DOI: 10.5553/PROCES/016500762021100005002

PROCESAccess_open

Artikel

Te groot voor de wijkagent, te klein voor de recherche

Een vergeten groep: jonge doorgroeiers in de criminaliteit

Trefwoorden Doorgroeiers, georganiseerde drugscriminaliteit, ontwikkeling jeugdcriminaliteit, Aanpak
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ido Weijers, Henk Ferwerda en Robby Roks, 'Te groot voor de wijkagent, te klein voor de recherche', PROCES 2021, p. 264-275

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      We zien momenteel een merkwaardige ontwikkeling in de jeugdcriminaliteit: enerzijds is er sprake van een spectaculaire afname over de hele linie,1x A. van der Laan, S. Pleysier & F. Weerman, ‘Hedendaagse jeugdcriminaliteit: nieuwe vragen en enkele antwoorden na een historische daling’, Tijdschrift voor Criminologie 2020, 2-3, p. 115-129; A.M. van der Laan & M.G.C.J. Beerhuizen, Monitor Jeugdcriminaliteit 2017: Ontwikkelingen in de registreerde jeugdcriminaliteit in de jaren 2000 tot 2017 (Cahier 2018-1), Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 2018; J. de Waard, A. van der Laan & M. Scheepmaker, ‘Inleiding’, Justitiële verkenningen 2017, 1, p. 5-9; A.M. van der Laan, M.G.C.J. Beerthuizen & H. Goudriaan, ‘Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit, 1997 tot 2015’, Justitiële verkenningen 2017, 1, p. 28-49. anderzijds bestaan er ernstige zorgen over verharding onder jongeren die in aanraking komen met de politie.2x www.at5.nl/artikelen/204071/politiechef-we-moeten-op-onze-hoede-zijn-om-bendevorming-onder-jeugd-te-voorkomen. In de media wordt het vaak voorgesteld alsof jeugdige delinquenten steeds jonger zouden worden. Maar als we kijken naar de politieregistraties over de afgelopen tien jaar, dan blijkt dat het aantal jonge daders in die periode juist is gehalveerd. Het eerste politiecontact ligt nog steeds gemiddeld rond de 15 jaar en is zelfs licht gestegen. Gemiddeld zijn de huidige minderjarige first offenders juist iets ouder dan in de voorgaande tien jaar. Ook blijkt het eerst geregistreerde delict niet zwaarder te zijn geworden.3x www.cbs.nl/-/media/_excel/2020/08/jonge-first-offenders-2010-2019.xlsx. Tegelijkertijd zien we echter een verontrustende stijging van het aantal jonge minderjarigen dat betrokken is bij ernstige criminaliteit. Zo blijkt recent bij ongeveer één op de vijf overvallen een minderjarige dader betrokken.4x K.A. Beijersbergen, D. Blokdijk & G. Weijters, De recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld tussen 2002 en 2013, Den Haag: WODC 2018. Mede als gevolg hiervan is de gemiddelde leeftijd van overvallers sinds 2003 met twee jaar gedaald: van rond de 26,5 jaar in 2003 naar rond de 24,5 tien jaar later. Terwijl het aantal overvallen op winkels en restaurants de laatste jaren flink is afgenomen, is het aantal aangehouden verdachten van dergelijke misdrijven tussen de 11 en 16 jaar omhoog gegaan.5x H. Ferwerda, J. Wolsink & I. van Leiden, De lading van vuurwapens, Den Haag: Sdu 2020, p. 77. Kortom, er is geen sprake van ‘verjonging’ van de jeugdcriminaliteit in het algemeen, maar wel onder een zeer kleine groep jongeren die zich schuldig maakt aan ernstige misdrijven.
      Deze verharding en verjonging manifesteren zich op specifieke ‘hotspots’ in de steden.6x www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/12/eerste-toename-minderjarige-verdachten-sinds-2009. Daarbij wordt een tweede opvallende ontwikkeling zichtbaar. Die verharding betreft namelijk jonge recidivisten: geheel tegen de dominante trend in blijkt de recidive onder jeugdigen die al eerder met de politie en het Openbaar Ministerie (OM) in aanraking zijn gekomen, de afgelopen jaren niet gedaald maar licht gestegen.7x G. Weijterse.a., Recidive onder justitiabelen in Nederland. Verslag over de periode 2006-2018. Den Haag: WODC 2019; Van der Laan & Beerthuizen 2018. Speciale aandacht vraagt met name een klein aantal jonge hardnekkige recidivisten op wie met de bestaande justitiële reacties weinig greep wordt gekregen. Uit de cijfers en de literatuur rijst het beeld van een kleine, specifieke categorie ernstige, vaak gewelddadige, overwegend jongvolwassen veelplegers, die zich meester wanen over het publieke domein,8x M. Eijsink Smeets & E. Bervoets, De onaantastbaren. De destructieve doorwerking van onaantastbaren in wijk en buurt, Den Haag: Nicis 2011. die mensen bedreigen en beroven, voor wie het gebruik van wapens geen taboe meer is9x E. Bervoets, Vlindermessen en djonko’s: jeugdcriminaliteit, hangjongeren en een praktijkverhaal uit West, Den Haag: Boom 2012; Ferwerda, Wolsink & Van Leiden 2020, p. 77. en die vaak actief zijn in de drugscriminaliteit.
      Wat betreft verharding gaat de aandacht in de media en in beleidskringen nu vooral naar messenincidenten en de vermeende relatie met drillrap. Regelmatig doen zich situaties voor waarin er een relatie lijkt tussen rapmuziek en heftig geweld door jongeren.10x Zie bijvoorbeeld de rapportage over het Bindelmeer College in de Amsterdamse Bijlmermeer, www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2020/naar-school-zonder-ontbijt-maar-met-een-mes~v379709/. Recent onderzoek in Rotterdam illustreert echter dat het geweld dat in drillrap wordt gecommuniceerd niet zonder risico is, maar dat dit zelden daadwerkelijk resulteert in (messen)geweld. In veel gevallen lijkt niet zozeer de muziek, maar lijken sociale media te fungeren als katalysator van conflicten.11x R.A. Roks & J.B. van den Broek, Cappen voor Clout? Een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in het digitale tijdperk, Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2020. In bredere zin kan anno 2021 worden geconstateerd dat ‘de straatcultuur’ mede als gevolg van de digitalisering duidelijker zichtbaar is dan begin deze eeuw.12x R.A. Roks & J. van den Broek, ‘Digital streets, internet banging, and cybercrimes: Street culture in a digitized world’, in: J.I. Ross (red.), Routledge Handbook of Street Culture, Londen: Routledge 2020, p. 357-367; R.A. Roks & J. van den Broek, ‘# HOUHETSTRAAT: Straatcultuur op social media?’, Tijdschrift over cultuur en criminaliteit2017, 3, p. 31-50; E. van Hellemont, ‘Gangland online: Perform­ing the real imaginary world of gangstas and ghettos in Brussels’, European Journal of Crime Crimal Law & Criminal Justice 2012, 20, p. 165-180. Dit lijkt gepaard te gaan met een verontrustende trend onder jongeren om met messen op zak te lopen. Dit vraagt om nader onderzoek en om specifieke beleidsaandacht, zowel lokaal als centraal zoals beoogd met het actieplan ‘Wapens en jongeren’.13x www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/11/tk-bijlage-actieplan-wapens-en-jongeren;www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/07/09/tk-voortgang-aanpak-jeugdcriminaliteit/tk-voortgang-aanpak-jeugdcriminaliteit.pdf.
      In dit artikel richten we de aandacht op een heel andere zeer zorgelijke trend waar sprake is van verharding, een trend die vanuit maatschappelijk en strafrechtelijk oogpunt wellicht nog verontrustender is. Deze verharding heeft niet alleen, maar wel met name te maken met de drugscriminaliteit en het (wapen)geweld dat daarbij in deze eeuw kenmerkend is geworden. Onze aandacht gaat daarbij speciaal naar de betrokkenheid van jonge criminelen bij deze trend. In het bijzonder willen we in deze bijdrage wijzen op het probleem van de snelle doorgroeiers, voor een belangrijk deel in de context van georganiseerde drugscriminaliteit. In dit artikel belichten we enkele kenmerkende aspecten van deze doorgroeiers, waaronder hun intelligente, calculerende, strategische en professionele gedrag. Ook besteden we aandacht aan de ontwikkeling en het (territoriale) geweld van de (jeugd)netwerken waarvan deze jonge doorgroeiers doorgaans deel uitmaken. We besluiten onze bijdrage met een aantal beleidsaanbevelingen. Om de discussie van de jonge doorgroeiers van een bredere duiding te voorzien beginnen we met een kort overzicht van wat er op basis van (inter)nationale studies bekend is over het fenomeen van jonge aanwas in de georganiseerde misdaad.

    • 2. Jonge aanwas in de georganiseerde misdaad

      De zorg voor jonge aanwas in Nederland is niet enkel van recente datum. Zo werd bij de parlementaire enquêtecommissie Van Traa midden jaren negentig van de vorige eeuw al zorg uitgesproken over de betrokkenheid van jongeren bij georganiseerde misdaad.14x Parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden, Inzake opsporing: Enquête opsporingsmethoden, Den Haag: Sdu uitgevers 1996. In de loop der jaren heeft het onderzoek in het kader van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit getracht meer inzicht te verschaffen in deze zogenoemde instapmechanismen in de georganiseerde misdaad, met bijzondere aandacht voor jonge aanwas. Deze studies illustreren dat doelbewuste rekrutering wel voorkomt, maar overwegend beschouwd moet worden als een uitzondering.15x Zie o.a. E.R. Kleemans, Criminele carrières in de georganiseerde misdaad, Den Haag: WODC 2007; E. Bervoets & A. van Wijk, ‘Drie drugsnetwerken in een kleine stad’, Tijdschrift voor Criminologie 2016, 3, p. 3-19. Een recente internationale review van 47 studies bevestigt dit beeld.16x F. Calderoni, ‘Recruitment into organised criminal groups: A systematic review’, Trends & issues in crime and criminal justice 2020, 583, Canberra: Australian Institute of Criminology, www.aic.gov.au/publications/tandi/tandi583. De jonge aanwas ontstaat met name via familie of vrienden.17x Calderoni e.a. 2020, p. 8. Vergelijk E. Kleemans & V. van Koppen (2020). Organized crime and criminal careers. Crime and Justice, 49, 2020, p. 402.
      Studies die zicht geven op individuen die op jonge leeftijd betrokken raken bij georganiseerde criminele groeperingen, laten zien dat criminele organisaties met name aantrekkingskracht uitoefenen op jongeren die problemen ondervinden die samenhangen met schooluitval, verslaving en financiën.18x L.S. Carvalho & R.R. Soares, ‘Living on the edge: Youth entry, career and exit in drug-selling gangs’, Journal of Economic Behavior & Organization 2016, 121, p. 77-98. doi.org/10.1016/j.jebo.2015.10.018; S. Kirby e.a.. ‘Using the UK general offender database as a means to measure and analyse organized crime’, Policing: An International Journal 2016, 1, p. 78-94, doi.org/10.1108/PIJPSM-03-2015-0024; G. Robinson, R. McLean & J. Densley, ‘Working county lines: child criminal exploitation and illicit drug dealing in Glasgow and Merseyside’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2019, 5, p. 694-711. Er blijkt in Nederland niet zozeer sprake van druk, zoals in sommige gevallen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, als wel van een willing pool of volunteers.19x R.A. Roks, In de h200d. Een eigentijdse etnografie over de inbedding van criminaliteit en identiteit, Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2016. Zie bijv. ook www.telegraaf.nl/nieuws/741495162/de-schutter-jong-laag-iq-en-op-zoek-naar-status; J.A. Densley, ‘Street gang recruitment: Signaling, screening, and selection’, Social problems 2012, 3, p. 301-321. Ook is duidelijk dat criminele betrokkenheid op jongere leeftijd – ook bij zware delicten – niet per definitie een voorbode hoeft te zijn van een carrière in de georganiseerde criminaliteit.20x M.V. van Koppen, V.R. van der Geest & E.R. Kleemans, Doorgroeiers in de misdaad: De criminele carrières en achtergrondkenmerken van jonge daders van een zwaar delict, Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2017.

    • 3. Kenmerkende eigenschappen van jonge doorgroeiers

      De bestaande wetenschappelijke literatuur behandelt rekruteringsprocessen en jonge aanwas in de georganiseerde criminaliteit, maar biedt weinig inzicht in het fenomeen van jonge doorgroeiers. De volgende casus geeft een beeld van een jonge doorgroeier.

      Casus Frikkie21x Ontleend aan H. Ferwerda, B. Beke & E. Bervoets, Jeugdgroepen van toen. Een casusonderzoek naar de leden van drie criminele jeugdgroepen uit het einde van de vorige eeuw (Politiekunde nr. 59), Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2013.
      De C1000-groep – genoemd naar de locatie waar ze graag rondhangen – bestaat rond de eeuwwisseling uit ongeveer dertig jongens van vooral Marokkaanse komaf in de leeftijd van 12 tot 24 jaar. Alle leden van de groep hebben medio 2000 registraties bij de politie als verdachte of betrokkene, waarbij het vooral gaat om aandachtsvestigingen, veroorzaken van overlast in de wijk en lichte vermogensdelicten. De wijkagent wijst een aantal jongens aan als informele leiders. We volgen een van hen in zijn criminele carrière, Frikkie. Bij de start is hij 17 jaar en woont hij bij zijn ouders, samen met zijn broertje, die ook rondhangt met de groep, en zijn oudere zus, die bijna klaar is met haar havo.
      Frikkie heeft al snel door dat hij met het plegen van overlast in zijn eigen wijk te veel in beeld komt bij de jongerenwerkers en de wijkagent. Goed geplande inbraken en straatroven die hij pleegt met één andere jongen uit de groep die hij vertrouwt, leveren hem veel meer op. Hij begrijpt ook al snel dat hij met het oog op de pakkans buiten zijn eigen wijk actief moet zijn en dat rondhangen in de groep de aandacht van de politie trekt. Op het vmbo doet Frikkie niet erg zijn best, maar het gaat hem makkelijk af. Hij dankt zijn bijnaam niet voor niets aan zijn slimheid. Volgens een jongerenwerker zou hij prima zijn diploma kunnen halen en een vervolgopleiding kunnen afmaken. Maar Frikkie heeft daar geen zin in. Zijn vader heeft een koffiehuis waar invloedrijke mannen uit de drugshandel bij elkaar komen. Frikkie komt daar graag en maakt rond zijn 18de contact met twee jongens van in de twintig waardoor hij relatief gemakkelijk betrokken raakt bij de drugshandel, waarmee hij veel geld verdient. Sommige van de jonge jongens uit de wijk waar hij is opgegroeid en nog steeds woont kijken tegen hem op, vooral vanwege het vele geld dat hij heeft. Een aantal van hen verleent regelmatig hand-en-spandiensten voor hem, zoals runnen of op de uitkijk staan. In de jaren die volgen ontpopt hij zich als een echte beroepscrimineel en wordt hij in verband gebracht met gewapende overvallen, drugshandel, ripdeals en liquidaties, vrouwenhandel en prostitutie. Vanuit detentie coördineert hij zaken die buiten moeten worden afgehandeld.

      Net als in deze casus zijn jonge doorgroeiers lokale ‘kopstukken’, ofwel jongens die aanvankelijk in beeld komen als informele leider van een overlastgevende jeugdgroep, vervolgens in de buurt en bij blauw uit beeld verdwijnen wat betreft misdrijven, om vaak pas enkele jaren later ‘uit het niets’ weer in beeld te komen als leider van een bende georganiseerde, gewelddadige criminelen, die elders in de regio, door het hele land en zelfs daarbuiten actief is. In het vervolg lichten we een aantal kenmerkende aspecten van deze jonge groeiers nader toe.

      3.1 Intelligentie, calculerend en strategisch gedrag

      Deze snelle en gewelddadige doorgroeiers komen aanvankelijk standaard in beeld als jonge veelpleger. Een opvallende eigenschap van de doorsnee jonge veelpleger is echter een laag IQ/een licht verstandelijke beperking, overwegend bijzonder onderwijs en vroegtijdig schoolverlater. Zo werd onder de jongeren die zijn opgenomen in de top 600-aanpak in Amsterdam behalve een zeer gebrekkig geweten, een gebrekkig empathisch vermogen en een hoge mate van beïnvloedbaarheid ook een gemiddeld IQ van 80 vastgesteld.22x https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf. Onder de 81 jongeren die in Utrecht jarenlang werden gevolgd nadat ze op een lijst van minderjarige veelplegers terecht waren gekomen, werden behalve zeer veel gedragsproblemen eveneens zeer lage IQ’s aangetroffen, bij de tien met de meeste geregistreerde feiten variërend van 56 tot 83. Zie I. Weijers, K. Hepping & M. Kampijon, Jeugdige veelplegers, Amsterdam: SWP 2010. Ook onder de jongeren die het afgelopen jaar zijn opgenomen in de Zaanse 075-aanpak is het hoge aantal LVB’ers weer opvallend. De snelle doorgroeiers daarentegen zijn slim.
      Dat gold in het verleden voor Heineken-ontvoerder Willem Holleeder c.s., van jongs af aan bezig met (gewelddadige) criminele acties en verdacht maar nooit gepakt voor een serie spectaculaire bankovervallen sinds 1976 met pruiken, maskers, gestolen vluchtauto’s en een vlucht per speedboot door de Amsterdamse grachten.23x www.nrc.nl/nieuws/2018/02/16/gewapende-overvallen-met-speedboten-dus-toch-a1592191. Veelzeggend is ook dat het ondanks alle inspanningen van politie en justitie nooit is gelukt het totale losgeld dat voor de ontvoering van Heineken werd betaald te pakken te krijgen. Dat gold ook voor Keylow, inmiddels 50 jaar, die vanaf ongeveer zijn 13de bezig was met criminele acties en bekend werd als oprichter van de Haagse Crips, een straatbende die begon als onschuldig ogende dansgroep aan het begin van de jaren tachtig. Inmiddels is Keylow als oprichter van motorclub Caloh Wagoh nu een van de hoofdverdachten in het proces Eris vanwege vermeende betrokkenheid bij meerdere liquidaties onder andere in opdracht van Taghi.24x Zie R.A. Roks & J.A. Densley, ‘From Breakers to Bikers: The Evolution of the Dutch Crips “Gang”’, Deviant Behavior 2020, 4, p. 525-542. Eenzelfde ontwikkeling zien we bijvoorbeeld bij Gwenette Martha, begin deze eeuw betrokken bij overlast en intimidatie in de Amsterdamse Diamantbuurt, vervolgens doorgegroeid tot een van de leidende figuren in de Nederlandse drugsoorlog, en in 2014 op 40-jarige leeftijd in Antwerpen vermoord.
      Jonge doorgroeiers onderscheiden zich door een goed stel hersens, uitgebreide voorbereiding en bovengemiddeld organisatievermogen. Ze blijven bij voorkeur op de achtergrond en worden zelden gepakt en zelden veroordeeld.

      3.2 Professioneel gedrag: street- en institutionwise

      Jonge doorgroeiers zijn niet alleen slim, maar ze professionaliseren ook snel. Rond hun 18de doen ze het allang niet meer om de kick, maar echt om het inkomen. Om de pakkans te verkleinen gaan ze ‘bovenlokaal’, buiten hun eigen woonplaats en regio op het criminele pad.
      De professionaliteit blijkt ook uit de werkwijzen, zoals het gebruik van storingsapparatuur (jammers), de keuze van objecten, het werken met tijdelijke locaties voor de opslag van de buit of voorzorgsmaatregelen bij inbraak. Bij arrestatie ontkennen deze uitgekookte professionals steevast alles en beroepen ze zich geroutineerd op hun zwijgrecht.25x Vergelijk A. de Beer, ‘Zwijgrecht en pedagogisch bejegenen’, in: K. Hepping, S. Rap & J. Huijer (red.), De pedagogische benadering van de jeugdrechtspleging, Den Haag: Boom juridisch, p. 103-110. Sommigen blijken bij aanhouding kennis te hebben van diverse justitiële mogelijkheden waarmee ze het verzamelen van bewijs kunnen compliceren. Ze maken gebruik van dezelfde advocaten, van wie de contactgegevens in hun mobiele telefoon staan. Illustratief is dat deze jonge criminelen weten dat ze recht hebben op een schadevergoeding wegens onterecht ondergane preventieve hechtenis en op vergoeding van gemaakte kosten. Tekenend is ook dat sommigen informatie over de opsporingsmethoden van de politie blijken te verzamelen. Zo werd bij een huiszoeking bij een van hen een proces-verbaal van een andere verdachte gevonden. Ze lijken elkaar dus dit soort stukken toe te spelen om op die manier kennis te kunnen nemen van de werkwijze van opsporingsteams.26x H. Ferwerda, B. Beke & E. Bervoets, ‘De onzichtbare invloed van bovenlokale criminele netwerken in de wijk’, Tijdschrift voor de Politie 2017, 9/10.

      3.3 Onderdeel van (criminele) jeugdgroepen

      Voordat ze daadwerkelijk doorgroeien en betrokken raken bij zwaardere, gewelddadigere en meer georganiseerde vormen van criminaliteit komen jonge doorgroeiers wel degelijk bij politie en justitie in beeld, met name vanwege hun aandeel in gewelddadige jeugdgroepen.27x Ferwerda, Beke & Bervoets 2013; B. van Gestel & M.A. Verhoeven, Verkennende voorstudie Liquidaties, Den Haag: WODC 2017a; B. van Gestel, & M.A. Verhoeven, ‘Liquidaties nieuwe stijl: Verruwing en professionalisering bij liquidaties in Nederland’, Justitiële Verkenningen 2017b, 5, p. 9-28. Dan gaat het niet om lichte provocaties en overlast gericht op het verwerven van ‘straatstatus’, maar om acties gericht op het feitelijk en doelbewust claimen of zelfs opeisen van de beheersing van het publieke domein en hierbij gebruikmaken van intimidatie. De houding van dergelijke vaste kernjongeren wordt het best getypeerd met de uitspraak van een van hen: ‘Wij zijn hier de baas, jullie niet, de politie niet, niemand niet, behalve wij.’ Intimidatie en geweld zijn daarbij niet alleen gericht tegen bewoners en ondernemers, maar ook tegen bijvoorbeeld politiefunctionarissen.
      Na verloop van tijd gaat het accent minder liggen op dit territoriale geweld. Dan manifesteren deze gewelddadige jeugdgroepen zich minder in het publieke domein en verschuift de focus naar hun criminele activiteiten. Het geweld dient dan vooral ter ondersteuning daarvan. Dat type geweld wordt als crimineel geweld getypeerd.28x B. Beke e.a., Jeugdgroepen en geweld. Van signalering naar aanpak (Onderzoeksreeks Politieacademie), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2013. In dergelijke gewelddadige jeugdgroepen laten zich twee subgroepen onderscheiden.29x Beke e.a. 2013. Enerzijds gaat het om jeugdgroepen die zich bedienen van instrumenteel geweld bij het plegen van delicten zoals serieuze straatroof, (gewapende) overvallen of berovingen en afpersing, waarbij het gaat om het verkrijgen van geld of goederen. Anderzijds zijn er ook jeugdgroepen waar geweld functioneel wordt gebruikt en waar geweld als ‘lifestyle’ kan worden opgevat. Geweld geldt hier als mogelijke optie, die nuttig is in verband met het soort criminaliteit dat ze plegen of omdat het past binnen de voor hen normale levensstijl. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het drugscircuit, aan mensenhandel, gedwongen prostitutie, de gokwereld en ‘verplichte dienstverlening’ in de horeca (portiers).

      Casus Omar el H.

      Omar el H., nu 32, groeide net als Martha op in de Diamantbuurt in de Amsterdamse Pijp. Het was deze Omar over wie de toenmalige politiecommissaris in Amsterdam-Zuid, Leen Schaap, in 2008 zei dat hij over tien jaar zou kunnen zijn uitgegroeid tot de nieuwe Holleeder.

      We schrijven zomer 2003. Sinds een aantal jaren hangt vrijwel elke avond een groepje jongeren uit de Diamantbuurt in de Amsterdamse Pijp op het Smaragdplein bij het voormalige badhuis. Ze zorgen voor ernstige overlast, intimideren buurtbewoners en worden door de buurt verdacht van ettelijke inbraken in de direct aangrenzende woningen. Op een avond slentert de kern van het clubje dat daar altijd rondhangt naar Dirk van den Broek aan het Heinekenplein, 20 minuten verderop, waar verschillende jongens uit de groep van het Smaragdplein werken. Vlak daarvoor, op het Gerard Douplein, stuiten ze op een opstootje, waarbij deze vrienden betrokken zijn. Er wordt over en weer gescholden tussen Anja Joos, een 43-jarige buurtbewoonster, en enkele jongens van ‘Smaragd’. Het blijft al gauw niet meer bij schelden. Anja Joos, een breekbare ex-verslaafde, wordt door hen omsingeld en onder luid gejuich onderuit geschopt. Kort daarna bezwijkt Joos in het ziekenhuis aan haar verwondingen.
      Deze affaire laat een typerend patroon zien. Omar el H. en Saïd B. zijn met hun 17 jaar de jongsten van de Smaragdgroep, maar het optreden van Omar tijdens en naar aanleiding van dit drama maakt al duidelijk hoe hij te werk gaat. Hij schopt niet, maar moedigt aan. Hij is veel te slim om zich in het openbaar aan zoiets schuldig te maken. Hij gaat ook het verst in zijn pogingen om onder een straf voor zijn rol in dit drama uit te komen. Terwijl de anderen in 2004 worden veroordeeld, gaat Omar als enige in beroep en vervolgens in cassatie. Aldus blijft hij als lokale, ongenaakbare held rondlopen in de buurt.
      Het doodschoppen van Joos wordt landelijk nieuws. Dat is een jaar later ook het geval met het drama van een echtpaar dat door de jongens van Smaragd de Diamantbuurt wordt uitgetreiterd. Wat echter niet in dit nieuws wordt meegenomen, is het feit dat het om dezelfde groep jongeren gaat die betrokken was bij het doodschoppen van Anja Joos. Drieënhalf jaar later wordt deze groep opgepakt wegens betrokkenheid bij grootschalige drugshandel, gewapende overvallen, straatroof, diefstal, inbraak en bedreiging van buurtbewoners, middenstanders en anderen die op een dodenlijst zijn gezet. Bij hun arrestatie worden de politiemensen met de dood bedreigd.
      Uit afgeluisterde gesprekken blijkt dat Omar de leider is van deze groep. Omar geeft de opdrachten, vertelt waar ze moeten inbreken en waar ze de pakjes coke moeten afleveren. Hij heeft enorm aanzien onder de straatjeugd. Hij en zijn kompanen gedragen zich als onaantastbaar.

    • 4. Conclusie en beleidsaanbevelingen

      Ondanks dat de jeugdcriminaliteit afneemt, zien we dat zich een zeer kleine groep doorontwikkelt die uit beeld raakt uit de wijk, zich bedient van geweld, doorgroeit richting de drugscriminaliteit en als negatief rolmodel fungeert voor de jonge aanwas in de wijken. Deze ontwikkeling is al aan het begin van deze eeuw geconstateerd en herhaaldelijk in criminologische studies bevestigd.30x Ferwerda, Beke & Bervoets 2017; Eijsink Smeets & Bervoets 2011. Toch is een aparte strategie om deze doorgroeiers tijdig op te sporen en gericht aan te pakken – op enkele uitzonderingen na – achterwege gebleven. Na de moord op advocaat Derk Wiersum vorig jaar constateerde de toenmalig korpschef van de Nationale Politie, Erik Akerboom, dat als gevolg van bezuinigingen de druk op de politie steeds groter is geworden en dat daardoor een belangrijk deel van deze doorgroeiers zich aan het zicht van de politie heeft kunnen onttrekken.31x www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/de-moord-op-wiersum-ervaar-ik-echt-als-een-persoonlijke-aanval-op-ons-de-politie-en-op-het-om~bccbf347/.

      4.1 Breng de vergeten groep in beeld

      Wij bepleiten dat op dit terrein een specialisme bij justitie en politie wordt opgebouwd. Het gaat hierbij om het in beeld brengen van deze groep en om de vroegtijdige inzet van gespecialiseerde recherche met focus op jongvolwassen slimme, potentiële doorgroeiers. Dit specialisme kan alleen maar functioneren in nauwe samenwerking met en na signalering door wijkagenten, gespecialiseerd jongeren- en staathoekwerk en het OM.

      4.2 Think thief

      Mede door gebrek aan middelen, met name wat betreft de inzet van ‘grijs’ (recherche), maar ook door bestuurlijke onderschatting van de ernst en de snelheid waarmee deze jongens doorgroeien, wordt in de regel te lang doorgegaan met geloof in een lokale aanpak – ‘Rotterdams’, ‘Amsterdams’, ‘Haags’ enzovoort. Er wordt te lang gewacht met een stevige inzet van de recherche. Zo wordt de laatste jaren op diverse plekken de inzet van zogeheten Very Irritating Policing (V.I.P.), ook wel aangeduid als ‘opjaagbeleid’, gevolgd.32x Zie bijv. https://ccv-secondant.nl/magazine/secondant-4-december-2015/rotterdam-zit-daders-op-de-huid/. Echter, dit irritant volgen van bekende gezichten in de lokale aanpak, die voortdurend worden aangehouden en boetes krijgen vanwege kleine feiten, brengt het risico van etnisch profileren met zich en zet het optreden en de positie van de wijkagent, die ook op vertrouwen in de buurt moet kunnen rekenen, ernstig onder druk. Bedacht moet worden dat deze lokale aanpak hooguit werkt bij de doorsnee jonge veelpleger, die voor de zoveelste keer wordt opgepakt wegens rijden zonder rijbewijs of zonder verzekeringsbewijs, voor een vechtpartij of voor het uitschelden van een agent.33x Zie I. Weijers, ‘Jonge veelplegers en hun worsteling om te stoppen met criminaliteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2020, 2-3, p. 235. Succesvolle doorgroeiers als Omar el H. vermijden dergelijke domme acties en zo’n aanpak schrikt hen allang niet meer af. Bovendien zinken eventuele boetes in het niet bij de opbrengsten van hun werkelijk criminele activiteiten. Ze gaan (desnoods eindeloos) in beroep, laten hun advocaten de zaken afhandelen en liggen er niet wakker van. Waar ze moe van worden en waardoor ze eventueel gaan overwegen om te stoppen is vastzitten, maar de kwesties waar de V.I.P. hen voor treft geven daar geen aanleiding toe.
      Minstens zo belangrijk is bovendien dat met deze aanpak de bovenlokale oriëntatie, de slimheid en de professionaliteit van de kleine groep doorgroeiers worden onderschat. Wat we in de aanpak van deze doorgroeiers nodig hebben is behalve lokale informatie – bijvoorbeeld over criminele families en netwerken – juist ook bovenlokale informatie, het breed volgen van hun bewegingen met volle inzet van gespecialiseerde recherche met een sterke focus op zware misdrijven, met het doel deze jongemannen zo spoedig mogelijk langdurig vast te kunnen zetten en van de straat te houden.34x Vergelijk I. Weijers, Veelplegers aanpakken. 81 jonge veelplegers 15 jaar gevolgd, Amsterdam: SWP 2019.
      Ten slotte schiet dergelijk opjaagbeleid bij deze jongemannen zijn doel in generaal preventieve zin voorbij, aangezien het in veel gevallen eerder bevorderlijk is voor hun ‘straatwaarde’ dan dat het hun positie van ‘onaantastbare’ in de buurt ondermijnt. Ze ondervinden er in de meeste gevallen ook nauwelijks hinder van. Zo werden medio 2015 in Amsterdam ruim 5000 ‘top 600-personen’ aangehouden, van wie er uiteindelijk slechts ruim 1200 werden voorgeleid aan de rechter-commissaris. De overgrote meerderheid van de aangehouden personen stond dus binnen drie dagen weer op straat en daarnaast werd nog eens een flink aantal vorderingen afgewezen, met als gevolg dat deze jongeren zich nog onaantastbaarder gaan voelen.35x Zie R. van de Water, ‘De Top600-aanpak: toverdrank of hype?’, in: K. Hepping, S. Rap & J. Huijer (red.), De pedagogische benadering van de jeugdrechtspleging, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 177-184.

      4.3 Interventies die passen bij het gedrag en de ontwikkeling

      In de aanpak van ernstig overlastgevende en criminele jongeren wordt de laatste jaren in diverse steden ingezet op een weloverwogen, op de problematiek van de jongere afgestemde combinatie van zorg en repressie. Wat nodig is in de aanpak van dit kleine aantal snelle, slimme en gewelddadige doorgroeiers is een combinatie van een zeer selectief sanctiearsenaal en een net zo selectief arsenaal aan zorg. Voorop dient de vraag te staan of de betreffende doorgroeier überhaupt gemotiveerd is om te veranderen.

      Geen taakstraf

      Al heel lang overheerst in ons land de gedachte dat een korte vrijheidsstraf zo veel mogelijk moet worden vermeden en dat een alternatieve sanctie in principe beter is met het oog op het vermijden van recidive. Toch berust deze gedachte grotendeels op quasi-experimentele studies die onvoldoende rekening houden met de factoren die van invloed zijn op latere recidive.36x N. Walker, D.P. Farrington & G. Tucker, ‘Reconviction rates of adult males after different sentences’, British Journal of Criminology 1981, 4, p. 357-360; vergelijk W.D. Bales & A.R. Piquero, ‘Assessing the impact of imprisonment on recidivism’, Journal of Experimental Criminology 2012, 1, p. 97. Toch blijkt ook uit laatstgenoemde studie evenals uit een Nederlandse studie dat in het algemeen daders minder recidiveren na een taakstraf dan na gevangenisstraf. H. Wermink e.a., ‘Recidive na werkstraffen en na gevangenisstraffen. Een gematchte vergelijking’, Tijdschrift voor Criminologie 2009, 3, p. 211-227. Dergelijke studies hebben standaard betrekking op een dwarsdoorsnede van de gehele populatie van gestraften, terwijl we hier te maken hebben met een specifieke, uitzonderlijke categorie van snelle, succesvolle doorgroeiers. Bovendien laat een recente, omvattende metastudie overtuigend zien dat korte detentie in het algemeen niet slechter uitwerkt dan een taakstraf.37x P. Villetaz, G. Gillieron & M. Killias, The effects on re-offending of custodial vs. non-custodial sanctions: an updated systematic review of the state of knowledge, Oslo: The Campbell Collaboration 2015.
      Tegen die achtergrond verdient een vrijheidsstraf bij deze categorie jonge criminelen in principe om meerdere redenen aanbeveling. Behalve dat deze sanctie kan bijdragen aan het ‘moe maken’ van de jongeman, en dus ook vooral op de langere duur meer indruk maakt als strafdreiging dan een alternatieve sanctie (speciale preventie), is hij ook enige tijd van de straat (incapacitatie). Dat heeft niet alleen (beperkte) maatschappelijke impact in de zin van rust en minder overlast, maar ook betekenis in zijn directe omgeving en richting ‘de straat’, dat wil zeggen richting bewonderaars uit de buurt/potentiële daders (generale preventie). Uiteraard draagt een vrijheidsstraf voor een snelle doorgroeier ook meer bij aan normbevestiging in het algemeen en komt deze sanctie in het algemeen tenslotte ook meer tegemoet aan de behoefte aan genoegdoening onder slachtoffers. Wanneer een taakstraf wordt opgelegd aan een doorgroeier die al (diverse malen) detentiestraffen heeft gehad, dan is het logische gevolg dat die taakstraf niet wordt afgerond.38x K. Lünnemann, M. Wentink & G. Beijers, Werkstraffen: succes verzekerd? Succes- en faalfactoren bij werkstraffen van meerderjarigen, Utrecht: Verweij-Jonker Instituut 2005. Jonge, snelle en succesvolle doorgroeiers zijn helemaal niet van plan te stoppen en ze lachen om een taakstraf. Ze beheersen diverse trucs om zich aan de activiteiten te onttrekken en zaken te ontregelen, weigeren opdrachten, negeren de werkmeesters, komen niet of onregelmatig opdagen en maken hun werkstraf niet af. Werkmeesters en taakstrafcoördinatoren die toezicht moeten houden op de uitvoering van de werkstraf worden opgezadeld met volstrekt ongemotiveerde personen. Bovendien wordt de motivatie van taakgestraften die van plan waren om er het beste van te maken niet bepaald versterkt door de aanwezigheid van dergelijke negatieve, geharde en vaak dominante voorbeelden. Waar mogelijk verdient het met het oog op de bevordering van het ‘moe maken’, zoals hierboven opgemerkt, aanbeveling om voor deze jonge criminelen naar aanleiding van welk delict dan ook in principe steeds te reageren met (eventueel korte, maar wel) stevige onvoorwaardelijke detentie.

      Geen voorwaardelijke sanctie

      We kennen in Nederland, met name bij jonge verdachten, een zekere gewoonte om naast een onvoorwaardelijk deel ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Dat gebeurt vanuit de in het algemeen begrijpelijke gedachte dat de betrokkene er iets van leert, dat hij niet voor het volle pond wordt afgerekend voor wat hij heeft misdaan, maar dat een deel van zijn straf alleen als waarschuwing dient, om hem ervan te weerhouden zoiets nogmaals te doen. Echter, dit algemeen pedagogische uitgangspunt werkt niet bij succesvolle doorgroeiers. De voorwaardelijke straf en een voorwaardelijk strafdeel blijken inhoudsloze begrippen voor jonge veelplegers.39x Weijers 2019. Doorgroeiers plegen (voortdurend) delicten in hun proeftijd, soms al meteen nadat ze zijn vrijgelaten. Uit onderzoek blijkt de kans op recidive het grootst (zeer) kort na vertrek uit de gevangenis.40x P. Bayer, R. Hjalmarsson & D. Pozen, ‘Building criminal capital behind bars: Peer effects in juvenile corrections’, The Quarterly Journal of Economics 2009, 1, p. 105-147. Straf gaat voor hen over hoelang ze moeten zitten, niet over wat er mogelijk nog een keer bij komt.41x Vergelijk K.D. Tunnell, Choosing crime: the criminal calculus of property offenders, Chicago: Nelson-Hall Publishers 1992. De succesvolle doorgroeier is helemaal niet van plan om het over een andere boeg te gooien. Voor hem dient de voorwaardelijke sanctie taboe te zijn en de reclassering moet niet met deze categorie criminelen als cliënt worden opgezadeld. Een stevige, onvoorwaardelijke straf is realistisch gezien het enige wat hier zin heeft, in de hoop dat dit bijdraagt aan zijn gevoel het langzamerhand zat te worden.

      Alleen (motiveren voor) behandeling bij de wil om te veranderen

      Zoals gezegd zijn deze jongemannen, die ergens rond hun 18de, 25ste of 29ste stug volharden op de antisociale weg die ze jaren eerder zijn ingeslagen, doorgaans slim, dat wil zeggen ‘straatslim’. Dat wil zeggen dat ze hun activiteiten goed plannen, vaak op de achtergrond opereren en zelden worden gepakt. Tegelijkertijd is er vaak sprake van meervoudige psychische problematiek.42x Zie o.a. het GGD-rapport In de nesten naar de voorgeschiedenis van een groep jongvolwassen gewelddadige veelplegers in Amsterdam, https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf; Weijers, Hepping & Kampijon 2010, p. 47. Het aanboren van de innerlijke spanning bij deze personen vereist bijzonder therapeutisch vakmanschap. Vanuit therapeutisch perspectief is het van groot belang dat dit een plek krijgt in de behandeling.43x E. Jongman, ‘Individuele psychotherapie bij jeugdige veelplegers’, in: I. Weijers (red.), Justitiële interventies voor jeugdige daders en risicojongeren, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 309-322. Voorheen werd dit opgevat als iets wat voorafging aan de behandeling. Tegenwoordig is het motiveren voor behandeling bij psychotherapeutische interventies als Functional Family Therapy en Schematherapie een vast onderdeel van de behandeling zelf. Dit motiveren voor behandeling bij een echte jongvolwassen volharder neemt veel tijd in beslag en kan wel een jaar of langer duren.44x E. Jongman & K. Schaafsma, Gevoel is explosief materiaal. Ambulante behandeling van jonge veelplegers, 2017.
      Echter, snelle doorgroeiers komen veelal uit een crimineel milieu.45x Vergelijk Weijers, Hepping & Kampijon 2010, p. 48; https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf. Dat betekent dat de therapeut in deze gevallen dus niet alleen de confrontatie aangaat met de jongeman en diens persoonlijke problematiek, maar ook met een milieu waarin criminaliteit gewoon wordt gevonden. De kans dat de therapeut hier tegenover deze collectieve afweer echte winst kan boeken bij de individuele jongeman is extreem klein. Net als bij de reclassering dient hier als uitgangspunt te gelden dat we zuinig met de inzet van therapeuten moeten omgaan en dat ze niet moeten worden opgezadeld met deze cliënten. Uitgangspunt moet zijn dat altijd perspectief wordt geboden op hulp, maar alleen als de doorgroeiers zelf aantoonbare stappen zetten om hun leven radicaal anders in te richten. Dus de wil en motivatie om te veranderen dienen aanwezig te zijn.

    Noten

    • 1 A. van der Laan, S. Pleysier & F. Weerman, ‘Hedendaagse jeugdcriminaliteit: nieuwe vragen en enkele antwoorden na een historische daling’, Tijdschrift voor Criminologie 2020, 2-3, p. 115-129; A.M. van der Laan & M.G.C.J. Beerhuizen, Monitor Jeugdcriminaliteit 2017: Ontwikkelingen in de registreerde jeugdcriminaliteit in de jaren 2000 tot 2017 (Cahier 2018-1), Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 2018; J. de Waard, A. van der Laan & M. Scheepmaker, ‘Inleiding’, Justitiële verkenningen 2017, 1, p. 5-9; A.M. van der Laan, M.G.C.J. Beerthuizen & H. Goudriaan, ‘Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit, 1997 tot 2015’, Justitiële verkenningen 2017, 1, p. 28-49.

    • 2 www.at5.nl/artikelen/204071/politiechef-we-moeten-op-onze-hoede-zijn-om-bendevorming-onder-jeugd-te-voorkomen.

    • 3 www.cbs.nl/-/media/_excel/2020/08/jonge-first-offenders-2010-2019.xlsx.

    • 4 K.A. Beijersbergen, D. Blokdijk & G. Weijters, De recidive onder daders van high impact crimes veroordeeld tussen 2002 en 2013, Den Haag: WODC 2018. Mede als gevolg hiervan is de gemiddelde leeftijd van overvallers sinds 2003 met twee jaar gedaald: van rond de 26,5 jaar in 2003 naar rond de 24,5 tien jaar later.

    • 5 H. Ferwerda, J. Wolsink & I. van Leiden, De lading van vuurwapens, Den Haag: Sdu 2020, p. 77.

    • 6 www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/12/eerste-toename-minderjarige-verdachten-sinds-2009.

    • 7 G. Weijterse.a., Recidive onder justitiabelen in Nederland. Verslag over de periode 2006-2018. Den Haag: WODC 2019; Van der Laan & Beerthuizen 2018.

    • 8 M. Eijsink Smeets & E. Bervoets, De onaantastbaren. De destructieve doorwerking van onaantastbaren in wijk en buurt, Den Haag: Nicis 2011.

    • 9 E. Bervoets, Vlindermessen en djonko’s: jeugdcriminaliteit, hangjongeren en een praktijkverhaal uit West, Den Haag: Boom 2012; Ferwerda, Wolsink & Van Leiden 2020, p. 77.

    • 10 Zie bijvoorbeeld de rapportage over het Bindelmeer College in de Amsterdamse Bijlmermeer, www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2020/naar-school-zonder-ontbijt-maar-met-een-mes~v379709/.

    • 11 R.A. Roks & J.B. van den Broek, Cappen voor Clout? Een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in het digitale tijdperk, Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2020.

    • 12 R.A. Roks & J. van den Broek, ‘Digital streets, internet banging, and cybercrimes: Street culture in a digitized world’, in: J.I. Ross (red.), Routledge Handbook of Street Culture, Londen: Routledge 2020, p. 357-367; R.A. Roks & J. van den Broek, ‘# HOUHETSTRAAT: Straatcultuur op social media?’, Tijdschrift over cultuur en criminaliteit2017, 3, p. 31-50; E. van Hellemont, ‘Gangland online: Perform­ing the real imaginary world of gangstas and ghettos in Brussels’, European Journal of Crime Crimal Law & Criminal Justice 2012, 20, p. 165-180.

    • 13 www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/11/tk-bijlage-actieplan-wapens-en-jongeren;www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/07/09/tk-voortgang-aanpak-jeugdcriminaliteit/tk-voortgang-aanpak-jeugdcriminaliteit.pdf.

    • 14 Parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden, Inzake opsporing: Enquête opsporingsmethoden, Den Haag: Sdu uitgevers 1996.

    • 15 Zie o.a. E.R. Kleemans, Criminele carrières in de georganiseerde misdaad, Den Haag: WODC 2007; E. Bervoets & A. van Wijk, ‘Drie drugsnetwerken in een kleine stad’, Tijdschrift voor Criminologie 2016, 3, p. 3-19.

    • 16 F. Calderoni, ‘Recruitment into organised criminal groups: A systematic review’, Trends & issues in crime and criminal justice 2020, 583, Canberra: Australian Institute of Criminology, www.aic.gov.au/publications/tandi/tandi583.

    • 17 Calderoni e.a. 2020, p. 8. Vergelijk E. Kleemans & V. van Koppen (2020). Organized crime and criminal careers. Crime and Justice, 49, 2020, p. 402.

    • 18 L.S. Carvalho & R.R. Soares, ‘Living on the edge: Youth entry, career and exit in drug-selling gangs’, Journal of Economic Behavior & Organization 2016, 121, p. 77-98. doi.org/10.1016/j.jebo.2015.10.018; S. Kirby e.a.. ‘Using the UK general offender database as a means to measure and analyse organized crime’, Policing: An International Journal 2016, 1, p. 78-94, doi.org/10.1108/PIJPSM-03-2015-0024; G. Robinson, R. McLean & J. Densley, ‘Working county lines: child criminal exploitation and illicit drug dealing in Glasgow and Merseyside’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2019, 5, p. 694-711.

    • 19 R.A. Roks, In de h200d. Een eigentijdse etnografie over de inbedding van criminaliteit en identiteit, Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2016. Zie bijv. ook www.telegraaf.nl/nieuws/741495162/de-schutter-jong-laag-iq-en-op-zoek-naar-status; J.A. Densley, ‘Street gang recruitment: Signaling, screening, and selection’, Social problems 2012, 3, p. 301-321.

    • 20 M.V. van Koppen, V.R. van der Geest & E.R. Kleemans, Doorgroeiers in de misdaad: De criminele carrières en achtergrondkenmerken van jonge daders van een zwaar delict, Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2017.

    • 21 Ontleend aan H. Ferwerda, B. Beke & E. Bervoets, Jeugdgroepen van toen. Een casusonderzoek naar de leden van drie criminele jeugdgroepen uit het einde van de vorige eeuw (Politiekunde nr. 59), Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2013.

    • 22 https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf. Onder de 81 jongeren die in Utrecht jarenlang werden gevolgd nadat ze op een lijst van minderjarige veelplegers terecht waren gekomen, werden behalve zeer veel gedragsproblemen eveneens zeer lage IQ’s aangetroffen, bij de tien met de meeste geregistreerde feiten variërend van 56 tot 83. Zie I. Weijers, K. Hepping & M. Kampijon, Jeugdige veelplegers, Amsterdam: SWP 2010. Ook onder de jongeren die het afgelopen jaar zijn opgenomen in de Zaanse 075-aanpak is het hoge aantal LVB’ers weer opvallend.

    • 23 www.nrc.nl/nieuws/2018/02/16/gewapende-overvallen-met-speedboten-dus-toch-a1592191.

    • 24 Zie R.A. Roks & J.A. Densley, ‘From Breakers to Bikers: The Evolution of the Dutch Crips “Gang”’, Deviant Behavior 2020, 4, p. 525-542.

    • 25 Vergelijk A. de Beer, ‘Zwijgrecht en pedagogisch bejegenen’, in: K. Hepping, S. Rap & J. Huijer (red.), De pedagogische benadering van de jeugdrechtspleging, Den Haag: Boom juridisch, p. 103-110.

    • 26 H. Ferwerda, B. Beke & E. Bervoets, ‘De onzichtbare invloed van bovenlokale criminele netwerken in de wijk’, Tijdschrift voor de Politie 2017, 9/10.

    • 27 Ferwerda, Beke & Bervoets 2013; B. van Gestel & M.A. Verhoeven, Verkennende voorstudie Liquidaties, Den Haag: WODC 2017a; B. van Gestel, & M.A. Verhoeven, ‘Liquidaties nieuwe stijl: Verruwing en professionalisering bij liquidaties in Nederland’, Justitiële Verkenningen 2017b, 5, p. 9-28.

    • 28 B. Beke e.a., Jeugdgroepen en geweld. Van signalering naar aanpak (Onderzoeksreeks Politieacademie), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2013.

    • 29 Beke e.a. 2013.

    • 30 Ferwerda, Beke & Bervoets 2017; Eijsink Smeets & Bervoets 2011.

    • 31 www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/de-moord-op-wiersum-ervaar-ik-echt-als-een-persoonlijke-aanval-op-ons-de-politie-en-op-het-om~bccbf347/.

    • 32 Zie bijv. https://ccv-secondant.nl/magazine/secondant-4-december-2015/rotterdam-zit-daders-op-de-huid/.

    • 33 Zie I. Weijers, ‘Jonge veelplegers en hun worsteling om te stoppen met criminaliteit’, Tijdschrift voor Criminologie 2020, 2-3, p. 235.

    • 34 Vergelijk I. Weijers, Veelplegers aanpakken. 81 jonge veelplegers 15 jaar gevolgd, Amsterdam: SWP 2019.

    • 35 Zie R. van de Water, ‘De Top600-aanpak: toverdrank of hype?’, in: K. Hepping, S. Rap & J. Huijer (red.), De pedagogische benadering van de jeugdrechtspleging, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 177-184.

    • 36 N. Walker, D.P. Farrington & G. Tucker, ‘Reconviction rates of adult males after different sentences’, British Journal of Criminology 1981, 4, p. 357-360; vergelijk W.D. Bales & A.R. Piquero, ‘Assessing the impact of imprisonment on recidivism’, Journal of Experimental Criminology 2012, 1, p. 97. Toch blijkt ook uit laatstgenoemde studie evenals uit een Nederlandse studie dat in het algemeen daders minder recidiveren na een taakstraf dan na gevangenisstraf. H. Wermink e.a., ‘Recidive na werkstraffen en na gevangenisstraffen. Een gematchte vergelijking’, Tijdschrift voor Criminologie 2009, 3, p. 211-227.

    • 37 P. Villetaz, G. Gillieron & M. Killias, The effects on re-offending of custodial vs. non-custodial sanctions: an updated systematic review of the state of knowledge, Oslo: The Campbell Collaboration 2015.

    • 38 K. Lünnemann, M. Wentink & G. Beijers, Werkstraffen: succes verzekerd? Succes- en faalfactoren bij werkstraffen van meerderjarigen, Utrecht: Verweij-Jonker Instituut 2005.

    • 39 Weijers 2019.

    • 40 P. Bayer, R. Hjalmarsson & D. Pozen, ‘Building criminal capital behind bars: Peer effects in juvenile corrections’, The Quarterly Journal of Economics 2009, 1, p. 105-147.

    • 41 Vergelijk K.D. Tunnell, Choosing crime: the criminal calculus of property offenders, Chicago: Nelson-Hall Publishers 1992.

    • 42 Zie o.a. het GGD-rapport In de nesten naar de voorgeschiedenis van een groep jongvolwassen gewelddadige veelplegers in Amsterdam, https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf; Weijers, Hepping & Kampijon 2010, p. 47.

    • 43 E. Jongman, ‘Individuele psychotherapie bij jeugdige veelplegers’, in: I. Weijers (red.), Justitiële interventies voor jeugdige daders en risicojongeren, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 309-322.

    • 44 E. Jongman & K. Schaafsma, Gevoel is explosief materiaal. Ambulante behandeling van jonge veelplegers, 2017.

    • 45 Vergelijk Weijers, Hepping & Kampijon 2010, p. 48; https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/fileadmin/user_upload/Bestanden/Documenten/in_de_nesten.pdf.


Print dit artikel