Citeerwijze van dit artikel:
Pauline Westerman, ‘Law and Method’, 2012, , DOI: 10.5553/ReM/221225082012002001007

DOI: 10.5553/ReM/221225082012002001007

Law and MethodAccess_open

Boekbespreking

Law and Method

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Pauline Westerman, 'Law and Method', LaM januari 2012, DOI: 10.5553/ReM/221225082012002001007

Dit artikel wordt geciteerd in

      B. van Klink & S. Taekema (eds.), Law and Method: Interdisciplinary Research into Law, Tübingen: Siebeck Mohr 2011.

      De titel van dit boek zette me aanvankelijk op het verkeerde been. Ik dacht van doen te hebben met een verzameling opstellen over het karakter van de rechtswetenschap. Maar alleen de heldere bijdrage van Sanne Taekema gaat daarover. In de overige bijdragen worden de verschillende mogelijkheden besproken om rechtswetenschappelijk onderzoek te combineren met andere disciplines. In het voorwoord schrijven de samenstellers: ‘(…) we take interdisciplinarity as the focal point for methodological discussions.’ Nu weet ik niet precies wat hier met focal point bedoeld wordt, maar ik neem aan dat de samenstellers bedoelen: door je te richten op de samenwerking met andere disciplines kom je erachter wat die rechtswetenschappelijke methode is. Als dit inderdaad wordt bedoeld, dan is dat eigenlijk een heel aardige gedachte. Want is het welbeschouwd niet zo dat je als persoon ook pas weet wie je bent en wat je wilt door te verkeren met anderen? En zou de identiteit van een wetenschappelijke discipline dan niet evenzeer pas tot stand komen in de interactie met anderen? Als dat zo is, is interdisciplinariteit een must voor iedereen die de rechtswetenschap tot volwassenheid wil laten komen, zoals de omgang met leeftijdgenoten een must is voor pubers die groot moeten worden en moeten ontdekken wie ze zijn.
      Tegelijk echter speelt er een ander doel door het boek heen. Niet zozeer de zoektocht naar het karakter van de rechtswetenschap staat daarin voorop, maar het bevorderen van interdisciplinair onderzoek door rechtswetenschappers. Deze meer opvoedende taak van het boek treedt duidelijk aan de dag in het eerste inleidende hoofdstuk dat door de samenstellers geschreven is en waarin een – naar mij lijkt – beginnende rechtswetenschapper of promovendus wordt aangesproken. Deze krijgt een handzaam overzicht aangeboden van verschillende vormen van interactie tussen disciplines, maar krijgt ook praktische raadgevingen voor zijn onderzoek. Zo raden de inleiders de lezer aan om van meet af aan te kiezen voor een bepaalde discipline `The first question that any aspiring interdisciplinary researcher has to answer is which discipline to choose’ (p. 23). Ik begrijp dit boek dan ook als een poging om de promovendus te helpen die keus te maken. Het is de bedoeling rechtswetenschappers bekend te maken met enkele andere disciplines en hun mogelijke waarde voor het rechtswetenschappelijk onderzoek.
      Dat is redelijk goed gelukt in deel III (‘Interdisciplinary Research in Practice’) waarin men bijdragen aantreft die verslag doen van concrete onderzoekingen waarin op de een of andere manier verschillende disciplines zijn gecombineerd. Misschien zijn niet al die onderzoekingen even geslaagd, maar ook van mislukkingen kan men leren en ik kan me voorstellen dat de beginnende rechtswetenschapper uit dit deel de nodige inspiratie kan putten voor eigen onderzoek.
      Veel wisselender is het nut van de bijdragen in deel II (‘Interdisciplinary Research in Theory’). Sommige auteurs gaan serieus in op de vragen die de samenstellers hebben opgeworpen. Zo vind ik Van Aekens beschrijving van de antropologie en sociologie heel geslaagd. Hetzelfde geldt voor de bijdragen van Witteveen (retorica) en Van der Burg (ethiek). Deze schrijvers hebben zich niet tevreden gesteld met het opnieuw oppoetsen van eigen werk, maar hebben geprobeerd een introductie te bieden die enig houvast kan geven aan de ruimdenkende rechtswetenschapper. Anderen zijn echter voor de verleiding bezweken om een overzicht te geven van de inhoud van het vakgebied dat ze bespreken. Zo zien we dat David Janssens een – op zich aardig gestructureerd en verteld – uittreksel maakt van de eeuwige problemen van de rechtsfilosofie. We zien hoe Lembcke zich te buiten gaat aan een uitvoerige historische beschrijving van de relatie tussen recht en politiek, en we zien Pacces en Visser college geven over de belangrijkste theoretische inzichten van de rechtseconomie. Deze auteurs slagen er mijns inziens niet in om nu eens van een afstand te reflecteren over de aard van de discipline die zij zeggen te behandelen. Ze blijven op hun eigen disciplinaire stek en gaan het onmiddellijk hebben over de vragen en theorieën die in die disciplines aan de orde komen. Of beter gezegd: waarvan zij denken dat het belangrijke problemen zijn.
      Onnodig te zeggen dat dit niet de vragen hoeven te zijn die onze beginnende interdisciplinaire rechtswetenschapper bezighoudt. De promovendus die dit deel tot zich neemt wordt overspoeld door een lawine aan problemen waar hij niet mee bezig is, waarvan hij hoogstwaarschijnlijk het bestaan nooit had vermoed en die hem wellicht gezwind zal doen terugkeren in de overzichtelijke moederschoot van de rechtsdogmatiek. Nu lijken de samenstellers met deze mogelijkheid rekening te houden. In hun inleidende hoofdstuk schrijven ze: ‘For someone versed in only one discipline it may be somewhat demoralizing: do you need two university degrees to do interdisciplinary work? If you are serious about a project, it is never too late to learn: why not take up a new discipline?’ (p. 24).
      Ik denk dat we deze raad op zijn minst lichtzinnig moeten noemen. Bij lezing van dit boek begon ik me steeds meer af te vragen: wat is eigenlijk een discipline? Welbeschouwd niets anders dan een kunstmatige entiteit, die niet meer omvat dan een verzameling uiteenlopende benaderingen en methoden. Sociologen verschillen van mening of we naar systemen of naar handelingen moeten kijken, over of we dat moeten doen met kwantitatieve gegevens of kwalitatief onderzoek, en verschillen zelfs van mening over wat een goede verklaring is. Hetzelfde geldt voor de psychologie, om nog maar te zwijgen van ‘de’ filosofie. Geen van deze vakgebieden is op te vatten als identificeerbare entiteit, als herkenbare discipline met eigen object, methode of doelstelling. In die zin is de schets van de bestanddelen van een discipline, zoals die op p. 8 wordt gegeven, een reductie van een complexe werkelijkheid. Een discipline heeft vaak niet één set concepten maar bevat tegenstrijdige concepten, heeft niet één methode maar meerdere tegelijk (en kent dan een bijbehorende methodenstrijd), heeft niet één maar verschillende eveneens vaak conflicterende doelen, en kan ook op verschillende manieren bepalen wat de problemen zijn die ertoe doen. De wetenschapsfilosofische controverses die de samenstellers aanstippen (controverses over fact/values distinctions en Verstehen en verklaren) worden niet buiten maar binnen de disciplines uitgevochten. De voorstelling als zou er één object, één methode, één doel alsmede één set vaste problemen zijn, is retoriek van degenen die hun vakgebied als discipline willen vestigen. Uit de literatuur over de geschiedenis van disciplines1xZie R. de Wilde, Discipline en legende: de identiteit van de sociologie in Duitsland en de Verenigde Staten 1870-1930, Meppel: Boom 1992; en T. Dehue, De regels van het vak: Nederlandse psychologen en hun methodologie 1900-1985, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2005. wordt duidelijk dat disciplines goed vergelijkbaar zijn met Afrikaanse staten: de eenheid is illusoir, de grenzen zijn willekeurig aan de tekentafel getrokken.
      Te midden van zo’n kakofonie kan de goedwillende juridisch geschoolde promovendus die eens buiten de grenzen van het recht wil kijken volgens mij maar één verstandig ding doen: zich er niks van aantrekken, zich slechts richten op het probleem waar het hem om te doen is en alleen die literatuur erbij halen die voor dat probleem van belang lijkt. Dus wel Luhmann en geen Winch (of andersom), juist wel statistiek en geen diepte-interview (of andersom). Afhankelijk van eigen onderwerp en temperament lijkt mij dat de promovendus zich dan ook niet hoeft op te houden binnen de willekeurige grenzen van zo’n tweede discipline. Waarom niet overal vrijelijk gegrasduind? In plaats van het handboek sociologie of economie zou ik ze – naast het belangrijkste: zelf nadenken! – eclecticisme willen aanraden. Daarom lijkt mij de keuze van de discipline helemaal niet de eerste vraag die zij moeten beantwoorden, en zelfs niet de tweede of de laatste vraag.
      Maar wat is er nu terechtgekomen van dat eerste oogmerk: de verwachting dat de rechtswetenschap zal ontdekken wie of wat zij is in het contact met andere disciplines? Als er iets is, is het dit: de reflectie over de eigen aard en methode van de rechtswetenschap doet zeker niet onder voor die van andere disciplines en is op dit moment zelfs levendiger dan het debat in menig sociale wetenschap waar men in veel gevallen kritiekloos aansluit bij een geaccepteerd geraakt standaardmodel van wetenschap zonder enige kritische reflectie daarop toe te laten. (De bijdrage van Spellman over psychologie is daarvan een mooi voorbeeld.) Misschien is het zelfs niet overdreven te stellen dat niet de rechtswetenschap de puber is die tot wasdom moet komen door zijn contact met anderen. Het zijn veeleer de economie en de psychologie, de filosofie en de politieke theorie die de ware pubers zijn die, willen ze relevant worden, gevoed moeten worden door reële problemen, bijvoorbeeld die inzake het recht.

    Noten

    • 1 Zie R. de Wilde, Discipline en legende: de identiteit van de sociologie in Duitsland en de Verenigde Staten 1870-1930, Meppel: Boom 1992; en T. Dehue, De regels van het vak: Nederlandse psychologen en hun methodologie 1900-1985, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2005.


Print dit artikel