de appeldagvaarding in het centraal register. Deze sanctie is immers ingegeven door het feit dat de aanhoudingstermijn gaat lopen zodra de eerste dagvaarding in het register is aangetekend, opdat andere belangenorganisaties ook een dagvaarding kunnen uitbrengen.

      In eerste aanleg dient het vonnis waarin de exclusieve belangenbehartiger is aangewezen en de collectieve vordering en de nauw omschreven groep zijn omschreven op verschillende wijzen te worden gepubliceerd.90x Art. 1018f lid 2 en 3 Rv. Naar onze mening bestaat aan deze publicatieverplichtingen geen behoefte in hoger beroep. Wat betreft de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger verwijzen wij naar hetgeen hiervoor is opgemerkt: vermelding in het register volstaat in hoger beroep. De nauw omschreven groep waarvan de belangen in het hoger beroep zijn betrokken, behoeft niet omschreven te worden, nu naar onze mening – behoudens na de goedkeuring van een schikking – de omvang daarvan reeds vaststaat en geen opt-outmogelijkheid bestaat.

      Over een in hoger beroep goedgekeurde schikking of de schadevaststelling door de appelrechter dient de achterban uiteraard op dezelfde wijze te worden geïnformeerd als in eerste aanleg.

      6.4.7 Schadeafwikkeling, verbindendheid vonnis, kostenveroordeling en schorsing

      Art. 1018i Rv bepaalt op welke wijze de rechter tot vaststelling van een collectieve schadeafwikkeling kan overgaan. Als het hof hieraan toekomt, is deze bepaling ook in hoger beroep onverkort van toepassing. Dat betekent dat het hof partijen (mogelijk: weer) kan opdragen een voorstel daartoe over te leggen (lid 1) en dat een deskundigenbericht kan worden bevolen (lid 3).

      Een onmisbare bepaling, ook in hoger beroep, is art. 1018k Rv, op grond waarvan een onherroepelijke uitspraak in een collectieve actie – in afwijking van art. 236 Rv – niet alleen verbindend is voor partijen, maar voor alle leden van de nauw omschreven groep (zie reeds par. 2). Zonder dit artikel ontvalt de basis voor een algemeen-verbindendverklaring van de uitspraak.
      Over art. 1018l Rv (hogere proceskostenveroordeling) en art. 1018m Rv (schorsing van een individuele procedure) kunnen wij kort zijn: deze mogelijkheden gelden ook in hoger beroep.

    • 7 Afronding

      Hoger beroep en cassatie in het kader van een WAMCA-procedure zijn in de (vele) publicaties die over de WAMCA zijn verschenen nog weinig of niet aan de orde gekomen. Dit terwijl de wetgeving en de parlementaire geschiedenis op dit punt weinig richting geven en vele vragen oproepen. Bovendien kunnen de consequenties van de mogelijkheden en/of beperkingen wat dit betreft even zo massaal en vergaand zijn als de vorderingen waar het allemaal om draait. Wij hopen met deze beschouwing het debat hierover aan te zwengelen. Op diverse van de door ons besproken punten lijkt nadere wetgeving gewenst. Het alternatief is dat partijen zijn aangewezen op rechtersregelingen of rechters die interpreterend hun weg zoeken in het procesrecht.

      Gelet op de grote impact die een beslissing in het kader van een WAMCA-procedure en het terugdraaien hiervan in hoger beroep of cassatie heeft, met name indien het gaat om een collectieve schadevergoedingsactie, verdient het overweging wetgeving op dit gebied onder te brengen bij de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging (hierna: Experimentenwet).91x Uitgebreider over deze wet o.a. E.M. Hoogervorst & P. Jahan, ‘De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging nader beschouwd’, TCR 2020, afl. 3, p. 122-131 en C.J.M. Klaassen, ‘Rechtzoekenden als proefdieren (?). De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging’, AA 2020, p. 995-1004. Deze wet is tot stand gekomen binnen het wetgevingsprogramma ‘Verbetering van het burgerlijk procesrecht’, dat door het kabinet is gestart voor een maatschappelijk effectievere rechtspleging. De WAMCA is eveneens een van de vruchten hiervan.92x Kamerstukken II 2018/19, 35263, nr. 3, p. 4 (MvT). De Experimentenwet maakt het mogelijk om bij wijze van ­experiment, gedurende een periode van maximaal drie jaren, bij algemene maatregel van bestuur af te wijken van bepaalde onderdelen van (onder andere) het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Anders dan bij de pilots die in de context van art. 96 Rv plaatsvinden, kunnen partijen gedwongen worden het procesregime van het experiment te volgen. Na evaluatie van het experiment wordt besloten of dit aanleiding geeft tot definitieve aanpassing van de wetgeving. Hoewel in het kader van de totstandkoming van de Experimentenwet, naast de mogelijkheid tot het experimenteren met ‘lekenrechtspraak’ en met een alternatieve echtscheidingsprocedure, met name is gedacht aan een andere procedure voor eenvoudige handelsgeschillen, is de reikwijdte van de Experimentenwet hiertoe niet beperkt. Gezien het doel van de WAMCA (een effectieve en efficiënte wijze van geschilbeslechting, waarin de mogelijkheid tot schikken wordt gestimuleerd),93x Vgl. art. 1 Experimentenwet: ‘Bij algemene maatregel van bestuur kan, met het oog op het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve en de-escalerende geschilbeslechting, bij wijze van experiment gedurende een ­periode van ten hoogste drie jaar worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: (…).’ staat niets er naar ons oordeel aan in de weg de inrichting van de WAMCA-procedure in hoger beroep langs deze weg te beproeven, alvorens tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering over te gaan. Aldus kan de eventuele bittere nasmaak van de ervaring dat ‘the proof of the pudding is in the eating’ worden voorkomen, of althans beperkt.

    Noten

    • * Met dank aan mr. D.L. Barbiers, promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, voor zijn opmerkingen en suggesties naar aanleiding van een eerdere versie van dit artikel. Houthoff is bij diverse collectieve procedures betrokken.
    • 1 Hiertoe is het voordien in art. 3:305a lid 3 BW opgenomen verbod tot schadevergoeding in geld geschrapt.

    • 2 Zie over de hoofdlijnen van de WAMCA, onder vele andere, W.H. van Boom, ‘WCA → WCAM → WAMCA’, TvC 2019, afl. 4, p. 154-160, C.J.M. Klaassen, ‘De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie: eindelijk werkelijkheid, nu nog gaan werken …’, TCR 2019, afl. 4, p. 145-152 en H.K. Schrama & M.J. Bosselaar, ‘Een jaar WAMCA; het eerste stof neergedaald?’, TOP 2021/111.

    • 3 De uitgebrachte collectieve dagvaardingen in bodemprocedures zijn kenbaar vanwege de verplichting tot aantekening hiervan in het centraal register voor collectieve vorderingen (art. 1018c lid 2 Rv), te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen. Daarnaast zijn onder de WAMCA kort gedingen aanhangig gemaakt die grotendeels niet in het register zijn aangetekend omdat titel 14A Rv, m.u.v. art. 1018c lid 1 Rv, niet op kort gedingen van toepassing is (art. 1018b lid 1 jo. art. 254 Rv). Deze laten wij verder buiten beschouwing.

    • 4 Een eindvonnis in een bodemprocedure is gewezen door Rb. Den Haag 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10283 (Amnesty International c.s./Staat) en Rb. Den Haag 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10737 (Stichting Bureau Clara Wichman c.s./Staat).

    • 5 Art. 78-259 Rv m.b.t. de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg.

    • 6 De minister merkt op dat de collectieve actie een vorderingsprocedure is (art. 3:305a BW verwijst naar de ‘rechtsvordering’), waaruit strikt genomen al volgt dat daarop de regels van de dagvaardingsprocedure van toepassing zijn (zoals de algemene bepalingen uit de eerste titel (art. 1-77 Rv)). Omdat titel 14A Rv bijzondere procedurevoorschriften bevat voor collectieve acties heeft de minister er niettemin voor gekozen de regels van de vorderingsprocedure expliciet van toepassing te verklaren; zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 31 en 34 (MvT). Zie tevens Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV).

    • 7 Zo wordt bijv. toepassing van art. 93 Rv (de absolute competentie van de kantonrechter) uitgesloten in art. 1018b lid 3 Rv.

    • 8 De aard en strekking van de WAMCA lijken zich bijv. te verzetten tegen voeging en tussenkomst door een belangenorganisatie die op grond van art. 1018d Rv een collectieve vordering had kunnen instellen, zie Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299, r.o. 5.13, opgenomen in het register (afwijzing vordering Stichting Car Claim tot voeging in de zaak van Stichting Diesel Emissions Justice/Volkswagen c.s.).

    • 9 Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV).

    • 10 HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, JOR 2020/136, m.nt. T.M.C. Arons; JBPr 2020/61, m.nt. P.M. Vos (Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 3.2.

    • 11 Zie art. 1018f lid 1 en 1018h lid 5 Rv.

    • 12 Zie art. 1018f lid 5 en 1018k lid 1 Rv. Op verzoek van een partij kan de rechter bepalen dat een opt-outverklaring in plaats van een opt-inverklaring moet worden uitgebracht, zie art. 1018f lid 5 slot Rv. Art. 9 lid 3 Richtlijn (EU) 2020/1828 betreffende representatieve vorderingen voor consumenten stelt een opt-inverklaring voor buitenlandse belanghebbenden verplicht. De wet wordt hierop aangepast, zie art. II onder B van het implementatievoorstel dat op 1 mei 2021 ter internetconsultatie is aangeboden.

    • 13 Art. 1018k lid 1 Rv (in afwijking van art. 236 Rv). Vgl. A-G De Bock in haar conclusie voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, par. 3.14-3.17.

    • 14 Art. 1018d lid 3 Rv: collectieve vorderingen worden na inschrijving op de rol gezamenlijk behandeld als één zaak.

    • 15 De aanwijzing van een EB lijkt ook te moeten plaatsvinden als er slechts één belangenorganisatie als eiser optreedt. Zie de rolbeslissingen van Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299 (SDEJ/VW c.s.), r.o. 2.3 en expliciet Rb. Amsterdam 24 maart 2021, C/13/688861 / HA ZA 20-881 (SDEJ/FCA c.s.), r.o. 2.12, beide opgenomen in het register.

    • 16 Art. 1018e lid 1 Rv. Zie uitgebreid over de EB B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA-exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021, afl. 3, p. 67-77.

    • 17 Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 42 (MvT).

    • 18 Art. 1018e lid 2 en 3 Rv.

    • 19 Art. 1018e lid 3 Rv.

    • 20 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV).

    • 21 H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017/66, F.J.P. Lock, ‘Samen thuis, samen uit. Nieuwe regels voor de processueel ondeelbare rechtsverhouding’, TvPP 2017, afl. 4, p. 127-128 met nadere verwijzingen, B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, ‘Ontvankelijkheid van en belang bij cassatieberoep’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/178 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/47.

    • 22 Dit wordt niet snel aangenomen, zie Lock 2017, p. 128 e.v. en Van der Wiel & Dempsey 2019/181.

    • 23 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans; JBPr 2017/38, m.nt. S.L. Mineur, r.o. 3.4-3.7.2.

    • 24 Asser Procesrecht/Van Schaick2 2016/35. Vgl. sindsdien ook HR 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1407.

    • 25 Zie ook art. 1018k lid 1 Rv, waarin staat dat een onherroepelijke uitspraak ‘voor ieder der partijen’ verbindend is.

    • 26 Hetzelfde geldt – mutatis mutandis – voor cassatie. Wij zullen hierna echter het hoger beroep tot uitgangspunt nemen.

    • 27 Op grond van art. 6 lid 1 EVRM heeft eenieder recht op een eerlijk proces ‘bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen’. Hoewel het in een collectieve actie primair gaat om de rechten van belanghebbenden, worden in ieder geval daarin ook de rechten en verplichtingen van een belangenorganisatie vastgesteld voor zover een uitspraak van de rechter betrekking heeft op buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De minister acht art. 6 EVRM ook voor belangenorganisaties ­relevant, zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 44-46 (MvT). Vgl. ook Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 29-30 (NV). Zie ook D.L. Barbiers, ‘Beoordeling van schadevergoedingsvorderingen door de rechter in collectieve actie’, NTBR 2020/35, par. 2.

    • 28 Art. 1018e lid 2 en 3 Rv.

    • 29 De vraag of de groep belanghebbenden uit de overige EU-landen belangenorganisatie X kan aanspreken voor het verlies van de kans op succes in hoger beroep, laten wij in deze bijdrage buiten beschouwing.

    • 30 Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 6, p. 22 en nr. 9, p. 7, waarin de minister aangeeft dat een deelschikking voor alleen de achterban van de EB niet door de beugel kan.

    • 31 Wij laten andere complicaties hier buiten beschouwing, zoals de gevolgen van het al dan niet instellen van hoger beroep voor de vergoeding van de financieringskosten. Zie over verhaal van financieringskosten in eerste aanleg C.E. Santman & R.J. Philips, ‘De financiering van collectieve schadevergoedingsacties onder de WAMCA. Een inventarisatie van onzekerheden en mogelijkheden vanuit het perspectief van een procesfinancier’, MvV 2021, afl. 7/8, p. 275-286.

    • 32 Zie over de sanctie niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang Stolker, in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 3:303 BW, aant. 1 en bijv. Rb. Den Haag 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10737 (Stichting Bureau Clara Wichman c.s./Staat), r.o. 4.1.

    • 33 Ook is denkbaar dat afhankelijk van de omstandigheden de rechter toepassing geeft aan art. 118 Rv en de belangenorganisatie dwingt om tussen te komen.

    • 34 Art. 1018l Rv.

    • 35 Art. 339 lid 1 respectievelijk art. 402 lid 1 Rv.

    • 36 Art. 337 respectievelijk art. 401a Rv.

    • 37 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 20 (NV); zie tevens p. 15. Zie bijv. Rb. Den Haag 19 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10080 (Amnesty International c.s./Staat), r.o. 4.11-4.15. De rechtbank gaat niet mee in de primaire keuze van partijen, maar volgt wel hun tweede keuze. Het eindvonnis in deze zaak is gewezen op 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10283.

    • 38 Art. 1018e lid 1 slot Rv. De plaats van het rechtsmiddelenverbod aan het slot van lid 1, dat uitsluitend ziet op de aanwijzing van de EB, doet vermoeden dat hoger beroep tegen een in hetzelfde vonnis op te nemen oordeel inzake de vaststelling van collectieve vordering en de nauw omschreven groep wel mogelijk is (art. 1018e lid 2 Rv). Een rechtsmiddel tegen de beslissing om de zaak te verwijzen naar een ander gerecht (zie eveneens art. 1018e lid 2 Rv) staat echter niet open op grond van art. 110 lid 3 Rv.

    • 39 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 20 (NV).

    • 40 Daarvan zijn er drie: de rechter heeft een artikel (1) ten onrechte toegepast, (2) met verzuim van essentiële vormen toegepast of (3) ten onrechte buiten toepassing gelaten, zie HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242 (Enka/Dupont) en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent4 2018/24. Zie over de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 1018e lid 1 Rv ook E. Bauw, J. Biezenaar & M. van Mourik, Wetgeving collectieve actie (reeks Commentaar & Context), Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 204.

    • 41 HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220 (Heep/Heep), r.o. 3.4 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102 (Pinackaers/Weisz c.s.), r.o. 3.6. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/25.

    • 42 Weliswaar hebben zij hiervoor toestemming van de rechter nodig, maar verwacht mag worden dat de rechter een gemotiveerd verzoek hiertoe niet snel zal afwijzen, in het licht van art. 6 EVRM. Zie ook Rb. Amsterdam 28 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5271 (Stichting Stop Online Shaming en Stichting Expertisebureau Online Kindermisbruik/X), r.o. 5.30. Kritisch over een ruimhartige houding van de rechter wat betreft het toestaan van proceshandelingen aan anderen dan de EB zijn Katan & Wallinga 2021, par. 5.1 (p. 75).

    • 43 Art. 1018h lid 1 Rv.

    • 44 Art. 1018f lid 1-4 jo. art. 1018h lid 5 Rv.

    • 45 Art. 1018h lid 6 Rv.

    • 46 De tekst van art. 1018h lid 6 Rv zou wellicht ook zo kunnen worden geïnterpreteerd, dat een beroep in cassatie slechts openstaat ingeval goedkeuring van een schikking wordt geweigerd, maar hoger beroep mogelijk is tegen zowel de goedkeuring als de weigering daarvan. Dit lijkt echter niet de bedoeling van de wetgever, zie Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV): ‘Als de rechter de collectieve schikking goedkeurt, is dus geen hoger beroep en cassatie mogelijk.’

    • 47 Wet collectieve afwikkeling massaschade, wet van 23 juni 2005, Stb. 2005, 340, i.w.tr. 27 juli 2005, belangrijkste wijzigingen bij wet van 26 juni 2013, Stb. 2013, 255, i.w.tr. 1 juli 2013.

    • 48 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV).

    • 49 In de WCAM-praktijk blijkt de rechter overigens niet snel over te gaan tot weigering van de goedkeuring. Wel worden partijen, soms meer dan eens, teruggestuurd naar de onderhandelingstafel om de inhoud van de schikking aan te passen.

    • 50 Zie ook A. Knigge, L.F. Dröge & E.M. Hoogervorst, ‘Commentaar op art. 1018h’, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu 2021, aant. C.3 (bijgewerkt tot 1 april 2021) en Bauw, Biezenaar & Van Mourik 2020, p. 226. Op grond van de tekst van art. 1018h lid 6 Rv (‘partijen’) zou kunnen worden betoogd dat naast de partijen bij de schikking, ook belanghebbenden die in de goedkeuringsprocedure zijn verschenen cassatie kunnen instellen (zie art. 426 lid 1 jo. art. 1018h lid 2 jo. art. 1013 jo. art. 282 Rv). Het ligt echter meer voor de hand dat met ‘partijen’ de partijen bij de schikking wordt bedoeld, waarnaar wordt verwezen in art. 1018h lid 1 Rv. Dit komt ook overeen met de gang van ­zaken in een WCAM-procedure, zie art. 1018 lid 1 Rv.

    • 51 Art. 1018k lid 1 Rv. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 54 (MvT).

    • 52 Art. 1018f lid 1-4 jo. art. 1018h lid 5 Rv.

    • 53 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 15 en 31 (NV).

    • 54 Anders dan in het Voorontwerp voor de WAMCA, is in de uiteindelijke wettekst de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep ongeregeld gelaten. Hiermee wordt aangesloten bij kritische opmerkingen vanuit de praktijk, met name door advocaten die plegen op te treden als defence ­lawyer. Zie T. Bosters e.a., ‘Voorontwerp afwikkeling massaschade in collectieve actie’, NJB 2015/1138, par. 6.

    • 55 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/105 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3640, NJ 2005/575 (O./Van Eeghen q.q.).

    • 56 Zie bijv. Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157 (VDTCI/Trafigura), r.o. 3.14.

    • 57 HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926, NJ 1993/654, m.nt. H.E. Ras onder NJ 1993/655 (Van der Belt/De Open Ankh), r.o. 3.2, HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949, NJ 1993/655, m.nt. H.E. Ras (Meulen/Keijsers), r.o. 3.6, HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581, m.nt. H.J. Snijders; JBPR 2010/17, m.nt. D. Roffel (AB&P c.s./AXA), r.o. 3.4.1.

    • 58 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, NJ 2019/108, m.nt. H.B. Krans; JBPr 2018/46, m.nt. G. van Rijssen, r.o. 3.5.2-3.5.3. Zie over het verbod van terugwijzing voorts conclusie A-G De Bock 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:834, nr. 3.15-3.27.

    • 59 Zie ook art. 76 Rv, waarin deze rechtspraak voor een deel is gecodificeerd.

    • 60 Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:48, r.o. 3.6.2 (verzet in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard).

    • 61 Zie o.a. art. 1018c lid 3 jo. art. 1018d lid 1 en 3 Rv.

    • 62 Deze vorderingen zijn ingesteld onder het oude art. 3:305a BW, maar ter illustratie van de hier besproken kwestie is dit niet van belang.

    • 63 Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1157 ­(VDTCI/Trafigura), r.o. 3.14, 3.15 en 3.46. Tegen deze beslissing is cassatie ingesteld, zie conclusie A-G De Bock 17 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:834. Houthoff is bij deze zaak betrokken.

    • 64 De rechter mag naar onze mening procedures dan ook niet naar believen splitsen als hem dit procesmatig beter voorkomt. Vgl. Rb. Amsterdam 22 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:309 (Swapschade B.V./ABN Amro). Dit kan anders zijn als vanwege het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt een collectieve vordering niet meer efficiënter en effectiever wordt geoordeeld. Dat is echter iets anders.

    • 65 Art. 355 Rv. Het hof doet de zaak (normaliter) ook zelf af als het geding in staat van wijzen is, zie art. 355 slot Rv. Als een tussenvonnis van de rechtbank wordt vernietigd, kan het hof de zaak aan zich houden om zelf over de hoofdzaak te beslissen; zie art. 356 Rv.

    • 66 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 3, p. 39(-40) (MvT).

    • 67 Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 6, p. 31 (NV): ‘Voor hoger beroep en cassatie tegen deze beslissingen gelden de gewone regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 332 e.v. voor hoger beroep en artikel 398 e.v. voor cassatie).’

    • 68 Dit speelt dus niet in het in par. 5 besproken geval, waarin wij terugwijzing bepleiten.

    • 69 Art. 1018c lid 3 jo. art. 1018d Rv.

    • 70 Vgl. Rb. Amsterdam 3 maart 2021, C/13/681190 / HA ZA 20-299, opgenomen in het register (afwijzing vordering Stichting Car Claim tot voeging in de zaak van Stichting Diesel Emissions Justice/Volkswagen c.s.), r.o. 5.13.

    • 71 Art. 1018h Rv.

    • 72 Art. 1018i Rv.

    • 73 Art. 1018k Rv.

    • 74 Art. 1018j Rv.

    • 75 Art. 1018l Rv.

    • 76 Overigens is er van diverse zijden reeds op gewezen dat de WAMCA-procedure, en de daarmee geïntroduceerde regels, vooral knelt in zaken waarin juist geen schadevergoeding in geld wordt gevorderd – zoals door de WAMCA mogelijk gemaakt –, maar een andere remedie wordt gezocht. Zie o.a. Van Boom 2019, p. 160.

    • 77 Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 39 (MvT) en Handelingen II 2018/19, nr. 44, item 6, p. 14.

    • 78 Zie Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 45 (MvT), in navolging van de onder dat Kamerstuknummer opgenomen ‘Aanbevelingen juristengroep uitvoering motie Dijksma’, p. 5.

    • 79 Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2476 (Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 4.26-4.27, Rb. Amsterdam 9 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122, NJF 2021/23; JOR 2021/42, m.nt. T.M.C. Arons (Stichting Elco Foundation/Rabobank c.s.), r.o. 4.4 en Hof Amsterdam 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3039 ((Stichting UVDTAB/Trafigura), r.o. 3.6.3, dat daaraan toevoegt dat dit niet wegneemt ‘dat ook feiten en/of omstandigheden uit het verleden mee kunnen wegen’.

    • 80 Zie ook Klaassen 2019, par. 5 (p. 149).

    • 81 Art. 1018h lid 5 Rv.

    • 82 Art. 1018g Rv.

    • 83 Van Boom heeft gepleit voor een verplicht schikkingsmoment nadat een aantal kernvragen zijn beantwoord, zoals de aansprakelijkheid en de aannemelijkheid van schade, zie Van Boom 2019, p. 156.

    • 84 Art. 1018c lid 2 Rv.

    • 85 Art. 1018h lid 4 Rv.

    • 86 Art. 1018e lid 5 Rv.

    • 87 Art. 1018j lid 2 Rv.

    • 88 Aldus Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 36 en 37(-38).

    • 89 Zie de toelichting op het Besluit register collectieve vorderingen, Stb. 2019, 446. Kritisch hierover ook B.M. Katan, ‘De WAMCA op je bord’, NTBR 2020/37.

    • 90 Art. 1018f lid 2 en 3 Rv.

    • 91 Uitgebreider over deze wet o.a. E.M. Hoogervorst & P. Jahan, ‘De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging nader beschouwd’, TCR 2020, afl. 3, p. 122-131 en C.J.M. Klaassen, ‘Rechtzoekenden als proefdieren (?). De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging’, AA 2020, p. 995-1004.

    • 92 Kamerstukken II 2018/19, 35263, nr. 3, p. 4 (MvT).

    • 93 Vgl. art. 1 Experimentenwet: ‘Bij algemene maatregel van bestuur kan, met het oog op het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve en de-escalerende geschilbeslechting, bij wijze van experiment gedurende een ­periode van ten hoogste drie jaar worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: (…).’

Met dank aan mr. D.L. Barbiers, promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, voor zijn opmerkingen en suggesties naar aanleiding van een eerdere versie van dit artikel. Houthoff is bij diverse collectieve procedures betrokken.