Family & Law, januari 2014

Het legaat met keuzemogelijkheid en ‘het verbod van willekeur’

Dr. Nathalie Bauduin

Noten

  • 1 Kamerstukken II 1992/93, 17141, nr. 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv., p. 1771. Wat onder ‘ander’ moet worden verstaan (ook de begunstigde of degene op wie het legaat rust?), is uit de woorden van de minister niet op te maken.

  • 2 Hiermee wordt dan overigens niet gedoeld op de bevoegdheid van de legataris om een legaat naar eigen willekeur niet te aanvaarden. Deze bevoegdheid komt de legataris op basis van de wet toe (art. 4:201 BW) en is geoorloofd.

  • 3 Onder ‘andermans’ versta ik ook de begunstigde ofwel de legataris evenals degenen op wie het legaat rust.
    Vgl. N. Halding-Hoppenheit, Verbot der Drittbestimmung im Erbrecht, Lohmar-Köln: Josef Eul Verlag 2003, p. 58 e.v. Onder ‘ander’ dient volgens de heersende leer te worden verstaan iedere persoon (met uitzondering van de erflater), dus bijvoorbeeld ook de bezwaarde erfgenaam of de begunstigde zelf.

  • 4 Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse Taal, Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie 2005.

  • 5 Parl. Gesch. Boek 6, p. 895. Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1123: ‘Het vereiste van een bepaald onderwerp geldt voor alle rechtshandelingen, doch behoeft niet uitdrukkelijk in de wet te worden vermeld [curs. NB].’

  • 6 Van Mourik, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht deel I), Deventer: Kluwer 2008, nr. 46.

  • 7 F. Schols, Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 117.

  • 8 Zie hierover ook Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking : beschouwingen over het begrip uiterste wilsbeschikking, de totstandkoming van een uiterste wilsbeschikking als een geldige rechtshandeling en de onderscheiden soorten beschikkingen in het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Groningen 1992 (diss.), nr. 72 e.v.

  • 9 Breemhaar 1992, nr. 72 e.v. brengt dit bepaaldheidsvereiste overigens in verband met het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking (art. 4:42 lid 3 BW). Uit het bepaaldheidsvereiste in verbinding met de ‘hoogstpersoonlijkheid’ van de uiterste wilsbeschikking vloeit zijns inziens een verbod van wilsdelegatie voort. Het is naar het oordeel van Breemhaar dan ook niet toegestaan om een legaat te maken waarbij de met de uitvoering van het legaat belaste persoon of een derde de legataris uit enkele door de erflater genoemde personen zal aanwijzen. De minister oordeelt, getuige het citaat in paragraaf I, evenwel anders. Hij erkent daarin namelijk uitdrukkelijk het legaat met keuzemogelijkheid en stoort zich hierbij niet aan het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking. De minister merkt immers op dat art. 4:42 lid 3 BW regelt dat een uiterste wilsbeschikking slechts door de erflater persoonlijk kan worden gemaakt en dat daarmee de mogelijkheid blijft bestaan dat de erflater in zijn testament een derde aanwijst die zal bepalen wie van de verscheidene door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten. Een verbod van wilsdelegatie op grond van het bepaaldheidsvereiste in verbinding met het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking dient mijns inziens dan ook te worden afgewezen.

  • 10 Een voorbeeld hiervan is het in paragraaf I genoemde legaat met keuzemogelijkheid.

  • 11 Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934, p. 1205, betreft een bepaling uit statuten van een NV die ziet op interne rechtsverhoudingen. Zoals B.C.M. Waaijer in zijn dissertatie Statuten en statutenwijziging (Deventer: Kluwer 1993, par. 1.1.2) opmerkt, vormen statuten een conglomeraat van eigensoortige grondregels, waaronder regels welke de onderlinge betrekkingen bepalen tussen de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken. Voor wat deze regels betreft, dient beseft te worden dat Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934, p. 1205 ten aanzien hiervan nog aansloot bij de overeenkomst-theorie. Inmiddels is deze theorie evenwel verlaten en heeft zij plaatsgemaakt voor de idee dat de rechtsbetrekkingen tussen de persoon en degenen die bij zijn organisatie betrokken zijn, moet worden gezien als rechtsbetrekkingen van eigen aard, sui generis (de institutionele leer). Hetgeen ik over Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934, p. 1205 opmerk, dient evenwel telkens gelezen te worden in de geest van 1934. Dat wil zeggen vanuit de overeenkomst-gedachte.

  • 12 Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175. Hierin is opgemerkt dat een verbintenis (uit een eenzijdige overeenkomst) niet afhangt van de willekeur van een schuldenaar indien deze heeft gehandeld met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid.

  • 13 Verbintenissen kunnen ook voortvloeien uit een legaat.

  • 14 Brunner & De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen, Deventer: Kluwer 2004, nr. 58.

  • 15 Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 153.

  • 16 HR 17 januari 1996, BNB 1996/112.

  • 17 Zo zal voor de erfstelling, waar goederenrechtelijke belangen gemoeid zijn, een strikter bepaaldheidsvereiste gelden dan voor het legaat, dat ziet op verbintenisrechtelijke verhoudingen. Anders dan Breemhaar 1992, nr. 72 e.v. ben ik van mening dat het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking, zoals deze tot uitdrukking komt in art. 4:42 lid 3 BW, in combinatie met het bepaaldheidsvereiste niet tot een verbod van wilsdelegatie leidt. Zie ook mijn opmerking hieromtrent in voetnoot 9.

  • 18 Zie paragraaf III onder ‘Voldoende bepaald en toch willekeur’.

  • 19 Zie paragraaf IV ‘Willekeur en de redelijkheid en billijkheid’.

  • 20 Vgl. de voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling in het oude erfrecht.

  • 21 Behoudens het bepaalde in art. 4:45 BW.

  • 22 Vgl. afdeling 4.5.5 BW.

  • 23 Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse Taal, Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie 2005. Zie over de potestatieve voorwaarde Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175 e.v.

  • 24 Halding-Hoppenheit 2003, p. 58 e.v. Onder ‘ander’ dient volgens de heersende leer te worden verstaan iedere persoon (met uitzondering van de erflater), dus bijvoorbeeld ook de bezwaarde erfgenaam of de begunstigde zelf. Dat een begunstigde het recht heeft om zijn verkrijging te verwerpen, doet hieraan geen afbreuk. Volgens de heersende leer moet deze bevoegdheid om te verwerpen niet op één lijn worden getrokken met de bevoegdheid om te bepalen of een uiterste wilsbeschikking wel of niet werkt.

  • 25 Als voorbeeld van zo’n toelaatbaar Potestativbedingung kan worden genoemd: ‘Einsetzung des Nacherben unter der auflösenden Bedingung, dass der Vorerbe nicht anderweitig verfüge (vgl. BGHZ 2, 35; 59, 220)’, U. Meyer, J. Gemmer & H. Siebert, Erbrecht und Unternehmensnachfolge, Lohmar-Köln: Josef Eul Verlag 2009, p. 75. Vgl. HR 16 januari 2004, NJ 2004/487 (‘Boerenplaatsje’).

  • 26 Halding-Hoppenheit 2003, p. 59.

  • 27 Waarbij dan wordt verondersteld dat Luuk in goede fysieke conditie verkeert. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 175.

  • 28 Brox/Walker, Erbrecht, Köln: Carl Heymanns Verlag 2010, nr. 96.

  • 29 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 175.

  • 30 Zie over het erfrecht als bron van verbintenis B. Schols, Executele, Deventer: Kluwer 2008 (diss. 2007) over de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis. Zie over de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenis C. Cauffman, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005.

  • 31 Vergelijk hiermee ook het bindend advies/oordeel van bijvoorbeeld een deskundige: ik schenk 100.00 euro, indien mijn accountant dit toestaat.

  • 32 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 175.

  • 33 Vert. door J.E. Spruit e.a., Corpus juris civilis. Tekst en vertaling, IV: Digesten 25-34, Zutphen: Walburg Pers/’s-Gravenhage: Sdu Uitgevers, Juridisch & Fiscaal 1997, p. 618. Dig. 32.11.7 luidt als volgt: ‘Quamquam autem fideicommissum ita relictum non debeatur "si volueris", tamen si ita adscriptum fuerit: "si fueris arbitratus" "si putaveris" "si aestimaveris" "si utile tibi fuerit visum" vel "videbitur", debebitur: non enim plenum arbitrium voluntatis heredi dedit, sed quasi viro bono commissum relictum.’

  • 34 Zie ook paragraaf IV ‘Willekeur en de redelijkheid en billijkheid’.

  • 35 Parl. Gesch. Boek 6, p. 146-147 (T.M.).

  • 36 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 175. Een potestatieve voorwaarde is dus eigenlijk geen echte voorwaarde. Zie ook de Conclusie van A-G mr. Moltmaker bij HR 17 januari 1996, BNB1996/112.

  • 37 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 176.

  • 38 Kamerstukken II 2000/01, 17213, nr. 6, p. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag). Zie ook Toelichting Wiersma op het Ontwerp Wiersma, p. 895.

  • 39 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 176.

  • 40 Kamerstukken II 2000/01, 17213, nr. 6, p. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag). Zie ook Toelichting Wiersma op het Ontwerp Wiersma, p. 895. En voorts Asser/Perrick 2013 (4), nr. 284 en F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B-82), Deventer: Kluwer 2011, nr. 14. Dat de ontbindende potestatieve voorwaarde ook in het erfrecht mogelijk is, wordt bevestigd door HR 17 januari 1996, BNB 1996/112, HR 5 november 1997, BNB 1998/8 en HR 16 januari 2004, NJ 2004/487 (‘Boerenplaatsje’).

  • 41 Kamerstukken II 2000/01, 17 213, nr. 6, p. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag).

  • 42 Ten aanzien van de in art. 7:177 BW geregelde schenking ter zake des doods, die vanwege haar beoogde werking na overlijden een zeer sterke gelijkenis met het legaat vertoont (art. 7:177 BW verlangt voor de werking van de schenking ter zake des doods, dat zij in een notariële akte is neergelegd en dat zij door de schenker persoonlijk is aangegaan) wordt opgemerkt dat het herroepingsbeding ook kan inhouden dat na schenkers dood zijn erfgenamen tot de herroeping kunnen overgaan. Zie Van Mourik & Verstappen, Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 656-657; F. Schols 2011, p. 42-43. Mellema-Kranenburg, ‘De herroepelijke schenking, het wondermiddel van het nieuwe schenkingsrecht?’, Nieuw Erfrecht 2004, afl. 3, p. 41 merkt in dit kader evenwel op dat de erfgenamen de schenking niet onbeperkt kunnen herroepen, omdat dan sprake kan zijn van een verboden wilsdelegatie. Of de schenking wordt herroepen, mag haars inziens niet van de willekeur van de erfgenamen afhangen. F. Schols 2011, p. 43 is daarentegen van mening dat ‘daar waar er geen beperking geldt voor de schenker op dit vlak, die er ook niet voor zijn erfgenamen is’. Over de herroepelijke schenking ook Asser/Perrick 2013 (4), nr. 283 e.v.; Vegter, ‘Het civielrechtelijk kader van de herroepelijke schenking’, WPNR 2008, 6744; Maasland, ‘De herroepelijke schenking en de (ontbonden) gemeenschap van goederen’, Nieuw Erfrecht 2007, afl. 1; Blokland, ‘De herroepelijke schenking als sturingsmechanisme’, FTV 2007, 6; Burgerhart, Bedrijfsopvolging; erfrechtelijke aspecten en schenkingsaspecten, preadvies KNB 2005, p. 376 e.v.; F. Schols, ‘De nieuwe schenkingsregeling, Een gift voor estate planners?!’, WPNR 2001, 6433, waarin ook naar voren komt dat de herroepelijke schenking in de estateplanningspraktijk goede dienst kan bewijzen. Zie over de fiscale gevolgen van de schenking: Van Vijfeijken, ‘De fiscale behandeling van de herroepelijke schenking’, WPNR 2008, 6744.

  • 43 Asser/Perrick 2013 (4), nr. 284; zie ook Mellema-Kranenburg, Nieuw Erfrecht 2004, afl. 3, p. 40 en F. Schols 2011, p. 42.

  • 44 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 175. Vgl. paragraaf IV ‘Willekeur en de redelijkheid en billijkheid’.

  • 45 Vgl. hiermee ook hetgeen ik opmerkte in paragraaf III met betrekking tot Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934, p. 1205.

  • 46 Vanuit de idee dat zo veel mogelijk uitvoering dient te worden gegeven aan erflaters laatste wil, kan evenwel de vraag worden gesteld of niet enkel de voorwaarde nietig zou moeten zijn (vgl. art. 4:45 BW).

  • 47 Zie ook paragraaf IX over de herroepelijke schenking.

  • 48 Kamerstukken II 1992/93, 17141, nr. 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv., p. 1771.

  • 49 Zie paragraaf VII met betrekking tot § 2065 I BGB.

  • 50 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 176.

  • 51 Vgl. hiermee hetgeen ik opmerkte in paragraaf III met betrekking tot Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934, p. 1205.