Citeerwijze van dit artikel:
Geertje van Schaaijk, ‘Praktijkgericht juridisch onderzoek’, 2011, , DOI:

Law and MethodAccess_open

Artikel

Praktijkgericht juridisch onderzoek

Trefwoorden juridisch onderzoek, empirisch onderzoek, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksvraag, onderzoeksmodel
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Geertje van Schaaijk, 'Praktijkgericht juridisch onderzoek', LaM januari 2011, DOI:

Dit artikel wordt geciteerd in

    • In dit artikel wordt de stelling verdedigd dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek zowel juridische als empirische onderzoeksmethoden nodig zijn. De centrale onderzoeksvraag in een praktijkgericht juridisch onderzoek dient immers gerelateerd te zijn aan het recht en aan de praktijk, zodat het antwoord op de centrale vraag praktisch bruikbaar is. Vragen van het type ‘mag dat?’ of ‘werkt dit?’ kunnen die relaties met recht en praktijk goed over het voetlicht brengen en sturing geven aan de richting van het onderzoek. In het beredeneerde antwoord op de onderzoeksvraag komt de integratie van methoden en technieken uit de juridische en sociaalwetenschappelijke discipline tot uitdrukking. Het onderzoeksmodel dat in dit artikel wordt uitgebeeld en toegelicht, maakt deze integratie duidelijk en biedt een basis voor een methodologie van praktijkgericht juridisch onderzoek.

    • 1 Inleiding

      Een praktijkgericht juridisch onderzoek vraagt om een integratie van methoden en technieken uit zowel de juridische als de sociaalwetenschappelijke discipline. Dat is het uitgangspunt in het boek Praktijkgericht juridisch onderzoek. 1xDit artikel is een bewerking van het eerste hoofdstuk van het boek Praktijkgericht juridisch onderzoek, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011. In dit hoofdstuk geef ik een uitleg van het door mij ontwikkelde onderzoeksmodel. Dat uitgangspunt zal ik in dit artikel toelichten, want deze noodzaak tot integratie wordt niet als vanzelfsprekend aangenomen. In de universitaire juridische opleiding behoort een training in sociaalwetenschappelijke methoden en technieken van onderzoek gewoonlijk niet tot het standaardpakket. En in andere disciplines dan de juridische is het niet gebruikelijk om aandacht te besteden aan het eigen karakter van juridische onderzoeksmethoden en juridisch redeneren. Het integreren van beide werelden is dan ook een lastige opgave, zowel voor degenen die een praktijkgericht juridisch onderzoek uitvoeren als voor hun begeleiders die vaak afkomstig zijn uit ofwel de juridische ofwel een sociaalwetenschappelijke discipline.

      Bij de uitvoering van hun lastige taak ondervinden onderzoekers en begeleiders tot nu toe weinig steun vanuit de rechtswetenschap. Daar woedt wel een discussie over de noodzaak, mogelijkheid en/of wenselijkheid van een interdisciplinaire benadering in het rechtswetenschappelijk onderzoek, maar deze discussie heeft nog niet geleid tot een methodologie die bruikbaar is in het onderwijs.2xSmits 2009, p. 153-168 geeft wel enkele voorzetten voor een methodologie, maar werkt deze niet verder uit. Het hoger onderwijs kan echter niet stil gaan zitten wachten, want er moeten wel (veel) studenten afstuderen. Daarvoor moeten zij meestal een afstudeeronderzoek verrichten en hun bevindingen vastleggen in een scriptie of onderzoeksrapport. Voor een effectieve uitvoering en begeleiding van het onderzoek is het wenselijk dat studenten weten wat er van hen wordt verwacht en waarop hun onderzoek wordt beoordeeld. Het onderwijs zit dan ook te springen om een methodologie van praktijkgericht juridisch onderzoek.

      De behoefte van studenten en begeleiders aan handvatten voor de uitvoering en begeleiding van praktijkgericht juridisch onderzoek was voor mij de reden om een boek hierover te schrijven, een boek waarin niet alleen de gebruikelijke ‘tips & trucs’ zijn opgenomen, maar waarin ook per onderzoeksactiviteit wordt uitgelegd wat de kenmerken zijn van de betreffende activiteit, waarom die nuttig of nodig is en aan welke eisen een goede uitvoering van de onderzoeksactiviteit zou moeten voldoen.3xDeze vierslag in kenschets, nut en noodzaak, eisen, aanpak is geïnspireerd door de serie boeken van Heinze Oost over onderzoek (Oost & Markenhof 2009; Oost 2008a; 2008b). De onderzoeksactiviteiten die ik behandel zijn: oriëntatie op onderzoeksonderwerp en opdracht, onderzoeksformulering, onderzoeksopzet, onderzoek van het recht, onderzoek van de praktijk, argumenteren en concluderen, schrijven van een onderzoeksrapport. Deze zeven hoofdstukken worden voorafgegaan door een inleiding waarin het onderzoeksmodel wordt uitgelegd dat de basis vormt voor de methodologie. Het boek wordt afgesloten met een hoofdstuk over de beoordeling van een praktijkgericht juridisch onderzoeksrapport. Ik volg in het boek de drie stadia die ook in andere methodologieboeken vaak worden gebruikt: voorbereiding van het onderzoek, verdere uitvoering en rapportage. Nieuw is echter de integratie van methoden en technieken uit de juridische en de sociaalwetenschappelijke discipline. Om die integratie te laten zien en te verantwoorden heb ik een onderzoeksmodel voor praktijkgericht juridisch onderzoek ontwikkeld. Praktijkgericht juridisch onderzoek is echter complex en zoals in ieder model van een complexe activiteit verdwijnen ook hier aspecten uit beeld. De werkelijkheid is immers niet in een model te vangen. De eenvoud van een model heeft echter ook zijn charmes, want daardoor is het mogelijk om in één oogopslag een beeld te krijgen van de belangrijke aspecten van een praktijkgericht juridisch onderzoek en van hun onderlinge samenhang.

      Het onderzoeksmodel voor een praktijkgericht juridisch onderzoek dat ik heb ontwikkeld is afgebeeld in figuur 1.

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 1 Onderzoeksmodel van een praktijkgericht juridisch onderzoek

      In woorden uitgedrukt: een praktijkgericht juridisch onderzoek levert een directe bijdrage aan de oplossing van een handelingsprobleem doordat er een beredeneerd antwoord (in de vorm van een beschrijving, verklaring, oordeel of advies) wordt gegeven op een aan het recht en de praktijk gerelateerde kennisvraag door middel van het gebruik van juridische en empirische onderzoeksmethoden.

      1.1 Vooruitblik

      In de volgende paragrafen zal ik het onderzoeksmodel toelichten, nadat in paragraaf 2 enkele veelgebruikte begrippen kort zijn uiteengezet. In paragraaf 3 wordt de stelling behandeld dat een praktijkgericht onderzoek een directe bijdrage levert aan de oplossing van een handelingsprobleem doordat er een antwoord wordt gegeven op een kennisvraag. Hoe deze kennisvraag gerelateerd is aan het recht en aan de praktijk wordt uitgelegd in paragraaf 4. Hier worden twee typen vraagstelling geanalyseerd, die geschikt zijn voor praktijkgericht juridisch onderzoek, namelijk de ‘mag dat?’-vraagstelling en de ‘werkt dit?’-vraagstelling. Deze analyse laat zien dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek twee wegen worden bewandeld: het recht en de praktijk. In paragraaf 5 worden de strategieën, bronnen en methoden die relevant zijn voor een praktijkgericht juridisch onderzoek samengebracht in een overzichtelijk schema. Paragraaf 6 gaat over het belang van argumenteren in een praktijkgericht juridisch onderzoek. Om een beredeneerd antwoord te kunnen geven op de centrale onderzoeksvraag moeten de argumenten die zijn gevonden in het recht en in de praktijk met elkaar in verband worden gebracht. Paragraaf 7 sluit af met de conclusie dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek, juist vanwege de eis van praktijkgerichtheid, een integratie van juridische en empirische onderzoeksmethoden noodzakelijk is.

    • 2 Begripsbepalingen

      In het vervolg van dit artikel worden de begrippen praktijkgericht onderzoek, juridisch onderzoek en praktijk veelvuldig gebruikt. Het loont daarom de moeite deze begrippen zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen, zodat er over de betekenis ervan zo weinig mogelijk misverstanden bestaan.

      2.1 Praktijkgericht onderzoek

      In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen theoriegericht en praktijkgericht onderzoek.4xZie bijvoorbeeld Verschuren 2009, p. 11. Bij theoriegericht onderzoek heeft de onderzoeker niet een bepaalde toepassing van de kennis voor ogen. De praktische relevantie van de kennis is niet direct van belang. ‘Kennis om de kennis’ is voldoende reden voor een theoriegericht onderzoek. Praktijkgericht onderzoek daarentegen beoogt een directe bijdrage te leveren aan de oplossing van een handelingsprobleem. Let wel, het onderzoek is niet gericht op de directe oplossing van het praktische probleem, maar op de bijdrage aan de oplossing. Die bijdrage wordt geleverd in de vorm van kennis.

      2.2 Juridisch onderzoek

      De term juridisch onderzoek gebruik ik voor toegepast onderzoek. Kenmerkend voor toegepast onderzoek is dat de vragen meestal grotendeels of geheel door de opdrachtgever worden bepaald, zich richten op specifieke onderwerpen en voortkomen uit actuele maatschappelijke kwesties.5xVan Klink 2010, p. 73. Bij toegepast onderzoek wordt veelal de bestaande kennis als uitgangspunt genomen. Dit type onderzoek is te onderscheiden van rechtswetenschappelijk onderzoek, dat een fundamenteel karakter heeft. Fundamenteel onderzoek is gericht op het genereren van nieuwe kennis, bijvoorbeeld in de vorm van een nieuwe theorie, een nieuw model of een nieuwe methode. In het rechtswetenschappelijk domein valt dan te denken aan de ontwikkeling van de doctrine, dat wil zeggen een algemeen juridisch leerstuk over bijvoorbeeld opzet, schuld, aansprakelijkheid, vermogen, legaliteit enzovoort.

      Het onderscheid juridisch – rechtswetenschappelijk loopt niet parallel aan het onderscheid praktijkgericht – theoriegericht. Praktijkgericht onderzoek kan immers zowel fundamenteel als toegepast onderzoek zijn.6xVerschuren 2009, p.29. De gerichtheid op mogelijke oplossingen van een handelingsprobleem laat namelijk onverlet dat praktijkgericht onderzoek een groot effect kan hebben op fundamentele theorievorming.

      Rechtswetenschappelijk onderzoek wordt met name verricht aan universiteiten. Juridisch onderzoek wordt verricht aan universiteiten, hogescholen en buiten het onderwijs.

      2.3 Beroepspraktijk, rechtspraktijk, handelingspraktijk

      In de Gedragscode praktijkgericht onderzoek voor het hbo wordt praktijkgericht onderzoek omschreven als ‘onderzoek dat is geworteld in de beroepspraktijk en bijdraagt aan de verbetering en innovatie van die beroepspraktijk.’7xGedragscode 2010, p. 2. Het begrip beroepspraktijk wordt niet uitgelegd of verantwoord door de commissie die aan de hbo-raad het advies heeft uitgebracht over de gedragscode. Voor juridisch onderzoek kan deze omschrijving de suggestie wekken dat praktijkgericht onderzoek alleen betrekking zou kunnen hebben op de rechtspraktijk, dat wil zeggen ‘de praktijk als het domein waarin juristen werkzaam zijn.’8xTaekema 2010, p. 16. Het recht is echter ook aanwezig in praktijken waarin geen juristen werkzaam zijn en ook daar kan juridisch onderzoek nodig of wenselijk zijn. De begripsverwarring kan worden voorkomen door het begrip beroepspraktijk niet op te vatten als rechtspraktijk, maar als handelingspraktijk. Dit past tevens bij een opvatting van recht als een sociale praktijk die bestaat uit de handelingen van personen. 9xDeze theoretische notie wordt verdedigd door Taekema 2010, p. 16.

    • 3 Van handelingsprobleem naar kennisvraag

      De eerste constatering uit het onderzoeksmodel is dat praktijkgericht onderzoek een directe bijdrage levert aan de oplossing van een handelingsprobleem doordat er een antwoord wordt gegeven op een kennisvraag. De bijdrage wordt dus geleverd in de vorm van kennis. Maar wat wordt bedoeld met een handelingsprobleem? Wat is een kennisvraag? Om welk soort kennis gaat het in een onderzoek? In welke zin kan kennis een bijdrage leveren aan de oplossing? En wat valt er te zeggen over de vertaalslag van handelingsvraag naar kennisvraag?

      3.1 De reden voor het onderzoek: een handelingsprobleem

      Ieder praktijkgericht onderzoek begint met een handelingsprobleem, ook wel een ‘te-doen-probleem’ genoemd. Een handelingsprobleem is een probleem dat zich in de praktijk van een bedrijf, organisatie, overheidsinstantie of in de samenleving voordoet en om een oplossing vraagt, een oplossing in de vorm van een bepaald handelen, van een bepaald ‘doen’. Er is geen onderzoek nodig als er geen sprake is van een probleem, een moeilijkheid, een lastige kwestie, een ongewenste situatie. Een probleem is iets vervelends, iets wat we niet willen en waar we zo snel mogelijk weer vanaf willen.10xVerschuren 2008, p. 11. Toch is de constatering dat ieder onderzoek met een probleem begint niet zo eenvoudig als deze op het eerste gezicht lijkt. Het begrip ‘probleem’ is immers niet op voorhand duidelijk. Het rijden onder invloed van drugs wordt beschouwd als een maatschappelijk probleem, evenals overlast door hangjongeren. Darmkanker, echtscheiding, overstromingen, slechte studieresultaten, het zijn allemaal problemen die onderwerp kunnen zijn van onderzoek, maar deze problemen zijn nog veel te ruim en zijn daarom (nog) niet geschikt als onderzoeksonderwerp. Zij moeten nog afgebakend worden. Die afbakening kan plaatsvinden door het handelingsprobleem te vertalen in een kennisvraag.

      3.2 De kern van het onderzoek: een kennisvraag

      De enige manier waarop een onderzoek een bijdrage kan leveren aan de oplossing van een handelingsprobleem is door het leveren van kennis. Stel je voor dat tijdens een fietstocht een band klapt. Dat is een probleem, maar niet voor een onderzoeker, als de fietser precies weet wat er aan de hand is en hoe het probleem kan worden opgelost. Daar is geen onderzoek voor nodig. In het geval van een praktijkgericht onderzoek is het op te lossen probleem echter altijd de combinatie van twee problemen, namelijk een handelingsprobleem en een kennisprobleem. Een handelingsprobleem heeft te maken met iets kunnen en iets willen bereiken, een kennisprobleem met kennen en iets willen weten.11xVerschuren 2008, p. 13-14. Om een handelingsvraag te kunnen beantwoorden is vaak kennis nodig. En als die kennis niet voor het opscheppen ligt, is er onderzoek nodig. Een onderzoeker die het onderzoek wil afbakenen zal de praktische ‘wat te doen?’- of ‘hoe kan…?’-vraag vertalen in een kennisvraag die meer richting kan geven aan het onderzoek dan de handelingsvraag. Die kennisvraag is de kern van het onderzoek en vormt de basis van de centrale onderzoeksvraag.

      3.3 Soorten kennis

      Via verschillende soorten kennis kan een onderzoeker een kennisbijdrage leveren aan de oplossing van een handelingsprobleem. De onderzoeker kan op zoek zijn naar een beschrijving van een stand van zaken (‘Wat is…?’), naar een verklaring voor een bepaald verschijnsel (‘Hoe komt het dat…?’), naar een oordeel over een bepaald handelen of over een bepaalde situatie (‘Wat vind ik, als jurist, van…?’) of naar een voorstel, in de vorm van een advies of ontwerp, voor een bepaald handelen (‘Wat valt er te verbeteren of te vernieuwen aan…?’). Het geven van een beschrijving, verklaring, oordeel of handelingsvoorstel is het kennisdoel van de onderzoeker, het interne doel. De volgorde van deze kennisdoelen is niet willekeurig, maar laat een toenemende vorm van complexiteit zien. Een beschrijving is het minst complex, een handelingsvoorstel het meest complex, want daarvoor is een oordeel nodig en voor een oordeel is weer een beschrijving en soms ook een verklaring nodig.

      3.4 Een bijdrage aan de oplossing

      Een praktijkgericht onderzoek heeft, naast het interne kennisdoel, ook een externe doelstelling, namelijk een directe bijdrage leveren aan de oplossing van een handelingsprobleem. Dat is de eis van praktische relevantie of praktische bruikbaarheid die aan een praktijkgericht onderzoek wordt gesteld. De onderzoeker levert de bijdrage in de vorm van kennis. Dat wil zeggen dat de beschrijving, de verklaring, het oordeel of het advies van de onderzoeker dient ter ondersteuning van een bepaalde besluitvorming door de opdrachtgever of een andere instantie. Deze besluitvorming brengt een verandering teweeg in de werkelijkheid, terwijl het antwoord van de onderzoeker op de kennisvraag dit effect niet heeft.

      3.5 De vertaalslag van handelingsvraag naar kennisvraag is een creatief proces

      De centrale onderzoeksvraag heeft, samen met de probleembeschrijving en de externe doelstelling, een belangrijke functie in het onderzoeksproces. Het is namelijk een handvat dat sturing kan geven aan de richting van het onderzoek.12xDeze sturingsfunctie is niet alleen van belang voor de onderzoeker zelf, maar ook voor de begeleiding. Zolang de onderzoeker er niet in slaagt het inhoudelijke ontwerp van het onderzoek te formuleren is begeleiding vrijwel onmogelijk. Een begeleider kan immers niet in het hoofd van een onderzoeker kijken. Om feedback en bijsturing te kunnen krijgen, zal de onderzoeker daarom moeten communiceren over wat hij van plan is te gaan doen. Maar een kennisvraag die te dicht tegen de handelingsvraag aanschurkt, kan deze sturende functie niet goed vervullen. Een onderzoeker die de handelingsvraag ‘Wat te doen aan overlast door hangjongeren?’ vertaalt in de vraag ‘Welke mogelijkheden zijn er om overlast door hangjongeren juridisch aan te pakken?’ loopt het risico niet verder te komen dan een inventarisatie van allerlei bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten. Deze inventarisatie voegt echter weinig toe aan de informatie in bestaande handboeken. Hetzelfde geldt voor de vraag ‘wat is het geldend recht op het terrein van de aanpak van de overlast door hangjongeren’. Zou deze onderzoeker er echter in slagen om een omslag te maken naar hypothetische oplossingen voor het probleem, dan zou hij op basis daarvan een centrale vraag kunnen formuleren die veel meer sturing kan geven aan het onderzoek, bijvoorbeeld de vraag naar de rechtmatigheid of de effectiviteit van bepaalde hypothetische oplossingen. Deze omslag vraagt echter om een gedegen vooronderzoek en de nodige creativiteit. Hoe dat creatieve proces precies verloopt, valt niet te beschrijven. Een brainstormsessie over mogelijke oplossingen voor het handelingsprobleem kan behulpzaam zijn bij de vertaalslag, evenals kennis van bepaalde typen vraagstelling die dominant zijn in praktijkgericht juridisch onderzoek.

    • 4 Een aan het recht en de praktijk gerelateerde kennisvraag

      De tweede constatering uit het onderzoeksmodel is dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek de centrale vraag gerelateerd is aan het recht en aan de praktijk. Aan het recht, omdat het om een juridisch onderzoek gaat. Aan de praktijk, omdat het onderzoek een bijdrage dient te leveren aan de oplossing van een praktijkprobleem. Om de wijze waarop recht en praktijk met elkaar verbonden zijn te verduidelijken, maak ik gebruik van twee typen vraagstelling. Deze typen vraagstelling zijn dominant in het praktijkgericht juridisch onderzoek. Ik noem ze de ‘Mag dat?’-vraagstelling (paragraaf 4.1) en de ‘Werkt dit?’-vraagstelling (paragraaf 4.2). Let wel, het gaat hier om typen vraagstelling, die kort zijn samengevat in een gesloten vraag. Om hier een centrale vraag van te maken die sturing kan geven aan het onderzoek zal de samenvatting aangevuld, aangescherpt en open geformuleerd dienen te worden. Afhankelijk hiervan wordt het een beschrijvend onderzoek (bijvoorbeeld ‘Wie mag dat?’ of ‘Hoe werkt dit?’), een verklarend onderzoek (bijvoorbeeld ‘Waarom mag dat?’ of ‘Wanneer werkt dit?’), een evaluatief onderzoek (bijvoorbeeld ‘In hoeverre is dat of dit rechtmatig dan wel effectief?’) of een onderzoek gericht op een advies (bijvoorbeeld ‘Wat valt er, vanuit het oogpunt van rechtmatigheid of effectiviteit, te verbeteren aan dat dan wel dit?’).

      ‘Dat’ en ‘dit’ hebben betrekking op de kwestie die centraal staat in het onderzoek en die de onderzoeker zorgvuldig moet formuleren en analyseren. De werkwoordsvormen ‘mag’ en ‘werkt’ verwijzen naar de kennisgebieden waaruit de onderzoeker een kader moet zien te ontwikkelen dat hij nodig heeft om een advies, oordeel, verklaring of beschrijving te kunnen geven.

      Het werken met een type vraagstelling bergt het risico in zich dat de onderzoeker te eenzijdig focust op een bepaalde richting van het onderzoek en de kennisvraag te snel versmalt. De ervaring in de begeleiding van leeronderzoeken en afstudeeronderzoeken leert echter dat een te smal geformuleerde vraag veel minder vaak voorkomt dan een te ruime vraag. Het risico van een mogelijke tunnelvisie weegt dan ook niet op tegen de voordelen van het werken met deze typen vraagstelling. Het biedt namelijk de mogelijkheid om het terrein van praktijkgericht juridisch onderzoek af te bakenen ten opzichte van andere soorten onderzoek (paragraaf 4.3). Bovendien kan het type vraagstelling dienen als hulpmiddel bij de bepaling van de volgorde in het onderzoek (paragraaf 4.4). Ook laat het zien dat in een praktijkgericht onderzoek zowel de probleemanalyse als de ontwikkeling van een toetsingskader belangrijk is (paragraaf 4.5). En met een ruim rechtsbegrip bieden deze vraagstellingen de mogelijkheid tot een breed spectrum van onderzoeksvragen (paragraaf 4.6).

      4.1 De ‘Mag dat?’-vraagstelling

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 2 De ‘Mag dat?’-vraagstelling

      In de ‘Mag dat?’-vraagstelling (zie figuur 2) verwijst ‘mag’ naar het juridische toetsingskader (ook wel het juridische beoordelingskader genoemd) dat de onderzoeker moet ontwikkelen. Je zou je ook kunnen afvragen of iets ‘mag’ vanuit religieus, ethisch of esthetisch perspectief, maar in een praktijkgericht juridisch onderzoek heeft ‘mag’ met name betrekking op het geldend recht.13xIn dit opzicht is er geen verschil tussen de ‘Mag dat?’-vraag en de vraag ‘Wat is het geldend recht op een bepaald terrein?’. Het lijkt alsof de eerste vraag normatief is en de tweede beschrijvend, maar dat is slechts een schijnverschil, want bij beide vragen gaat het om een beschrijving en interpretatie van geldende rechtsnormen. Er is echter wel een verschil in sturende kracht van beide typen vragen. De ‘Mag dat?’-vraag daagt de onderzoeker uit om ‘dat’ te formuleren in termen van een of meer hypothetische oplossingen voor het handelingsprobleem, terwijl de tweede vraag deze uitdaging mist. Juist vanwege dit vermogen om de richting van het onderzoek duidelijk te maken, verdient de ‘Mag dat?’-vraag vanuit didactisch perspectief de voorkeur boven de vraag ‘Wat is het geldend recht?’. Een onderzoeksonderwerp zou bijvoorbeeld kunnen zijn: de rechtmatigheid van …, de bevoegdheid om …, de strijd van … met …, de aansprakelijkheid van …, de strafbaarheid van …, de gebondenheid aan …, de rechtsgevolgen van …, de geldigheid van ….
      Rechtmatigheid, bevoegdheid, strijd, aansprakelijkheid, strafbaarheid, geldigheid worden ‘attenderende begrippen’ of ‘claimwoorden’ genoemd. Zij geven de richting aan van het onderzoek en van de keuze voor de bronnen en methoden. Voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring zal een onderzoeker bijvoorbeeld andere bronnen en methoden gebruiken dan voor een onderzoek naar de effectiviteit van vreemdelingenbewaring.

      ‘Dat’ heeft betrekking op een bepaald verschijnsel in de sociale werkelijkheid: een feitelijk handelen, een gebeurtenis, een werkwijze, een procedure, een organisatie etc. ‘Dat’ is een problematisch verschijnsel, ook wel een praktische kwestie genoemd. Zonder ‘kwestie’ of ‘probleem’ zou er immers geen onderzoek nodig zijn. Voorbeelden van ‘dat’ zijn: de informatie-uitwisseling tussen scholen; de instelling van een avondklok in een bepaalde gemeente ter bestrijding van de overlast van hangjongeren; het gebruik van ouderdomsclausules in koopcontracten van oude huizen; een bepaalde werkwijze van een rechtbank, incassokantoor, ziekenhuis of bedrijf; het downloaden van digitale boeken; de uitvoering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in Brabantse gemeenten. Bij al deze praktische kwesties kunnen ‘mag’-vragen gesteld worden: onder welke voorwaarden mag dat, wie mag dat, in hoeverre mag dat, op welke wijze mag dat, wanneer mag dat, voor wie mag dat?

      In een praktijkgericht juridisch onderzoek is niet alleen de ontwikkeling van een juridisch kader van belang, maar ook de analyse van het praktijkprobleem (‘dat’). In een theoriegericht onderzoek (bijvoorbeeld een onderzoek dat gericht is op de verdere ontwikkeling van de juridische doctrine) daarentegen wordt ‘dat’ vaak buiten het onderzoeksdomein geplaatst. Dit verschil is te verklaren vanuit de eis van praktische relevantie. In een theoriegericht onderzoek speelt bruikbaarheid geen grote rol. In een praktijkgericht onderzoek echter wel en om te kunnen voldoen aan deze eis is een nauwkeurige probleemanalyse noodzakelijk.

      Een eenvoudig voorbeeld om het belang van de probleemanalyse in een praktijkgericht onderzoek te verduidelijken. In een bepaalde wijk veroorzaken hangjongeren veel overlast. De opdracht van het gemeentebestuur is om een onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de instelling van een avondklok. De onderzoeker voert een gedegen juridisch onderzoek uit en gaat daarbij uit van de (onjuiste) veronderstelling dat de hangjongeren, net als in buurgemeenten, ook in deze wijk jonger zijn dan 12 jaar. Maar later blijkt, bij de presentatie van de onderzoeksresultaten, dat het in casu niet gaat om 12-minners, maar om 16-plussers. Dat zal voor de eventuele rechtmatigheid van een avondklok een groot verschil uitmaken. Het gevolg is dat door de slechte probleemanalyse de uitkomsten van het onderzoek voor de praktijk waardeloos zijn geworden en het rapport voor altijd verdwijnt in een bureaulade.

      Uit dit voorbeeld valt te concluderen dat, naast de ontwikkeling van een juridisch kader, ook de probleemanalyse de nodige aandacht van de praktijkgerichte onderzoeker verdient, juist vanwege de eis van praktische bruikbaarheid.

      Voor de analyse van het ‘dat’, het praktijkprobleem, gebruikt de onderzoeker geen juridische maar empirische methoden, bijvoorbeeld interviews, enquêtes of observaties. Voor het onderzoek van het ‘mag’ gebruikt hij vervolgens juridische bronnen en methoden.

      De ‘Mag dat?’-vraag is voor juristen heel vertrouwd, want dat is de vraag waar het om draait bij het oplossen van een casus. Er zijn dan ook overeenkomsten tussen casusoplossen en praktijkgericht juridisch onderzoek. Bij beide activiteiten gaat het om analyseren van de feitelijke kwestie, analyseren en interpreteren van de relevante rechtsregel, argumenteren op basis van de feiten (de praktijk) en het recht, een juridisch onderbouwd oordeel of advies geven, schrijven van een gemotiveerd oordeel of advies. Er zijn echter ook verschillen tussen casusoplossen en praktijkgericht juridisch onderzoek (zie tabel 1). Een casus gaat over een concreet geschil tussen concrete partijen, terwijl het in een praktijkgericht juridisch onderzoek om een algemener of abstracter probleem gaat. Bovendien gaat het bij een casus om het achteraf oplossen van een bestaand geschil, terwijl een praktijkgericht juridisch onderzoek vaak gericht is op het voorkomen van een geschil. Het laatste is dus meer proactief en toekomstgericht. Het derde verschil is dat in het juridisch onderwijs de casus ‘gegeven’ wordt aan de studenten, en vaak ook de rechtsvraag. Studenten moeten wel de feiten kwalificeren, maar hoeven die niet verder te onderzoeken. In een praktijkgericht juridisch onderzoek moet een student/onderzoeker echter zelf nieuwe of bestaande feitelijke gegevens verzamelen en analyseren en zélf de centrale vraag formuleren. Het laatste verschil betreft het verschil in effect van het werk van een rechtstoepasser en een onderzoeker. Als een rechter een beslissing neemt in een voorgelegde casus brengt dit namelijk een verandering teweeg in de juridische werkelijkheid, een verandering in de rechten en plichten van degenen die aan de rechterlijke beslissing zijn onderworpen. Dat geldt ook voor beslissingen van een wetgever. De uitkomst van een praktijkgericht juridisch onderzoek heeft niet dit effect, maar levert slechts een bijdrage aan de besluitvorming. Het werk van de onderzoeker brengt geen directe verandering teweeg in de rechtspositie van betrokkenen. Daarvoor is de tussenkomst nodig van iemand die bevoegd is om bepaalde besluiten te nemen.

      Tabel 1 De verschillen tussen casusoplossen en praktijkgericht juridisch onderzoek in onderwijssituaties
      Casus oplossenPraktijkgericht juridisch onderzoek
      Het gaat om een concreet geschil tussen concrete partijen met concrete belangen. De kwestie is algemener en/of abstracter dan in een casus.
      Het is gericht op het oplossen van een ‘bestaand’ geschil. Het is gericht op het voorkomen van een toekomstig geschil (proactief).
      In het onderwijs wordt de casus ‘gegeven’ aan de studenten, en vaak ook de rechtsvraag. De onderzoeker moet zelf nieuwe of bestaande feitelijke gegevens (de praktijk) onderzoeken en zelf de centrale vraag formuleren.
      De beslissing van een rechter of wetgever heeft rechtsgevolgen. De uitkomst van een onderzoeker heeft geen directe gevolgen.

      Ondanks de verschillen tussen casus oplossen en praktijkgericht juridisch onderzoek is een ‘Mag dat?’-onderzoek bekend terrein voor juristen. Het is echter niet het enige type vraagstelling voor praktijkgericht juridisch onderzoek. Een ander type is de ‘Werkt dit?’-vraagstelling.

      4.2 De ‘Werkt dit?’-vraagstelling

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 3 De ‘Werkt dit?’-vraagstelling

      In een ‘Werkt dit?’-vraagstelling (zie figuur 3) heeft ‘dit’ betrekking op een juridisch verschijnsel (fenomeen). Dit kan bijvoorbeeld een wet zijn of een regeling, een verordening, een contract, een bepaald soort straf of procedure, bijvoorbeeld een vreemdelingenprocedure, een vergunningverleningprocedure enzovoort. Het gaat om een fenomeen dat door regels wordt geleid. Dit zullen vaak rechtsregels zijn, zoals bij een vreemdelingenprocedure. Om dit verschijnsel goed te kunnen analyseren is kennis van het recht noodzakelijk. Daarom is óók een onderzoek met een ‘Werkt dit?’-vraagstelling te beschouwen als een juridisch onderzoek. Het is geen onderzoek in de klassiek-juridische zin, maar het is wel een onderzoek waarvoor juridische kennis noodzakelijk of wenselijk is.

      Hoe zit het nou met een onderzoek naar de werking van tuchtcommissies in de sport? Is dat een juridisch onderzoek? Je zou kunnen zeggen dat voor dit onderzoek geen kennis van het recht nodig is. Dat klopt, als er bijvoorbeeld een onderzoek wordt gedaan naar de kosten van tuchtcommissies, dat is geen juridisch onderzoek. Maar betreft het een onderzoek naar de effecten van uitspraken van tuchtcommissies op het gedrag van voetballers, dan ligt een vergelijking met criminologisch onderzoek naar de effectiviteit van straffen voor de hand. Kennis van het recht (in dit geval de beginselen van het strafrecht) is dan heel goed bruikbaar. Kortom, of een onderzoek juridisch van aard is, hangt af van de mogelijkheid om het juridisch in te kaderen.

      Anders is het met onderzoeken die geen verband houden met het recht, bijvoorbeeld een onderzoek naar de effectiviteit van een bepaalde rekenmethode in het basisonderwijs of naar de effectiviteit van het dragen van bedrijfskleding op de omzet in een supermarkt. Dat is geen juridisch onderzoek, want ‘dit’ heeft hier niets te maken met recht of met regels.

      Het onderdeel ‘werkt’ in een ‘Werkt dit?’-vraagstelling verwijst naar een beoordelingskader dat ontleend wordt aan de praktijk of aan (causale) theorieën over de praktijk. De ‘praktijk’ is een ruim begrip. Het heeft betrekking op het gedrag van een bepaalde groep mensen. In principe kan de praktijk zich uitstrekken van een kleine organisatie tot de Nederlandse samenleving.

      Het onderzoeksonderwerp in een ‘Werkt dit?’-vraagstelling kan bijvoorbeeld zijn: de effectiviteit van …, de doelmatigheid van …, de werking van …, de effecten of risico’s van …, het functioneren van …, de invloed van ….

      Werking, effectiviteit, doelmatigheid, effecten enzovoort zijn in dit type vraagstelling de claimwoorden (attenderende begrippen) die aangeven welke richting het onderzoek uit zal gaan. Voorbeelden van ‘Werkt dit?’-onderzoeken zijn: een onderzoek naar de effectiviteit van elektronisch toezicht op jeugdigen, een onderzoek naar de werking van milieuconvenanten in de afvalindustrie, een onderzoek naar de gevolgen van een nieuwe familiewet voor de werkwijze van de rechtbank in Den Bosch of een onderzoek naar de wijze waarop de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur functioneert in Brabantse gemeenten.

      4.3 Afbakening van het terrein van praktijkgericht juridisch onderzoek

      Het schema van de twee dominante vraagstellingen in een praktijkgericht juridisch onderzoek ziet eruit zoals in figuur 4 weergegeven.

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 4 De twee dominante vraagstellingen

      Deze figuur kan helpen om de afbakening van het terrein van praktijkgericht juridisch onderzoek inzichtelijk te maken. Buiten het terrein van praktijkgericht juridisch onderzoek valt de ‘Werkt dit?’- vraagstelling. Bij deze vraagstelling worden de twee donkergrijze kaders onderaan in het model met elkaar in verband gebracht. Een kwestie in de sociale werkelijkheid (‘dat’) wordt getoetst aan de praktijk (‘werkt’). Voorbeelden van een ‘Werkt dit?’-vraagstelling zijn een onderzoek naar de meest effectieve wijze van dossierbeheer op advocatenkantoren of een onderzoek naar de doelmatigheid van het financieel management van rechtsbijstandverzekeraars. In deze gevallen spreken we niet van een juridisch onderzoek, want noch voor de analyse van de kwestie, noch voor het onderzoek van het toetsingskader is juridische kennis nodig. Dit type onderzoek laat ik daarom buiten beschouwing.

      Buiten het terrein van praktijkgericht juridisch onderzoek valt ook de ‘Mag dit?’-vraagstelling. In deze vraagstelling wordt een verband gelegd tussen de twee lichtgrijze kaders bovenaan in figuur 4, bijvoorbeeld in een onderzoek naar de grondslag van de overeenkomst tot geneeskundige behandeling. In deze vraagstelling ontbreekt het directe verband met de praktijk. Vanuit rechtswetenschappelijk perspectief kan deze ‘Mag dat?’-vraag zeker interessant zijn en kan dit onderzoek een bijdrage leveren aan de uitbreiding van de rechtswetenschappelijke kennis en de doctrine-ontwikkeling, maar dit type onderzoek zal geen directe bijdrage leveren aan de oplossing van een praktijkprobleem. Het voldoet daarom niet aan de eis van praktijkgerichtheid en valt buiten de focus van praktijkgericht onderzoek.

      Praktijkgericht juridisch onderzoek met een ‘Werkt dit?’-vraagstelling is nauw verwant aan rechtssociologisch onderzoek naar de sociale werking van recht.14xVolgens Huls (2009, p. 63) zijn in de rechtssociologie twee relaties tussen recht en samenleving object van studie, namelijk de invloed van de samenleving op het recht, de zogenoemde sociale productie van recht, en de invloed van het recht op de samenleving, de sociale werking van recht. Wanneer dit rechtssociologisch onderzoek gericht is op het leveren van een directe bijdrage aan de oplossing van een praktijkprobleem, kan het zonder meer onder de noemer van praktijkgericht juridisch onderzoek worden geschaard. Is dit onderzoek echter gericht op de ontwikkeling van een nieuwe theorie, dan ligt deze noemer niet voor de hand. Hetzelfde geldt voor praktijkgericht onderzoek naar de economische, psychologische of communicatieve werking van een juridische maatregel.

      4.4 De invloed van de vraagstelling op de onderzoeksvolgorde

      In theorie zou een onderzoeker in één onderzoek zowel de ‘Mag dat?’- als de ‘Werkt dit?’-vraagstelling kunnen behandelen en bijvoorbeeld een onderzoek kunnen doen naar de rechtmatigheid en de effectiviteit van een bepaalde maatregel. In een praktijkgericht onderzoek zal het een echter vaak ten dienste staan van het ander. De wetgever wil bijvoorbeeld een evaluatieonderzoek laten uitvoeren naar de effectiviteit van het elektronisch toezicht bij daders van een strafbaar feit, zodat de wetgever een beslissing kan nemen over een eventuele aanpassing van de wet. De onderzoeker zal in dit ‘Werkt dit?’-onderzoek eerst analyseren wat het elektronisch toezicht precies inhoudt en een jurist zal daarbij vast en zeker de rechtsbronnen raadplegen, al was het maar om te achterhalen wat het doel en de strekking van de wettelijke regeling is. Vervolgens zal de onderzoeker in de praktijk een onderzoek doen naar de effectiviteit van het elektronisch toezicht. Het ‘onderzoek van het recht’ staat hier ten dienste van het ‘onderzoek van de praktijk’. Het onderzoek naar doel en strekking van de wet is immers nodig om uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van die wet.

      De andere kant van de medaille: een advocatenkantoor zou een onderzoek kunnen laten instellen naar het elektronisch toezicht om te weten te komen of de beslissingen tot toepassing ervan aanvechtbaar zijn. De onderzoeker zal dan eerst analyseren wat het (huidige of beoogde) elektronische toezicht in de praktijk precies inhoudt. Vervolgens zal de onderzoeker het geldend recht onderzoeken en een beoordelingskader ontwikkelen waaraan hij de praktijk kan toetsen. In deze onderzoeksopzet staat het ‘onderzoek van de praktijk’ naar de feitelijke gang van zaken rond elektronisch toezicht ten dienste van het ‘onderzoek van het recht’.

      Zowel in het onderzoek waarvan de wetgever de opdrachtgever is als in het onderzoek voor het advocatenkantoor wordt zowel de rechtmatigheid als de effectiviteit van elektronisch toezicht onderzocht, maar beide claims staan in een andere verhouding tot elkaar. Die verhouding wordt bepaald door de opdrachtgever, de context en de doelstelling van het onderzoek. Hieruit blijkt dat het onderscheid tussen een ‘Mag dat?’- en ‘Werkt dit?’-onderzoek niet absoluut is. Het is een hulpmiddel voor de volgorde waarin de twee onderzoekssporen het best aan bod zouden kunnen komen: eerst ‘dat’ of ‘dit’, daarna ‘mag’ c.q. ‘werkt’. Bovendien is het een hulpmiddel voor het accent dat een onderzoeker gaat leggen, want vaak zal het onderzoek van het beoordelingskader meer nadruk krijgen dan de probleemanalyse.

      4.5 Twee sporen: probleemanalyse en ontwikkeling van een toetsingskader

      Uit de beschrijving van de twee typen vraagstelling komt naar voren dat ieder praktijkgericht juridisch onderzoek twee sporen heeft: recht en praktijk. Maar die sporen hebben, afhankelijk van het type vraagstelling, wel een verschillende functie, namelijk probleemanalyse of ontwikkeling van een beoordelingskader.

      We beginnen met het beoordelingskader. Om de vraag of iets ‘mag’ te kunnen beantwoorden, is er een juridisch kader nodig. Dat wordt ontwikkeld door het geldend recht te onderzoeken en daarvoor gebruikt de onderzoeker juridische methoden: rechtsbronnen- en literatuuronderzoek. Voor de beantwoording van de vraag of iets ‘werkt’, heeft hij daarentegen een kader nodig dat hij ontleent aan de praktijk. Daarvoor kan hij gebruik maken van empirisch onderzoek.

      In een praktijkgericht juridisch onderzoek gaat het echter niet alleen om de ontwikkeling van het toetsingskader, maar is het ook van belang dat het probleem nauwkeurig geanalyseerd wordt, zodat de uitkomsten van het onderzoek ook daadwerkelijk praktisch bruikbaar zijn.

      In veel onderzoeksboeken wordt de probleemanalyse niet gerekend tot het ‘eigenlijke’ onderzoek en wordt er weinig aandacht aan besteed.15xEen van de uitzonderingen vormt Verschuren 2008. Juist in een praktijkgericht onderzoek is de probleemanalyse echter heel belangrijk. Bij een ‘Mag dat?’-onderzoek bewandelt de onderzoeker het spoor van de praktijk om het probleem te analyseren; bij een ‘Werkt dit?’-onderzoek is voor de probleemanalyse onderzoek van het recht nodig.

      De samenhang tussen onderzoek van het recht en onderzoek van de praktijk is in figuur 5 in beeld gebracht.

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 5 De samenhang tussen onderzoek van het recht en onderzoek van de praktijk

      Concluderend kunnen we vaststellen dat bij beide typen vraagstelling zowel juridisch als empirisch onderzoek nodig is. Enerzijds is dat nodig om de kwestie grondig te analyseren, anderzijds voor de ontwikkeling van een beoordelingskader. Dit samen optrekken van onderzoek van het recht en onderzoek van de praktijk wordt ingegeven door de eis van praktische bruikbaarheid. De samenhang tussen beide onderzoekssporen is echter ook vanuit een ander perspectief te verdedigen. De rechtsgeleerde Scholten noemde dit ‘de betekenis der feiten.’16xScholten 1974, p. 120. Dat wil zeggen dat feiten (de praktijk) gekwalificeerd worden in het licht van de normen (rechtsregels) en dat normen geïnterpreteerd worden in het licht van de feiten. Er is een wisselwerking tussen recht en praktijk en zij kunnen niet los van elkaar worden vastgesteld. Dat wordt in figuur 5 aangegeven met de zwarte pijlen.

      4.6 Een ruim rechtsbegrip: een breed spectrum aan onderzoeksvragen

      In een praktijkgericht juridisch onderzoek met een ‘Werkt dit?’-vraagstelling kan het object van onderzoek bijvoorbeeld een rechtsregel, een juridisch begrip, een rechtsbeginsel of een juridische procedure zijn. Dat sluit aan bij de omschrijving van recht als ‘het geheel van regels, begrippen, beginselen en procedures, vastgesteld door een daartoe bevoegd orgaan’. Er kunnen echter ook andere objecten van onderzoek zijn die niet vallen onder het hierboven omschreven rechtsbegrip, maar wel onder een ruim rechtsbegrip. Er zou bijvoorbeeld een onderzoek kunnen worden gedaan naar gedragsregels die niet zijn vastgelegd in wet of jurisprudentie, naar de manier waarop procedures zijn ingericht, naar de werkwijze van organisaties die het recht toepassen, naar de waarden die aan regels en procedures ten grondslag liggen of naar de verwachtingen die mensen over en weer hebben van elkaar en waarop zij hun gedrag afstemmen.17xWitteveen 2001, p. 62. In tabel 2 worden voorbeelden gegeven van onderzoek waarin een ruim rechtsbegrip wordt gehanteerd.

      Tabel 2 Een breed spectrum van onderzoeksvragen
      Onderzoeksobjecten die vallen onder een ruim rechtsbegripVoorbeelden
      gedragsregels die niet zijn vastgelegd in wet of jurisprudentie een onderzoek naar de werking van doping- en tuchtregels in de voetbalwereld
      de manier waarop procedures zijn ingericht een onderzoek naar een efficiënte inrichting van een incassoprocedure op een bepaald incassokantoor
      de werkwijze van organisaties die het recht toepassen een onderzoek naar de naleving van uitspraken van de bestuursrechter
      de waarden die aan regels en procedures ten grondslag liggen een onderzoek naar de achterliggende waarden en rechtvaardigheidsopvattingen van ambtenaren bij de toepassing van milieuregels in een bepaalde gemeente
      de verwachtingen die mensen over en weer hebben van elkaar en waarop zij hun gedrag afstemmen een onderzoek naar de verwachtingen die betrokkenen van elkaar hebben bij aanbestedingen in de vastgoedsector

      De voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat zij niet vallen onder juridisch onderzoek in klassieke zin. Het zijn echter wel onderzoeken waarin kennis van juridische oplossingen goed van pas kan komen. Daarom is het aanvaardbaar om deze onderzoeken met een ‘Werkt dit?’- vraagstelling ook onder de noemer van praktijkgericht juridisch onderzoek te scharen.

    • 5 Juridische en empirische onderzoeksmethoden

      Omdat de kennisvraag in een praktijkgericht juridisch onderzoek gerelateerd is aan het recht en aan de praktijk, wordt er gebruik gemaakt van methoden en technieken uit zowel de juridische als sociaalwetenschappelijke discipline.18xWat het empirisch onderzoek betreft, beperk ik me tot kwalitatief onderzoek. Hierbij ligt de nadruk op het ‘begrijpen’ van een verschijnsel in de sociale werkelijkheid. Kwantitatief onderzoek, waarbij de onderzoeker cijfermatige gegevens verzamelt en die met statistische methoden analyseert, laat ik in het boek grotendeels buiten beschouwing, omdat dit type onderzoek specifieke onderzoeksvaardigheden vereist die ver verwijderd zijn van de standaarduitrusting van de jurist. Wel wordt er aandacht besteed aan de wijze waarop een onderzoeker gebruik zou kunnen maken van bestaande gegevens die door anderen in een kwantitatief onderzoek zijn verzameld. Dat is de derde constatering uit het onderzoeksmodel. Het gebruik van methoden uit meerdere disciplines is echter een lastige opgave voor onderzoekers en begeleiders, omdat er schuttingen zijn opgetrokken rond de verschillende wetenschapsgebieden. Wie over de schutting wil klimmen, zal merken dat begrippen aan de ene kant van de schutting op een andere manier worden gebruikt dan aan de andere kant. Wat de een strategie noemt, noemt de ander methode; wat de een methode noemt, wordt door de ander strategie of techniek genoemd. Daarnaast zijn er in de diverse wetenschapsgebieden verschillen in de eisen die worden gesteld aan de verantwoording van de keuzes die de onderzoeker maakt met betrekking tot de bronnen en methoden die hij gebruikt.

      Een overzichtelijk schema kan orde scheppen in de brij van begrippen en zorgen voor een gemeenschappelijk referentiekader voor onderzoekers en begeleiders. En vuistregels kunnen helpen om recht te doen aan de verschillen in verantwoordingseisen.

      5.1 Een overzicht van strategieën, bronnen en methoden

      Een onderzoeksstrategie is een soort standaardaanpak voor het opzetten, faseren en verder uitvoeren van het onderzoek. Met de onderzoeksstrategie geeft een onderzoeker aan welke middelen hij in gaat zetten om zijn kennisdoel te bereiken. Voor het onderzoek van het recht ligt, in een praktijkgericht juridisch onderzoek, een rechtsbronnen- en literatuuronderzoek het meest voor de hand. Andere strategieën, bijvoorbeeld rechtsvergelijking, rechtshistorisch of rechtstheoretisch onderzoek, laat ik dan ook buiten beschouwing.19xIn navolging van Pintens (1998, p. 16) beschouw ik rechtsvergelijking als een wetenschappelijke onderzoeksmethode die een expliciete vergelijking veronderstelt van opgedane kennis van een bepaald rechtsstelsel of een bepaalde rechtsfiguur met op dezelfde wijze vergaarde kennis uit het Nederlandse rechtsstelsel. Bij het onderzoek naar het geldend recht op een bepaald gebied hoort ook een studie van het relevante Europese of internationale recht dat geïmplementeerd is of doorwerkt in het Nederlandse recht. Dat is echter iets anders dan een rechtsvergelijkend onderzoek. Voor het onderzoek van de praktijk komen meerdere strategieën in aanmerking. De meest gebruikte kwalitatieve strategieën in een praktijkgericht onderzoek zijn casestudy, survey of veldonderzoek.20xVoor een uitleg van deze strategieën, zie Van Schaaijk 2011, p. 80-82 en 151.

      Om informatie te verzamelen en kennis te verwerven ten behoeve van de analyse van de relevante kwestie en het relevante kennisgebied kan de onderzoeker verschillende bronnen aanboren. ‘Bronnen’ zijn de vindplaatsen van gegevens en kennis. Een bron geeft aan waar de onderzoeker de gegevens en de kennis gaat halen die hij nodig heeft voor zijn onderzoek. De bronnen die worden geraadpleegd bij het onderzoek van het recht zijn voornamelijk de rechtsbronnen (wetgeving, jurisprudentie, verdragen), literatuur en documenten. De laatste twee bronnen zijn ook bruikbaar voor het onderzoek van de praktijk, evenals personen, media en fysieke objecten.

      De term methoden wordt gebruikt voor de wijzen waarop de bronnen worden ontsloten. Een methode geeft aan hoe een onderzoeker uit de bronnen op een valide en systematische wijze de gewenste data of inzichten tevoorschijn kan halen. Voor een praktijkgericht juridisch onderzoek zijn vier methoden van belang: inhoudsanalyse, interview, enquête en observatie.

      In figuur 6 zijn strategieën, bronnen en methoden schematisch afgebeeld.

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/ReM/ReM_2011_01
      Figuur 6 Schematisch overzicht van onderzoeksstrategieën, bronnen en methoden

      De dikke witte en zwarte lijnen in het schema maken zichtbaar dat in ieder praktijkgericht juridisch onderzoek zowel het recht als de praktijk voorwerp van onderzoek is, ofwel om ‘mag’ en ‘dat’ te onderzoeken (het recht), ofwel ‘werkt’ en ‘dit’ (de praktijk). De dunne witte lijnen laten zien welke bronnen van belang zijn. De dunne zwarte lijnen geven aan welke methoden gebruikt kunnen worden om de bronnen te ontsluiten.

      5.2 Vuistregels voor de verantwoording van de keuzes

      Alle keuzes die de onderzoeker maakt, vragen om een verantwoording. De verantwoording maakt het mogelijk om te controleren of het antwoord op de centrale onderzoeksvraag onafhankelijk en vakkundig tot stand is gekomen. De eisen die in de juridische en de sociaalwetenschappelijke discipline worden gesteld aan de verantwoording van de keuzes blijken echter in de praktijk nogal te verschillen. Om beginnende onderzoekers toch een handvat te bieden, maak ik gebruik van twee vuistregels.

      De vuistregel voor het empirisch deel van het onderzoek is dat de praktijkgerichte juridische onderzoeker het best kan aansluiten bij de eisen die gelden voor sociaalwetenschappelijk onderzoek. Daarin moet een onderzoeker altijd verantwoorden waarom hij juist deze bronnen en deze methoden gebruikt. Dat doet hij door de bronnen en methoden in verband te brengen met de betrouwbaarheid van de gegevens en de validiteit van de onderzoeksresultaten.

      In juridisch onderzoek is het (tot nu toe) niet gebruikelijk om iedere keuze voor de bronnen en methoden expliciet te verantwoorden.21xTijssen 2009, p. 183. De wet, de ‘vaste’ jurisprudentie en gerenommeerde handboeken worden beschouwd als gezaghebbende bronnen, waarvan het gezag algemeen gedeeld wordt, zodat er geen aparte verantwoording nodig wordt geacht voor het gebruik van deze rechtsbronnen. De vuistregel voor de verantwoording van het juridische deel van het onderzoek luidt dan ook: bronnen en methoden moeten verantwoord worden, tenzij het vanzelfsprekend is dat een onderzoeker deze bronnen (de relevante rechtsregel uit de wet of de vaste jurisprudentie) en deze methoden (inhoudsanalyse van rechtsbronnen en literatuur) gebruikt.

    • 6 Een beredeneerd antwoord

      Een praktijkgericht juridisch onderzoek levert een bijdrage aan de oplossing van een handelingsprobleem doordat er een beredeneerd antwoord wordt gegeven op een aan recht en praktijk gerelateerde kennisvraag. In deze omschrijving is een aspect nog onderbelicht gebleven, namelijk dat het gaat om een beredeneerd antwoord. De laatste constatering uit het onderzoeksmodel is dan ook dat een praktijkgericht juridisch onderzoek een argumentatief karakter heeft. En dit karakter is bepalend voor de inhoud en structuur van onderzoeksrapport of scriptie.

      6.1 Het argumentatieve karakter van een praktijkgericht juridisch onderzoek

      In een praktijkgericht juridisch onderzoek komt een onderzoeker niet via een wiskundige redenering of een statistische analyse tot de eindconclusie van het onderzoek, maar via argumentatie. In de conclusie geeft hij niet alleen aan wat het antwoord is op de kennisvraag, maar ook waarom dit volgens hem het (voorlopig) juiste antwoord is. Hij geeft dus een beredeneerd antwoord op de onderzoeksvraag. De argumenten voor dit antwoord haalt hij uit de onderzoeksresultaten. De onderzoeker ordent deze argumenten door ze met elkaar en met de centrale vraag in verband te brengen, beoordeelt de betrouwbaarheid, de geldigheid en de overtuigingskracht ervan, confronteert ze met elkaar en weegt ze tegen elkaar af. Met deze argumentatie probeert hij het publiek te overtuigen van de (voorlopige) juistheid van zijn antwoord.

      6.2 Inhoud en structuur van onderzoeksrapport en scriptie

      De kennisvraag wordt beantwoord in een onderzoeksrapport of scriptie. Sommigen beschouwen dit als een verzameling van gevonden gegevens, die geordend worden volgens een voorgeschreven standaardmodel.22xO.a. Grit & Julsing 2009, p. 103. Het model ligt al vast, voordat er ook maar een stap op het onderzoekspad is gezet. Een bezwaar tegen dit model is dat het schrijven van een rapport of scriptie een soort invuloefening wordt, waarbij de verbanden tussen de verschillende onderdelen en de stappen in de redeneringen niet zichtbaar worden gemaakt, terwijl dit voor de lezer wel noodzakelijk is om de redeneringen te kunnen volgen en overtuigd te raken van de juistheid van het antwoord op de centrale vraag.

      Anderen vatten een onderzoeksrapport op als een nauwgezet verslag van het gehele onderzoeksproces, dus vanaf de vraagstelling tot en met de conclusies en de discussie.23xO.a. Baarda, De Goede & Teunissen 2005, p. 348. Deze opvatting is gebaseerd op het model voor een rapport van een kwantitatief onderzoek met de vaste onderdelen vraagstelling, methode, resultaten, conclusies en discussie. Een bezwaar tegen dit model is dat het juridische deel van een praktijkgericht juridisch onderzoek er niet goed in past. Bovendien doet dit model weinig recht aan het argumentatieve karakter van een juridisch onderzoek.

      Het verdient de voorkeur om een scriptie of een rapport van een praktijkgericht juridisch onderzoek op te vatten als een beredeneerd antwoord op een onderzoeksvraag. Het onderzoek naar de praktijk en naar het recht levert resultaten op waarin argumenten te vinden zijn om tot een antwoord op de centrale vraag te kunnen komen en dit antwoord te kunnen rechtvaardigen. De scriptie of het onderzoeksrapport is bedoeld om de lezers te overtuigen van de voorlopige juistheid van het antwoord van de onderzoeker. Om dit doel te bereiken dient de schrijver aan de lezer voldoende informatie te geven om de redeneringen te kunnen volgen en de argumenten en de conclusie op waarde te kunnen schatten. Dat betekent dat niet alle wegen die de onderzoeker heeft bewandeld en niet alle gegevens die hij heeft gevonden uiteindelijk in het onderzoeksrapport terecht zullen komen. De onderzoeker zal selectief te werk moeten gaan en in het rapport alleen de onderzoeksresultaten moeten opnemen die relevant zijn in het licht van de vraagstelling.24xHet selectiecriterium betreft de relevantie in het licht van de vraagstelling, niet de welgevalligheid van de uitkomsten voor de opdrachtgever. De Gedragscode voor praktijkgericht onderzoek voor het hbo (2010, p. 8) stelt als eis dat de onderzoekers integer zijn. Dat wil onder andere zeggen dat zij onpartijdig moeten zijn in hun rapportage en dat zij ook informatie moeten opnemen die hun conclusies kan tegenspreken.

    • 7 Conclusie

      Dit artikel begon met de stelling dat een praktijkgericht juridisch onderzoek vraagt om een integratie van juridische en empirische onderzoeksmethoden. Het onderzoeksmodel dat is afgebeeld in figuur 1 maakt dat zichtbaar. Dit onderzoeksmodel leidt tot vier constateringen. De eerste constatering is uitgewerkt in paragraaf 3. Daar is uiteengezet dat een praktijkgericht onderzoek een directe bijdrage dient te leveren aan de oplossing van een handelingsprobleem. En om dat te kunnen doen wordt het handelingsprobleem vertaald in een kennisvraag. Wanneer een kennisvraag zowel betrekking heeft op mogelijke oplossingen voor het probleem als op het beoordelingkader waaraan die hypothetische oplossingen getoetst zouden kunnen worden, kan zij goed duidelijk maken welke richting het onderzoek op zal gaan. Dan kan deze centrale vraag een belangrijk handvat zijn voor de onderzoeker en voor de begeleider van het onderzoek.

      De tweede constatering uit het onderzoeksmodel is dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek de kennisvraag gerelateerd dient te zijn aan het recht en aan de praktijk. Dat is uitgewerkt in paragraaf 4. Kennisvragen van het ‘Mag dat?’- of ‘Werkt dit?’-type kunnen de relatie met het recht en de praktijk helder over het voetlicht brengen. Tevens zijn zij bruikbaar om praktijkgericht juridisch onderzoek af te bakenen van andere typen onderzoek en om richting te geven aan de volgorde van de onderzoeksactiviteiten.

      De derde constatering is dat in een praktijkgericht juridisch onderzoek methoden worden gebruikt uit verschillende disciplines. Paragraaf 5 gaat dan ook over de juridische bronnen en methoden die gebruikt worden voor het onderzoek van het recht en over de empirische bronnen en methoden die gebruikt worden voor het onderzoek van de praktijk.

      De laatste constatering uit het onderzoeksmodel gaat over het argumentatieve karakter van praktijkgericht juridisch onderzoek. In paragraaf 6 is uiteengezet dat de uitkomsten die met behulp van de juridische en empirische onderzoeksmethoden zijn verkregen argumenten opleveren die nodig zijn om tot een beredeneerd antwoord op de centrale vraag te kunnen komen. In dit beredeneerde antwoord komt de integratie van de juridische en empirische methoden tot uitdrukking.

      Om de samenhang tussen recht en praktijk, tussen juridische en empirische onderzoeksmethoden in een praktijkgericht juridisch onderzoek zichtbaar te maken, heb ik het onderzoeksmodel ontwikkeld dat in dit artikel en in het eerste hoofdstuk van het boek Praktijkgericht juridisch onderzoek is toegelicht. Dit onderzoeksmodel vormt de achtergrond van de volgende acht hoofdstukken van het boek, die veel praktischer en concreter van aard zijn en onderzoekers en begeleiders allerlei handvatten geven voor de uitvoering van een onderzoek en de begeleiding ervan. Inzicht in het model kan onderzoekers en hun begeleiders helpen om die handvatten ten volle te benutten. Het onderzoeksmodel vormt de basis voor een methodologie van praktijkgericht juridisch onderzoek. Deze methodologie staat echter nog in de kinderschoenen en vraagt om verdere ontwikkeling. Bijdragen aan deze ontwikkeling en andere opmerkingen en suggesties, zowel vanuit de rechtswetenschap als vanuit het onderwijs en de praktijk, zijn van harte welkom.

    • Literatuur
    • Baarda, De Goede & Teunissen 2005
      B. Baarda, M.P.M. de Goede & J. Teunissen, Basisboek Kwalitatief onderzoek. Handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek, Groningen: Stenfert Kroese 2005.

    • Gedragscode 2010
      Commissie Gedragscode Praktijkgericht Onderzoek in het hbo, Gedragscode voor het voorbereiden en uitvoeren van praktijkgericht onderzoek binnen het Hoger beroepsonderwijs in Nederland, <www.hbo-raad.nl/hbo-raad/publicaties/cat_view/43-publicaties/134-2010>.

    • Grit & Julsing 2009
      R. Grit & M. Julsing, Zo doe je een onderzoek, Groningen: Noordhoff Uitgevers 2009.

    • Huls 2009
      N. Huls, Actie en reactie. Een inleiding in de rechtssociologie, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009.

    • Van Klink 2010
      B.M.J. van Klink, Rechtsvormen. Autonomie van recht en rechtswetenschap, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010.

    • Oost & Markenhof 2009
      H. Oost & A. Markenhof, Een onderzoek voorbereiden, Baarn: HBuitgevers 2009.

    • Oost 2008a
      H. Oost, Een onderzoek uitvoeren, Baarn: HBuitgevers 2008.

    • Oost 2008b
      H. Oost, Een onderzoek rapporteren, Baarn: HBuitgevers 2008.

    • Pintens 1998
      W. Pintens, Inleiding tot de rechtsvergelijking, Leuven: Universitaire Pers 1998.

    • Van Schaaijk 2011
      G.A.F.M. van Schaaijk, Praktijkgericht juridisch onderzoek, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011.

    • Scholten 1974
      P. Scholten, Mr. C. Asser’s handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. Algemeen deel, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1974.

    • Smits 2009
      J. Smits, Omstreden rechtswetenschap. Over aard, methode en organisatie van de juridische discipline, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009.

    • Taekema 2010
      S. Taekema, Het probleem van pragmatisme. Een vertrekpunt voor rechtstheorie en rechtsmethodologie, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010.

    • Tijssen 2009
      H. Tijssen, De juridische dissertatie onder de loep. De verantwoording van methodologische keuzes in juridische dissertaties (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009.

    • Verschuren 2008
      P. Verschuren, Probleemanalyse in organisatie- en beleidsonderzoek, Amsterdam: Boom academic 2008.

    • Verschuren 2009
      P. Verschuren, Praktijkgericht onderzoek. Ontwerp van organisatie- en beleidsonderzoek, Amsterdam: Boom academic 2009.

    • Witteveen 2001
      W. Witteveen, De geordende wereld van het recht. Een inleiding, Amsterdam: Amsterdam University Press 2001.

    Noten

    • 1 Dit artikel is een bewerking van het eerste hoofdstuk van het boek Praktijkgericht juridisch onderzoek, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011. In dit hoofdstuk geef ik een uitleg van het door mij ontwikkelde onderzoeksmodel.

    • 2 Smits 2009, p. 153-168 geeft wel enkele voorzetten voor een methodologie, maar werkt deze niet verder uit.

    • 3 Deze vierslag in kenschets, nut en noodzaak, eisen, aanpak is geïnspireerd door de serie boeken van Heinze Oost over onderzoek (Oost & Markenhof 2009; Oost 2008a; 2008b). De onderzoeksactiviteiten die ik behandel zijn: oriëntatie op onderzoeksonderwerp en opdracht, onderzoeksformulering, onderzoeksopzet, onderzoek van het recht, onderzoek van de praktijk, argumenteren en concluderen, schrijven van een onderzoeksrapport. Deze zeven hoofdstukken worden voorafgegaan door een inleiding waarin het onderzoeksmodel wordt uitgelegd dat de basis vormt voor de methodologie. Het boek wordt afgesloten met een hoofdstuk over de beoordeling van een praktijkgericht juridisch onderzoeksrapport.

    • 4 Zie bijvoorbeeld Verschuren 2009, p. 11.

    • 5 Van Klink 2010, p. 73.

    • 6 Verschuren 2009, p.29.

    • 7 Gedragscode 2010, p. 2. Het begrip beroepspraktijk wordt niet uitgelegd of verantwoord door de commissie die aan de hbo-raad het advies heeft uitgebracht over de gedragscode.

    • 8 Taekema 2010, p. 16.

    • 9 Deze theoretische notie wordt verdedigd door Taekema 2010, p. 16.

    • 10 Verschuren 2008, p. 11.

    • 11 Verschuren 2008, p. 13-14.

    • 12 Deze sturingsfunctie is niet alleen van belang voor de onderzoeker zelf, maar ook voor de begeleiding. Zolang de onderzoeker er niet in slaagt het inhoudelijke ontwerp van het onderzoek te formuleren is begeleiding vrijwel onmogelijk. Een begeleider kan immers niet in het hoofd van een onderzoeker kijken. Om feedback en bijsturing te kunnen krijgen, zal de onderzoeker daarom moeten communiceren over wat hij van plan is te gaan doen.

    • 13 In dit opzicht is er geen verschil tussen de ‘Mag dat?’-vraag en de vraag ‘Wat is het geldend recht op een bepaald terrein?’. Het lijkt alsof de eerste vraag normatief is en de tweede beschrijvend, maar dat is slechts een schijnverschil, want bij beide vragen gaat het om een beschrijving en interpretatie van geldende rechtsnormen. Er is echter wel een verschil in sturende kracht van beide typen vragen. De ‘Mag dat?’-vraag daagt de onderzoeker uit om ‘dat’ te formuleren in termen van een of meer hypothetische oplossingen voor het handelingsprobleem, terwijl de tweede vraag deze uitdaging mist. Juist vanwege dit vermogen om de richting van het onderzoek duidelijk te maken, verdient de ‘Mag dat?’-vraag vanuit didactisch perspectief de voorkeur boven de vraag ‘Wat is het geldend recht?’.

    • 14 Volgens Huls (2009, p. 63) zijn in de rechtssociologie twee relaties tussen recht en samenleving object van studie, namelijk de invloed van de samenleving op het recht, de zogenoemde sociale productie van recht, en de invloed van het recht op de samenleving, de sociale werking van recht.

    • 15 Een van de uitzonderingen vormt Verschuren 2008.

    • 16 Scholten 1974, p. 120.

    • 17 Witteveen 2001, p. 62.

    • 18 Wat het empirisch onderzoek betreft, beperk ik me tot kwalitatief onderzoek. Hierbij ligt de nadruk op het ‘begrijpen’ van een verschijnsel in de sociale werkelijkheid. Kwantitatief onderzoek, waarbij de onderzoeker cijfermatige gegevens verzamelt en die met statistische methoden analyseert, laat ik in het boek grotendeels buiten beschouwing, omdat dit type onderzoek specifieke onderzoeksvaardigheden vereist die ver verwijderd zijn van de standaarduitrusting van de jurist. Wel wordt er aandacht besteed aan de wijze waarop een onderzoeker gebruik zou kunnen maken van bestaande gegevens die door anderen in een kwantitatief onderzoek zijn verzameld.

    • 19 In navolging van Pintens (1998, p. 16) beschouw ik rechtsvergelijking als een wetenschappelijke onderzoeksmethode die een expliciete vergelijking veronderstelt van opgedane kennis van een bepaald rechtsstelsel of een bepaalde rechtsfiguur met op dezelfde wijze vergaarde kennis uit het Nederlandse rechtsstelsel. Bij het onderzoek naar het geldend recht op een bepaald gebied hoort ook een studie van het relevante Europese of internationale recht dat geïmplementeerd is of doorwerkt in het Nederlandse recht. Dat is echter iets anders dan een rechtsvergelijkend onderzoek.

    • 20 Voor een uitleg van deze strategieën, zie Van Schaaijk 2011, p. 80-82 en 151.

    • 21 Tijssen 2009, p. 183.

    • 22 O.a. Grit & Julsing 2009, p. 103.

    • 23 O.a. Baarda, De Goede & Teunissen 2005, p. 348.

    • 24 Het selectiecriterium betreft de relevantie in het licht van de vraagstelling, niet de welgevalligheid van de uitkomsten voor de opdrachtgever. De Gedragscode voor praktijkgericht onderzoek voor het hbo (2010, p. 8) stelt als eis dat de onderzoekers integer zijn. Dat wil onder andere zeggen dat zij onpartijdig moeten zijn in hun rapportage en dat zij ook informatie moeten opnemen die hun conclusies kan tegenspreken.


Print dit artikel
Button_em