DOI: 10.5553/MvO/245231352022008010003

Maandblad voor OndernemingsrechtAccess_open

Artikel

Verslag van het symposium ‘10 jaar flex-BV’ van de Universiteit Utrecht

Trefwoorden modernisering, expertgroep, reflexwerking, digitalisering, flexibilisering
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Deze bijdrage bevat een verslag van het symposium ‘10 jaar flex-BV’ van de Universiteit Utrecht, georganiseerd op 29 september 2022. De auteur geeft een inhoudelijke weergave van de plenaire voordrachten die tijdens dit symposium door diverse sprekers uit de wetenschap en de praktijk zijn gegeven.

    • 1 Inleiding

      Sinds 1 oktober 2012 is, door middel van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht, het BV-recht ingrijpend gewijzigd.1x Wet van 18 juni 2012 (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Stb. 2012, 299 en Wet van 18 juni 2012 (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Stb. 2012, 300. Het vernieuwde BV-recht biedt een grote mate van vrijheid ten aanzien van de oprichting en de inrichting en heeft bovendien vergaande wijzigingen gebracht in de kapitaal­bescherming.2x Zie uitgebreid over de herziening van het BV-recht H. Koster, De Flex BV, Deventer: Kluwer 2013. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 2. De BV is populair en wordt veelvuldig toegepast, zo blijkt uit recent onderzoek van het Centraal Planbureau: CPB, De economische activiteit van besloten vennootschappen, juli 2022, te raadplegen via www.cpb.nl/publicaties. Na precies een decennium was het tijd om de ­balans op te maken, op de flex-BV terug te blikken en uiteraard vooruit te kijken naar verdere modernisering van het ondernemingsrecht. Op 29 september 2022, op twee dagen na exact tien jaar na inwerkingtreding van de Wet flex-BV, vond in Utrecht het symposium ‘10 jaar flex-BV’ plaats, georganiseerd vanuit de Universiteit Utrecht.3x In nauwe samenwerking met het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL), zie www.uu.nl/en/research/utrecht-centre-for-accountability-and-liability-law-ucall.

      Deze bijdrage bevat een verslag van dit symposium. In paragraaf 2 en 3 komen de eerste twee plenaire bijdragen aan bod van Harm-Jan de Kluiver en Jos Beckers, waarna in paragraaf 4 een kort overzicht is opgenomen van de diverse workshops waaraan de deelnemers in kleinere groepen konden deelnemen. Paragraaf 5 bevat de plenaire bijdrage van Tom Salemink en Pieter Wolters. In paragraaf 6 komt de laatste plenaire bijdrage van het symposium aan bod van Willem van den Aardweg. Paragraaf 7 sluit af met een conclusie.

    • 2 Terugblik op tien jaar flex-BV4x Zie ook zijn recente bijdrage in het themanummer van het WPNR over de flex-BV: H.J. de Kluiver, Over de Beurs-BV en modernisering NV-recht, WPNR 2022, afl. 7390, p. 790-810.

      Na een introductie van Manuel Lokin, hoogleraar ondernemingsrecht aan de Universiteit Utrecht en dagvoorzitter van het symposium, is het eerste woord aan Harm-Jan de Kluiver. De Kluiver is hoogleraar ondernemingsrecht aan de Universiteit van Amsterdam en oud-voorzitter van de expertgroep Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht.

      De Kluiver begint zijn bijdrage met een terugblik op de periode die voorafging aan de vorming van de Expertgroep Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht, destijds een relatief nieuw fenomeen in Nederland.5x Daarna is een expertgroep vaker toegepast, bijv. als het gaat om de personenvennootschappen. Van meer recente datum is de expertgroep omtrent de modernisering van het NV-recht onder voorzitterschap van prof. mr. Bulten en prof. mr. Van Olffen, zie Kamerstukken II 2021/22, 29752, nr. 15, p. 2 (en de bijlage). De tijd was rijp voor een modernisering van het BV-recht, wat heeft geresulteerd in een duidelijke opdracht aan de Expertgroep: het doen van aanbevelingen met betrekking tot knelpunten en lacunes in het BV-recht zoals deze in de praktijk en de literatuur worden gesignaleerd.6x Zie het rapport ‘Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht’, gepresenteerd op 6 mei 2004 aan de Minister van Justitie en Veiligheid, p. 2. De omstandigheden die maakten dat de tijd rijp was voor een herziening van het BV-recht, waren volgens De Kluiver voornamelijk gelegen in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU, de opkomst van de Engelse Limited (die werd gezien als gevaar voor het Nederlandse vennootschapsrecht) en de druk die er bestond om het MKB tegemoet te komen. De Expertgroep omvatte volgens De Kluiver alle elementen die nodig waren om deze opdracht succesvol uit te voeren: een grote mate van kennis en kunde vanuit allerlei achtergronden en daarnaast een grote, inhoudelijk gedreven motivatie om aanbevelingen te doen die de BV duurzaam ten goede zouden komen.7x De Expertgroep bestond, naast De Kluiver als voorzitter, uit G.J.C. Rensen (secretaris), J.A.M. ten Berg, M. Brink, (wijlen) P.J. Dortmond, G. van Solinge, A.J.S.M. Tervoort, W.J.M. van Veen en D.F.M.M. Zaman.

      De Kluiver wijst op de korte tijd die het heeft geduurd om de aanbevelingen voor de herziening van het BV-recht tot stand te brengen. De Expertgroep is op 13 november 2003 voor het eerst bijeengekomen en heeft op 6 mei 2004 (in minder dan zes maanden) het rapport afgerond en aangeboden aan Minister van Justitie Donner.8x Rapport ‘Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht’, gepresenteerd op 6 mei 2004 aan de Minister van Justitie, p. 2. De Kluiver wijst erop dat een duidelijk geformuleerde opdracht, een juiste samenstelling en harde deadlines cruciaal zijn voor een goed functionerende expertgroep. Hij ziet een grotere rol voor expertgroepen weggelegd: niet alleen in het wetgevingstraject is deze nuttig, maar ook in de periode na inwerkingtreding. Wenselijk zou het zijn om eens per vijf of tien jaar een expertgroep samen te stellen om, in de woorden van De Kluiver, een ‘apk-keuring’ uit te voeren: het evalueren van de uitwerking in de praktijk, het blootleggen van eventuele pijnpunten en het doen van verdere aanbevelingen.

      Volgens De Kluiver zijn er op dit moment weinig redenen voor een ingrijpende herziening van het BV-recht. Ondanks dat er enkele kleine wijzigingen doorgevoerd zouden kunnen worden om vragen uit de praktijk weg te nemen, is het concept van een brede BV als zodanig een succes gebleken. In het kader van de BVm – de BV met een maatschappelijke doel9x Op 9 maart 2021 heeft het Ministerie van EZK een ‘Aanzet voor een wettelijke regeling voor een besloten vennootschap met maatschappelijk doel (BVm)’ gepubliceerd ter consultatie. Momenteel is een wetsvoorstel voor de maatschappelijke BV (BVm) in voorbereiding. De minister heeft op Kamervragen geantwoord dat er, naar aanleiding van dit wetsvoorstel, mogelijk begin 2023 een tweede consultatieronde komt. Zie www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-economische-zaken-en-klimaat/documenten/kamerstukken/2022/07/27/beantwoording-kamervragen-nav-artikel-in-financieele-dagblad-sociaal-ondernemen-groeit-te-langzaam-naar-volwassenheid. – ziet De Kluiver geen obstakel in het gebruik van de flexibele BV ten behoeve van een dergelijke maatschappelijke onderneming. Een aparte rechtsvorm is wat hem betreft dan ook niet nodig.10x Zie in gelijke zin M.J. van Uchelen-Schipper, Sociale ondernemingen in Nederland: is het BV-recht nog flexibel genoeg?, WPNR 2020, afl. 7298, p. 713-726. Ook voor een beursnotering kan de BV als vehikel worden ingezet, waartegen hij geen bezwaren ziet. Interessant is natuurlijk wel dat veel dwingende regels van de NV dan ook gelden voor de BV.11x Art. 2:187 BW.

      Op de vraag of de beurs-BV aanleiding geeft tot herziening van het recht, antwoordt De Kluiver ontkennend. In dat kader onderscheidt hij een tweetal vragen. Ten eerste komt de vraag op of het NV-recht, naar analogie van het BV-recht, geflexibiliseerd zou moeten worden. Daarnaast kan de vraag worden gesteld of er iets moet worden gedaan aan de beursgenoteerde vennootschap in het algemeen.

      De Kluiver meent, als antwoord op de eerste vraag, dat er geen dringende noodzaak is tot herziening van het NV-recht. De omstandigheden die een oorzaak vormden voor herbezinning van het BV-recht (welke omstandigheden ook doorklinken in de opdracht die de Expertgroep in 2003 meekreeg), rechtvaardigden volgens hem destijds de grote herzieningsoperatie die leidde tot de Wet flex-BV. Vergelijkbare omstandigheden die een rechtvaardiging zouden vormen voor een herziening van het NV-recht ziet hij in het geheel niet. In de eerste plaats is, meer praktisch gezien, het nut van een herziening beperkt: het gebruik van de NV als rechtspersoon loopt sterk terug. Daarnaast kan het volgens De Kluiver aantrekkelijk zijn om, in tegenstelling tot de flexibele BV, te kiezen voor de minder flexibele NV. Deze biedt duidelijke regels en daarmee rechtszekerheid, in het bijzonder wanneer de vennootschap beursgenoteerd is. Wel ziet hij kleine, meer technische wijzigingen in het NV-recht als wenselijk, maar hij wijst hierbij op de reeds gedane voorstellen door de Commissie Vennootschapsrecht in juli 2013.12x Zie A. Hammerstein, Advies van de Commissie Vennootschapsrecht over de modernisering van het NV-recht (15 juli 2013), Ondernemingsrecht 2014/16. Ten slotte wijst De Kluiver erop dat het NV-recht, net zoals in andere Europese landen, in sterke mate wordt gereguleerd door dwingende Europese wetgeving. Dit leidt ertoe dat het competitieprobleem – dat bestond bij de herziening van het BV-recht – niet speelt bij de NV.

      Met betrekking tot de tweede vraag, de vraag naar de beursgenoteerde vennootschap, ziet De Kluiver eveneens weinig reden tot wijzigingen. Hij wijst erop dat bij uitstek de beursgenoteerde vennootschap wordt gereguleerd door Europese wetgeving. Zowel de NV als de BV leent zich voor een beursnotering. Zodra echter een BV wordt gebruikt, zijn er weinig specifieke voordelen ten opzichte van de NV (vanwege de werking van art. 2:187 BW13x Art. 2:187 BW schrijft dwingendrechtelijk voor dat veel bepalingen van de NV ook gelden voor een beursgenoteerde BV, voornamelijk bepalingen die voortvloeien uit de Aandeelhoudersrichtlijn. De flexibiliteit van de BV wordt door de werking van art. 2:187 BW in vergaande mate uitgehold.). De verschillen die er zijn liggen voornamelijk in stemrechtverhoudingen, loyaliteitsaandelen en stemrechtloze aandelen. De Kluiver stelt de vraag of het wenselijk is dat deze mogelijkheden bestaan bij een beursgenoteerde vennootschap, en de discussie zou wat hem betreft dan ook daarover moeten gaan. Ook in andere landen wordt hiermee geworsteld. Hij toont, met een verwijzing naar het Franse recht, aan dat de vrijheid bij beursgenoteerde vennootschappen nadrukkelijk beperkt wordt. Ook in België, dat sinds 2019 het meest moderne vennootschapsrecht in de Europese Unie kent, gelden er nadrukkelijke beperkingen voor een beursgenoteerde vennootschap als het gaat om variabele stemrechten.14x Stemrechtloze aandelen worden toegestaan, maar mogen wel weer mee­stemmen bij grote en belangrijke onderwerpen binnen de beurs-BV. De Kluiver meent dat de discussie gespitst zou moeten worden op de wenselijkheid van (zeer) variabele stemverhoudingen binnen beursvennootschappen, in plaats van op algehele versoepeling van het NV-recht.

      Terugkijkend is De Kluiver enthousiast over de fundamenten van de herziening van het BV-recht. Hij wijst er nogmaals op dat het aanbevelenswaardig is om periodiek een expertgroep in te stellen voor een check-up.

    • 3 Reflexwerking van de flex-BV op het NV-recht

      Een ander belangrijk onderwerp sinds de invoering van de flex-BV is de verhouding tot het NV-recht en meer in het bijzonder: gaat van de bepalingen van de flex-BV reflexwerking uit naar het NV-recht? Na de voordracht van De Kluiver is het woord aan Jos Beckers, stafjurist bij de Landelijke handels­kamer hoven en fellow bij het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit in Nijmegen.15x Die hierover al in 2014 heeft geschreven in het WPNR, zie J.H.L. Beckers & G.T.M.J. Raaijmakers, De reflexwerking van de Flex-BV, WPNR 2014, afl. 7011, p. 289-297.

      Beckers maakt allereerst duidelijk dat ‘reflexwerking’ op twee punten ruim moet worden opgevat. In de eerste plaats valt hieronder niet alleen algehele analoge toepassing van een regeling, maar kan dit ook zien op partiële toepassing.16x Men denke hierbij aan het analoog toepassen van bepaalde voorwaarden binnen een regeling, terwijl de regeling zelf niet in het geheel analoog wordt toegepast. In de tweede plaats schaart hij onder reflexwerking ook het eventueel buiten toepassing verklaren van NV-recht. Beckers noemt hierbij het voorbeeld van artikel 2:129 lid 4 BW, waarbij het instructierecht van een orgaan slechts mag zien op ‘de algemene lijnen van het te voeren beleid’. Onder de flex-BV is dit verruimd (zie art. 2:239 lid 4 BW), zodat daaronder ook concrete instructies vallen; door middel van analoge toepassing van de flex-BV op het NV-recht zou dat betekenen dat ook bij de NV concrete instructies kunnen worden gegeven.17x In de literatuur bestaat discussie over de reikwijdte van het instructierecht bij de NV, zie o.a. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/153.

      Beckers verwijst aan het begin van zijn betoog naar diverse gezichtspunten die hij in 2014, samen met Raaijmakers, heeft geïdentificeerd in het kader van analoge toepassing van het BV-recht.18x Deze gezichtspunten zijn o.a. rechtszekerheid en Europees recht, zie ­Beckers & Raaijmakers 2014, p. 292-295. Hij werpt de vraag op of de situatie ten aanzien van de toelaatbaarheid van reflexwerking sindsdien is gewijzigd. Het eerste, in 2014 reeds geïdentificeerde, gezichtspunt is dat de rechter in een concreet geval reden moet hebben om BV-bepalingen analoog te gaan toepassen. Die rechtvaardiging ligt volgens Beckers doorgaans in de bijzondere omstandigheden van het geval. De rechter zal zich daarnaast moeten afvragen of de casus lijkt op een situatie waaraan de wetgever heeft gedacht bij de flexibilisering van het BV-recht.19x Beckers noemt hier als voorbeeld het eerdergenoemde instructierecht. De rechter zal zich moeten vergewissen dat in een concrete casus sprake is van een NV waarbij een statutair instructierecht bestaat en concrete instructies zijn gegeven, in lijn met de casuïstiek die de wetgever voor ogen had bij de flex-BV, zie art. 2:239 lid 4 BW. Zodra dit niet het geval is, is er in het geheel geen ruimte voor analoge toepassing. Zie ook Beckers & Raaijmakers 2014, p. 292.

      In de tweede plaats verwijst Beckers naar de parlementaire geschiedenis als relevant gezichtspunt. Volgens hem volgt hieruit geen algeheel analogieverbod. Echter, er zijn wel obstakels te vinden in de wetsgeschiedenis: zo ligt reflexwerking niet voor de hand als het gaat om een wijziging die is ingegeven door een omstandigheid die specifiek voor de BV geldt. In de derde plaats geldt de rechtszekerheid als een belangrijk en tegelijk vanzelfsprekend gezichtspunt. De praktijk moet kunnen varen bij duidelijke regels en – in dit verband vooral van belang – de toepasbaarheid daarvan.20x Zie uitgebreider over de rechtszekerheid in dit verband Beckers & Raaijmakers 2014, p. 293-294. Als vierde gezichtspunt geldt nog het Europese recht. Reflexwerking is in beginsel niet aan de orde als de desbetreffende NV-norm een Europeesrechtelijke oorsprong heeft die zich verzet tegen een soepelere nationale regeling. Het vijfde en laatste gezichtspunt betreft een volgens Beckers weinig sympathieke houding tegenover het ­fenomeen van analoge toepassing. Naast dat rechtszekerheid hierbij een belangrijke rol speelt, is hij van mening dat analoge toepassing een soort ultimum remedium is. In veel gevallen zal de rechter ook op een andere, minder vergaande manier tot het gewenste resultaat kunnen komen.

      Op basis van bovenstaande gezichtspunten was in 2014 de conclusie van Beckers en Raaijmakers dat reflexwerking van het BV-recht eerder uitzondering dan regel is. Volgens Beckers is er sindsdien eigenlijk niets gewijzigd. De terughoudendheid tegenover het toekennen van reflexwerking is volgens hem gedeeltelijk te herleiden tot de door hem geïdentificeerde gezichtspunten. Daarnaast acht hij het waarschijnlijk dat rechters niet voor de wetgever uit willen lopen. Beckers is slechts één uitspraak bekend waarbij de vraag naar reflexwerking voorlag, waar het overigens ook nog eens ging om het spiegelbeeldige geval (de vraag of bepalingen uit het NV-recht al dan niet analoog moesten worden toegepast op de BV, in plaats van andersom). Het hof wijst de vordering tot analoge toepassing van artikel 2:107a BW af.21x Hof Amsterdam 7 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1018, JOR 2021/201 m.nt. T. Salemink. De voorzieningenrechter wees de vordering tot analoge toepassing toe. Het hof komt echter tot een tegengesteld oordeel, namelijk dat analoge toepassing van art. 2:107a BW niet opgaat.

      Beckers is sceptisch over de praktische relevantie van de discussie omtrent reflexwerking. Zijn stelling luidt dat er in de literatuur veel wordt geschreven over reflexwerking, maar dat daaraan verwante vragen in de praktijk nauwelijks spelen. Volgens hem geldt dit niet alleen voor het ondernemingsrecht: ook in andere rechtsgebieden wordt analoge toepassing slechts bij hoge uitzondering aanvaard.22x Beckers maakt hier een vergelijking met de consumentenbeschermingsregels ten aanzien van het gebruik van algemene voorwaarden, waarbij reflexwerking minder snel wordt aanvaard in B2B-transacties. Zie ook J.H.M. Spanjaard, Reflecteren op reflexwerking: een pleidooi voor wettelijke bescherming van klanten van banken, ORP 2017, afl. 3, p. 20-24.

      Desalniettemin is, aan de vooravond van de herziening van het NV-recht, de vraag naar eventuele reflexwerking van het BV-recht op het NV-recht onverminderd actueel. Of in de toekomst nog discussie blijft bestaan over reflexwerking zal volgens Beckers voornamelijk afhangen van de toelichting die wordt gegeven bij het al dan niet overnemen van de bepalingen van de flex-BV. Reflexwerking is onwaarschijnlijk zodra de wetgever ervoor kiest om bepaalde bepalingen van de flex-BV niet over te nemen.

    • 4 Workshoprondes

      Na de twee plenaire voordrachten vinden drie workshoprondes plaats, waarbij in elke ronde tussen drie workshops kan worden gekozen. De insteek van de workshops is dat deelnemers in de kleiner opgezette workshops interactief met (specifieke onderdelen van) de flex-BV aan de slag gaan onder leiding van een spreker die een inleiding geeft in de materie. In deze bijdrage wordt volstaan met het benoemen van de sprekers en de bijbehorende onderwerpen.

      Ronde 1

    • Barbara Bier – Vermogensbescherming en aansprakelijkheid

    • Sjoerd Buijn – De beurs-BV

    • Flip Schreurs – Geschillenregeling

    • Ronde 2

    • Martijn van Steensel – Certificering

    • Günther Rensen – De algemene vergadering

    • Rogier Wolf – Soorten aandelen

    • Ronde 3

    • Paul de Vries – Aandeelhoudersovereenkomsten en statuten

    • Jan Biemans – Verpanding van aandelen

    • Sanne-Roos van der Waals – Flex-BV en personenvennootschappen

    • 5 Digitalisering van de BV

      Het symposium sluit af met twee plenaire voordrachten die voornamelijk zien op de toekomst van de flex-BV (en het ondernemingsrecht in brede zin). De eerste van dit tweeluik gaat over een even actueel als belangrijk thema: de digitalisering van de BV. De voordracht wordt verzorgd door Tom Salemink en Pieter Wolters, beiden universitair hoofddocent (ondernemingsrecht respectievelijk burgerlijk recht) aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

      Het ondernemingsrecht digitaliseert, net als de samenleving om ons heen. Salemink wijst in dit verband op diverse initiatieven om het gebruik van digitale technieken in het ondernemingsrecht te bevorderen, zoals het gebruik van de digitale akte voor het online oprichten van vennootschappen en de deelname aan een algemene vergadering op afstand via een videoverbinding.23x Zie over de digitale algemene vergadering H.J. de Kluiver, De toekomst van de algemene vergadering bij de beursgenoteerde vennootschap, in: R. Abma e.a., De aandeelhoudersvergadering van de beursvennootschap (ZIFO-reeks nr. 27), Deventer: Wolters Kluwer 2019 en B.J. de Jong, Modernisering van de algemene vergadering: volledig virtueel en in de tijd gespreid vergaderen, Ondernemingsrecht 2021/81. Zie over online oprichting P.T.J. Wolters & T. Salemink, Cybersecurity en de online oprichting van een BV, WPNR 2020, afl. 7286, p. 418-432 en T. Salemink & P.T.J. Wolters, Wetsvoorstel online oprichting besloten vennootschappen, Ondernemingsrecht 2022/57.

      Salemink merkt op dat Nederland zijn in 2018 geuite ambitie om de ‘digitale koploper’ van Europa te worden, niet lijkt waar te maken.24x Zie het rapport ‘Nederlandse digitaliseringsstrategie: Nederland digitaal. Hier kan het. Hier gebeurt het’, 1 juni 2018, te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/06/01/nederlandse-digitaliseringsstrategie. Hij noemt hierbij enkele voorbeelden, waaronder de te late implementatie van de Europese voorschriften voor online oprichting van de BV.25x Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (PbEU 2019, L 186/80). Ook wat betreft de digitale algemene vergadering lopen wij niet langer voorop. De Spoedwet26x Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid), Stb. 2020, 124. biedt sinds de uitbraak van de COVID-19-pandemie tijdelijk de mogelijkheid om een digitale algemene vergadering te beleggen, maar een solide wettelijke regeling is er nog niet (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Spanje en Duitsland). Naast de online oprichting en de digitale vergadering – onderwerpen waar Nederland door Europa en de pandemie gedwongen over na is gaan denken – signaleert Salemink geen andere ­materiële ontwikkelingen op het gebied van digitaal ondernemingsrecht.27x Salemink refereert hier naar andere landen, waar wel voorbeelden te vinden zijn van dergelijke ontwikkelingen. Zo noemt hij Litouwen als voorbeeld, waar gekeken wordt naar de mogelijkheid van een digitale zetel voor vennootschappen. Digitalisering en de flexibilisering van het ­BV-recht tien jaar geleden hebben met elkaar gemeen dat het voornaamste doel ‘vereenvoudiging’ is. Een grote rol bij digitalisering is hierbij weggelegd voor de niet langer vereiste fysieke aanwezigheid.

      Echter, Salemink waarschuwt in zijn bijdrage voor het gevaar dat de risico’s van digitalisering (denk aan cybercriminaliteit en datalekken) onvoldoende worden geadresseerd. Het evenwicht tussen vereenvoudiging en cyberveiligheid dient te worden bewaakt, waarbij hij voornamelijk een rol weggelegd ziet voor Europa. Immers, lidstaten zullen naar zijn verwachting hierin niet zelf het voortouw nemen, aangezien vereenvoudiging door digitalisering bijdraagt aan een aantrekkelijk(er) vestigingsklimaat. De door lidstaten gewenste vereenvoudiging wordt belemmerd door waarborgen om cybersecurityrisico’s te ondervangen.

      Aan de hand van het Wetsvoorstel online oprichting besloten vennootschappen (hierna: Wetsvoorstel) laat Wolters zien hoe met cybersecurityrisico’s wordt omgegaan.28x Zie Kamerstukken II 2021/22, 36085, nr. 2, Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het notarisambt in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (PbEU 2019, L 186). Hij brengt hiertoe eerst het proces van online oprichting in kaart en de centrale rol die hierbij is weggelegd voor de notaris en hij identificeert een drietal risico’s die samenhangen met deze online ­oprichting.

      Allereerst speelt het risico met betrekking tot authenticiteit: met zekerheid dient vastgesteld te worden dat de oprichter werkelijk is wie hij beweert te zijn. De zekerheid die offline wel bestaat (door middel van de fysieke aanwezigheid van de desbetreffende persoon en het identiteitsbewijs), bestaat online niet. De richtlijn heeft om die reden regels gegeven over het gebruik van elektronische identificatiemiddelen (hierna: eID), denk hierbij aan DigiD en eHerkenning. Nederland kiest in het Wetsvoorstel voor een behoorlijke mate van zekerheid door een eID van het betrouwbaarheidsniveau ‘hoog’ te eisen. Ook dient de oprichting plaats te vinden met behulp van een directe videoverbinding. Een notaris mag, bij twijfel omtrent de identiteit, vereisen dat de oprichter fysiek verschijnt.

      Ondanks dat het eID authenticiteit garandeert, is hiermee nog niets gezegd over de integriteit (een tweede risico van online oprichting). Immers, een hacker (of een onbetrouwbare notaris) kan er bij de online oprichting voor zorgen dat de BV die uiteindelijk wordt ingeschreven in het handelsregister, niet de BV is die door de oprichter is beoogd. Hier is een rol weggelegd voor een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening als bewijs dat de oprichter daadwerkelijk deze BV heeft opgericht. Ondanks dat de richtlijn geen verplichting bevat om elektronische handtekeningen te gebruiken, kiest het Wetsvoorstel hier wel voor. De wetgever ziet een rol weggelegd voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en maakt zelf niet de keuze tussen een geavanceerde en een gekwalificeerde elektronische handtekening. Wolters ziet dit als een zwaktebod van de wetgever: de vraag welke cyber­securityeisen moeten worden vervuld, is immers een vraag die de betrouwbaarheid van het Nederlandse rechtspersonenrecht beïnvloedt. Een keuze die bij uitstek de wetgever zou moeten maken.

      Een derde risico van online oprichting ligt in de – meer praktische – beschikbaarheid van de benodigde infrastructuur. Online oprichting is geen reëel alternatief als het ingewikkeld, duur en traag is. De eisen die de richtlijn hiervoor stelt, worden in het Wetsvoorstel overgenomen.29x De eisen in de richtlijn zijn erop gericht om de beschikbaarheid te versterken. Deze zien o.a. op informatievoorziening, taal, snelheid, beperkte kosten en beschikbaarheid van de informatie in handelsregisters. De wetgever draagt de verantwoordelijkheid voor de facilitering hiervan over aan de KNB.

      Wolters signaleert, resumerend, dat de Europese wetgever primair de vereenvoudiging van online oprichting op het oog heeft. Cybersecurity (en daarmee de betrouwbaarheid van de oprichting) staat op een tweede plan: de regels hierover zijn algemeen en bieden veel ruimte aan lidstaten om deze betrouwbaarheid zelf vorm te geven. Dit leidt ertoe dat lidstaten (of organisaties zoals de KNB) verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van cybersecurityeisen aan procedures die door de Europese Unie opgelegd worden.

      Salemink benadrukt dat, indien Europa niet zelf de risico’s van digitalisering reguleert, Nederland zijn kans moet grijpen om (nu wel) pionier te zijn in de digitalisering van het ondernemingsrecht. Alleen op die manier kan het ondernemingsrecht zowel vernieuwend als goed functionerend en betrouwbaar zijn.

    • 6 Modernisering ondernemingsrecht: een terug- en vooruitblik

      Bij een symposium over de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht, waarbij ook vooruitgeblikt wordt op mogelijke wetswijzigingen ten aanzien van de NV en de personenvennootschappen, kan een geluid vanuit de wetgevende macht niet ontbreken. Met Willem van den Aardweg, raadadviseur bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, als laatste plenaire spreker wordt hierin voorzien. Na een terugblik op de totstandkoming van wetgeving op het terrein van de flex-BV, werpt Van den Aardweg een blik naar de toekomst en daarmee naar de nadere invulling van de modernisering van het ondernemingsrecht.

      Van den Aardweg begint zijn bijdrage met een uiteenzetting van de totstandkoming van wetgeving op het terrein van het ondernemingsrecht. De aanleiding om tot modernisering van het ondernemingsrecht over te gaan, is volgens hem vergelijkbaar met de redenen die ten grondslag liggen aan wetswijzigingen in het algemeen: er moet sprake zijn van een daadwerkelijk probleem met zekere urgentie, dat met wetgeving moet worden opgelost.

      Voor de modernisering van het ondernemingsrecht (in het algemeen) identificeert Van den Aardweg verschillende oorzaken die (kunnen) leiden tot wetswijzigingen. Allereerst noemt hij de noodzaak om Nederlandse wetgeving up-to-date én concurrerend in Europa te houden, wat bijvoorbeeld via Kamermoties en/of afspraken in het regeerakkoord aan de orde wordt gebracht.30x Denk hierbij aan de Wet van 24 maart 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het inroepen van een bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap, Stb. 2021, 185. Deze wet was onderdeel van het regeerakkoord, zie Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021, 10 oktober 2017, p. 34, te raadplegen via www.kabinetsformatie2021.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst. Daarnaast spelen maatschappelijke en technologische ontwikkelingen een belangrijke rol (denk hierbij bijvoorbeeld aan de technische mogelijkheden om digitaal te kunnen vergaderen), alsook Europese wet- en regelgeving. Ten slotte noemt hij ook de gedateerdheid van wetgeving als aanleiding om tot modernisering over te gaan, waarbij hij onder meer doelt op de wetgeving rondom personenvennootschappen.

      Om uiteindelijk daadwerkelijk tot wetgeving te komen én om te kijken voor welke wijzigingen draagvlak bestaat, wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesproken met belangenorganisaties en wordt geleund op onderzoek dat externen reeds hebben verricht.31x Als voorbeeld verwijst Van den Aardweg naar de expertgroepen De Kluiver en Van Olffen. Parallel daaraan wordt een start gemaakt met het schrijven (en vooral herschrijven) van wetteksten en wordt er – waar nodig – overleg gevoerd met partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van wetten, zoals het notariaat en de Kamer van Koophandel.

      In zijn bijdrage bespreekt Van den Aardweg de uitgangspunten die een rol spelen bij een toekomstige modernisering van het ondernemingsrecht en concludeert dat deze eigenlijk identiek zijn aan de uitgangspunten die speelden bij de flexibilisering van het BV-recht. Deze uitgangspunten zijn:

      1. het bieden van flexibele rechtsvormen die beantwoorden aan de behoeften van gebruikers, belanghebbenden en derden;

      2. het creëren van een evenwichtige bevoegdheids- en verantwoordingsstructuur binnen die rechtsvormen;

      3. het prikkelen tot betrouwbare financiële informatie en verantwoording;

      4. het tegengaan van misbruik en – waar nodig – faciliteren van effectief toezicht; en

      5. het verzekeren van snelle en efficiënte toegang tot de rechter.

      Tegelijkertijd dient de wetgeving rechtszekerheid te creëren en zijn aansluiting bij de praktijk en de uitvoerbaarheid van wetgeving essentieel.

      Terugblikkend zijn volgens Van den Aardweg – zoals ook De Kluiver opmerkte – deze doelstellingen door de flexibilisering van het BV-recht bereikt. Indicaties hiervoor zijn het toegenomen gebruik van de BV als rechtsvorm, de beperkte kritiek op de flex-BV in de literatuur en het feit dat de flex-BV min of meer overeenkomt met haar recentelijk gemoderniseerde pendant in België.

      Wat kunnen we verder verwachten van de modernisering van het ondernemingsrecht? Van den Aardweg bespreekt twee hoofdpunten uit de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van juni 2022 omtrent de voortgang van de modernisering van het ondernemingsrecht.32x Zie Kamerbrief ‘Voortgang van de modernisering van het ondernemingsrecht’, 27 juni 2022, te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/06/27/tk-voortgang-van-de-modernisering-van-het-ondernemingsrecht. Ten eerste staat de ontwikkeling van de digitale vergadering bij rechtspersonen hoog ­op de wetgevende agenda. De ervaringen tijdens de ­COVID-19-pandemie laten volgens Van den Aardweg zien dat dit nog niet altijd optimaal werkt (bijvoorbeeld vragen die niet werden beantwoord). Naar verwachting zal het wetsontwerp aan het eind van het jaar worden geconsulteerd.33x Op het moment van schrijven is het wetsontwerp nog niet geconsulteerd.

      Ten tweede staat het NV-recht hoog op de wetgevende agenda. Van den Aardweg wijst nogmaals op de parallellen die ten grondslag liggen aan de modernisering van het BV-recht: de behoefte aan flexibilisering en vereenvoudiging, en het belang van aansluiting bij de praktijk. Om die reden heeft de Minister voor Rechtsbescherming de hulp ingeschakeld van een expertgroep.34x Voor de samenstelling van de expertgroep en de belangrijkste onderwerpen die betrokken zijn bij de modernisering van het NV-recht zij verwezen naar www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/organisatie/organogram/commissies-ministerie-van-jenv/expertgroep-modernisering-nv-recht. Concrete moderniseringsvoorstellen betreffen het afschaffen van het verplichte maatschappelijke kapitaal in de statuten en de mogelijkheid om buiten Nederland te vergaderen.35x Deze twee voorstellen kwamen al terug in het voorontwerp ‘Modernisering NV-recht en evenwichtiger man/vrouw verhouding’, 15 april 2020, te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/nvenmv. Ook politieke voorstellen staan op het programma, waaronder het beperken van financiële prikkels bij fusies en overnames, en bestuurdersbeloningen (een onderwerp waarin de Kamer bijzondere interesse toont36x Kamerstukken II 2019/20, 35367, nrs. 16 en 17.). Daarnaast is er in de brief van de minister bijzondere aandacht voor de maatschappelijke rol van ondernemingen, een thema dat ook op Europees vlak zeer actueel is. Ten slotte is vanuit de Tweede Kamer ook het thema loyaliteitsaandelen onder de aandacht van de minister gebracht.

      Van den Aardweg benadrukt dat er veel overeenkomsten zijn tussen 2012 en 2022, aangezien een aantal discussies destijds ook al werd gevoerd. Hij doelt vooral op bestuurdersbeloningen, langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Echter, hij signaleert ook verschillen: zo is het ondernemingsrecht in 2022 (ten opzichte van 2012) verdergaand beïnvloed door Europese wet- en regelgeving.37x Denk hierbij bijv. aan de Richtlijn fusies en overnames en de Richtlijn digitale oprichting, zie Richtlijn (EU) 2019/2121 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen en Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht. Daarnaast wijst hij erop dat bij de NV, mede vanwege de Europese eisen, minder ruimte is om dezelfde flexibiliseringsdoelen na te streven als die welke speelden bij de flexibilisering van het BV-recht.

      Van den Aardweg eindigt zijn bijdrage met een blik op de komende stappen vanuit de wetgever. Het streven is om voor het einde van 2022 de consultatie te openen voor het Wetsvoorstel digitale AV. Datzelfde geldt voor de personenvennootschappen.38x Deze consultatie is inmiddels geopend, sinds 10 oktober 2022 (tot 10 februari 2023), zie www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2. Hij wijst erop dat er, in vergelijking met het wetgevingsproces bij de flex-BV, nu meer aandacht is voor interactie ­tussen de wetgever en de praktijk. Zo wordt bij de personenvennootschappen duidelijk aangegeven wat er is gebeurd met de reacties op de eerste consultatie. Dit blijkt onder meer uit de op 10 oktober 2022 verschenen memorie van toelichting op het tweede voorontwerp dat ter consultatie is ingediend.39x Zie de MvT op het tweede ambtelijke voorontwerp, p. 24-29, te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2. Van den Aardweg roept eenieder op om van die internetconsultatie gebruik te maken: de wetgever neemt reacties hierop serieus mee in het verdere wetgevingsproces en maakt daarmee dankbaar gebruik van kwalitatief goede en constructieve feedback uit de praktijk.

    • 7 Conclusie

      Het symposium ‘10 jaar flex-BV’ komt, na de bijdrage van Van den Aardweg, tot een einde. Ondanks de diversiteit van onderwerpen die aan bod kwamen, zijn enkele gemene delers te identificeren. Allereerst is er een gevoel van tevredenheid te ontwaren over de wijze waarop de flex-BV dienst heeft gedaan in de afgelopen tien jaar. Daarbij is gebleken dat de fundamentele keuzes van de wetgever in het kader van de herziening een – over het algemeen – gewenste uitwerking hebben in de praktijk en dat de destijds geformuleerde doelstellingen zijn gehaald. Het BV-recht is daadwerkelijk vereenvoudigd en geflexibiliseerd. Ook de verhouding van het BV-recht tot bepalingen uit het NV-recht leidt, zoals bleek uit de bijdrage van Beckers, zelden tot problemen.

      Een tweede gemene deler is echter wel dat de succesvolle flexibilisering van het BV-recht onverlet laat dat het Nederlandse ondernemingsrecht zal moeten blijven vernieuwen, innoveren en concurreren om aantrekkelijk te blijven. We staan, tien jaar na de herziening, voor nieuwe uitdagingen. In dit kader zijn enkele signaleringen op het gebied van digitalisering, zoals geschetst door Salemink en Wolters, zorgwekkend te noemen. Tegelijkertijd staan we niet alleen voor nieuwe uitdagingen, maar blijven ook reeds bestaande vraagstukken opspelen, zoals bestuurdersbeloningen en langetermijnbetrokkenheid. Om ons vennootschapsrecht aantrekkelijk te houden zullen al deze uitdagingen opgepakt moeten worden. Een periodieke expertgroep (door De Kluiver voorgesteld) en een innige samenwerking tussen praktijk en wetgever (waartoe opgeroepen door Van den Aardweg) zullen dienstig zijn aan de realisatie hiervan.

      Het tweede ondernemingsrechtelijke symposium van de Universiteit Utrecht wordt georganiseerd op 28 september 2023, opnieuw in Paushuize te Utrecht.

    Noten

    • * De auteur is medeorganisator van het symposium ‘10 jaar flex-BV’ van de Universiteit Utrecht, samen met Günther Rensen, Manuel Lokin en ­Etzel van Dooren.
    • 1 Wet van 18 juni 2012 (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Stb. 2012, 299 en Wet van 18 juni 2012 (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht), Stb. 2012, 300.

    • 2 Zie uitgebreid over de herziening van het BV-recht H. Koster, De Flex BV, Deventer: Kluwer 2013. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 2. De BV is populair en wordt veelvuldig toegepast, zo blijkt uit recent onderzoek van het Centraal Planbureau: CPB, De economische activiteit van besloten vennootschappen, juli 2022, te raadplegen via www.cpb.nl/publicaties.

    • 3 In nauwe samenwerking met het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law (UCALL), zie www.uu.nl/en/research/utrecht-centre-for-accountability-and-liability-law-ucall.

    • 4 Zie ook zijn recente bijdrage in het themanummer van het WPNR over de flex-BV: H.J. de Kluiver, Over de Beurs-BV en modernisering NV-recht, WPNR 2022, afl. 7390, p. 790-810.

    • 5 Daarna is een expertgroep vaker toegepast, bijv. als het gaat om de personenvennootschappen. Van meer recente datum is de expertgroep omtrent de modernisering van het NV-recht onder voorzitterschap van prof. mr. Bulten en prof. mr. Van Olffen, zie Kamerstukken II 2021/22, 29752, nr. 15, p. 2 (en de bijlage).

    • 6 Zie het rapport ‘Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht’, gepresenteerd op 6 mei 2004 aan de Minister van Justitie en Veiligheid, p. 2. De omstandigheden die maakten dat de tijd rijp was voor een herziening van het BV-recht, waren volgens De Kluiver voornamelijk gelegen in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie van de EU, de opkomst van de Engelse Limited (die werd gezien als gevaar voor het Nederlandse vennootschapsrecht) en de druk die er bestond om het MKB tegemoet te komen.

    • 7 De Expertgroep bestond, naast De Kluiver als voorzitter, uit G.J.C. Rensen (secretaris), J.A.M. ten Berg, M. Brink, (wijlen) P.J. Dortmond, G. van Solinge, A.J.S.M. Tervoort, W.J.M. van Veen en D.F.M.M. Zaman.

    • 8 Rapport ‘Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht’, gepresenteerd op 6 mei 2004 aan de Minister van Justitie, p. 2.

    • 9 Op 9 maart 2021 heeft het Ministerie van EZK een ‘Aanzet voor een wettelijke regeling voor een besloten vennootschap met maatschappelijk doel (BVm)’ gepubliceerd ter consultatie. Momenteel is een wetsvoorstel voor de maatschappelijke BV (BVm) in voorbereiding. De minister heeft op Kamervragen geantwoord dat er, naar aanleiding van dit wetsvoorstel, mogelijk begin 2023 een tweede consultatieronde komt. Zie www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-economische-zaken-en-klimaat/documenten/kamerstukken/2022/07/27/beantwoording-kamervragen-nav-artikel-in-financieele-dagblad-sociaal-ondernemen-groeit-te-langzaam-naar-volwassenheid.

    • 10 Zie in gelijke zin M.J. van Uchelen-Schipper, Sociale ondernemingen in Nederland: is het BV-recht nog flexibel genoeg?, WPNR 2020, afl. 7298, p. 713-726.

    • 11 Art. 2:187 BW.

    • 12 Zie A. Hammerstein, Advies van de Commissie Vennootschapsrecht over de modernisering van het NV-recht (15 juli 2013), Ondernemingsrecht 2014/16.

    • 13 Art. 2:187 BW schrijft dwingendrechtelijk voor dat veel bepalingen van de NV ook gelden voor een beursgenoteerde BV, voornamelijk bepalingen die voortvloeien uit de Aandeelhoudersrichtlijn. De flexibiliteit van de BV wordt door de werking van art. 2:187 BW in vergaande mate uitgehold.

    • 14 Stemrechtloze aandelen worden toegestaan, maar mogen wel weer mee­stemmen bij grote en belangrijke onderwerpen binnen de beurs-BV.

    • 15 Die hierover al in 2014 heeft geschreven in het WPNR, zie J.H.L. Beckers & G.T.M.J. Raaijmakers, De reflexwerking van de Flex-BV, WPNR 2014, afl. 7011, p. 289-297.

    • 16 Men denke hierbij aan het analoog toepassen van bepaalde voorwaarden binnen een regeling, terwijl de regeling zelf niet in het geheel analoog wordt toegepast.

    • 17 In de literatuur bestaat discussie over de reikwijdte van het instructierecht bij de NV, zie o.a. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/153.

    • 18 Deze gezichtspunten zijn o.a. rechtszekerheid en Europees recht, zie ­Beckers & Raaijmakers 2014, p. 292-295.

    • 19 Beckers noemt hier als voorbeeld het eerdergenoemde instructierecht. De rechter zal zich moeten vergewissen dat in een concrete casus sprake is van een NV waarbij een statutair instructierecht bestaat en concrete instructies zijn gegeven, in lijn met de casuïstiek die de wetgever voor ogen had bij de flex-BV, zie art. 2:239 lid 4 BW. Zodra dit niet het geval is, is er in het geheel geen ruimte voor analoge toepassing. Zie ook Beckers & Raaijmakers 2014, p. 292.

    • 20 Zie uitgebreider over de rechtszekerheid in dit verband Beckers & Raaijmakers 2014, p. 293-294.

    • 21 Hof Amsterdam 7 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1018, JOR 2021/201 m.nt. T. Salemink. De voorzieningenrechter wees de vordering tot analoge toepassing toe. Het hof komt echter tot een tegengesteld oordeel, namelijk dat analoge toepassing van art. 2:107a BW niet opgaat.

    • 22 Beckers maakt hier een vergelijking met de consumentenbeschermingsregels ten aanzien van het gebruik van algemene voorwaarden, waarbij reflexwerking minder snel wordt aanvaard in B2B-transacties. Zie ook J.H.M. Spanjaard, Reflecteren op reflexwerking: een pleidooi voor wettelijke bescherming van klanten van banken, ORP 2017, afl. 3, p. 20-24.

    • 23 Zie over de digitale algemene vergadering H.J. de Kluiver, De toekomst van de algemene vergadering bij de beursgenoteerde vennootschap, in: R. Abma e.a., De aandeelhoudersvergadering van de beursvennootschap (ZIFO-reeks nr. 27), Deventer: Wolters Kluwer 2019 en B.J. de Jong, Modernisering van de algemene vergadering: volledig virtueel en in de tijd gespreid vergaderen, Ondernemingsrecht 2021/81. Zie over online oprichting P.T.J. Wolters & T. Salemink, Cybersecurity en de online oprichting van een BV, WPNR 2020, afl. 7286, p. 418-432 en T. Salemink & P.T.J. Wolters, Wetsvoorstel online oprichting besloten vennootschappen, Ondernemingsrecht 2022/57.

    • 24 Zie het rapport ‘Nederlandse digitaliseringsstrategie: Nederland digitaal. Hier kan het. Hier gebeurt het’, 1 juni 2018, te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/06/01/nederlandse-digitaliseringsstrategie.

    • 25 Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (PbEU 2019, L 186/80).

    • 26 Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid), Stb. 2020, 124.

    • 27 Salemink refereert hier naar andere landen, waar wel voorbeelden te vinden zijn van dergelijke ontwikkelingen. Zo noemt hij Litouwen als voorbeeld, waar gekeken wordt naar de mogelijkheid van een digitale zetel voor vennootschappen.

    • 28 Zie Kamerstukken II 2021/22, 36085, nr. 2, Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het notarisambt in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (PbEU 2019, L 186).

    • 29 De eisen in de richtlijn zijn erop gericht om de beschikbaarheid te versterken. Deze zien o.a. op informatievoorziening, taal, snelheid, beperkte kosten en beschikbaarheid van de informatie in handelsregisters.

    • 30 Denk hierbij aan de Wet van 24 maart 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het inroepen van een bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap, Stb. 2021, 185. Deze wet was onderdeel van het regeerakkoord, zie Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021, 10 oktober 2017, p. 34, te raadplegen via www.kabinetsformatie2021.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.

    • 31 Als voorbeeld verwijst Van den Aardweg naar de expertgroepen De Kluiver en Van Olffen.

    • 32 Zie Kamerbrief ‘Voortgang van de modernisering van het ondernemingsrecht’, 27 juni 2022, te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/06/27/tk-voortgang-van-de-modernisering-van-het-ondernemingsrecht.

    • 33 Op het moment van schrijven is het wetsontwerp nog niet geconsulteerd.

    • 34 Voor de samenstelling van de expertgroep en de belangrijkste onderwerpen die betrokken zijn bij de modernisering van het NV-recht zij verwezen naar www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/organisatie/organogram/commissies-ministerie-van-jenv/expertgroep-modernisering-nv-recht.

    • 35 Deze twee voorstellen kwamen al terug in het voorontwerp ‘Modernisering NV-recht en evenwichtiger man/vrouw verhouding’, 15 april 2020, te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/nvenmv.

    • 36 Kamerstukken II 2019/20, 35367, nrs. 16 en 17.

    • 37 Denk hierbij bijv. aan de Richtlijn fusies en overnames en de Richtlijn digitale oprichting, zie Richtlijn (EU) 2019/2121 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen en Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht.

    • 38 Deze consultatie is inmiddels geopend, sinds 10 oktober 2022 (tot 10 februari 2023), zie www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2.

    • 39 Zie de MvT op het tweede ambtelijke voorontwerp, p. 24-29, te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2.

De auteur is medeorganisator van het symposium ‘10 jaar flex-BV’ van de Universiteit Utrecht, samen met Günther Rensen, Manuel Lokin en ­Etzel van Dooren.

Print dit artikel