DOI: 10.5553/MvV/157457672020030012001

Maandblad voor VermogensrechtAccess_open

Artikel

De verklaring voor recht, voldoende belang(rijk)?

Over het belang bij declaratoire vordering na afwijzing condemnatoire vordering

Trefwoorden proceseconomie, processueel belang, genoegdoening, rechtsherstel, subjectief recht
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dr. P. Gillaerts en Prof. mr. A.L.M. Keirse, 'De verklaring voor recht, voldoende belang(rijk)?', MvV 2020, p. 409-419

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Ter inleiding

      De vordering tot verklaring voor recht eist steeds meer haar plaats op binnen de rechtsorde als volwaardig rechtsbeschermingsmiddel. Het is een instrument dat in het verbintenissenrecht in toenemende mate wordt ingezet om recht te doen aan de maatschappelijke behoefte aan andere vormen van rechtsherstel of genoegdoening dan door een veroordeling tot prestatie, zoals schadevergoeding. Deze ontwikkeling getuigt van een zoektocht naar de wijze waarop het verbintenissenrecht en het burgerlijk procesrecht optimaal kunnen worden ingezet om na rechtsschendingen de (ook niet-vergoedende) doelstellingen die daardoor opkomen, te realiseren. Het plaatst advocaten voor de vraag met welk samenspel van vorderingen of welk verweer hiertegen hun cliënten het best zijn gediend. Op het bord van de rechters belandt de vraag naar de (discretionaire) beoordelingsruimte ten aanzien van het belang van de rechtzoekenden bij gevorderde verklaringen voor recht. Mag bijvoorbeeld een rechter – om proceseconomische of pragmatische redenen – de eisende partij die haar schadeclaim ziet sneuvelen vanwege het ontbreken van causaal verband en/of schade, een daarbij gevorderde verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld, ook ontzeggen met de motivering dat de eiser daarbij geen belang (meer) heeft? Het zijn deze vragen die in deze bijdrage centraal staan; ze komen in de verbintenisrechtelijke rechtspraktijk meer dan eens op, maar de vooralsnog uit rechtspraak en literatuur te destilleren antwoorden zijn niet eenduidig.

      Bij onze beantwoording van deze vragen speelt de rechtspraak van de Hoge Raad over de declaratoire vordering een leidende rol. In een zaak die recent voor de Hoge Raad diende, was de vraag voorgelegd of een eiser nog voldoende belang had bij een declaratoire vordering na afwijzing van zijn daarop voortbouwende veroordelende vordering.1xHR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X). Het antwoord hangt samen met de toegenomen openheid in de rechtspraak en rechtsleer tegenover de declaratoire vordering. De kwestie noopt tot een grondige reflectie over de plaats en meerwaarde van de declaratoire vordering, met respect voor de fundamenten van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het belangvereiste. Deze bijdrage beoogt in kaart te brengen op welke manier de declaratoire vordering een rol speelt en ook te spelen heeft in het verbintenissenrecht, zelfs na afwijzing van een veroordelende vordering.

      Het vertrekpunt van onze bespreking is het belangvereiste. Aangezien de invulling van het belangvereiste bepalend is voor onze verdere analyse, zal het eerste, meer theoretische deel van onze bijdrage misschien grondiger zijn dan de lezer verwacht. Het tweede deel is daarentegen op de praktijk gericht en geeft zicht op de praktische speelruimte van de verklaring voor recht in het kader van een schadeclaim. Onze analyse berust op de noodzaak van het aannemen van een processueel, rechtens relevant belang als uitgangspunt (par. 2.1 en 2.2) en de ingezette versoepeling bij de beoordeling van het belang bij een declaratoire vordering (par. 2.3). Dit vergt ook aandacht voor de meerwaarde van uitsluitend een verklaring voor recht, gekaderd binnen het belangvereiste (par. 2.4). In het daardoor geschetste kader brengen wij vervolgens de rechtspraak in beeld. De feitenrechters worstelen met de kwestie (par. 3.1). Daarmee rijst de vraag in welke mate het recente arrest van de Hoge Raad meer duidelijkheid schept (par. 3.2). Last but not least formuleren we enkele lessen die de praktijk de gelegenheid zou moeten geven de declaratoire vordering de plaats te geven die deze verdient (par. 3.3 en 4).

    • 2 Het belangvereiste

      2.1 Uitgangspunt: processueel belang

      Als we het belangvereiste correct in het vizier hebben, zien we het als het vereiste van een processueel belang.2xZie hierover P. Gillaerts, De Belgische declaratoire vordering en het niet-vergoedende aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen: Intersentia 2020, nrs. 369 e.v. en in het bijzonder nrs. 373 e.v. Naar Nederlands recht vindt dit zijn grondslag in art. 3:303 BW: ‘Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.’ Over de uitleg van deze bepaling heerst evenwel geen eensgezindheid.3xZie bijv. T. Bleeker, Voldoende belang in collectieve acties: drie maal artikel 3:303 BW, NTBR 2018/20, nr. 2.1, N. Frenk, Kollektieve akties in het privaatrecht, Deventer: Kluwer 1994, p. 35, nr. 5 en de verwijzingen bij Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.8. Centraal in de discussie staat het onderscheid tussen het processuele belang en het materiële belang. Het processuele belang betreft de vordering en houdt in dat de vordering voor de eiser een positief verschil moet kunnen maken.4xBleeker 2018, nr. 2.2; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303a BW, aant. 9; M.P.J. Verburgh, Aktiegroepenrecht, AA 1974, p. 87; M.P.J. Verburgh, Privaatrecht en kollektief belang, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1974, p. 14. Concreter gaat het erom dat de gegrondverklaring van de vordering een verschil maakt voor de juridische positie (rechtspositie) van de eiser jegens de wederpartij.5xFrenk 1994, p. 29, nr. 3; Asser/Korthals Altes & Groen 7 2015/49; J. van Baars, Point d’intérêt, point d’action, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn 1971, p. 160 en 165; C.J.J.C. van Nispen, Sancties in het vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 30, nr. 19. Het materiële belang daarentegen betreft de rechtsverhouding die aan de vordering ten grondslag ligt.6xBleeker 2018, nr. 2.3; Frenk 1994, p. 33, nr. 4; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303a BW, aant. 9. Daar waar het materiële belang dus wordt gevormd door het feitelijke belang van een partij bij een (feitelijke) situatie en op die manier betrekking heeft op de waarde die gehecht wordt aan een bepaalde rechtsbetrekking of het belang dat schuilgaat achter de rechtsbetrekking (of de rechtsregel waaruit die voortvloeit), is bij de wens tot handhaving of wijziging van die betrekking in rechte de rechtspositie aan de orde, wat getuigt van het processuele belang. Het onderwerp van het geding houdt derhalve verband met het materiële belang, de mogelijke uitkomst van het geding met het processuele belang.

      Bij gebrek aan duidelijkheid in de summiere parlementaire geschiedenis blijft de rechtsleer tot op heden verdeeld en wordt aangenomen dat art. 3:303 BW vanuit het materiële belang en/of vanuit het processuele belang kan worden benaderd, waarbij beide lezingen volgens sommigen naast elkaar kunnen bestaan met elk een eigen functie.7xZie hierover uitgebreid Bleeker 2018, nr. 2.1; Frenk 1994, p. 35, nr. 5; Van Nispen 2018, p. 30-31, nr. 19; L.F. Wiggers-Rust, Belang, belanghebbende en relativiteit in bestuursrecht en privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 101. De rechtsleer neemt in elk geval doorgaans aan dat het om een neerslag van het adagium ‘geen belang, geen actie’ (‘point d’intérêt, point d’action’)8xZoals verwoord in TM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915 met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad. Zie over dit adagium uitvoerig Van Baars 1971. gaat.9xL.M.V. Douwes, Geen financieel belang, geen actie?, NTBR 2000, afl. 6, p. 223, nr. 2; Frenk 1994, p. 27, nr. 3; W. Heemskerk, m.m.v. J.M.L. van Duin, R.S.I. Lawant & I.C. Blomsma, in voortzetting van W. Hugenholtz & W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy uitgevers 2015, p. 15, nr. 6; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2; Asser/Korthals Altes & Groen 7 2015/47; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 83, nr. 58; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, p. 82, nr. 79; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, Deventer: Kluwer 2004, p. 219, nr. 231; C.J.J.C. van Nispen, Rechterlijk verbod en bevel, Deventer: Kluwer 1978, p. 171, nr. 101; D.J. Veegens, noot onder HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548, p. 1148, nr. 1; Wiggers-Rust 2011, p. 100. Contra: Van Baars 1971, p. 163. Daarbij moet ons inziens een louter procesrechtelijke en geen materieelrechtelijke benadering van dat adagium vooropstaan.10xZoals bijv. ook voorgestaan door Van Nispen 1978, p. 171, nr. 101. Het gaat om ‘geen processueel belang, geen actie’, en niet om ‘de minimis non curat praetor’, oftewel de rechter bekommert zich niet om kleinigheden.11xJongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 3; Van Baars 1971, p. 161. De vraag naar het bestaan van belang in de zin van art. 3:303 BW moet namelijk worden gesitueerd in de fase vóór de beoordeling ten gronde en betreft in essentie de vraag of het een partij kan baten dat de rechter haar vordering toewijst, zonder te kijken naar de omvang van het daardoor gediende belang.12xVan Baars 1971, p. 160-161.

      Wat dan met de precisering in art. 3:303 BW dat het om voldoende belang moet gaan? Daarmee hanteert de Nederlandse wetgever een evenredigheidscriterium ter rechtvaardiging van de rechtsvordering,13xMvA II bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 916; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1. zodat de rechter niet kan volstaan met het nagaan of de eiser enig belang heeft bij de vordering.14xTM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915. Aldus lijkt art. 3:303 BW verder te gaan dan louter de vraag naar een processueel belang.15xWiggers-Rust 2011, p. 106. Voor een processueel belang telt namelijk uitsluitend of het belang aanwezig is, zodat een gradatie zou wijzen op de verankering van ‘de minimis non curat praetor’.16xJongbloed, in: Sdu Commentaar Vermogensrecht 2016, art. 3:302-305 BW, nr. C; Van Baars 1971, p. 163-164. In de rechtsleer zijn echter twijfels geuit of de Nederlandse wetgever wel voldoende oog heeft gehad voor het onderscheid met ‘de minimis non curat praetor’.17xJongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 3; Veegens 1965, p. 655-656. In de toelichting in de parlementaire geschiedenis dreigen het processuele belang en het materiële belang door elkaar te lopen en door elkaar gehaald te worden.18xZie Van Baars 1971, p. 162-164. Contra: Frenk 1994, p. 36, nr. 5. Het vereiste van voldoende belang kan en moet volgens ons evenwel worden uitgelegd als het vereiste van een processueel belang, waarbij de toevoeging van ‘voldoende’ aanduidt dat de rechtspositie van de eiser werkelijk in het geding moet zijn.19xC.M.C. van Zeeland, Y.P. Kamminga & J.M. Barendrecht, Waar het mensen om gaat en wat het burgerlijk recht daarmee kan, NJB 2003, p. 823, nr. 3.3. De toevoeging van het woord ‘voldoende’ geeft de rechter de vrijheid om, in het geval een procesrechtelijk belang moet worden aangenomen, dit belang van eiser af te wegen tegen de belangen van de wederpartij en het belang van een behoorlijke procesorde.20xZie ook HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2. Een positieve invloed op de feitelijke toestand van de eiser is onvoldoende. De drempel is een gevolg voor de rechtspositie van de eiser, zodat het gaat om rechtsgevolgen. Het vereiste belang is – naar onze mening – zuiver processueel.21xAldus ook Van Nispen 2018, p. 30, nr. 19, met verwijzingen.

      De noodzakelijke terugkoppeling naar de (voldoende) impact op de rechtspositie van de eiser houdt verband met de proceseconomische logica die achter het belangvereiste schuilgaat ter bescherming van de rechterlijke macht.22xZie hierover uitgebreid Gillaerts 2020, nrs. 409 e.v. Volgens Van Baars gaat het om ‘een beginsel van proceseconomie’.23xVan Baars 1971, p. 155. Eisers horen rechters niet lastig te vallen met vorderingen waaruit zij qua rechtspositie geen voordeel kunnen halen. Het vereiste van een (voldoende) belang is ingegeven door het economische aspect van de procesvoering.24xM. Barendrecht, Jeffrey (HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853), in: J.B.M. Vranken & I. Giesen (red.), De Hoge Raad binnenstebuiten, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2003, p. 104; W.J.T. Dupont, De rechter, soms pastoor én dorpsoudste, NTBR 2001, p. 493; Frenk 1994, p. 28, nr. 3; E. Gras, De roep om het ‘morele declaratoir’: houdbaar in de civiel-procesrechtelijke context?, PP 2001, p. 106; E. Gras, De belang-eis van art. 3:303 BW als formele regel of als kader voor substantiële toetsing, in: A.F. Salomons & G.J.P. de Vries (red.), Pro forma? Opstellen over de rol van formele regels en vormvoorschriften in het privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 25 en 37; C.W. Star Busmann, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, Haarlem: De Erven F. Bohn N.V. 1972, p. 116-117, nr. 148; T.B. ten Kate, Efficiency en recht, Trema 2001, p. 307; T.B. ten Kate & M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, Deventer: Kluwer 2013, p. 131, nr. I.12.2; Van Baars 1971, p. 160 en de bespreking van dit laatste door J.J. Vriesendorp in RMThemis 1972, p. 198. Dankzij het belangvereiste als filter wordt de rechterlijke macht als overheidsdienst beschermd tegen louter theoretische, nutteloze of vexatoire vragen en vorderingen, die ondoelmatig en niet beschermenswaardig zijn, wat dan weer ten voordele komt van de (beperkte) tijd en de (publieke) financiële middelen van de rechterlijke macht.25xZie meer uitgebreid en met verwijzingen Gillaerts 2020, nr. 409.

      Het burgerlijk procesrecht bedient aldus ook partijoverstijgende belangen.26xAsser/Van Schaick 2 2016/2. Het belangvereiste is niet beperkt tot het perspectief van de concrete eiser en verweerder.27xOver deze partijoverstijgende dimensie, zie Gillaerts 2020, nrs. 410 e.v. De Nederlandse wetgever wijst op de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen, waarop de rechter zelfs ambtshalve moet letten.28xMvA II bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 916. Het gaat volgens de rechtsleer om een afweging van de belangen van de betrokken partijen, de eisen van de behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen.29xT. Bruijnzeel, Over misbruik van procesrecht en het preventief weren van veeleisende partijen, in: W.H. van Boom, J.H. van Dam-Lely & S.D. Lindenbergh (red.), Rake remedies, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 285. Vgl. Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2. In dit verband wees de Hoge Raad er vorig jaar op dat in het vereiste van voldoende belang besloten ligt dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging.30xHR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.n. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2. Het ging in dit arrest om het belang bij een negatieve verklaring voor recht.

      Niettemin is enige waakzaamheid geboden ten aanzien van de proceseconomische logica en afweging met partijoverstijgende belangen. Ten eerste betreft proceseconomie de weg om het doel van het burgerlijk procesrecht te bereiken zonder zelf dat doel te vormen.31xGillaerts 2020, nr. 416, met verwijzingen. Het burgerlijk procesrecht mag onder invloed van proceseconomisch denken niet verkeerdelijk worden voorgesteld als zou het in de eerste plaats de publieke belangen dienen ten koste van individuele belangen bij botsing daarmee.32xZie bijv. de Duitse auteur H. Roth, Vor § 253, in: F. Stein & M. Jonas (red.), Kommentar zur Zivilprozessordnung, Band 3, §§ 148-270, Tübingen: Mohr Siebeck 2016, p. 753, nr. 134. Ten tweede blijft de vraag wat die eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen precies inhouden. Hoe vager, hoe meer ruimte voor rechters om vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren in het licht ervan, wat mogelijk de deur op een kier zet voor oneigenlijk gebruik. In het licht van de processuele invulling van het belangvereiste moet ervoor worden gepleit om de partijoverstijgende dimensie te beperken tot het uitsluiten van vorderingen die bij toekenning geen weerslag kunnen hebben op de rechtspositie van de eiser, waardoor de rechterlijke macht in dat opzicht zou worden belast met nutteloze en niet-beschermenswaardige vragen.33xGillaerts 2020, nrs. 410 en 417. Ten derde mag niet uit het oog worden verloren dat het moet gaan om een verbetering van de rechtspositie in de rechtsverhouding tot gedaagde. Een eventueel belang bij een verklaring voor recht voor andere rechtsverhoudingen dan die tussen partijen kan de toets van art. 3:303 BW niet doorstaan.34xZie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 24 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:600. Vgl. Hof Den Haag 9 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1076; Hof Den Haag 10 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1671, r.o. 3.1 en 3.2.

      2.2 Uitgangspunt: rechtens relevant belang

      Gelet op de noodzakelijke band met de rechtspositie van de eiser, vormt het processuele belang meteen ook een rechtsbelang of rechtens relevant belang. Dat (gebrek aan) rechtens relevant belang stond centraal in het Jeffrey-arrest en de ophef daaromtrent.35xZie hierover Gillaerts 2020, nrs. 672 e.v. In het Jeffrey-arrest hadden de ouders van de overleden Jeffrey volgens de Hoge Raad onvoldoende belang bij hun vordering tot verklaring voor recht dat het ziekenhuis aansprakelijk was voor het overlijden van hun kind, die nodig was voor de ouders in hun verwerkingsproces.36xHR 9 oktober 1998, ECLI:NL:PHR:1998:ZC2735, NJ 1998/853 (Jeffrey-arrest). Het arrest heeft veel kritiek en een discussie over de plaats van emotionele of immateriële belangen teweeggebracht.37xHet arrest is kritisch ontvangen. Menigeen vindt de uitkomst van het Jeffrey-arrest onwenselijk en breekt een lans voor de behandeling door de civiele rechter van zaken zoals deze. Zie L.F. Wiggers-Rust, Jaarvergadering Vereniging voor Burgerlijk Recht 1999: ‘Gaat het in het burgerlijk recht alleen om geld?’, NTBR 2000, afl. 4, p. 150-153; Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 2003, vraagpunt nr. 11a; A.R. Bloembergen, noot onder HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3358, NJ 2000/63; Barendrecht 2003, p. 101 e.v.; C.C. van Dam, Emotioneel belang en affectieschade, VR 2000, afl. 3, p. 73-75; Douwes 2000, p. 223-230; S.D. Lindenbergh, De positie en de handhaving van persoonlijkheidsrechten in het Nederlandse privaatrecht (Preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van Nederland en België), Deventer: Kluwer 1999, p. 1685; C.E. du Perron, Genoegdoening in het civiele aansprakelijkheidsrecht, in: A.C. Zijderveld, C.E. du Perron & C.P.M. Cleiren, Het opstandige slachtoffer (Handelingen NJV, jrg. 133, 2003-1), Deventer: Kluwer 2003, p. 152; Asser/Vranken∗∗∗ 2005/66. Waar het evenwel echt om ging in dat arrest, is de afwezigheid van een processueel belang en daarmee een rechtens relevant belang.38xA.L.M. Keirse, Een verklaring voor recht als mijlpaal. Over Jeffrey, Chipshol en het belang bij de civiele rechtspleging, WPNR 2011, afl. 6903, p. 870-871. Het belang om te kunnen (beginnen te) rouwen om het overlijden van een zoon is op zichzelf geen processueel oftewel rechtens relevant belang, zodat de ouders hun toevlucht hadden moeten zoeken in een (geschonden of bedreigd) subjectief recht ter dekking van dat (materiële) belang. Het probleem in het Jeffrey-arrest was niet het niet-vermogensrechtelijke karakter van het (materiële) belang, maar de afwezigheid van een gesteld rechtens relevant belang. Het probleem was gelegen in de stellingname dat de verklaring voor recht nodig was voor het verwerkingsproces en niet voor de vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen en de uitoefening van de subjectieve rechten van de eisers.39xKeirse 2011, p. 870-871. Doorslaggevend is niet – zoals in het Jeffrey-arrest door sommigen wel is gelezen – of een vordering een financieel oogmerk kent, maar of ze een civielrechtelijk doel dient, financieel of ideëel. In de meeste gevallen is dat doel met de aard van de vordering gegeven en ook in een enkele vaststelling van een rechtsverhouding kan een (financieel of ideëel) civielrechtelijk doel gelegen zijn. Zoals terecht opgemerkt door een deel van de rechtsleer, besloot de Hoge Raad in de Jeffrey-zaak tot niet-ontvankelijkheid omdat de ouders als enig in cassatie relevant belang bij de verklaring voor recht aanvoerden pas een zinvol begin te kunnen maken met de verwerking van de dood van Jeffrey als de aansprakelijkheid van het ziekenhuis zou zijn vastgesteld; dat enkele zuiver emotionele belang vormt geen voldoende rechtens relevant belang.40xKeirse 2011, p. 870. In dezelfde zin Gras 2006, p. 27 (die over een juridisch belang spreekt, een richtsnoer voor voorgenomen juridisch handelen); W.A.M. van Schendel, Principes edelachtbare, in: W.A.M. van Schendel (red.), Naar ons voorlopig oordeel, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 62, nr. 19. In de stellingen van de ouders lag niet tevens besloten dat de toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht zou leiden tot een juridisch andere positie. Integendeel, de vordering tot vergoeding van de aan de begrafenis en kleding van Jeffrey gerelateerde kosten en de afwijzing daarvan vanwege onvoldoende specificering waren in cassatie niet meer in het geding en een aanspraak op vergoeding van affectieschade was destijds nog niet aan de orde. Een processueel belang veronderstelt echter wel dat het gevorderde een impact kan hebben op de rechtspositie van eiser.

      2.3 Versoepelde beoordeling van het belang bij een declaratoire vordering

      De rechter moet er volgens de Nederlandse wetgever in het algemeen van uitgaan dat de eiser voldoende belang heeft, zodat deze laatste slechts bij uitzondering zal moeten bewijzen over voldoende belang te beschikken.41xTM bij art. 3.11.7, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915. Het algemene uitgangspunt in verband met het vereiste van voldoende belang in het licht van art. 3:303 BW is dan ook dat een dergelijk voldoende belang wordt verondersteld.42xJongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 6; D.F.H. Stein & J.M. Truijens Martinez, noot onder HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, JBPR 2015/34, nr. 14; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1. Zie ook concl. A-G Hartkamp bij HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, NJ 2000/1, nr. 12. Ook de Hoge Raad stelt voorop dat in beginsel mag worden aangenomen dat voldoende belang bestaat bij een vordering en voegt daaraan toe dat indien dit belang wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dit belang, de stelplicht en bewijslast in beginsel rusten op degene die de vordering instelt.43xHR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2. De declaratoire vordering vormt evenwel een van de uitzonderingen op dat vermoeden van voldoende belang.44xTM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915. Ze heeft dan ook een bijzondere verhouding met het belangvereiste.45xZie hierover Gillaerts 2020, nrs. 575 en 587 e.v. De vraag naar het vereiste (voldoende) belang stelt zich er uiterst scherp.46xZie ook A. Blomeyer, Types of Relief Available (Judicial Remedies), in: M. Cappelletti (red.), International Encyclopedia of Comparative Law. Vol. XVI, Civil Procedure, Tübingen: Mohr Siebeck 2014, p. 48, nrs. 96 e.v. Daar waar bij een veroordelende vordering het rechtsgevolg bij toewijzing gegeven is, speelt bij een verklaring voor recht de vraag of daaraan enig rechtsgevolg kan worden verbonden. Het moet gaan om een bindende vaststelling van het bestaan of precisering van de inhoud van een rechtsverhouding.47xKeirse 2011, p. 870. Daarbij is op grond van art. 3:302 BW onmiddellijke betrokkenheid van de eiser vereist.

      Toch valt vanuit rechtsvergelijkend perspectief een tendens tot versoepeling te bespeuren in de beoordeling van het belang bij een declaratoire vordering.48xZo wordt in de Franse rechtsleer gewezen op de evolutie naar een steeds ruimere aanvaarding van declaratoire vorderingen in de rechtspraak en wordt zowel in de Duitse als in de Belgische rechtsleer gepleit voor een versoepeling bij de beoordeling van de voorwaarden voor declaratoire vorderingen. Zie hierover Gillaerts 2020, nr. 585. Die versoepeling is in het bijzonder zichtbaar in het Nederlandse recht met betrekking tot de problematiek van de splitsing van vorderingen. Dat brengt ons ook meteen een stap dichter bij het antwoord op de vraag naar het belang bij een declaratoire vordering na afwijzing van een veroordelende vordering.

      Een belangrijk arrest met betrekking tot de splitsing van vorderingen is het Dominee-arrest van de Hoge Raad uit 1951.49xHR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29 m.nt. Ph.A.N.H. (Dominee-arrest). Zie in dezelfde zin De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie bij HR 23 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1765, NJ 1996/216 (Deen/Van der Drift), nr. 8. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat wanneer de eiser zich jegens de verweerder beroept op het bestaan van een verbintenis uit onrechtmatige daad die hem een aanspraak verleent op vergoeding van diens schade, hij alleen in geval van bijzondere omstandigheden een afzonderlijke vaststelling van die verbintenis mag vorderen onder het voorbehoud van het recht om veroordeling tot schadevergoeding te vorderen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die aan een veroordeling vooralsnog in de weg staan ondanks het bestaan van een aanspraak, en die het wenselijk maken dat de eiser het bestaan van de aanspraak reeds dadelijk door een bindende verklaring door de rechter veiligstelt. De rechter moet er in de woorden van de Hoge Raad aldus van uitgaan dat, in het licht van de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang der rechtspleging,50xGezamenlijk te vatten onder de noemer ‘goede procesorde’, zoals bepleit door A-G Bakels in nr. 2.3 en daarin gevolgd door de Hoge Raad, zie HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2600, NJ 1998/764 m.nt. M.M. Mendel (Europeesche/OHRA). Zie ook V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, Deventer: Kluwer 2006, p. 104, nr. 67. de eiser zijn rechtsvordering niet willekeurig mag splitsen in afzonderlijke vorderingen betreffende de erkenning van een recht en de veroordeling tot een prestatie, en dat deze splitsing alleen toelaatbaar is wanneer bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen tot behoud van eisers rechten. Door middel van het belangvereiste bij een verklaring voor recht moet worden vermeden dat eerst over het recht en pas daarna nog eens over de (mogelijk afwezige) rechtsgevolgen wordt geprocedeerd.51xTen Kate 2001, p. 307.

      Die houding tegenover de splitsing van vorderingen is ingegeven door het voormelde proceseconomische motief bij het belangvereiste.52xFrenk 1994, p. 30, nr. 3. Volgens Lindijer zou de regel uit het Dominee-arrest potentieel betrekking hebben op elke declaratoire vordering.53xLindijer 2006, p. 102, nr. 65. Verschillende argumenten zijn geopperd en geëvalueerd over het antwoord op de vraag waarom een splitsing in enerzijds een vordering tot erkenning van recht en anderzijds een vordering tot veroordeling tot een prestatie al dan niet toegelaten zou (moeten) zijn. Getuigt vasthouden aan het Dominee-arrest van excessief formalisme? Het antwoord hangt af van welke goede argumenten er (nog) bestaan voor het handhaven van die zienswijze.54xJ. Spier in zijn conclusie bij HR 27 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2014:2733, JBPR 2015/34 m.nt. D.F.H. Stein en J.M. Truijens Martinez, nr. 9. Recent onderzoek wijst er alvast op dat de argumenten tegen een zogenaamde blote verklaring voor recht (zonder tevens een veroordeling tot een prestatie te vorderen) niet kunnen worden onderschreven.55xGillaerts 2020, nrs. 713-714 en 717-720.

      In het arrest Europeesche/OHRA uit 1998 verfijnde de Hoge Raad het eerdere uitgangspunt door te overwegen dat de vraag of rechtens voldoende belang bestaat bij een vordering die louter strekt tot het verkrijgen van een of meer verklaringen voor recht, moet worden beantwoord door na te gaan wat, gegeven de bijzonderheden van de rechtsverhouding waarin partijen tot elkaar staan, de eisen van een goede procesorde meebrengen.56xHR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2600, NJ 1998/764 m.nt. M.M. Mendel (Europeesche/OHRA). Vgl. ook HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502 m.nt. P.B. Hugenholtz (Stokke/Fikszo).

      Onder verwijzing naar dit arrest spreekt Van Nispen van een versoepeling van de rechtspraak over de splitsing van vorderingen.57xVan Nispen 2018, p. 32, nr. 19. Zie ook C.J.J.C. van Nispen, Wordt te veel voor recht verklaard?, TCR 2016, p. 20. Ook Vranken en Hartlief brengen naar voren dat de Hoge Raad meer ruimte is gaan bieden.58xJ.B.M. Vranken in zijn noot bij HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77 (AIG Europe/M); T. Hartlief in zijn conclusie bij HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X), ECLI:NL:PHR:2019:1174, nrs. 3.9 e.v. In dit verband treedt ook het belangrijke arrest AIG Europe/M uit 2015 op de voorgrond.59xHR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77 m.nt. J.B.M. Vranken; JIN 2015/88 m.nt. J. van Weerden; JA 2015/76 m.nt. M.R. Hebly; JBPR 2015/34 m.nt. D.F.H. Stein en J.M. Truijens Martinez (AIG Europe/M). Daarin overwoog de Hoge Raad dat indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan dient uit te gaan dat de eiser daarbij (voldoende) belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. De Hoge Raad gaf er blijk van aldus terug te komen van zijn rechtspraak in het Dominee-arrest, voor zover in dat arrest anders is geoordeeld.60xDe gebruikte bewoordingen wijzen er mogelijk op dat er geen kentering in de rechtspraak van de Hoge Raad is gekomen door het arrest AIG Europe/M, maar veeleer een precisering of verduidelijking. Een andere lezing is dat de Hoge Raad met de woorden ‘voor zover’ heeft willen preciseren dat hij terugkomt op een deel van dit arrest, namelijk specifiek en enkel op de toepassing van het daarin afgekondigde regime op de vordering tot verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk was uit onrechtmatige daad. In de rechtsleer was reeds de vraag gerezen of het Dominee-arrest nog wel overeenstemde met het hedendaagse recht.61xN.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 1.

      Opmerking verdient evenwel dat de Hoge Raad in AIG Europe/M – anders dan in het Dominee-arrest – niet in algemene zin oordeelt, maar het afgekondigde regime toespitst op de vordering tot verklaring voor recht dat aansprakelijkheid bestaat voor schade. Houdt de gevorderde verklaring voor recht in dat iemand onrechtmatig heeft gehandeld of aansprakelijk is, dan geldt de hier aangedragen lage drempel en bestaat bij die vordering reeds belang als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Duidelijk is dat de Hoge Raad in ieder geval tot zover het in het Dominee-arrest afgekondigde verbod om vorderingen onnodig te splitsen heeft laten varen. Thans kan echter niet met zekerheid worden gesteld dat dit soepele regime ook geldt voor een verklaring voor recht als afzonderlijke vordering buiten het aansprakelijkheidsrecht.62xDeurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.9. Denk bijvoorbeeld aan de verklaring voor recht dat een overeenkomst geëindigd is, of dat een bepaald eigendomsrecht bestaat. Mogelijk moet dan nog wel worden nagegaan wat gegeven de bijzonderheden van de rechtsverhouding waarin partijen tot elkaar staan, de eisen van een goede procesorde meebrengen.63xGillaerts 2020, nr. 716. Hoe dit ook zij, bovenstaande bloemlezing getuigt van een ontwikkeling van toenemende rechterlijke terughoudendheid bij het toetsen van het belang bij een verklaring voor recht.64xVerwezen zij hier ook naar HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1058, NJ 1994/118 m.nt. H.E. Ras, waarin gelezen wordt dat volgens de Hoge Raad in het algemeen terughoudendheid geboden is bij het aannemen van onvoldoende belang.

      2.4 Meerwaarde verklaring voor recht, ongeacht enige veroordeling tot prestatie

      In het licht van het bovenstaande rijst de vraag naar de meerwaarde van een verklaring voor recht als autonoom rechtsbeschermingsmiddel, onafhankelijk van een veroordeling tot een prestatie. Daarbij valt op hoe de verklaring voor recht naar voren komt in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht als middel om herstel of genoegdoening te verlenen of om aan rechtshandhaving te doen.65xZie Gillaerts 2020, nrs. 56 en 93; Vranken 2015; Groeneveld-Tijssens 2015.

      De verklaring voor recht kan volgens de rechtsleer immers een vorm van herstel uitmaken,66xConcl. A-G Koopmans bij HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0833, AB 1993/198 m.nt. F.H. van der Burgh; NJ 1994/734 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.2.3 (‘het hof [heeft] de primair gevorderde verklaring voor recht (…) aangemerkt als een “soort schadevergoeding in natura”’); Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding 2019, art. 6:106 BW, aant. 1.16. Vgl. Tigelaar, in: GS Schadevergoeding 2018, art. 6:103 BW, aant. 5.1; Wiggers-Rust 2000, p. 153, nr. 7. dan wel genoegdoening opleveren.67xBarendrecht 2003, p. 105; Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.2; S.D. Lindenbergh, Vermogensrechtelijke remedies bij schending van fundamentele rechten, in: G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh (red.), EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos? (Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2011), Deventer: Kluwer 2011, p. 83-86; C. van Dam, Access to justice en immaterieel belang, in G. van Maanen (red.), De rol van het aansprakelijkheidsrecht bij de verwerking van persoonlijk leed, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2003, p. 25, par. 1. Zie ook Van Nispen 2018, p. 15, nr. 10. De verklaring voor recht ingevolge een declaratoire vordering kan een symbolische herstelmaatregel uitmaken.68xE. de Kezel, Juridische bescherming van niet-vermogensrechtelijke belangen, TPR 2003, p. 551-552, nrs. 125-127. Ze verandert het beweerde (on)recht in vaststaand (on)recht.69xL.M. Coenraad & P. Smits, Beginselen van burgerlijk procesrecht, TCR 2017, p. 20, vn. 10. Denk in dat verband ook aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de declaratoire uitspraak als billijke genoegdoening.70xZie uitgebreid S. Somers, Aansprakelijkheidsrecht en mensenrechten, Antwerpen: Intersentia 2016, p. 487, nrs. 627 e.v. Ingevolge art. 41 EVRM kent het EHRM, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan de benadeelde, indien het Hof vaststelt dat daarbij een schending van het EVRM of van de Protocollen heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken lidstaat slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat. De rechtsleer wijst op de (weliswaar afnemende71xM. Sirinelli, La stratégie des parties face à la perspective d’octroi de dommages-intérêts par la Cour – Côté Etat défendeur, in: J.-F. Flauss & E. Lambert Abdelgawad (red.), La pratique d’indemnisation par la Cour européenne des droits de l’homme, Brussel: Bruylant 2011, p. 78.) gewoonte van het EHRM sinds het arrest Golder/Verenigd Koninkrijk72xEHRM 21 februari 1975, ECLI:NL:XX:1975:AB5466, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57496. om zich te beperken tot een declaratoire uitspraak waarbij de vaststelling van de schending van het EVRM – en dus een loutere verklaring voor recht – voldoende genoegdoening biedt, zonder nood aan verdere (financiële) compensatie.73xZie de verwijzingen bij Somers 2016, p. 487, nr. 627.

      Ook in het verlengde van discussies over de moeilijkheid om sommige schadeposten te begroten en over praktijken zoals symbolische schadevergoedingen74xGillaerts 2020, nrs. 91-92. treedt het idee van een verklaring voor recht op de voorgrond. Soms is het (werkelijke) doel van de eiser bij het instellen van een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering niet zozeer de vergoeding van geleden schade, maar wel de gerechtelijke verklaring van zijn subjectieve rechten en de grenzen daarvan.75xH. Stoll, Consequences of Liability: Remedies in International Encyclopedia of Comparative Law. Vol. XI, Torts, Tübingen: Mohr 1972, p. 77, nr. 83. Het gaat dan om de rechtshandhavingsfunctie van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht.76xUitgebreid over deze functie: Gillaerts 2020, nrs. 161 e.v. De praktijk van het toekennen van een symbolische euro als schadevergoeding houdt verband met het voortzetten of realiseren van een geschonden (subjectief) recht en aldus het vaststellen dat het recht geschonden is.77xU. Magnus, Comparative Report on the Law of Damages, in: U. Magnus (red.), Unification of Tort Law: Damages, Den Haag: Kluwer Law International 2001, p. 187, nr. 14. De toekenning van een symbolische euro als schadevergoeding houdt immers de facto de erkenning in van schade die uitsluitend erin bestaat dat een recht geschonden is.78xW. van Gerven & S. Lierman, Algemeen deel. Veertig jaar later. Privaat- en publiekrecht in een meergelaagd kader van regelgeving, rechtsvorming en regeltoepassing, Mechelen: Kluwer 2010, p. 391, randnr. 141. Vgl. W. van Gerven, J. Lever & P. Larouche, Tort Law, Oxford: Hart Publishing 2000, p. 740. De loutere erkenning van het (subjectieve) recht in kwestie kan de overhand hebben omdat de rechtsschending geen begrootbare schade heeft veroorzaakt, of omdat de eiser meer belang hecht aan de erkenning van diens recht dan aan de daadwerkelijke vergoeding van de schade.79xVan Gerven, Lever & Larouche 2000, p. 740.

      In de rechtspraak van de Hoge Raad komt alvast een situatie naar voren waarin voldoende belang aanwezig zal zijn voor een declaratoire vordering na rechtsschending, namelijk in geval van een schending van het fundamentele recht op een eerlijk proces (zoals vervat in onder andere art. 6 EVRM). Het betreft de Chipshol-beschikking.80xHR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, JBPR 2010/42 m.nt. H.L.G. Wieten (Chipshol). Daarin verzocht Chipshol (samengevat) een voorlopig getuigenverhoor. Chipshol wenste opheldering omtrent de vervanging van de rechters die belast waren met de behandeling van de zaken die zij tegen de Luchthaven Schiphol N.V. en tegen Luchtverkeersleiding Nederland had opgestart. Chipshol vermoedde dat de vervanging te maken had met de wijze waarop de vervangen rechters de zaken behandelden. Volgens Chipshol was er een onrechtmatige beïnvloeding van de procedure door het gerechtsbestuur. Indien zou blijken dat de beweerde gang van zaken (een onrechtmatige vervanging van de rechters) ook daadwerkelijk had plaatsgehad, zou dat een ernstige schending inhouden van Chipshols fundamentele recht op een eerlijk proces, onder andere gegarandeerd door art. 6 EVRM. Aangenomen werd dat Chipshol geen rechtens relevante schade kon lijden als gevolg van het door haar beweerde onrechtmatig handelen van het gerechtsbestuur, gelet op de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen de eindbeslissing. Het belang kon dan ook niet voortvloeien uit (het recht op) het herstel van geleden schade. Dit neemt evenwel niet weg dat de door Chipshol gestelde gang van zaken een ernstige schending zou betekenen van haar fundamenteel recht op een eerlijk proces. Volgens de Hoge Raad zou Chipshol in een op die schending gebaseerde procedure tegen de Nederlandse Staat in elk geval een verklaring voor recht kunnen vorderen ter genoegdoening voor deze schending. Daartoe beschikte Chipshol wel degelijk over voldoende belang. Het arrest erkent aldus de meerwaarde van een verklaring voor recht als genoegdoening voor een rechtsschending.81xZie ook Stein & Truijens Martinez 2015, nr. 23, die erop wijzen dat een inhoudelijk oordeel kan worden verkregen over een schending van art. 6 EVRM. Zie overigens ook concl. A-G Hartkamp bij HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. J. de Boer, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk overwoog dat in het enkele feit dat de rechter vaststelt dat van een schending van de betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is gelegen.

      De Chipshol-beschikking zou volgens een deel van de Nederlandse rechtsleer de inzet van een tegenbeweging kunnen vormen na het Jeffrey-arrest,82xA.F. Collignon-Smit Sibinga & S.V. Mewa, Fundamentele rechten in de personenschadepraktijk, L&S 2011, p. 17, nr. 5; D. Haas, Een verklaring voor recht als vorm van genoegdoening. Heeft de Hoge Raad de deur opengezet?, MvV 2010, p. 158, nr. 1 en p. 160-161, nr. 4; Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 84, vn. 304; G.E. van Maanen, Maakt Chipshol een einde aan Jeffrey?, NTBR 2010/24; G.E. van Maanen, De impact van het EVRM op het privaatrecht. Een grote ver-van-mijn-bedshow?, in: G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh (red.), EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos? (Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2011), Deventer: Kluwer 2011, p. 36. of toch minstens een ernstige relativering ervan uitmaken.83xZie de verwijzingen bij A. Akkermans, Requiem voor het Jeffrey-arrest, in: T. Hartlief & M.G. Faure (red.), De Spier-bundel. De agenda van het aansprakelijkheidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 101, nr. 6. Haas merkt evenwel terecht op dat het Jeffrey-arrest en de Chipshol-beschikking niet over eenzelfde kam te scheren zijn. In de zaak Chipshol was er namelijk een potentiële aansprakelijkheidsclaim, waarvoor het voorlopige getuigenverhoor een opstap zou vormen, terwijl in de Jeffrey-zaak de schadevergoedingsvordering in cassatie juist uitdrukkelijk niet meer in het geding was.84xHaas 2010, p. 161, nr. 4. Daarin werd in cassatie nog slechts een moreel declaratoir gevraagd. Het relevante verschil situeert zich op het niveau van het aanwezig zijn van een rechtens relevant (door het burgerlijk recht erkend) belang bij Chipshol, dat er niet was bij Jeffrey. Bij Jeffrey was het probleem dat er geen recht naar voren werd geschoven, enkel een emotioneel belang, hoewel de vordering had kunnen steunen op het recht op (schade)herstel op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid. De uitkomst in de Jeffrey-zaak zou anders zijn geweest als de ouders zich hadden beroepen op een schending van een door het burgerlijk recht erkende norm, zodat een rechtsverhouding had moeten worden vastgesteld.85xKeirse 2011, p. 870-871. Vgl. Van Schendel 2001, p. 63, nr. 20 De eventuele vaststelling dat Jeffrey door de schuld van een ander is overleden, gaf destijds geen aanspraak op vergoeding van affectieschade en die vaststelling los van enig (beweerd) recht was op zichzelf geen schending van een rechtens relevant belang van de ouders. Dit neemt niet weg dat de civiele rechtspraak openstaat voor vaststellingen van civielrechtelijke normschendingen, onafhankelijk van de vraag of de motivatie van de rechtzoekende van financiële, ideële of emotionele aard is.86xKeirse 2011, p. 871. Zie ook HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:757. Wat telt voor de beoordeling van het belang is de invloed op de rechtspositie van de eiser, zodat het moet gaan om de subjectieve rechten van de eiser.

      Zo kan worden geconcludeerd dat de verklaring voor recht een rol te spelen heeft als vorm van genoegdoening of (rechts)herstel in geval van een schending van een subjectief recht. Het subjectieve recht vormt dan ook het uitgangspunt van het burgerlijk procesrecht en vormt de rechtspositie waarop het processuele belang betrekking heeft. Dat blijkt uit wat de rechtshandhavingsfunctie van het burgerlijk procesrecht kan worden genoemd.87xGillaerts 2020, nr. 284. Het burgerlijke proces leidt tot de handhaving van de orde die het materiële recht nastreeft.88xE. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Stein/Rueb. Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 1, nr. 1.1. In die zin maakt en breekt het burgerlijk procesrecht subjectieve rechten.89xA.C. van Schaick, Het burgerlijk recht de baas? Over de verwevenheid van burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 23, nr. 7. Zie ook Asser/Van Schaick 2 2016/7. De verwezenlijking van het materiële recht wordt aldus genoemd als het primaire doel van het burgerlijk procesrecht.90xG.C.C. Lewin, Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht, Amsterdam: Vossiuspers UvA 2013, p. 6, nr. 3 en p. 17, nr. 29. Zie ook H.J. Snijders, They have a dream… een fundamenteel nieuw wetboek van rechtspleging, NJB 2003, p. 1700, nr. 4; S.M.A.M. Venhuizen, Boekbespreking van ‘G.C.C. Lewin, Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht (oratie Amsterdam UvA)’, TvPP 2013, p. 121, nr. 6; E.M. Wesseling-van Gent, Minimumvereisten voor een civiele procedure, WPNR 1985, p. 393, nr. 1. Toch moet ervoor worden gewaakt om het burgerlijk procesrecht te verengen tot het realiseren van subjectieve rechten. Het gaat om rechtsverschaffing in ruime zin, variërend van het handhaven van subjectieve rechten door vaststelling en realisatie of effectuering ervan tot het beïnvloeden van subjectieve rechten door de rechtstoestand te wijzigen (bijvoorbeeld via een echtscheidingsbeschikking).91xGillaerts 2020, nr. 283.

      Een verklaring voor recht is daar geenszins vreemd aan, zelfs niet los van enige veroordeling tot prestatie, op voorwaarde dat de gevorderde verklaring voor recht de rechtspositie van de eiser raakt. De vaststelling van subjectieve rechten behoort namelijk tot de kern van het rechterlijk optreden.92xGillaerts 2020, nr. 346 e.v. Zo omschreef Scheltema de taak van de rechter als het geven van bindende beslissingen over de toepassing van het objectieve recht op concrete verhoudingen, waarbij de rechter middels toetsing aan dat objectieve recht op voor partijen bindende wijze vaststelt hoe de concrete verhoudingen tussen partijen behoren te zijn.93xF.G. Scheltema, Het declaratoor vonnis, NJB 1932, p. 184, nr. 4. Een declaratoire uitspraak weerspiegelt derhalve de aard van de rechterlijke taak.94xScheltema 1932, p. 184, nr. 4. In Nederland is die zienswijze doorgebroken onder invloed van het proefschrift van Parser.95xG. Parser, Het declaratoir vonnis (diss. Amsterdam UvA), Amsterdam: Roeloffzen, Hübner en Van Santen 1903. Het is een cruciale factor gebleken in een mentaliteitswijziging tegenover declaratoire uitspraken, waarbij van een uitsluiting in de oudere rechtspraak naar een aanvaarding van dergelijke uitspraken werd geëvolueerd.96xZoals bijv. opgemerkt door R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, p. 300; Scheltema 1932, p. 186-187, nr. 5; H.G. van der Werf, Procederen of schikken? Aspecten van het geldend maken van civiele rechten en bevoegdheden naar huidig en toekomstig recht, Arnhem: Gouda Quint 1984, p. 83. De verklaring voor recht vormt aldus een centraal element binnen het burgerlijk procesrecht en de declaratoire vordering zal niet stranden op het processuele belangvereiste als de verklaring voor recht als rechtsherstel in de rechtsverhouding tussen partijen tot een verbetering van de rechtspositie van de eiser leidt.

    • 3 De speelruimte voor de declaratoire vordering in het kader van een schadeclaim

      3.1 De worstelende lagere rechtspraak

      Uit het voorgaande volgt dat advocaten en rechters zich met regelmaat voor de vraag gesteld zien hoe te oordelen over het belang van eisende partijen bij een declaratoire vordering. Voor zover het gaat om een vordering tot een kale verklaring voor recht, biedt de bovenstaande analyse voldoende richting en houvast voor deze beoordeling. Deels open ligt evenwel nog het antwoord op de vraag hoe te oordelen over het belang bij een verklaring voor recht die gevorderd wordt in combinatie met een of meer andere vorderingen strekkende tot een veroordeling tot prestatie, zoals vergoeding van schade of verwijzing naar de schadestaatprocedure. In de meerderheid van de gevallen waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd, staat deze niet op zichzelf, maar wordt deze gecombineerd met een of meer vorderingen tot een prestatie.97xGroeneveld-Tijssens 2015, nr. 2. Het is verdedigbaar om te bepleiten dat de declaratoire vordering in dergelijke gevallen wegens gebrek aan belang moet stranden, in de mate dat deze aanstuurt op een verklaring voor recht die vervat zit in de beoordeling van de veroordelende vordering.98xGillaerts 2020, nr. 724 en verwijzingen aldaar. Zo wordt wel aangevoerd en aangenomen dat een eisende partij in ieder geval geen belang meer heeft bij een declaratoire vordering indien een daarop voortbouwende veroordelende vordering wordt toegewezen; in het meerdere zit immers het mindere vervat. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld oordeelt naar aanleiding van een grief in deze lijn en overweegt dat aan de vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht naast de vordering tot schadevergoeding geen zelfstandige betekenis toekomt, nu ook de vordering tot schadevergoeding reeds een oordeel omtrent de (on)rechtmatigheid van het handelen van de gedaagde vraagt; reden waarom de eisende partij wegens het ontbreken van belang in haar vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht niet-ontvankelijk wordt verklaard.99xHof ’s-Hertogenbosch 25 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5631, r.o. 4.2.2. In vergelijkbare zin oordeelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat appellante, gezien de toewijzing van haar vordering tot veroordeling van Ikea tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, geen zelfstandig belang heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, zodat haar vordering in zoverre wordt afgewezen.100xHof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:611, r.o. 2.18. Toch komt het ook voor dat rechters tegelijkertijd met de toewijzing van de gevorderde veroordeling tot een prestatie ook de gevorderde verklaring voor recht toewijzen, zonder aandacht te besteden aan de vraag welk belang eiser daarbij heeft.101xGroeneveld-Tijssens 2015, nr. 40. Spiegelbeeldig rijst de vraag of declaratoire en veroordelende vorderingen al dan niet elkaars lot delen als tot een afwijzing van de meest verstrekkende vordering wordt beslist. Nuance is hier geboden.102xVgl. Gillaerts 2020, nr. 724. Het is immers mogelijk dat de declaratoire vordering in subsidiaire zin is ingesteld. Een vaststelling van de rechtsverhouding van partijen kan geboden zijn, ook als een daarnaast beoogde wijziging van de rechtsverhouding middels een veroordelende uitspraak niet in het verschiet blijkt te liggen. Hoe ruim is hier de speelruimte van de rechter?

      Stel dat een rechter in een voorliggend geval op het punt staat de meer verstrekkende veroordelende vordering tot bijvoorbeeld schadevergoeding af te wijzen en uitsluitend de vraag resteert hoe te beslissen op de daarnaast gevorderde verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld. Het oordeel in het hoofd van de rechter luidt dat de gedaagde weliswaar (mogelijk of zeker) onrechtmatig heeft gehandeld, maar evengoed niet aansprakelijk is, bijvoorbeeld omdat er geen causaal verband bestaat tussen de (eventuele) normschending en de gestelde schade. Als er in zo’n geval uitsluitend een vordering tot schadevergoeding voor zou liggen, hoeft in de uitspraak niet te worden beslist over de onrechtmatigheid. Nu echter wel (tevens) een declaratoire vordering dat onrechtmatig is gehandeld is ingesteld, is het de vraag of de rechter de eiser niet-ontvankelijk mag – of zelfs moet – verklaren in deze vordering, dan wel deze mag – of moet – afwijzen. Of mag of moet de rechter – eventueel na een nadere beoordeling van de onrechtmatigheid – juist overgaan tot toewijzing van de verklaring voor recht dat onrechtmatig gehandeld is? Toewijzing van een dergelijke verklaring voor recht zal niet kunnen leiden tot een verplichting tot schadevergoeding, aangezien geoordeeld wordt dat door de fout geen schade is geleden. Het zou daarmee een tandeloze uitspraak zijn en de vraag rijst of de declaratoire vordering daarmee zelfstandig nut verliest en op die grond van toewijzing verstoken dient te blijven.

      Op 6 maart 2020 heeft de Hoge Raad een deel van het antwoord gegeven, waarover meer in de volgende paragraaf. Vooraleerst laten we de revue passeren dat de antwoorden in de lagere rechtspraak niet eensluidend zijn. Meer dan eens oordelen feitenrechters, in geval van afwijzing van de primaire veroordelende vordering, dat de eiser zijn belang bij de subsidiaire declaratoire vordering onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd of onvoldoende heeft toegelicht en volgt op die grond een niet-ontvankelijkheidsverklaring, althans afwijzing van de declaratoire vordering.103xHof Leeuwarden 25 augustus 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6331, r.o. 17; Rb. Dordrecht 12 mei 2010, r.o. 4.11, te kennen uit de conclusie van De Vries Lentsch-Kostense voor HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2988; Rb. Almelo 14 september 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BT2041, r.o. 7; Rb. Amsterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:832, r.o. 4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2078, r.o. 14.13; Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4217, r.o. 2.8; Rb. Limburg 7 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2077. Vgl. ook Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:85 en Hof Amsterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:374. Daartegenover staan uitspraken waarin een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld dan wel toerekenbaar is tekortgeschoten wordt toegewezen ondanks de afwijzing van de daarop voortbouwende vordering tot schadevergoeding, bijvoorbeeld op grond van het oordeel dat door de onrechtmatige daad dan wel wanprestatie geen schade is geleden.104xRb. Arnhem 16 juli 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BD8698, RN 2008/83; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973; Rb. Amsterdam 19 september 2018, C/13/632833/HA-ZA 17-735 (niet-gepubliceerd). Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8764. Aldus besliste bijvoorbeeld het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zaak die aan het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2020 ten grondslag lag.105xHof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973. Dit vormde de inzet in cassatie. Het belang bij de door het hof toegewezen verklaring voor recht dat onrechtmatig was gehandeld, werd betwist. De zaak verdient daarom onze bijzondere aandacht.

      3.2 Arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2020

      Kort samengevat gaat het in deze zaak waarin de Hoge Raad op 6 maart 2020 arrest wees over de kwalificatie en de gevolgen van de weigering van een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar om een bepaald document te verstrekken aan een in de rechten van haar verzekerde getreden partij. Het geval wil namelijk dat een investeerder zijn voormalig advocaat aansprakelijk heeft gesteld voor beroepsfouten, waarop deze advocaat zijn vordering op zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft gecedeerd aan de benadeelde investeerder. Vervolgens heeft de investeerder met de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar een vaststellingsovereenkomst gesloten over de hoogte van de uitkering uit verzekering. Ten tijde van het sluiten van die overeenkomst was de investeerder ervan op de hoogte dat een brief van de (voormalig) advocaat gericht aan de verzekeraar – met daarin mogelijk relevante informatie over de dekking – door laatstgenoemde werd achtergehouden. Na het sluiten van de overeenkomst is de investeerder alsnog bekend geraakt met de inhoud van de brief, die volgens hem een voor hem gunstiger licht wierp op de verzekeringsdekking. De investeerder vorderde daarom een verklaring voor recht dat de verzekeraar aldus onrechtmatig had gehandeld, en verder onder meer wijziging van de gesloten vaststellingsovereenkomst en veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees de vorderingen af, met uitzondering van genoemde verklaring voor recht.106xHof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973. Het hof wees dus uitsluitend de eerste vordering van de investeerder toe, strekkende tot een verklaring voor recht dat de verzekeraar onrechtmatig jegens hem had gehandeld. De op financiële compensatie gerichte vorderingen van de investeerder werden afgewezen, waarbij het hof onder meer oordeelde dat de investeerder geen schade had geleden door het onrechtmatig handelen van de verzekeraar. De verzekeraar kwam in cassatie op tegen de toewijzing van de verklaring voor recht.

      Een van de onderdelen van het cassatiemiddel klaagde in essentie dat het hof zou hebben miskend dat de investeerder geen belang in de zin van art. 3:303 BW had bij de toewijzing van een enkele verklaring voor recht dat de verzekeraar onrechtmatig had gehandeld. Daartoe voerde de verzekeraar aan dat de overige veroordelende vorderingen van de investeerder waren afgewezen, de investeerder aan zijn vordering betreffende de verklaring voor recht niets anders ten grondslag had gelegd dan aan zijn overige vorderingen, en bovendien de mogelijkheid van een schadestaatprocedure inmiddels ontbrak omdat gezag van gewijsde toekwam aan de afwijzing van de overige vorderingen en de gronden daarvoor. De Hoge Raad volgt dit betoog niet, verwerpt het cassatieberoep en doet – helaas voor ons – de zaak af met toepassing van art. 81 Wet RO en derhalve zonder motivering.107xHR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X).

      De conclusie van A-G Hartlief voorziet daarentegen in de nodige toelichting.108xT. Hartlief in zijn conclusie bij HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X): ECLI:NL:PHR:2019:1174. Hartlief start evenals onze analyse met het uitgangspunt van het belangvereiste van art. 3:303 BW. Ook Hartlief stelt dat het hierbij om de regel ‘geen belang, geen actie’ gaat en dat de declaratoire vordering een uitzondering vormt op de algemene veronderstelling dat een eiser voldoende belang bij zijn vordering heeft.109xHartlief 2019, nr. 3.7. Volgens Hartlief moet die uitzondering in de historische context worden geplaatst. De declaratoire vordering was op het moment van de wetsgeschiedenis nog ongebruikelijk en ze werd voorheen zelfs beschouwd als strijdig met aard en doel van het burgerlijk procesrecht.110xHartlief 2019, nr. 3.8. Vandaag is de declaratoire vordering evenwel volkomen ingeburgerd, aldus Hartlief. Onze analyse heeft er alvast op gewezen dat een verklaring voor recht geenszins in strijd is met de kern van het burgerlijk procesrecht. Vervolgens wijst Hartlief, eveneens in lijn met ons betoog, op de versoepeling die zichtbaar is met betrekking tot de beoordeling van het belang bij een declaratoire vordering, in het bijzonder wat de splitsing van vorderingen betreft.111xHartlief 2019, nrs. 3.9-3.12. Er is aldus meer ruimte vandaag voor de declaratoire vordering. Naast deze eerste ontwikkeling, ziet de advocaat-generaal nog een tweede ontwikkeling die beoogt recht te doen, niet alleen binnen het aansprakelijkheidsrecht, maar ook binnen het burgerlijk procesrecht, aan de behoefte aan andere vormen van genoegdoening dan door schadevergoeding.112xHartlief 2019, nrs. 3.9 en 3.13. Hiervoor wezen wij reeds op de meerwaarde van de blote verklaring voor recht. Gelet op beide ontwikkelingen ziet Hartlief geen aanleiding tot de niet-ontvankelijkverklaring van de partij in de declaratoire vordering na afwijzing van de veroordelende vorderingen.113xHartlief 2019, nr. 3.15. In het licht van onze analyse verdient die zienswijze navolging. Terwijl de verzekeraar zijn pijlen richt op de kale verklaring voor recht als ongepaste sanctie op de normschending, weegt voor Hartlief zwaarder dat de inzet in deze procedure niet enkel deze verklaring betrof, maar dat de investeerder ook financiële consequenties aan de normschending beoogde te verbinden. Dat die financiële consequenties door het hof worden afgewezen, rechtvaardigt niet de ontzegging van de verklaring voor recht, ook al kan die de investeerder dan inderdaad nog slechts (enige) genoegdoening geven.

      3.3 De uitkomst van de gecombineerde aanpak

      Met dit arrest in de hand kunnen we concluderen dat een rechter die in zijn overwegingen het oordeel van onrechtmatigheid heeft uitgesproken, maar aansprakelijkheid afwijst, niet gehouden is de eisende partij een gevorderde verklaring voor recht te ontzeggen, uitsluitend omdat daarop geen veroordeling meer kan worden gebaseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden mocht in deze zaak de declaratoire vordering toewijzen; de investeerder was ontvankelijk in deze vordering en had voldoende belang bij toewijzing daarvan.

      Blijft over de vraag die de Hoge Raad (of de advocaat-generaal) niet heeft beantwoord: had het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het anders mogen doen? Mag een rechter – al dan niet om pragmatische redenen – een eiser de toewijzing van een verklaring voor recht onthouden omdat daarop geen veroordeling meer kan volgen? Dit is volgens ons afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo zouden de omstandigheden erop kunnen wijzen dat de eiser de declaratoire vordering enkel als opstap voor de veroordelende vordering beoogt, zodat de loutere verklaring voor recht niet als rechtsherstel zou moeten worden beschouwd. Voorts kan de reden tot afwijzing van de veroordelende vordering ook relevant zijn voor de afwijzing van de declaratoire vordering, bijvoorbeeld wanneer de rechter zou besluiten dat het beweerdelijk geschonden recht niet bestaat of niet geschonden is. Dit was niet het geval in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat tot het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2020 aanleiding gaf; het hof oordeelde dat er wel degelijk een onrechtmatigheid was. Daardoor kon de verklaring voor recht, zelfs zonder enige veroordeling tot een prestatie, een vorm van genoegdoening en rechtsherstel uitmaken. Het debat dat partijen hierover voeren, zal in de regel mede van belang zijn. Procespartijen en hun advocaten doen er dus verstandig aan om enerzijds het belang bij een gevorderde verklaring voor recht toe te lichten daar waar dit niet voor zich spreekt, en anderzijds het belang daarbij te betwisten daar waar toewijzing ongewenst wordt geoordeeld.

      In sommige gevallen zullen beide partijen (en het recht) overigens juist zijn gediend bij het laten rusten van deelvragen naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van een onrechtmatige daad of wanprestatie, zodat aan een verklaring voor recht daaromtrent niet wordt toegekomen, bijvoorbeeld als beantwoording van deze deelvragen nader onderzoek en debat vergt, terwijl geoordeeld wordt dat de beoogde aansprakelijkheid hoe dan ook op andere gronden afketst. Zo stelde de rechtbank Den Haag in een zaak die naar aanleiding van de Faro-vliegramp speelde tegen de Rijksluchtvaardienst de eisers in de gelegenheid om ten aanzien van elk van hen in algemene zin nader toe te lichten dat zij schade hadden geleden als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad. Dit om te voorkomen dat er een mogelijk kostbaar en tijdrovend onderzoek zou komen dat naderhand onnodig zou blijken te zijn bij gebreke van schade of causaal verband.114xRb. Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2342, r.o. 6.32. Opmerkenswaardig is dat de rechtbank Amsterdam in een zaak van deels dezelfde eisers naar aanleiding van dezelfde vliegtuigramp, maar dan ingesteld tegen Martinair, juist in een overweging ten overvloede oordeelde dat Martinair onbetwist naar voren heeft gebracht dat eisers geen vermogensrechtelijk belang hebben bij toewijzing van hun vordering nu zij geen aanspraak konden maken op een hogere schadevergoeding dan hun reeds was vergoed (Rb. Amsterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:832, r.o. 4.6). Wij menen dan ook dat het stapelen alsook het toe- en afwijzen van vorderingen niet onnodig of arbitrair, maar weloverwogen en met beleid moeten geschieden.115xVgl. Vranken 2015, nr. 9. Hij constateert dat vorderingen vaak nodeloos gestapeld worden, maar acht dit nauwelijks problematisch omdat de bespreking van de verklaring voor recht in de regel geen extra werkzaamheden van de rechter of partijen vergt. Zo kan het in bepaalde situaties zinvol zijn om naast een revindicatie of uitruiming een verklaring voor recht te vorderen dat de eiser eigenaar is van de te revindiceren zaak, of een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is geëindigd, maar dit zal in standaardzaken niet steeds het geval zijn.

    • 4 Lessen voor de praktijk

      Welke lessen kan de rechtspraktizijn, in het bijzonder de rechter die worstelt met de kwestie, nu trekken uit de jurisprudentie van de Hoge Raad? Wat dient de lezer te onthouden van de gemaakte analyse?

      Ten eerste is het juiste uitgangspunt belangrijk: het vereiste van een processueel, rechtens relevant belang. Bij de beoordeling van dat vereiste behoort in de eerste plaats de mogelijke weerslag op de rechtspositie van de eiser die toewijzing van de vordering mee zou brengen, leidend te zijn. Daarbij moet het processueel, rechtens relevante belang als voldoende worden beoordeeld, hetgeen betekent dat het evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging.

      Ten tweede is het van belang voor ogen te houden dat ook een blote verklaring voor recht, los van enige veroordeling tot prestatie, de rechtspositie van de eiser ten goede kan komen. Ze kan een vorm van rechtsherstel uitmaken, een bron van genoegdoening voor de rechtsschending. Tot de essentie van het recht behoren niet alleen de bestraffing van de dader en de veroordeling tot schadevergoeding, maar ook de erkenning van wat er is gebeurd en wie ervoor verantwoordelijk is.

      Ten derde verdient opmerking dat de enkele afwijzing van een veroordelende vordering geen afbreuk doet aan de zelfstandige meerwaarde van de verklaring voor recht. Steeds zal de opdracht erin bestaan na te gaan of de toewijzing van de declaratoire vordering de rechtspositie van de eiser zal verbeteren. In geval van een schending van een subjectief recht kan de vaststelling van die schending en het geschonden recht alvast als genoegdoening een vorm van rechtsherstel opleveren voor degene wiens recht geschonden is. Dat sluit evenwel niet uit dat het instellen van een veroordelende vordering naast een declaratoire vordering of de afwijzing van die veroordelende vordering argumenten oplevert tot afwijzing van de declaratoire vordering in het licht van een beoordeling in concreto. Het is aan de rechter om in concreto vanuit het vereiste van een processueel, rechtens relevant belang na te gaan of de eiser een belang heeft bij de ingestelde declaratoire vordering, zonder dat belang in abstracto te mogen uitsluiten louter omwille van de afwijzing van de veroordelende vordering die dezelfde eiser had ingesteld. Advocaten dienen hierop bedacht te zijn bij de invulling van enerzijds de stel- en motiveringsplicht rondom het belangvereiste en anderzijds de gemotiveerde betwisting van het (gestelde of veronderstelde) belang.

      Het is dan ook, tot slot, onze aanbeveling dat advocaten zich bij de formulering en stapeling van vorderingen en rechters bij het toe- of afwijzen daarvan rekenschap geven van wat op het spel staat. Kortom: een verklaring voor recht? Verklaart u nader!

    Noten

    • * Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.
    • 1 HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X).

    • 2 Zie hierover P. Gillaerts, De Belgische declaratoire vordering en het niet-vergoedende aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen: Intersentia 2020, nrs. 369 e.v. en in het bijzonder nrs. 373 e.v.

    • 3 Zie bijv. T. Bleeker, Voldoende belang in collectieve acties: drie maal artikel 3:303 BW, NTBR 2018/20, nr. 2.1, N. Frenk, Kollektieve akties in het privaatrecht, Deventer: Kluwer 1994, p. 35, nr. 5 en de verwijzingen bij Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.8.

    • 4 Bleeker 2018, nr. 2.2; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303a BW, aant. 9; M.P.J. Verburgh, Aktiegroepenrecht, AA 1974, p. 87; M.P.J. Verburgh, Privaatrecht en kollektief belang, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1974, p. 14.

    • 5 Frenk 1994, p. 29, nr. 3; Asser/Korthals Altes & Groen 7 2015/49; J. van Baars, Point d’intérêt, point d’action, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn 1971, p. 160 en 165; C.J.J.C. van Nispen, Sancties in het vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 30, nr. 19.

    • 6 Bleeker 2018, nr. 2.3; Frenk 1994, p. 33, nr. 4; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303a BW, aant. 9.

    • 7 Zie hierover uitgebreid Bleeker 2018, nr. 2.1; Frenk 1994, p. 35, nr. 5; Van Nispen 2018, p. 30-31, nr. 19; L.F. Wiggers-Rust, Belang, belanghebbende en relativiteit in bestuursrecht en privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 101.

    • 8 Zoals verwoord in TM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915 met verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad. Zie over dit adagium uitvoerig Van Baars 1971.

    • 9 L.M.V. Douwes, Geen financieel belang, geen actie?, NTBR 2000, afl. 6, p. 223, nr. 2; Frenk 1994, p. 27, nr. 3; W. Heemskerk, m.m.v. J.M.L. van Duin, R.S.I. Lawant & I.C. Blomsma, in voortzetting van W. Hugenholtz & W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy uitgevers 2015, p. 15, nr. 6; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2; Asser/Korthals Altes & Groen 7 2015/47; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 83, nr. 58; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, p. 82, nr. 79; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, Deventer: Kluwer 2004, p. 219, nr. 231; C.J.J.C. van Nispen, Rechterlijk verbod en bevel, Deventer: Kluwer 1978, p. 171, nr. 101; D.J. Veegens, noot onder HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548, p. 1148, nr. 1; Wiggers-Rust 2011, p. 100. Contra: Van Baars 1971, p. 163.

    • 10 Zoals bijv. ook voorgestaan door Van Nispen 1978, p. 171, nr. 101.

    • 11 Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 3; Van Baars 1971, p. 161.

    • 12 Van Baars 1971, p. 160-161.

    • 13 MvA II bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 916; Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1.

    • 14 TM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915.

    • 15 Wiggers-Rust 2011, p. 106.

    • 16 Jongbloed, in: Sdu Commentaar Vermogensrecht 2016, art. 3:302-305 BW, nr. C; Van Baars 1971, p. 163-164.

    • 17 Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 3; Veegens 1965, p. 655-656.

    • 18 Zie Van Baars 1971, p. 162-164. Contra: Frenk 1994, p. 36, nr. 5.

    • 19 C.M.C. van Zeeland, Y.P. Kamminga & J.M. Barendrecht, Waar het mensen om gaat en wat het burgerlijk recht daarmee kan, NJB 2003, p. 823, nr. 3.3.

    • 20 Zie ook HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2.

    • 21 Aldus ook Van Nispen 2018, p. 30, nr. 19, met verwijzingen.

    • 22 Zie hierover uitgebreid Gillaerts 2020, nrs. 409 e.v.

    • 23 Van Baars 1971, p. 155.

    • 24 M. Barendrecht, Jeffrey (HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853), in: J.B.M. Vranken & I. Giesen (red.), De Hoge Raad binnenstebuiten, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2003, p. 104; W.J.T. Dupont, De rechter, soms pastoor én dorpsoudste, NTBR 2001, p. 493; Frenk 1994, p. 28, nr. 3; E. Gras, De roep om het ‘morele declaratoir’: houdbaar in de civiel-procesrechtelijke context?, PP 2001, p. 106; E. Gras, De belang-eis van art. 3:303 BW als formele regel of als kader voor substantiële toetsing, in: A.F. Salomons & G.J.P. de Vries (red.), Pro forma? Opstellen over de rol van formele regels en vormvoorschriften in het privaatrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 25 en 37; C.W. Star Busmann, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, Haarlem: De Erven F. Bohn N.V. 1972, p. 116-117, nr. 148; T.B. ten Kate, Efficiency en recht, Trema 2001, p. 307; T.B. ten Kate & M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, Deventer: Kluwer 2013, p. 131, nr. I.12.2; Van Baars 1971, p. 160 en de bespreking van dit laatste door J.J. Vriesendorp in RMThemis 1972, p. 198.

    • 25 Zie meer uitgebreid en met verwijzingen Gillaerts 2020, nr. 409.

    • 26 Asser/Van Schaick 2 2016/2.

    • 27 Over deze partijoverstijgende dimensie, zie Gillaerts 2020, nrs. 410 e.v.

    • 28 MvA II bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 916.

    • 29 T. Bruijnzeel, Over misbruik van procesrecht en het preventief weren van veeleisende partijen, in: W.H. van Boom, J.H. van Dam-Lely & S.D. Lindenbergh (red.), Rake remedies, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 285. Vgl. Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 2.

    • 30 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.n. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2. Het ging in dit arrest om het belang bij een negatieve verklaring voor recht.

    • 31 Gillaerts 2020, nr. 416, met verwijzingen.

    • 32 Zie bijv. de Duitse auteur H. Roth, Vor § 253, in: F. Stein & M. Jonas (red.), Kommentar zur Zivilprozessordnung, Band 3, §§ 148-270, Tübingen: Mohr Siebeck 2016, p. 753, nr. 134.

    • 33 Gillaerts 2020, nrs. 410 en 417.

    • 34 Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 24 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:600. Vgl. Hof Den Haag 9 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1076; Hof Den Haag 10 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1671, r.o. 3.1 en 3.2.

    • 35 Zie hierover Gillaerts 2020, nrs. 672 e.v.

    • 36 HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:PHR:1998:ZC2735, NJ 1998/853 (Jeffrey-arrest).

    • 37 Het arrest is kritisch ontvangen. Menigeen vindt de uitkomst van het Jeffrey-arrest onwenselijk en breekt een lans voor de behandeling door de civiele rechter van zaken zoals deze. Zie L.F. Wiggers-Rust, Jaarvergadering Vereniging voor Burgerlijk Recht 1999: ‘Gaat het in het burgerlijk recht alleen om geld?’, NTBR 2000, afl. 4, p. 150-153; Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 2003, vraagpunt nr. 11a; A.R. Bloembergen, noot onder HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3358, NJ 2000/63; Barendrecht 2003, p. 101 e.v.; C.C. van Dam, Emotioneel belang en affectieschade, VR 2000, afl. 3, p. 73-75; Douwes 2000, p. 223-230; S.D. Lindenbergh, De positie en de handhaving van persoonlijkheidsrechten in het Nederlandse privaatrecht (Preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van Nederland en België), Deventer: Kluwer 1999, p. 1685; C.E. du Perron, Genoegdoening in het civiele aansprakelijkheidsrecht, in: A.C. Zijderveld, C.E. du Perron & C.P.M. Cleiren, Het opstandige slachtoffer (Handelingen NJV, jrg. 133, 2003-1), Deventer: Kluwer 2003, p. 152; Asser/Vranken∗∗∗ 2005/66.

    • 38 A.L.M. Keirse, Een verklaring voor recht als mijlpaal. Over Jeffrey, Chipshol en het belang bij de civiele rechtspleging, WPNR 2011, afl. 6903, p. 870-871.

    • 39 Keirse 2011, p. 870-871.

    • 40 Keirse 2011, p. 870. In dezelfde zin Gras 2006, p. 27 (die over een juridisch belang spreekt, een richtsnoer voor voorgenomen juridisch handelen); W.A.M. van Schendel, Principes edelachtbare, in: W.A.M. van Schendel (red.), Naar ons voorlopig oordeel, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 62, nr. 19.

    • 41 TM bij art. 3.11.7, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915.

    • 42 Jongbloed, in: GS Vermogensrecht 2019, art. 3:303 BW, aant. 6; D.F.H. Stein & J.M. Truijens Martinez, noot onder HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, JBPR 2015/34, nr. 14; Stolker, in: T&C BW 2020, art. 3:303 BW, nr. 1. Zie ook concl. A-G Hartkamp bij HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, NJ 2000/1, nr. 12.

    • 43 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Dexia inzake een waiver-procedure), r.o. 4.1.2.

    • 44 TM bij art. 3.11.8, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915.

    • 45 Zie hierover Gillaerts 2020, nrs. 575 en 587 e.v.

    • 46 Zie ook A. Blomeyer, Types of Relief Available (Judicial Remedies), in: M. Cappelletti (red.), International Encyclopedia of Comparative Law. Vol. XVI, Civil Procedure, Tübingen: Mohr Siebeck 2014, p. 48, nrs. 96 e.v.

    • 47 Keirse 2011, p. 870.

    • 48 Zo wordt in de Franse rechtsleer gewezen op de evolutie naar een steeds ruimere aanvaarding van declaratoire vorderingen in de rechtspraak en wordt zowel in de Duitse als in de Belgische rechtsleer gepleit voor een versoepeling bij de beoordeling van de voorwaarden voor declaratoire vorderingen. Zie hierover Gillaerts 2020, nr. 585.

    • 49 HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29 m.nt. Ph.A.N.H. (Dominee-arrest). Zie in dezelfde zin De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie bij HR 23 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1765, NJ 1996/216 (Deen/Van der Drift), nr. 8.

    • 50 Gezamenlijk te vatten onder de noemer ‘goede procesorde’, zoals bepleit door A-G Bakels in nr. 2.3 en daarin gevolgd door de Hoge Raad, zie HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2600, NJ 1998/764 m.nt. M.M. Mendel (Europeesche/OHRA). Zie ook V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, Deventer: Kluwer 2006, p. 104, nr. 67.

    • 51 Ten Kate 2001, p. 307.

    • 52 Frenk 1994, p. 30, nr. 3.

    • 53 Lindijer 2006, p. 102, nr. 65.

    • 54 J. Spier in zijn conclusie bij HR 27 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2014:2733, JBPR 2015/34 m.nt. D.F.H. Stein en J.M. Truijens Martinez, nr. 9.

    • 55 Gillaerts 2020, nrs. 713-714 en 717-720.

    • 56 HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2600, NJ 1998/764 m.nt. M.M. Mendel (Europeesche/OHRA). Vgl. ook HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502 m.nt. P.B. Hugenholtz (Stokke/Fikszo).

    • 57 Van Nispen 2018, p. 32, nr. 19. Zie ook C.J.J.C. van Nispen, Wordt te veel voor recht verklaard?, TCR 2016, p. 20.

    • 58 J.B.M. Vranken in zijn noot bij HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77 (AIG Europe/M); T. Hartlief in zijn conclusie bij HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X), ECLI:NL:PHR:2019:1174, nrs. 3.9 e.v.

    • 59 HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77 m.nt. J.B.M. Vranken; JIN 2015/88 m.nt. J. van Weerden; JA 2015/76 m.nt. M.R. Hebly; JBPR 2015/34 m.nt. D.F.H. Stein en J.M. Truijens Martinez (AIG Europe/M).

    • 60 De gebruikte bewoordingen wijzen er mogelijk op dat er geen kentering in de rechtspraak van de Hoge Raad is gekomen door het arrest AIG Europe/M, maar veeleer een precisering of verduidelijking. Een andere lezing is dat de Hoge Raad met de woorden ‘voor zover’ heeft willen preciseren dat hij terugkomt op een deel van dit arrest, namelijk specifiek en enkel op de toepassing van het daarin afgekondigde regime op de vordering tot verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk was uit onrechtmatige daad.

    • 61 N.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 1.

    • 62 Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.9.

    • 63 Gillaerts 2020, nr. 716.

    • 64 Verwezen zij hier ook naar HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1058, NJ 1994/118 m.nt. H.E. Ras, waarin gelezen wordt dat volgens de Hoge Raad in het algemeen terughoudendheid geboden is bij het aannemen van onvoldoende belang.

    • 65 Zie Gillaerts 2020, nrs. 56 en 93; Vranken 2015; Groeneveld-Tijssens 2015.

    • 66 Concl. A-G Koopmans bij HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0833, AB 1993/198 m.nt. F.H. van der Burgh; NJ 1994/734 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.2.3 (‘het hof [heeft] de primair gevorderde verklaring voor recht (…) aangemerkt als een “soort schadevergoeding in natura”’); Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding 2019, art. 6:106 BW, aant. 1.16. Vgl. Tigelaar, in: GS Schadevergoeding 2018, art. 6:103 BW, aant. 5.1; Wiggers-Rust 2000, p. 153, nr. 7.

    • 67 Barendrecht 2003, p. 105; Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad 2018. Rechtsvorderingen, aant. II.2.2.1.2; S.D. Lindenbergh, Vermogensrechtelijke remedies bij schending van fundamentele rechten, in: G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh (red.), EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos? (Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2011), Deventer: Kluwer 2011, p. 83-86; C. van Dam, Access to justice en immaterieel belang, in G. van Maanen (red.), De rol van het aansprakelijkheidsrecht bij de verwerking van persoonlijk leed, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2003, p. 25, par. 1. Zie ook Van Nispen 2018, p. 15, nr. 10.

    • 68 E. de Kezel, Juridische bescherming van niet-vermogensrechtelijke belangen, TPR 2003, p. 551-552, nrs. 125-127.

    • 69 L.M. Coenraad & P. Smits, Beginselen van burgerlijk procesrecht, TCR 2017, p. 20, vn. 10.

    • 70 Zie uitgebreid S. Somers, Aansprakelijkheidsrecht en mensenrechten, Antwerpen: Intersentia 2016, p. 487, nrs. 627 e.v.

    • 71 M. Sirinelli, La stratégie des parties face à la perspective d’octroi de dommages-intérêts par la Cour – Côté Etat défendeur, in: J.-F. Flauss & E. Lambert Abdelgawad (red.), La pratique d’indemnisation par la Cour européenne des droits de l’homme, Brussel: Bruylant 2011, p. 78.

    • 72 EHRM 21 februari 1975, ECLI:NL:XX:1975:AB5466, http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-57496.

    • 73 Zie de verwijzingen bij Somers 2016, p. 487, nr. 627.

    • 74 Gillaerts 2020, nrs. 91-92.

    • 75 H. Stoll, Consequences of Liability: Remedies in International Encyclopedia of Comparative Law. Vol. XI, Torts, Tübingen: Mohr 1972, p. 77, nr. 83.

    • 76 Uitgebreid over deze functie: Gillaerts 2020, nrs. 161 e.v.

    • 77 U. Magnus, Comparative Report on the Law of Damages, in: U. Magnus (red.), Unification of Tort Law: Damages, Den Haag: Kluwer Law International 2001, p. 187, nr. 14.

    • 78 W. van Gerven & S. Lierman, Algemeen deel. Veertig jaar later. Privaat- en publiekrecht in een meergelaagd kader van regelgeving, rechtsvorming en regeltoepassing, Mechelen: Kluwer 2010, p. 391, randnr. 141. Vgl. W. van Gerven, J. Lever & P. Larouche, Tort Law, Oxford: Hart Publishing 2000, p. 740.

    • 79 Van Gerven, Lever & Larouche 2000, p. 740.

    • 80 HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, JBPR 2010/42 m.nt. H.L.G. Wieten (Chipshol).

    • 81 Zie ook Stein & Truijens Martinez 2015, nr. 23, die erop wijzen dat een inhoudelijk oordeel kan worden verkregen over een schending van art. 6 EVRM. Zie overigens ook concl. A-G Hartkamp bij HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. J. de Boer, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk overwoog dat in het enkele feit dat de rechter vaststelt dat van een schending van de betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is gelegen.

    • 82 A.F. Collignon-Smit Sibinga & S.V. Mewa, Fundamentele rechten in de personenschadepraktijk, L&S 2011, p. 17, nr. 5; D. Haas, Een verklaring voor recht als vorm van genoegdoening. Heeft de Hoge Raad de deur opengezet?, MvV 2010, p. 158, nr. 1 en p. 160-161, nr. 4; Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 84, vn. 304; G.E. van Maanen, Maakt Chipshol een einde aan Jeffrey?, NTBR 2010/24; G.E. van Maanen, De impact van het EVRM op het privaatrecht. Een grote ver-van-mijn-bedshow?, in: G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh (red.), EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos? (Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2011), Deventer: Kluwer 2011, p. 36.

    • 83 Zie de verwijzingen bij A. Akkermans, Requiem voor het Jeffrey-arrest, in: T. Hartlief & M.G. Faure (red.), De Spier-bundel. De agenda van het aansprakelijkheidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 101, nr. 6.

    • 84 Haas 2010, p. 161, nr. 4.

    • 85 Keirse 2011, p. 870-871. Vgl. Van Schendel 2001, p. 63, nr. 20

    • 86 Keirse 2011, p. 871. Zie ook HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:757.

    • 87 Gillaerts 2020, nr. 284.

    • 88 E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Stein/Rueb. Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 1, nr. 1.1.

    • 89 A.C. van Schaick, Het burgerlijk recht de baas? Over de verwevenheid van burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 23, nr. 7. Zie ook Asser/Van Schaick 2 2016/7.

    • 90 G.C.C. Lewin, Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht, Amsterdam: Vossiuspers UvA 2013, p. 6, nr. 3 en p. 17, nr. 29. Zie ook H.J. Snijders, They have a dream… een fundamenteel nieuw wetboek van rechtspleging, NJB 2003, p. 1700, nr. 4; S.M.A.M. Venhuizen, Boekbespreking van ‘G.C.C. Lewin, Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht (oratie Amsterdam UvA)’, TvPP 2013, p. 121, nr. 6; E.M. Wesseling-van Gent, Minimumvereisten voor een civiele procedure, WPNR 1985, p. 393, nr. 1.

    • 91 Gillaerts 2020, nr. 283.

    • 92 Gillaerts 2020, nr. 346 e.v.

    • 93 F.G. Scheltema, Het declaratoor vonnis, NJB 1932, p. 184, nr. 4.

    • 94 Scheltema 1932, p. 184, nr. 4.

    • 95 G. Parser, Het declaratoir vonnis (diss. Amsterdam UvA), Amsterdam: Roeloffzen, Hübner en Van Santen 1903.

    • 96 Zoals bijv. opgemerkt door R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, p. 300; Scheltema 1932, p. 186-187, nr. 5; H.G. van der Werf, Procederen of schikken? Aspecten van het geldend maken van civiele rechten en bevoegdheden naar huidig en toekomstig recht, Arnhem: Gouda Quint 1984, p. 83.

    • 97 Groeneveld-Tijssens 2015, nr. 2.

    • 98 Gillaerts 2020, nr. 724 en verwijzingen aldaar.

    • 99 Hof ’s-Hertogenbosch 25 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ5631, r.o. 4.2.2.

    • 100 Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:611, r.o. 2.18.

    • 101 Groeneveld-Tijssens 2015, nr. 40.

    • 102 Vgl. Gillaerts 2020, nr. 724.

    • 103 Hof Leeuwarden 25 augustus 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6331, r.o. 17; Rb. Dordrecht 12 mei 2010, r.o. 4.11, te kennen uit de conclusie van De Vries Lentsch-Kostense voor HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2988; Rb. Almelo 14 september 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BT2041, r.o. 7; Rb. Amsterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:832, r.o. 4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2078, r.o. 14.13; Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4217, r.o. 2.8; Rb. Limburg 7 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2077. Vgl. ook Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:85 en Hof Amsterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:374.

    • 104 Rb. Arnhem 16 juli 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BD8698, RN 2008/83; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973; Rb. Amsterdam 19 september 2018, C/13/632833/HA-ZA 17-735 (niet-gepubliceerd). Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8764.

    • 105 Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973.

    • 106 Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7973.

    • 107 HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X).

    • 108 T. Hartlief in zijn conclusie bij HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383 (Nationale Nederlanden c.s./X): ECLI:NL:PHR:2019:1174.

    • 109 Hartlief 2019, nr. 3.7.

    • 110 Hartlief 2019, nr. 3.8.

    • 111 Hartlief 2019, nrs. 3.9-3.12.

    • 112 Hartlief 2019, nrs. 3.9 en 3.13.

    • 113 Hartlief 2019, nr. 3.15.

    • 114 Rb. Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2342, r.o. 6.32. Opmerkenswaardig is dat de rechtbank Amsterdam in een zaak van deels dezelfde eisers naar aanleiding van dezelfde vliegtuigramp, maar dan ingesteld tegen Martinair, juist in een overweging ten overvloede oordeelde dat Martinair onbetwist naar voren heeft gebracht dat eisers geen vermogensrechtelijk belang hebben bij toewijzing van hun vordering nu zij geen aanspraak konden maken op een hogere schadevergoeding dan hun reeds was vergoed (Rb. Amsterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:832, r.o. 4.6).

    • 115 Vgl. Vranken 2015, nr. 9. Hij constateert dat vorderingen vaak nodeloos gestapeld worden, maar acht dit nauwelijks problematisch omdat de bespreking van de verklaring voor recht in de regel geen extra werkzaamheden van de rechter of partijen vergt.

Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

Print dit artikel