DOI: 10.5553/PROCES/016500762021100102002

PROCESAccess_open

Artikel

Reclasseren: toezicht en hulpverlening

Enkele overwegingen bij Th. van Haaren: Reclassering, toezicht of hulpverlening?

Trefwoorden reclassering Probation, toezicht supervision, duale opdracht dual role, technologie technology
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Drs. René Poort, Bart Hagtingius en Dr. Jacqueline Bosker, 'Reclasseren: toezicht en hulpverlening', PROCES 2021, p. 11-24

Dit artikel wordt geciteerd in

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/PROCES/PROCES_2021_1-2

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/PROCES/PROCES_2021_1-2

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/PROCES/PROCES_2021_1-2

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/PROCES/PROCES_2021_1-2

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/PROCES/PROCES_2021_1-2

    • 1. Inleiding

      Toezicht houden op naleving van door de rechter opgelegde bijzondere voorwaarden is een van de kerntaken van de reclassering. Tegenwoordig beschouwen we dat als vanzelfsprekend. Maar dat is niet altijd het geval geweest, zo blijkt uit het artikel van Van Haaren uit 1981 in PROCES.1x Th.H. van Haaren, ‘Reclassering, toezicht of hulpverlening?’, PROCES 1981, 1, p. 24-26. Hij beschrijft daarin de discussie die destijds woedde over de vraag of reclasseringsbegeleiding forceren via een bijzondere voorwaarde wel wenselijk is. Alle aanwezigen op het symposium waarvan hij verslag deed, waren het erover eens: dwang was niets voor de reclassering.
      In dit artikel beschrijven we de aard en achtergrond van die discussie en hoe deze in een latere periode is beslecht. We laten zien dat de ontwikkeling van een specifieke kennisbasis voor het reclasseringswerk een belangrijke impuls is geweest voor de professionalisering van het reclasseringswerk en een zekere verwijdering van het sociaal werk. We eindigen met een doorkijkje naar de toekomst van het reclasseringswerk, waarin de inzet van nieuwe technologieën de duale opdracht van de reclassering (controleren en begeleiden) extra kan ondersteunen. We illustreren dit met een aantal persoonlijke observaties van een van de auteurs die tot voor kort als reclasseringswerker werkzaam was.
      Maar we laten ook zien dat − wat er ook gebeurt − reclasseringswerkers blijven doen wat al hun voorgangers ook al deden. Ze zoeken contact met de mensen die om welke reden ook bij justitie terecht zijn gekomen, en met dat contact als basis gaan ze met hen uitvinden hoe zij zonder delicten te plegen weer mee kunnen doen in de maatschappij.

    • 2. Reclasseren is hulp bieden

      Het ongemak over de reclassering als onderdeel van justitie steekt al in het begin van de vorige eeuw de kop op. In 1911 werd de term ‘spioneren’ gebruikt om aan te duiden dat een toezichthoudende rol voor de reclassering onwenselijk is.2x Van Haaren 1981. Vanaf de jaren vijftig laaide deze discussie in alle hevigheid op. Het maatschappelijk werk introduceerde toen het ‘social case work’ als leidende methode. In deze in de Verenigde Staten ontwikkelde methode waren zelfbeschikking en een vrije relatie tussen hulpverlener en cliënt belangrijk principes. Twee aspecten waren daarbij van belang: de krachten van de cliënt mobiliseren en de leefomgeving toegankelijk maken voor de cliënt.3x M. van der Linden, Basisboek geschiedenis van het sociaal werk in Nederland, SWP Uitgeverij 2007. Een groot deel van de reclasseringswerkers was opgeleid als maatschappelijk werker en de ontwikkelingen in het maatschappelijk werk waren van grote invloed op de werkwijze en discussies binnen de reclassering.
      De beroepscode voor het maatschappelijk werk (uitgekomen in 1962) bood ruimte voor onvrijwillige hulpverlening indien belangen van anderen of de gemeenschap ernstig bedreigd werden.4x L.F. Jens, ‘Toelichting op de beroepscode’, Tijdschrift voor maatschappelijk werk 1962, 2, p. 35-44. Zie ook Canon Sociaal Werk (canonsociaalwerk.eu). Toch blijkt uit het artikel van Van Haaren dat reclasseringswerkers het moeilijk vonden om de uitgangspunten van het ‘social case work’ te verenigen met onderdelen van de reclasseringsopdracht waarin het maatschappelijk belang, en als gevolg daarvan een vorm van dwang richting de cliënt, een belangrijke rol speelde. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting in een discussie over de vraag hoeveel invloed een cliënt mag of moet hebben op de inhoud van een rapportage voor de rechtbank. Het volgende citaat illustreert de discussie daarover: ‘En als, zoals ook gesteld wordt, daar dan nog bijkomt dat de cliënt mag zeggen of en met wie er buiten hem om nog mag worden gesproken, dan lijken alle hekken wel zo’n beetje van de dam. Dan verdwijnt iedere objectiviteit uit de voorlichtingsrapporten.’5x E. Haak, ‘Reclassering en maatschappelijk werk’, PROCES 1966, 4, p. 81-85. Ook de discussie zoals beschreven in het artikel van Van Haaren uit begin jaren tachtig, over de vraag of er wel bijzondere voorwaarden opgelegd moeten worden en of het wel een taak van de reclassering is om daar toezicht op te houden, kunnen we in dat licht zien. Een dominante opvatting destijds was dat de reclassering zich moet richten op vrijwillige hulpverlening en belangenbehartiging, en afstand moet nemen van justitie. Tot ver in de jaren tachtig beschouwde de reclassering zich als luis in de pels van justitie.

    • 3. Duale opdracht

      De discussie over helpen of controleren woedde nog lang door. Een belangrijke ommekeer kwam toen de reclassering begin deze eeuw op zoek ging naar wetenschappelijke onderbouwing voor haar werk. Ze kwam onder andere uit bij onderzoekers in de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Australië die onderzoek deden naar de vraag wat effectief reclasseringswerk is. Een van de vragen die zij oppakten betrof de stijl van het werk: moet je vooral een verlengstuk zijn van justitie met de opdracht om te controleren of een cliënt zich wel netjes gedraagt en zich aan de voorwaarden houdt? Of ben je vooral een helper die reclasseringscliënten, die vaak veel problemen hebben, ondersteunt en helpt om hun leven weer op de rit te krijgen? We horen de Nederlandse discussie doorklinken in deze vraag.
      Het antwoord bleek helder: juist de combinatie van controleren en begeleiden blijkt effectief en past bij de duale opdracht van de reclassering: voorkomen van recidive en bevorderen van re-integratie. In verschillende onderzoeken is gekeken naar de effectiviteit van reclasseringswerkers met verschillende werkstijlen: nadruk op controle, nadruk op helpen, of een combinatie daarvan. Deze onderzoeken laten zien dat reclasseringswerkers die beide benaderingen combineren het effectiefst zijn. Hun cliënten blijven beter meewerken aan het reclasseringstoezicht en recidiveren minder.6x M.A. Paparozzi & P. Gendreau, ‘An intensive supervision program that worked. Service delivery, professional orientation, and organizational supportiveness’, The Prison Journal 2005, 4, p. 445-466; J. Skeem, & S. Manchak, ‘Back to the future. From Klockars’ model of effective supervision to evidence-based practice in probation’, Journal of Offender Rehabilitation 2008, 3, p. 220-247. Deze bevindingen waren de eerste bouwstenen van een nieuwe kennisbasis voor de Nederlandse reclassering.

    • 4. Naar een specifieke kennisbasis voor het reclasseringswerk

      Deze kennis is in Nederland in het reclasseringswerk geïntegreerd toen begin deze eeuw onder regie van het ministerie van Justitie het programma ‘Terugdringen Recidive’ werd uitgevoerd.7x A.Q. Bosma, Targetting recidivism. An evaluation study into the functioning and effectiveness of a prison-based treatment program (Dissertatie Universiteit Leiden), 2017. Dit programma haalde veel inspiratie en kennis uit het zogenoemde Risk-Needs-Responsivity-model (RNR-model).8x Het RNR-model beschrijft handelingsprincipes voor professionals die werken aan terugdringen van recidive. Deze principes zijn gebaseerd op onderzoek naar effectieve werkwijzen. Zie bijv. J. Bonta & D.A. Andrews, The psychology of criminal conduct, LexisNexis 2017.
      In dit programma werkten het ministerie, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de reclassering samen met wetenschappers aan een nieuw diagnostisch instrument (een voorloper van de huidige RISC9x RISC is een risicotaxatie- en adviesinstrument van de reclasseringsorganisaties. ) en effectieve gedragsinterventies (de huidige justitiële interventies). De reclassering en de DJI ontwikkelden een model om beter met elkaar te kunnen samenwerken en er was een project om de aansluiting bij maatschappelijke vervolgvoorzieningen, de nazorg, te verbeteren.
      De reclassering voegde daar een extra onderdeel aan toe. Ze vroeg Anneke Menger en Lous Krechtig een reclasseringsmethodiek te schrijven, gevoed door wetenschappelijk onderzoek en input van reclasseringswerkers. Het resultaat was het boek Het delict als maatstaf,10x A. Menger & L. Krechtig, Het delict als maatstaf. Methodiek voor werken in gedwongen kader, Amsterdam: Uitgeverij SWP/Stichting Reclassering Nederland 2004. destijds het enige in zijn soort in Nederland. Later in dit artikel leggen we ook uit waarom deze methodiek steeds belangrijker werd, zelfs noodzakelijk, in het reclasseringswerk. We kunnen dan ook gerust zeggen dat ze de hoeksteen van het Nederlandse reclasseringswerk in de 21ste eeuw is.
      In het boek worden het werken in een justitieel kader en het combineren van con‍trole en begeleiding beschreven als een van de kernpunten van het reclasseringswerk.11x Menger & Krechtig 2004. Inmiddels is dit gedachtegoed volledig geïntegreerd in het reclasseringswerk. Discussies zoals verwoord in het artikel van Van Haaren horen we niet meer. De ontwikkeling van een specifieke methodiek voor het reclasseringswerk heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. Dit maakte immers ook duidelijk dat reclasseren iets anders is dan sociaal werk, dat het vraagt om specifieke kennis en vaardigheden. Methoden uit het sociaal werk kunnen daar onderdeel van zijn, maar vragen soms wel om aanpassingen. De duale opdracht gericht op veiligheid van de samenleving en re-integratie van delinquenten vraagt daarom. En juist een duale werkwijze blijkt daarin ook het effectiefst.

    • 5. Revoluties in het reclasseringswerk

      De ontwikkelingen die in de eerste paragrafen van dit artikel zijn beschreven, bleken voorbodes van nog een paar revoluties in het reclasseringswerk. Enkele van de belangrijkste ontwikkelingen in de eerste twintig jaar van deze eeuw waren volgens ons de invoering van outputsturing, veranderende opvattingen over ‘de persoon van de dader’, de wetenschappelijke onderbouwing en professionalisering van het werk, en de groeiende samenwerking met andere domeinen (zoals zorg en het sociale domein).

      5.1 Outputsturing

      Een nogal rigoureuze ingreep van de overheid (het ministerie van Justitie in dit geval) was dat de reclassering volgens het bedrijfsmodel van outputsturing moest gaan werken. Het voert te ver om dit model hier uitgebreid te behandelen. Inmiddels lijkt outputsturing alweer op haar retour en kunnen we stellen dat dit model de reclassering geen goed heeft gedaan. Professionals hebben het altijd als een dwangbuis beschouwd die hen hinderde of zelfs belette hun werk goed te doen. Opeens waren de contacten die ze met hun cliënten hadden activiteiten die ze moesten tellen om te kunnen verantwoorden welke producten ze hadden gemaakt. Dat haalde de jeu er wel uit. Het was bovendien contraproductief.12x G. van der Laan, ‘De metamorfose van de reclassering als teken des tijds’, PROCES 2004, p. 233 e.v.
      Toch trok na een paar jaar de minister van Justitie de dwangbuis nog wat strakker aan door te stellen dat de reclassering alleen nog producten mocht leveren aan officiële opdrachtgevers. Die opdrachtgevers waren de rechterlijke macht en de Dienst Justitiële Inrichtingen. Het gevolg hiervan was dat de reclassering alleen nog cliënten kreeg via deze opdrachtgevers en, andersom, dat geen enkele cliënt nog vrijwillig bij de reclassering kwam. Het gedwongen kader was geboren. En de discussie die op het symposium van Van Haaren nog driftig woedde, doofde nu ook officieel uit.

      5.2 Risico

      Intussen veranderde ook de visie van de reclassering. Deze was anders naar haar cliënten gaan kijken en vond dat die verantwoordelijk waren voor hun gedrag en dat zij hen daarop ook kon aanspreken. Maar de reclassering vond ook dat zij dat niet zomaar kon doen, want veel cliënten konden die verantwoordelijkheid niet dragen. Zij konden niet zonder hulp hun gedrag veranderen. Dat moesten ze leren. Het motto van de reclassering werd: aanspreken en aanleren.
      Deze visie paste toevallig goed bij het gedwongen kader,13x Voor zover wij konden nagaan, was dit echt toevallig. Er was dus geen gemeenschappelijke oorzaak. Of we zouden zoiets als de tijdgeest moeten aanwijzen als aanjager van beide ontwikkelingen. zoals blijkt uit onder meer de volgende teksten: ‘De reclassering begeleidt cliënten bij deze verandering en ziet erop toe dat zij doen wat ze moeten doen om hun gedrag te veranderen. Zij maakt afspraken met hen over de interventies die nodig zijn en houdt hen aan deze afspraken.’14x Reclassering Nederland, Heldere keuzes. Meerjarenbeleidsplan, Utrecht: Reclassering Nederland 2006.
      Dit is een andere visie op het reclasseringswerk dan die Van Haaren beschrijft. Ging het in de vorige eeuw vooral over problemen (in de omstandigheden) van cliënten, waar de reclassering hulp bij bood, na de eeuwwisseling ging het vooral om beïnvloeding van gedrag van een dader met het doel om recidive te voorkomen, waarvoor het overigens ook van belang is dat bepaalde problemen worden opgelost. De doelen voor de samenleving – geen nieuwe delicten – stonden daarbij echter meer voorop.
      Hierdoor kwam ook het begrip risico meer op de voorgrond en werden risicotaxatie en risicobeheersing belangrijke onderdelen van het werk. Maar er gebeurde nog iets waardoor risicobeheersing een grotere rol kreeg.
      In december 2006 doodde een onder toezicht gestelde cliënt van de reclassering een jongen van 9 jaar. Onderzoek dat de inspectie en reclassering zelf naar deze casus deden, had tot gevolg dat het programma ‘Redesign toezicht’,15x R. Poort, Fundamenten voor toezicht. Over de grondslagen voor de ontwikkeling van reclasseringstoezicht, Utrecht: Reclassering Nederland 2009. dat kort daarvoor gestart was, in een stroomversnelling kwam. In het nieuwe ontwerp kregen (elektronische) controle en risicobeheersing een belangrijke rol. En hoewel, zoals we al schreven, wetenschappelijk onderzoek uitwees dat toezicht het beste werkt als het een op de cliënt toegesneden combinatie van begeleiding en controle is, duurde het nog een hele tijd voordat ook begeleiding een plaats kreeg in dit model van toezicht.

      Mijn eerste werkdag bij de reclassering begon op de tiende verdieping in een mooi, groot kantoorgebouw in Rotterdam West, met een geweldig uitzicht op het centrum van de stad.
      Er stond op mijn bureau op de kamer waar ik met drie andere collega’s kwam te werken, een grote doos met kantoorspullen, van liniaal tot nietmachine, van markeerstift tot potlood en van perforator tot memoblaadjes. En niet te vergeten… de Nokia 3110! Zo eentje waar je een bericht van maar liefst 140 tekens mee kon typen.
      Ik was in mijn nopjes, want dit had ik dus allemaal nodig als kersverse reclasseringswerker. Ik had die dag niet kunnen bedenken dat ik mij amper tien jaar later bezig zou houden met allerlei innovatieve toepassingen zoals de inzet van virtual reality in het reclasseringswerk en de introductie van een serious game op de smartphones van cliënten, waarmee ze kunnen interacteren met hun toekomstige zelf.
      Bart Hagtingius

      5.3 Samenwerking met andere domeinen

      In de eerste jaren van deze eeuw moest het ministerie van Justitie veel bezuinigen. Minister Donner besloot toen dat voortaan zijn ministerie alleen verantwoordelijk was voor re-integratie ‘binnen het justitieel kader’ en dat re-integratie buiten dat kader ‘behoort tot de verantwoordelijkheid van het lokale bestuur’.16x Brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer, d.d. 29 oktober 2004 (5314844/04, Kamerstukken II 2004/05, 27834, nr. 36).
      Hiermee was de reclassering een activiteit die ze al bijna tweehonderd jaar uitvoerde in één klap kwijt. En andersom kreeg het lokale bestuur er een taak bij waar het eigenlijk geen verstand van had. Ook de DJI moest er iets bij gaan doen, namelijk ervoor zorgen dat hij voor gedetineerden die vrijkwamen ten minste enkele basisvoorwaarden had geregeld.
      Samenwerking tussen deze drie partijen lag voor de hand, maar die kwam pas in de afgelopen vijf jaar goed op gang, toen gemeenten in deze periode steeds meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden kregen die ook het werk en de doelgroep van de reclassering raakten.
      Het programma ‘Koers en kansen voor de sanctie-uitvoering’ van het ministerie van Justitie en Veiligheid gaf de samenwerking ook een nieuwe impuls.17x Ministerie van Justitie en Veiligheid, Koers en kansen. Whitepaper over de toekomst van de sanctie-uitvoering, Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 2017. Het programma zette partijen aan om meer samenhang en continuïteit in de aanpak van een cliënt te brengen en om mensen in hun directe leefomgeving te helpen. Ook daar was samenwerking de beste weg. Bijvoorbeeld met de steeds belangrijkere wijkteams.

    • 6. Digitale revolutie

      In de afgelopen tien jaar voltrok zich ook een hele andere ontwikkeling, niet alleen bij de reclassering, maar overal: de opkomst van (digitale) technologieën. En intussen is technologie niet meer weg te denken uit het dagelijks werk van de reclasseringswerker.
      Nu klagen reclasseringswerkers dat hun laptop in de trein zo traag is; in 2012 moesten ze die reserveren om in een gesprek met een cliënt te gebruiken. Op kantoor had iedereen een vaste plek, en werken vanuit huis was alleen voor een enkeling mogelijk. Cliënten werden per telefoon of per post uitgenodigd voor een meldplichtgesprek op kantoor, en bij een rechtbank kon je alleen per fax een vonnis opvragen. WhatsApp, Facebook en Twitter waren voor het gros van de Nederlanders nog onbekend terrein. Als reclasseringswerkers privé al een smartphone hadden, dan gebruikten ze deze niet om hun sociale en/of professionele netwerk te volgen, laat staan het online netwerk van de cliënt (over controleren gesproken).
      Inmiddels kunnen we wel vaststellen dat de technologische ontwikkelingen bij de reclassering en haar keten-/netwerkpartners niet met de vaart van een hoge snelheidslijn is gegaan, maar met de vaart van een hyperloop.
      De technologie heeft op vele fronten haar intrede gedaan in het reclasseringsvak en veel activiteiten kunnen niet meer zonder. Om te beginnen is de analoge Nokia ingeruild voor een smartphone en zijn de kantoorspullen ingeruild voor een laptop en/of iPad. We schrijven, knippen, arceren en kopiëren digitaal in de digitale documenten voor reclasseringsrapportages. De moderne reclasseringswerker appt, mailt of belt via een videoverbinding en kan niet alleen de cliënt (elektronisch) in het echt controleren, maar ook op hem/haar toezien in de ‘online’ wereld. Die wereld doet er onvoorwaardelijk toe gedurende een reclasseringscontact.

    • 7. Spioneren?

      Bij Van Haaren lazen we dat in 1911 de term ‘spioneren’ werd gebruikt om aan te duiden dat een toezichthoudende rol voor de reclassering onwenselijk is.18x Van Haaren 1981, p. 24-26. In het jaar 2020 is dit in een compleet ander daglicht komen te staan.
      De reclassering kan bijvoorbeeld met en zonder toestemming sociale media gebruiken om informatie te verzamelen over het netwerk van de cliënt.
      En door het Covid-19-virus spreekt de reclasseringswerker tegenwoordig via een videoverbinding met cliënten. Hoewel dit reclasseringswerkers natuurlijk beperkt in de uitvoering van hun vak, levert het ook weer tal van mogelijkheden en nieuwe inzichten op. Reclasseringswerkers kunnen zo de huiskamer van de cliënt in kijken en bijvoorbeeld zien hoe de cliënt interacteert met de mensen in zijn of haar huishouden. Dat biedt letterlijk en figuurlijk nieuwe perspectieven.
      Wat zou de Tweede Kamer uit 1911 of wat zouden de mensen op het congres begin jaren tachtig hier over te zeggen hebben gehad? Ze zouden er waarschijnlijk van gruwelen. Reclasseringswerkers zouden zich volgens hen schuldig maken aan digitaal spioneren. Ze staan op afstand in contact met hun cliënten, maar kijken ondertussen ook of er geen lege flessen drank op het aanrecht staan en of er aandacht wordt geschonken aan de hygiëne in huis. Bevoogding ten top!

      De reclassering kwam eigenlijk een jaar of twee voor ik ging werken in mijn leven. Dat is nog geen tien jaar geleden. Ik werkte als sociotherapeut in een tbs-kliniek en ik weet nog dat de afspraken met de reclassering heel belangrijk waren voor de tbs-gestelden. Want dat waren gesprekken over resocialisatie, over de deur open en naar buiten.
      De meeste tbs-gestelden met wie ik gewerkt heb in die tijd zaten gemiddeld een jaar of zeven ‘binnen’. De meesten hadden geen flauw benul van wat zich in de samenleving afspeelde, laat staan dat ze beseften hoe technologie meer en meer onderdeel werd van ons dagelijks leven. Vrijkomen en weer kunnen meedoen aan de maatschappij, dat was ook proberen om in een trein te stappen die inmiddels razend op gang was gekomen.
      Bart Hagtingius

    • 8. Virtuele werkelijkheid

      Ook in de jaren vóór de Covid-19-crisis investeerde de reclassering fors in nieuwe technologieën, op verschillende vlakken. Met deze techniek kan de reclassering bijvoorbeeld daders van huiselijk geweld in een virtuele situatie confronteren met hun gedrag en het gevolg ervan voor hun slachtoffers. Reclasseringswerkers kunnen op dezelfde manier ervaren wat iemand met een licht verstandelijke beperking meemaakt in zijn overprikkelende leefwereld.

    • 9. Slimmer gebruikmaken van technologie

      Momenteel onderzoekt de reclassering (samen met de politie en andere ketenpartners) of begeleidingsgesprekken automatisch kunnen worden vertaald naar digitale tekst, zodat reclasseringswerkers minder hoeven te registreren. De reclassering wil in de toekomst nog veel meer mogelijkheden van technologische toepassingen onderzoeken, zoals kunstmatige intelligentie (AI), virtual reality (VR) en augmented reality (AR).19x L.J.M. Cornet, J.L. van Gelder & A.L. den Besten, Virtual reality en augmented reality in justitiële context. Een verkennend onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van virtual reality en augmented reality in de justitiële context, Universiteit Twente 2019. , 20x AI heeft betrekking op systemen of machines die onze eigen intelligentie nabootsen om taken uit te voeren en die zichzelf tijdens dat proces kunnen verbeteren op basis van de vergaarde informatie. VR verplaatst gebruikers naar een andere wereld en laat hen deze beleven alsof ze zichzelf in deze virtuele wereld bevinden. AR daarentegen biedt de mogelijkheid om de echte en de virtuele wereld in elkaar te laten overvloeien.
      Deze en tal van andere technologische ontwikkelingen hebben een enorme verandering teweeggebracht in het werk van de reclassering en zullen in de toekomst nog een stevige bijdrage leveren om het reclasseringsvak verder te brengen.
      Toch willen we hier een kanttekening bij plaatsen. Technologie brengt mogelijkheden met zich mee die in de (nabije) toekomst hun weerga niet zullen kennen. We kunnen veel filosoferen over de reclassering anno 2030, maar eigenlijk weten we slechts twee dingen zeker.
      Eén is dat de toepassing van technologie in het reclasseringsvak gaat toenemen en nooit meer zal afnemen.
      Maar, wees gerust. Technologie in het reclasseringsvak zal nog steeds de reclasseringswerker alleen ondersteunen. Technologie zal nog steeds niks zinnigs kunnen zeggen over de interactie en de kwaliteit van samenwerking tussen professional en cliënt in het gedwongen kader.21x A. Menger, L. Krechtig & J. Bosker (red.), Werken in gedwongen kader. Methodiek voor het forensisch sociaal werk, Amsterdam: Uitgeverij SWP 2013, p. 115-134. Waarom iemand precies terugvalt in crimineel gedrag en wat er aan ten grondslag lag, zal een computer ook niet weten. Daarvoor is toch een reclasseringswerker nodig die aan de cliënt vraagt wat er is gebeurd. Iemand moet weer contact met hem of haar maken. En dat échte contact is menselijke interactie tussen reclasseringswerker en cliënt.
      Ook de ‘moderne’ reclasseringswerker zal blijven werken met een kladblok, een pen en een spreekkamer in een buurthuis. Waarom? Omdat het reclasseringswerk zal blijven gaan om contact tussen twee mensen, om goed luisteren, om observeren, om empathie en om iemand hulp en steun bieden. Met de hulp van technologie, ja, maar een wezenlijk element zal in het toekomstige reclasseringswerk niet anders zijn dan het maatschappelijk werk van veertig jaar geleden.
      Daar kunnen Van Haaren en de deelnemers van het congres het niet mee oneens zijn geweest.

    Noten

    • 1 Th.H. van Haaren, ‘Reclassering, toezicht of hulpverlening?’, PROCES 1981, 1, p. 24-26.

    • 2 Van Haaren 1981.

    • 3 M. van der Linden, Basisboek geschiedenis van het sociaal werk in Nederland, SWP Uitgeverij 2007.

    • 4 L.F. Jens, ‘Toelichting op de beroepscode’, Tijdschrift voor maatschappelijk werk 1962, 2, p. 35-44. Zie ook Canon Sociaal Werk (canonsociaalwerk.eu).

    • 5 E. Haak, ‘Reclassering en maatschappelijk werk’, PROCES 1966, 4, p. 81-85.

    • 6 M.A. Paparozzi & P. Gendreau, ‘An intensive supervision program that worked. Service delivery, professional orientation, and organizational supportiveness’, The Prison Journal 2005, 4, p. 445-466; J. Skeem, & S. Manchak, ‘Back to the future. From Klockars’ model of effective supervision to evidence-based practice in probation’, Journal of Offender Rehabilitation 2008, 3, p. 220-247.

    • 7 A.Q. Bosma, Targetting recidivism. An evaluation study into the functioning and effectiveness of a prison-based treatment program (Dissertatie Universiteit Leiden), 2017.

    • 8 Het RNR-model beschrijft handelingsprincipes voor professionals die werken aan terugdringen van recidive. Deze principes zijn gebaseerd op onderzoek naar effectieve werkwijzen. Zie bijv. J. Bonta & D.A. Andrews, The psychology of criminal conduct, LexisNexis 2017.

    • 9 RISC is een risicotaxatie- en adviesinstrument van de reclasseringsorganisaties.

    • 10 A. Menger & L. Krechtig, Het delict als maatstaf. Methodiek voor werken in gedwongen kader, Amsterdam: Uitgeverij SWP/Stichting Reclassering Nederland 2004.

    • 11 Menger & Krechtig 2004.

    • 12 G. van der Laan, ‘De metamorfose van de reclassering als teken des tijds’, PROCES 2004, p. 233 e.v.

    • 13 Voor zover wij konden nagaan, was dit echt toevallig. Er was dus geen gemeenschappelijke oorzaak. Of we zouden zoiets als de tijdgeest moeten aanwijzen als aanjager van beide ontwikkelingen.

    • 14 Reclassering Nederland, Heldere keuzes. Meerjarenbeleidsplan, Utrecht: Reclassering Nederland 2006.

    • 15 R. Poort, Fundamenten voor toezicht. Over de grondslagen voor de ontwikkeling van reclasseringstoezicht, Utrecht: Reclassering Nederland 2009.

    • 16 Brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer, d.d. 29 oktober 2004 (5314844/04, Kamerstukken II 2004/05, 27834, nr. 36).

    • 17 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Koers en kansen. Whitepaper over de toekomst van de sanctie-uitvoering, Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 2017.

    • 18 Van Haaren 1981, p. 24-26.

    • 19 L.J.M. Cornet, J.L. van Gelder & A.L. den Besten, Virtual reality en augmented reality in justitiële context. Een verkennend onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van virtual reality en augmented reality in de justitiële context, Universiteit Twente 2019.

    • 20 AI heeft betrekking op systemen of machines die onze eigen intelligentie nabootsen om taken uit te voeren en die zichzelf tijdens dat proces kunnen verbeteren op basis van de vergaarde informatie. VR verplaatst gebruikers naar een andere wereld en laat hen deze beleven alsof ze zichzelf in deze virtuele wereld bevinden. AR daarentegen biedt de mogelijkheid om de echte en de virtuele wereld in elkaar te laten overvloeien.

    • 21 A. Menger, L. Krechtig & J. Bosker (red.), Werken in gedwongen kader. Methodiek voor het forensisch sociaal werk, Amsterdam: Uitgeverij SWP 2013, p. 115-134.


Print dit artikel