DOI: 10.5553/JV/016758502022008004002

Justitiële verkenningenAccess_open

Artikel

#MeToo en de preventie van seksuele grensoverschrijding in Nederland

Trefwoorden prevalence, risk factors, action plan, campaign
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Willy van Berlo, '#MeToo en de preventie van seksuele grensoverschrijding in Nederland', JV 2022-4, p. 9-20

Dit artikel wordt geciteerd in

      Seksuele grensoverschrijding werd tot een aantal jaar geleden nauwelijks onderkend als een maatschappelijk probleem, en slachtoffers zwegen erover. Sinds #MeToo lieten steeds meer mensen, ook in Nederland, weten dat zij slachtoffer waren geweest van een vorm van seksuele grensoverschrijding. Bij Rutgers, het expertisecentrum voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, is seksuele grensoverschrijding een kernthema. Met #MeToo zagen we zichtbaar worden wat we al lang uit onderzoek wisten, namelijk de omvang en ernst van het probleem. Voor ons was het een mogelijkheid om het belang van preventie te benadrukken bij beleidsmakers. Toch kwam dit niet soepel van de grond. Er was uiteindelijk een nieuwe affaire in de Nederlandse tv-wereld voor nodig om een grootschalig plan te realiseren.
      In dit artikel ga ik eerst in op de prevalentie van seksuele grensoverschrijding en seksueel geweld, en wat in Nederland nodig is voor adequate preventie. Daarna beschrijf ik hoe de recente ontwikkelingen bij The Voice hebben geleid tot een nationaal actieplan, waar preventie van seksuele grensoverschrijding en seksueel geweld deel van uitmaakt.
      Ik gebruik de term seksuele grensoverschrijding als een overkoepelend begrip, variërend van ongewenste seksuele aanrakingen tot aanranding en verkrachting (seksueel geweld).

    • Prevalentie van seksuele grensoverschrijding

      #MeToo heeft een stem gegeven aan de talloze slachtoffers van seksuele grensoverschrijding, maar uit onderzoek was al langer bekend dat seksuele grensoverschrijding ook in Nederland vaak voorkomt. Al in 1988 kwam naar voren dat een derde van de vrouwen voor hun 16de een vorm van seksueel misbruik had meegemaakt (Draijer 1988). Sinds 2006 wordt de prevalentie onder zowel vrouwen als mannen periodiek vastgesteld in twee grote onderzoeken naar de seksuele gezondheid van volwassenen (Seksuele gezondheid in Nederland; De Graaf & Wijsen 2017) en jongeren (Seks onder je 25e; De Graaf e.a. 2017). In deze studies wordt een onderscheid gemaakt tussen seksuele grensoverschrijding in brede zin en seksueel geweld. Seksueel geweld betekent manuele (aftrekken/vingeren), orale, anale of genitale seks tegen de wil. Seksuele grensoverschrijding houdt daarnaast ook seksuele aanrakingen en kussen tegen de wil in. Seksuele grensoverschrijding is dus een breder begrip. De laatste resultaten van beide studies dateren uit 2017. Uit de studie onder volwassenen bleek dat 22% van de vrouwen en 6% van de mannen weleens een vorm van seksueel geweld hadden meegemaakt in hun leven. Als ongewenste aanrakingen en kussen tegen de wil werden meegerekend, hadden meer dan de helft van de vrouwen en bijna een vijfde van de mannen dat weleens meegemaakt (Van Berlo & Twisk, 2017). Van de jongeren hadden 14% van de meiden en 3% van de jongens ooit seksueel geweld meegemaakt; 44% van de meiden en 17% van de jongens hadden ervaringen met seksuele grensoverschrijding (De Graaf e.a. 2017). Verreweg de meeste plegers waren mannen. In 2023 worden beide studies herhaald. Daarnaast voert het CBS sinds 2020 periodiek onderzoek uit naar de jaarprevalentie van huiselijk en seksueel geweld. Uit de eerste van deze studies bleek dat 15% van de vrouwen en 7% van de mannen in een jaar tijd een vorm van seksuele grensoverschrijding hadden meegemaakt, waaronder ook online grensoverschrijdend gedrag. Behalve jonge vrouwen waren ook biseksuele en lesbische vrouwen en homoseksuele mannen relatief vaak slachtoffer (Akkermans e.a. 2020). Deze studie zal de komende tijd om de twee jaar worden herhaald.
      Naast inzicht in de omvang werd ook duidelijk dat seksueel grensoverschrijdend gedrag overal voorkomt: in het gezin, in de kerk, in de sport, op het werk, binnen relaties en online, en dat het vele vormen kan aannemen. Ook bleek de pleger meestal niet een gestoorde onbekende in de bosjes te zijn, maar meestal een bekende van het slachtoffer. Vooral sinds de tweede feministische golf wordt seksuele grensoverschrijding niet meer (uitsluitend) gezien als individueel grensoverschrijdend gedrag door een afwijkende dader, maar als een symptoom van genderongelijkheid, diep genesteld in (machts)structuren binnen de maatschappij (zie Mulder e.a. in druk).

    • Risicofactoren

      Om preventie goed aan te pakken is het belangrijk om te weten hoe vaak het voorkomt, bij wie, en wat risicofactoren zijn voor slachtoffers en plegers. Risicofactoren zijn er op meerdere niveaus, zowel maatschappelijk/cultureel als individueel. Op maatschappelijk/cultureel niveau gaat het dan bijvoorbeeld om maatschappelijke ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en een (sub)cultuur met genderstereotiepe opvattingen over mannen, vrouwen en seksualiteit. Een voorbeeld van schadelijke normen is de dubbele seksuele moraal: seksualiteit van mannen wordt anders beoordeeld dan seksualiteit van vrouwen (Emmerink e.a. 2015). Een man die veel seks heeft is stoer, een vrouw wordt dan al gauw een slet genoemd. Vrouwen worden geacht hun grenzen te bewaken, mannen mogen hun seksuele wensen kenbaar maken. In een dergelijke cultuur wordt de verantwoordelijkheid van seksuele grensoverschrijding gelegd bij degenen die het overkomt, niet bij degenen die over de grenzen gaan, en is de kans groot dat seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksisme worden genormaliseerd of gebagatelliseerd. Normen en opvattingen komen tot uiting in verschillende contexten: in de media, op de werkvloer, op school, op de sportclub, in de zorg en in de studentenvereniging.
      Op individueel en interpersoonlijk niveau zijn risicofactoren om pleger te worden op de eerste plaats man-zijn. Uit Seksuele gezondheid in Nederland bleek dat bij 94% van de volwassen vrouwen die ooit seksueel geweld hadden meegemaakt de dader een man of jongen was; bij de mannen was dit 62% (Van Berlo & Twisk 2017).1xHet aandeel vrouwelijke daders bij de vrouwen was minder dan 1%. Het overige percentage betreft de categorie ‘meer dan 1 dader’. Dit kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Onder de jongeren was dit percentage bij de vrouwen nagenoeg hetzelfde, de mannelijke slachtoffers meldden ongeveer even vaak mannelijke als vrouwelijke daders (De Graaf e.a. 2017). Vrouwelijke daders zijn er dus ook, maar – ook gelet op het kleinere aantal mannelijke slachtoffers – aanzienlijk minder.
      Daarnaast speelt een ongunstige opvoeding met weinig ondersteuning en empathie een rol, schadelijke opvattingen over gender, seks en seksueel geweld, en gebrek aan vaardigheden, zoals niet kunnen communiceren over seks, signalen van de ander niet kunnen interpreteren, impulsen niet onder controle kunnen houden en groepsdruk niet kunnen weerstaan (Tharp e.a. 2012; Yucel e.a. 2019).
      De grootste risicofactor bij slachtofferschap is ook sekse, gevolgd door leeftijd. Vrouwen, met name jonge vrouwen, maken het vaakst seksuele grensoverschrijding mee. Ook lesbische en biseksuele vrouwen en homoseksuele mannen zijn relatief vaak slachtoffer, evenals mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking (Akkermans e.a. 2020; Van Berlo e.a. 2011; Yucel e.a. 2019). Niet goed weten waar wensen en grenzen liggen, niet goed kunnen communiceren over seks, een laag zelfbeeld en traditionele schadelijke opvattingen over gender en seks maken dat vrouwen ongewenste seks niet altijd kunnen weigeren. Een andere belangrijke risicofactor om slachtoffer te worden is het eerder meemaken van misbruik; een groot deel van de slachtoffers die seksueel geweld hebben meegemaakt, maakt dit later in zijn of haar leven nog een keer mee (Van Berlo & Twisk 2017; Yucel e.a. 2019). Bij zowel slachtoffers als plegers is alcohol een risicofactor (Tharp e.a. 2012; De Graaf e.a. 2017; Van Berlo & Twisk 2017).
      Het is echter belangrijk om hier te benadrukken dat vrouwen (en mannen) ook slachtoffer kunnen worden van seksuele grensoverschrijding zonder dat er sprake is van de hier genoemde risicofactoren, en dat de verantwoordelijkheid niet bij het slachtoffer ligt. Het onderkennen van risicofactoren kan bijdragen aan preventie, bijvoorbeeld het weerbaarder maken van kinderen en jongeren, maar uiteindelijk gaat het vooral om het gedrag van de plegers.

    • Preventie

      Omdat seksuele grensoverschrijding een complex probleem is met individuele, sociale, culturele en structurele oorzaken, vraagt preventie om een uitvoerige aanpak met meerdere strategieën. Preventie werkt het best als aan een aantal voorwaarden is voldaan (Nation e.a. 2003; DeGue e.a. 2014; O’Donohue & Schewe 2019). Ten eerste moet het veelomvattend zijn. Dat wil zeggen dat een preventieprogramma moet gaan over zowel kennis als attitudes en vaardigheden en in meerdere settingen moet plaatsvinden, dus niet alleen op school, maar ook thuis, in de media en bijvoorbeeld op de sportclub. Preventie moet op tijd beginnen, bij voorkeur voordat jongeren seksuele relaties aangaan. Daarnaast is het belangrijk om kinderen en jongeren al van jongs af aan normen bij te brengen over gelijkwaardigheid en respect. Dat betekent dat preventie al begint op de basisschool en doorloopt tot en met de middelbare school en het vervolgonderwijs. Interventies moeten bovendien een voldoende grote omvang hebben. Eén keer een les is niet genoeg. Een ingewikkeld onderwerp als seksueel geweld vraagt om meerdere lessen die herhaald worden. Een positieve insteek, waarin jongeren elkaar ondersteunen, is ook werkzaam gebleken (UNESCO 2018). Strategieën waarin jongeren bijvoorbeeld worden ingezet als actieve omstanders zijn veelbelovend. Ook opvoedondersteuning en het betrekken van ouders is belangrijk. Professionals die betrokken worden bij preventie moeten daarnaast deskundig zijn, en preventieactiviteiten moeten theoretisch onderbouwd en cultuursensitief zijn. Van belang is dat preventie op meerdere niveaus plaatsvindt, dus gericht op zowel het individu als professionals, organisaties, de cultuur en de maatschappij als geheel. Op die manier versterken de maatregelen elkaar. In de wetenschap wordt in dit verband gesproken over het socio-ecologisch model (Bronfenbrenner 1994; DeGue e.a. 2014; O’Donohue & Schewe 2019). Dat betekent dat er maatregelen nodig zijn in het onderwijs, in opleidingen voor professionals, op de werkvloer en de sportclub, in het publieke domein en de media, en in het beleid. De laatste jaren wordt ook steeds meer ingezien dat het betrekken van jongens en mannen essentieel is, niet alleen omdat zij in verreweg de meeste gevallen de pleger zijn, maar ook omdat seksueel geweld een structureel maatschappelijk fenomeen is, en niet een probleem van alleen vrouwen (WHO 2007).
      Bij Rutgers is seksuele grensoverschrijding een kernthema. De laatste jaren richten we ons voornamelijk op preventie. Preventie van seksuele grensoverschrijding zou onderdeel moeten zijn van seksuele vorming, dat al in groep 1 van de basisschool begint en idealiter doorloopt tot in het universitaire en beroepsonderwijs. Dit gebeurt op een manier die bij de leeftijd en ontwikkeling van kinderen en jongeren past, en heeft altijd een positieve insteek. De boodschap is dat seks fijn is, en daar hoort geen ongewenst gedrag bij. Daarnaast ontwikkelen we interventies voor jongeren die risico lopen om slachtoffer of pleger te worden van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zoals jongeren in de jeugdzorg of jongeren met een lichte verstandelijke beperking. Dit zijn intensieve programma’s met meerdere bijeenkomsten, waar jongens en meiden weerbaar worden gemaakt in hun seksuele contacten, met aandacht voor consent en respect voor de ander. Ook ontwikkelen we trainingen en e-learning voor professionals om hun deskundigheid te vergroten, bijvoorbeeld om te leren praten over seksualiteit. Veel professionals vinden dat moeilijk. We voeren campagnes om bewustwording op gang te brengen en handelingsperspectieven te bieden. En we zetten overheden aan om goed beleid in te zetten.

    • Wat kan beter?

      Er gebeurt al veel op het gebied van preventie, maar er is meer nodig dan Rutgers en collega-organisaties kunnen doen. Het punt is dat preventie vaak geen prioriteit krijgt; er is een lange adem voor nodig, de resultaten zijn niet op korte termijn zichtbaar, en hulpverlening vraagt – terecht – om acute actie. Rutgers is daarom in 2020, samen met partners, de campagne #TotHier gestart. Deze campagne was erop gericht om de preventie van seksueel geweld in het regeerakkoord te krijgen voor de verkiezingen in maart 2021. Daarnaast was het doel om het maatschappelijk draagvlak voor preventie te verbreden en zichtbaar te maken. Dit zette de politieke lobby kracht bij, maar was ook belangrijk voor als het beleid zou worden geïmplementeerd. De boodschap was dat de overheid werk moet maken van structurele preventie van seksueel geweld door middel van een nationaal actieplan. Om dit doel te bereiken is in een pleidooi beschreven wat er nodig is.
      Preventie moet vroeg beginnen, thuis en op school. Seksuele voorlichting is verplicht in het basis- en voortgezet onderwijs, maar scholen mogen zelf bepalen hoe ze die voorlichting invullen. In de praktijk betekent dit dat veel scholen hun lessen beperken tot de biologische aspecten van seksualiteit of waarschuwen voor wat er mis kan gaan, zoals ongeplande zwangerschappen en soa’s. Onderwerpen als seksueel plezier, consent, diversiteit, gelijkwaardigheid, respectvol gedrag en verantwoordelijkheid blijven vaak buiten beschouwing. Leerlingen geven de voorlichting op school gemiddeld een 5,8 (Cense e.a. 2019). De kerndoelen zouden wat dat betreft concreter moeten worden geformuleerd.
      Adequate preventie vraagt om deskundige professionals. Er zijn diverse trainingen en instrumenten ontwikkeld,2xZie bijvoorbeeld www.act4Respect.nl en www.seksindepraktijk.nl. maar door werkdruk en andere prioriteiten worden die niet altijd in de praktijk gebruikt. Minstens zo belangrijk als implementatie is structurele inbedding van het thema in de beroepsopleidingen voor het onderwijs, de zorg, maatschappelijk werk, de politie en justitie.
      Om cultuurverandering te bewerkstelligen zijn ook campagnes nodig om het grote publiek te bereiken. De afgelopen jaren zijn diverse campagnes gevoerd. Een voorbeeld is de campagne ‘Ben je oké?’, die Rutgers al een aantal jaar met succes uitvoert in het uitgaansleven, bij studentenverenigingen en op straat. Jongeren worden aangespoord om elkaar aan te spreken wanneer ze ongewenst gedrag zien, onder het motto: zo hebben we allemaal een mooie tijd. Ze worden zich er ook bewust van dat ongewenst gedrag niet moet worden genormaliseerd omdat ‘het er nu eenmaal bij hoort’. Een ander voorbeeld is de ‘Zin? Lekker? Fijn?’-campagne van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De boodschap daarvan is dat je elkaar voor, tijdens en na de seks vraagt of het oké is. Instemming vragen en krijgen moet vanzelfsprekend worden. Het is belangrijk dat campagnes voor jongeren ook met jongeren worden doordacht. Volwassen professionals kunnen in taal en beeld ook de plank finaal misslaan. Daarnaast moeten campagnes worden herhaald. Mensen leren beter door herhaalde exposure (Nation e.a. 2003), dat geldt ook voor campagnes.
      Risicogroepen, zoals jongeren met een verstandelijke beperking of jongeren in de jeugdzorg, hebben extra aandacht nodig, met intensievere interventies. Dat gebeurt al veel, hoewel er nog steeds risicogroepen zijn die onvoldoende aan bod komen. Studenten zijn bijvoorbeeld onderbelicht gebleven, terwijl zij een groot risico lopen om slachtoffer te worden van seksueel geweld. Uit een rapport van Amnesty bleek dat een op de tien studentes tijdens haar studie seksuele penetratie zonder haar toestemming had meegemaakt (Driessen & Polet 2021). Implementatie van alle interventies blijft een punt van aandacht.
      Goede zorg voor slachtoffers is hard nodig. Niet alleen om ervoor te zorgen dat ze zich beter voelen, maar ook om herhaling te voorkomen. Bijna een kwart van de mannen en 45% van de vrouwen die seksueel geweld hebben meegemaakt, hebben dit later in hun leven nog een keer meegemaakt (Van Berlo & Twisk 2017).
      Ook het bevorderen en ondersteunen van beleid op allerlei niveaus is noodzakelijk, van de sportclub en zorginstellingen tot de overheid. Het is belangrijk dat het beleid van de overheid structureel is en met een langetermijnvisie.
      Het ontwikkelen, verzamelen en uitwisselen van kennis over de preventie van seksueel geweld behoeft blijvende aandacht. Activiteiten moeten worden gemonitord en geëvalueerd, en nieuwe ontwikkelingen, inzichten en doelgroepen moeten worden gesignaleerd. Informatie daarover dient te worden gedeeld met alle betrokken partijen. Meer onderzoek is nodig om interventies op effectiviteit te kunnen beoordelen. Door te leren van wat er wel en niet werkt, kunnen we de preventie van seksueel geweld voortdurend blijven verbeteren.
      Seksueel geweld kost de samenleving minstens een miljard per jaar (zie Speetjens e.a. 2016 en de factsheet van het Centrum Seksueel Geweld3xZie www.centrumseksueelgeweld.nl/professionals.). Dat is veel meer dan wat preventiemaatregelen vragen aan budget. Een investering in preventie bespaart de samenleving uiteindelijk, naast veel leed, ook veel geld.
      In het pleidooi van #TotHier is ten slotte ook gevraagd om coördinatie door één ministerie, omdat anders de aanpak van seksueel geweld versnippert. Dat laatste was in Nederland lange tijd het geval.

      The Voice of Holland en het nationaal actieplan

      In januari 2022 maakte het programma BOOS een uitzending over misstanden bij The Voice. BOOS heeft via YouTube een groot aantal vooral jongere kijkers. In de uitzending werd een aantal machtige medewerkers aan het programma, onder wie een regisseur en juryleden, beschuldigd van vergaand seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens – jonge – deelnemers. De BOOS-uitzending is meer dan 10 miljoen keer bekeken, en was wekenlang het gesprek van de dag in de media. Discussies gingen over de prevalentie, de ernst van seksueel geweld, victim blaming en de noodzaak van cultuurverandering.
      Kort na de uitzending kondigde het kabinet aan dat er een nationaal actieplan komt, gericht op een langjarige inzet en duurzame verandering. De ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn verantwoordelijk voor dit plan. Het doel van het actieplan is de fundamentele cultuurverandering die nodig is om een einde te maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en geweld te helpen vormgeven, versnellen en verduurzamen. Mariëtte Hamer is voor drie jaar aangesteld als regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. De commissaris heeft een onafhankelijke positie en eigenstandig mandaat. Zo adviseert zij gevraagd én ongevraagd het kabinet bij de totstandkoming en uitvoering van de integrale en gecoördineerde aanpak.
      Eind juni 2022 hebben de twee ministeries de inhoudelijke contouren van het nationaal actieplan openbaar gemaakt. Deze inhoudelijke contouren omvatten voor een belangrijk deel de veranderingen die noodzakelijk zijn, zoals het komen tot maatschappelijke normen ten aanzien van genderstereotypering en machtsongelijkheid, en de samenleving beter toerusten met kennis over gezonde relaties, consent, wensen, grenzen en seksuele weerbaarheid. Daarbij is specifieke aandacht voor de opgroeiende generatie, hun ouders en/of begeleiders en de professionals die met hen werken. Het belang van seksuele vorming is benadrukt. Daarnaast worden scherpe formele normen in wet- en regelgeving genoemd, het ondersteunen van beleid, het activeren van omstanders, het verbeteren van toegankelijkheid en vindbaarheid van meldpunten en hulpdiensten voor slachtoffers en plegers, en het verbeteren van de inzet van en doorgeleiding naar adequate en effectieve hulp.
      In een brief aan het parlement heeft Mariëtte Hamer positief gereageerd op de ambities van het kabinet (persbericht van 27 juni 2022). Ze is verheugd dat in de contouren van het nationaal actieplan een cultuurverandering centraal wordt gesteld. Hamer ziet ook een belangrijke rol voor seksuele en relationele vorming in het onderwijs en andere vormen van preventie, onder meer in de cultuur en de media. Om meer inzicht te krijgen in fundamentele oorzaken van seksueel grensoverschrijdend gedrag wil Hamer stimuleren dat er onderzoek wordt gedaan naar risicofactoren en naar de onderliggende machtsmechanismen en motieven.

    • Conclusie

      Rebecca Solnit schreef in Recollections of my non-existence dat de verandering door #MeToo niet zozeer het begin was van een beweging, maar ‘a culmination of the long, slow business of making feminist perspectives more widespread (…)’ (Solnit 2020, p. 225). Verhalen over seksueel geweld waren lange tijd geïsoleerde incidenten, en werden niet gezien als emblematisch voor een groot maatschappelijk probleem (Solnit noemt het een epidemie). Maar alle geïsoleerde verhalen en het groeiend aantal stemmen die niet langer wilden zwijgen, leidden uiteindelijk wel tot een doorbraak.
      Ook in Nederland kan niemand er meer omheen dat er een groot probleem is. Het is jammer dat er uiteindelijk een actuele zaak met slachtoffers voor nodig was om de laatste zet te geven voor een structurele aanpak. Anderzijds is het hoopvol dat seksueel geweld nu hoog op de agenda staat en dat het belang van preventie wordt onderkend. Het contourenplan laat zien dat belangrijke veranderingen in gang gezet worden. Het definitieve plan wordt binnen enkele maanden bekendgemaakt. Het is te hopen dat dit definitieve plan duurzaam genoeg is om de preventie van seksuele grensoverschrijding voor lange tijd veilig te stellen.

    • Literatuur
    • Akkermans e.a. 2020,
      M. Akkermans, W. Gielen, R. Kloosterman, E. Moons, C. Reep & M. Wingen, Prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel geweld 2020, Den Haag: CBS/WODC 2020.

    • Van Berlo & Twisk 2017
      W. van Berlo & D. Twisk, ‘Seksueel geweld en seksuele grensoverschrijding’, in: H. de Graaf & C. Wijsen (red.), Seksuele gezondheid in Nederland 2017, Delft: Eburon 2017, p. 88-98.

    • Van Berlo e.a. 2011
      W. van Berlo, S. de Haas, N. van Oosten, L. van Dijk, L. Brants, S. Tonnon & O. Storms, Beperkt weerbaar. Een onderzoek naar seksueel geweld bij mensen met een lichamelijke, zintuigelijke of verstandelijke beperking, Utrecht: Rutgers WPF/Movisie 2011.

    • Bronfenbrenner 1994
      U. Bronfenbrenner, ‘Ecological models of human development’, in: International Encyclopedia of Education. Vol. 3, Oxford: Elsevier 1994, p. 1643-1647.

    • Cense e.a. 2019
      M. Cense, S. de Grauw & M. Vermeulen, ‘Gewoon het taboe eraf halen.’ Wat leerlingen willen van seksuele vorming, Utrecht: Rutgers 2019.

    • DeGue e.a. 2014
      S. DeGue, L.A. Valle, M.K. Holt, G.M. Massetti, J.L. Matjasko & A.T. Tharp, ‘A systematic review of primary prevention strategies for sexual violence perpetration’, Aggression and Violent Behavior (19) 2014, p. 346-362.

    • Draijer 1988
      N. Draijer, Seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis en de psychische en psychosomatische gevolgen, Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1988.

    • Driessen & Polet 2021
      M. Driessen & J. Polet, Studenten over verkrachting. Onderzoek naar verkrachting onder studenten, hoe ze ermee omgaan en hoe ze erover denken, Amsterdam: Amnesty International 2021.

    • Emmerink e.a. 2015
      P.M.J. Emmerink, I. Vanwesenbeeck, R.J.J.M. van den Eijnden & T. ter Bogt, ‘Psychosexual correlates of sexual double standard endorsement in adolescent sexuality’, Journal of Sex Research (53) 2015, p. 286-297.

    • De Graaf & Wijsen 2017
      H. de Graaf & C. Wijsen (red.), Seksuele gezondheid in Nederland 2017, Delft: Eburon 2017.

    • De Graaf e.a. 2017
      H. de Graaf, M. van den Borne, S. Nikkelen, D. Twisk & S. Meijer, Seks onder je 25e. Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2017, Utrecht/Amsterdam: Rutgers/SOA AIDS Nederland 2017.

    • Mulder e.a. (in druk)
      E. Mulder, M. Cense & W. van Berlo, ‘Seksueel geweld bij volwassenen’, in: Handboek slachtoffers, in druk.

    • Nation e.a. 2003
      M. Nation, C. Crusto, A. Wandersman, K.L. Kumpfer, D. Seybolt, E. Morrissey-Kane e.a., ‘What works in prevention: Principles of effective prevention programs’, American Psychologist (58) 2003, p. 449.

    • O’Donohue & Schewe 2019
      W.T. O’Donohue & P.A. Schewe (red.), Handbook of sexual assault and sexual assault prevention, Cham: Springer 2019.

    • Solnit 2020
      R. Solnit, Recollections of my non-existence, Londen: Granta 2020.

    • Speetjens e.a. 2016
      P. Speetjens, F. Thielen, M. ten Have, R. de Graaf & F. Smit, ‘Kindermishandeling: economische gevolgen op lange termijn’, Tijdschrift voor Psychiatrie (58) 2016, afl. 10, p. 706-711.

    • Tharp e.a. 2012
      A.T. Tharp, S. DeGue, L.A. Valle, K.A. Brookmeyer, G.M. Massetti & J.L. Matjasko, ‘A systematic qualitative review of risk and protective factors for sexual violence perpetration’, Trauma Violence Abuse (14) 2012, afl. 2, p. 133-167.

    • UNESCO 2018
      UNESCO, International technical guidance on sexuality education. An evidence-informed approach, Parijs: United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization 2018.

    • WHO 2007
      WHO, Engaging men and boys in changing gender-based inequity in health. Evidence from programme interventions, Genève: WHO 2007.

    • Yucel e.a. 2019
      E. Yucel, N. Cantor, M. Joppa & D.J. Angelone, ‘Who is at high risk for victimhood?’, in: W.T. O’Donohue & P.A. Schewe (red.), Handbook of sexual assault and sexual assault prevention, Cham: Springer 2019, p. 177-194.

    Noten


Print dit artikel