DOI: 10.5553/PROCES/016500762022101002002

PROCESAccess_open

Peer reviewed

Ondersteunen van verandering en terugkeer

Een raamwerk voor exitprogramma’s voor geradicaliseerde (ex-)­gedetineerden

Trefwoorden deradicalisering, disengagement, exitprogramma, gevangeniswezen
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Robin Christiaan van Halderen, Nanne Vosters, Janine Janssen e.a. , 'Ondersteunen van verandering en terugkeer', PROCES 2022, p. 65-79

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      Het uitreizen van personen naar Syrië en Irak om zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen, maar bijvoorbeeld ook de dreiging van rechts-extremisme, heeft in Europa geleid tot een sterkere focus op strategieën en interventies die radicalisering tegengaan.1x D. Koehler (Köhler), Structural quality standards for work to intervene with and counter violent extremism. A handbook for practitioners, state coordination units and civil society programme implementers in Germany, Stuttgart: Counter Extremism Network Coordination Unit 2017a; M. van San, De onvoorspelbare terrorist. Het ‘magisch denken’ over preventie van radicalisering en de mogelijkheden tot deradicalisering, Brussel: Itinera Institute 2018; NCTV, De golfbewegingen van rechts-extremistisch geweld in West-Europa. Aard, ernst en omvang van de rechts-extremistische geweldsdreiging in West-Europa, inclusief Nederland, 2018, geraadpleegd via www.nctv.nl/documenten/rapporten/2018/11/05/de-golfbewegingen-van-rechts-extremistisch-geweld-in-west-europa. Daartoe behoren ook zogenoemde exitprogramma’s,2x Koehler 2017a; V. Costa e.a., ‘One size does not fit all: Exploring the Characteristics of exit programmes in Europe’, Journal for Deradicalization 2021, 28, p. 1-38. in dit artikel begrepen als programma’s die geradicaliseerde individuen aanmoedigen en ondersteunen bij het afstand nemen van geweld, het eventueel loslasten van het daarmee verbonden ideologische wereldbeeld en een goede re-integratie in de samenleving.3x De term exitprogramma kan verwijzen naar een specifiek soort uittredingsprogramma, maar wordt ook als overkoepelende term gebruikt voor programma’s gericht op deradicalisering, disengagement, rehabilitatie en/of re-integratie. De definitie in dit artikel sluit aan bij dit laatste. Zie Costa e.a. 2021; D. Koehler, ‘A typology of “de-radicalisation” programmes’, in: L. Colaert (red.), ‘De-radicalisation’. Scientific insights for policy. Brussel: Flemish Peace Institute 2017b, p. 63-81.
      Exitprogramma’s bevinden zich echter nog veelal in een vroeg stadium van ontwikkeling.4x Koehler 2017a. Het is zodoende relevant om een beter begrip te krijgen van de inhoud en toepassing van een effectief exitprogramma. In dit artikel staat dat centraal. Het artikel is geschreven in het kader van het Europese onderzoeks- en onderwijsproject WayOut.5x Het project WayOut (www.wayout-prison.eu) werd gefinancierd door de Europese Commissie (European Union’s Internal Security Fund – Police) en is afgerond in 2021. Het betrof een samenwerking tussen meerdere Europese praktijk- en kennisinstellingen. Het project ondersteunt de toepassing van exitprogramma’s in gevangenissen en door reclasseringsorganisaties door onder andere het inzichtelijk maken van de ‘state of the art’ in de wetenschap, een bondige evaluatie van bestaande exitprogramma’s en de ontwikkeling van onderwijsmateriaal voor professionals. Er wordt antwoord gezocht op de vraag: Uit welke onderdelen kan een werkzaam exitprogramma voor geradicaliseerde (ex-)gedetineerden bestaan en welke voorwaarden zijn verbonden aan een succesvolle implementatie? In het bijzonder is er een raamwerk ontwikkeld voor de vormgeving en toepassing van een exitprogramma binnen het gevangeniswezen of de reclassering.6x Zie R.C. van Halderen & N. Vosters, D4.1 – Methodological framework exit programme (WayOut project, deliverable nr. 4.1), 2021, op te vragen via www.exit-practices.eu.
      Het raamwerk is gebaseerd op een analyse van wetenschappelijke literatuur en vakliteratuur. Meerdere organisaties en internationale netwerken die verbonden zijn met de aanpak van radicalisering hebben publicaties uitgebracht met standaarden en aanbevelingen voor exitprogramma’s. Verschillende van dergelijke publicaties – voor zover bekend is het aantal publicaties waarin het accent ligt op het bieden van handvatten voor het ontwerpen en implementeren van exitprogramma’s gering – vormden het uitgangspunt bij het opstellen van het raamwerk.7x GCTF, Rome Memorandum on Good Practices for Rehabilitation and Reintegration of Violent Extremist Offenders, z.j., geraadpleegd via www.thegctf.org/Portals/1/Documents/Framework%20Documents/2016%20and%20before/GCTF-Rome-Memorandum-ENG.pdf?ver=2016-09-01-121309-677; Koehler 2017a; RAN Exit, Setting up an exit intervention (Ex Post Paper, Berlijn, 13-14 februari 2017), z.j.-b, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl#ecl-inpage-1581; UNODC, Handbook on the Management of Violent Extremist Prisoners and the Prevention of Radicalization to Violence in Prisons (Criminal Justice Handbook Series, United Nations Office on Drugs and Crime), New York: United Nations 2016. De publicaties zijn in wisselende mate gestoeld op wetenschappelijke kennis en/of ervaringen uit de praktijk. Op websites van relevante instituties (zoals het Radicalisation Awareness Network) en in wetenschappelijke databanken is gezocht naar aanvullende literatuur. Relevant bij het opstellen van het raamwerk waren eveneens publicaties die gedeeld werden door projectpartners en onderzoeksrapporten die in het kader van het project zijn opgeleverd.8x Onderdeel van het project WayOut is een website waar kennis wordt gedeeld (inclusief relevante publicaties) en onderzoeksrapporten die onderdeel zijn van het project kunnen worden opgevraagd: www.exit-practices.eu. Bij het zoeken naar literatuur is voor een pragmatische insteek gekozen. In de verzamelde literatuur is gezocht naar voor het raamwerk belangrijke elementen. Het zuiver leunen op wetenschappelijke publicaties bij het opstellen van het raamwerk bleek niet mogelijk. De wetenschap heeft de praktische toepassing van exitprogramma’s nog onvoldoende kunnen bijbenen.9x D. Koehler, ‘Are There “Best Practices” in Deradicalisation? Experiences from Frontline Intervention and Comparative Research’, in: S. Jayakumar (red.), Terrorism, Radicalisation & Countering Violent Extremism. Practical Considerations & Concerns. Singapore: Palgrave Pivot 2019, p. 59-68. Exitprogramma’s worden zelden op een nauwgezette manier geëvalueerd,10x Koehler 2017a; L. van der Heide & B. Schuurman, ‘Reintegrating Terrorists in the Netherlands: Evaluating the Dutch approach’, Journal for Deradicalization 2018b, 17, p. 196-239; Van San 2018; T. Veldhuis, Designing Rehabilitation and Reintegration Programmes for Violent Extremist Offenders: A Realist Approach (ICCT Research Paper), Den Haag: International Centre for Counter-Terrorism 2012. en er is nog beperkt onderzoek gedaan naar deradicalisering en daarmee verbonden aspecten.11x M.B. Altier, C.N. Thoroughgood & J.G. Horgan, ‘Turning away from terrorism: Lessons from psychology, sociology, and criminology’, Journal of Peace Research 2014, 5, p. 647-661; K. Barrelle, ‘Pro-integration: disengagement from and life after extremism’, Behavioral Sciences of Terrorism and Political Aggression 2015, 2, p. 129-142; Koehler 2017a; Van San 2018.
      Het gevormde raamwerk is algemeen van aard. Het raamwerk ondersteunt en moedigt aan tot de ontwikkeling van exitprogramma’s die nauw aansluiten bij een specifieke doelgroep (links-, rechts- of religieus extremisme, kort- of langgestraften, verdachten of veroordeelden, hoog of laag veiligheidsrisico, vrouwen of mannen, enzovoort) en de setting waarin ze worden geïmplementeerd.12x Zie Veldhuis 2012. De verschillende vormen van extremisme, de context waarin een programma kan worden toegepast en het gebrek aan wetenschappelijke kennis over wat in welke situatie werkt, maken het komen tot een universeel exitprogramma onmogelijk. Een exitprogramma is maatwerk.

      In het vervolg van het artikel wordt het raamwerk uiteengezet. Het artikel biedt algemene inzichten en is niet specifiek gericht op de situatie in Nederland, hoewel daar ter illustratie soms wel naar wordt verwezen.13x Voor inzicht in de Nederlandse aanpak zie o.a. D.J. Weggemans & B.A. de Graaf, Na de vrijlating. Een exploratieve studie naar recidive en re-integratie van jihadistische ex-gedetineerden, Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2015; E. Rodermond, R. Zalmé & E. Zuiderveld, Re-integratie en recidive na een verblijf op de TA. Een mixed-method analyse van de levensloop en criminele carrière na de vrijlating, Amsterdam: NSCR 2021; L van der Heide & B. Schuurman, Re-integratie van delinquenten met een extremistische achtergrond: Evaluatie van de Nederlandse aanpak (ISGA Report), Den Haag: Universiteit Leiden 2018a.

    • 2. Raamwerk voor het ontwikkelen en implementeren van een exitprogramma

      Het raamwerk voor het ontwikkelen en implementeren van een exitprogramma bestaat uit zes categorieën: (1) doelen en organisatie, (2) risicotaxatie en classificatie, (3) omgang met geradicaliseerde (ex-)gedetineerden en het aanmoedigen van deelname, (4) interventies, (5) nazorg bij terugkeer in de samenleving, en (6) monitoren en evalueren. Zoals beschreven, is het raamwerk, en zijn dus de categorieën, gestoeld op een analyse van wetenschappelijke literatuur en vakliteratuur. De categorieën worden hierna uiteengezet.

      2.1 Categorie 1: Doelen en organisatie

      De categorie doelen en organisatie heeft betrekking op de doelstelling van een exitprogramma, de selectie van prestatie-indicatoren, de facilitering van een exitprogramma, de werving en training van personeel, het garanderen van de veiligheid van betrokkenen, en de mate van transparantie over de gang van zaken binnen een exitprogramma. Het zijn aspecten die onder meer in de beginfase, bij het ontwerpen van het programma, voldoende aandacht moeten krijgen.
      Een exitprogramma is gebaat bij een theoretische basis en een duidelijke doelstelling. Inzichtelijk moet zijn wat er met een programma precies wordt nagestreefd en op welke wijze de activiteiten in het programma daaraan bijdragen. Helderheid hierover vooraf is belangrijk voor het meten van succes en het verder aanscherpen van het programma.14x Veldhuis 2012. Aangaande de doelstelling is het onderscheid tussen de begrippen ‘deradicalisering’ en ‘disengagement’ relevant. Hoewel in de literatuur eenduidigheid over definities ontbreekt, kan in algemene zin worden gesteld dat deradicalisering betrekking heeft op het afstand nemen van een extremistische ideologie die terreur rechtvaardigt (cognitieve verandering), en disengagement begrepen moet worden als het niet meer deelnemen aan of ondersteunen van terroristisch geweld (gedragsmatige verandering).15x Van der Heide & Schuurman 2018b; Koehler 2017b. Disengagement is mogelijk eenvoudiger te bereiken dan deradicalisering. Het opgeven van geweld om een politiek of religieus doel te bereiken vereist geen verandering in iemands waarden of idealen.16x Veldhuis 2012. Hierbij telt mee dat deradicalisering in een democratische rechtsstaat kan botsen met de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid dan wel de scheiding van kerk en staat, waardoor het voor overheden, ook in juridisch opzicht, lastig kan zijn om religieuze activiteiten te ondersteunen.17x L. Vidino & J. Brandon, ‘Europe’s experience in countering radicalisation: approaches and challenges’, Journal of Policing, Intelligence and Counter Terrorism 2012, 2, p. 163-179; UNODC 2016. Een meer overkoepelend doel van exitprogramma’s is vaak een succesvolle re-integratie in de samenleving.18x Veldhuis 2012.
      De doelen van een programma dienen geoperationaliseerd te worden om de resultaten meetbaar te maken en in het kader van evidencebased werken te kunnen bepalen welke interventies werken en welke niet. Recidive is daarbij een relevante maatstaf, maar heeft zijn beperkingen, zoals de onvolledigheid van recidivecijfers.19x Zie GCTF z.j.; UNODC 2016; Veldhuis 2012. Andere voorbeelden zijn prestaties op het vlak van onderwijs of beroepsvaardigheden (certificaten, diploma’s enzovoort), of veranderingen in het gedrag binnen detentie (aantal disciplinaire maatregelen, mate van beïnvloeding van anderen, enzovoort).20x GCTF z.j.; Veldhuis 2012.
      Exitprogramma’s zullen waarschijnlijk het meeste effect hebben als ze worden opgezet en toegepast in een setting die op orde is. Dat betekent onder andere dat er voldoende middelen beschikbaar moeten zijn om het exitprogramma uit te voeren en dat het programma genoeg aandacht krijgt van deskundig management.21x Koehler 2017a. Vanwege de complexiteit van de thematiek wordt een exitprogramma idealiter uitgevoerd door een multidisciplinair team, zodat er vanuit verschillende vakgebieden naar de situatie gekeken wordt en meerdere expertises kunnen worden ingezet.22x UNODC 2016. Hoewel diverse disciplines deel kunnen uitmaken van een dergelijk team, dus ook sociaal werkers en professionals op het vlak van nazorg, wordt er in de literatuur relatief veel aandacht besteed aan de betrokkenheid van psychologen, ervaringsdeskundigen en deskundigen op het vlak van religie (theologen).23x GCTF z.j.; Koehler 2017a; UNODC 2016. Alle drie kunnen een centrale rol spelen, waarbij als aanvulling op het zogenoemde Rome Memorandum (een overzicht van ‘good practices’ voor rehabilitatieprogramma’s voor geradicaliseerde gedetineerden)24x GCTF z.j. er specifieke richtlijnen zijn opgesteld voor de activiteiten van psychologen, zoals het identificeren van factoren die bijgedragen hebben aan de gevoeligheid voor de ideologie.25x Hedayah & ICCT, Building on the GCTF’s Rome Memorandum: Additional Guidance on the Role of Psychologists/Psychology in Rehabilitation and Reintegration Programs, z.j., geraadpleegd via www.icct.nl/download/file/Hedayah-ICCT%20Psychology%20Good%20Practices.pdf. Ervaringsdeskundigen tonen dat verandering mogelijk is en kunnen binnen het programma een coachende of adviserende rol vervullen.26x RAN Exit z.j.-b. Theologen zijn verbonden met theologische interventies en het bieden van een alternatieve religieuze interpretatie.27x GCTF z.j.; UNODC 2016. Het is van essentieel belang dat het betrokken personeel goed getraind is en kennis heeft van de laatste wetenschappelijke inzichten, zodat ze deze inzichten kunnen toepassen.28x GCTF z.j.; Koehler 2017a. Reflecteren op aspecten als het eigen functioneren, de eigen positie, de persoonlijke waardeoriëntatie en de behoeften van deelnemers aan het programma lijkt eveneens zeer waardevol.29x Zie M.J. Geenen, Reflecteren. Leren van je ervaringen als sociale professional, Bussum: Coutinho 2010.
      De veiligheidsrisico’s bij het werken met geradicaliseerde (ex-)gedetineerden mogen niet worden onderschat. Er dienen passende maatregelen genomen te worden om deze risico’s zo klein mogelijk te houden. Het werk is gericht op personen en groeperingen waarvan een serieuze geweldsdreiging uit kan gaan.30x Zie RAN Exit z.j.-b. Exitprogramma’s moeten echter niet volledig worden afgeschermd van de buitenwereld. Dit hangt samen met het delen van informatie met andere veiligheidspartners,31x E. Entenmann e.a., Rehabilitation for Foreign Fighters? Relevance, Challenges and Opportunities for the Criminal Justice Sector (ICCT Policy Brief, december), Den Haag: International Centre for Counter-Terrorism 2015. maar ook met het krijgen van draagvlak onder het bredere publiek en de mogelijkheid dat er lering kan worden getrokken uit een exitprogramma door evaluatie. Het afschermen van programma’s heeft kennisdeling en daarmee de verdere ontwikkeling van deze programma’s beperkt.32x Koehler 2017a; D. Koehler, Understanding Deradicalization. Methods, tools and programs for countering violent extremism, Abingdon: Routledge 2017c; zie J. Horgan & K. Braddock, ‘Rehabilitating the Terrorists?: Challenges in Assessing the Effectiveness of De-radicalization programs’, Terrorism and Political Violence 2010, 2, p. 267-291. In praktisch opzicht, en zoals aan de orde komt in de categorie over nazorg, is uitwisselen van informatie met ketenpartners belangrijk in het re-integratietraject.

      2.2 Categorie 2: Risicotaxatie en classificatie

      Inzicht in het gevaar dat iemand vormt voor anderen en zichzelf en in de persoonlijke noden of behoeften die vervuld dienen te worden voor een goede terugkeer in de samenleving is van essentieel belang in een exitprogramma. Begrepen moet worden waarom iemand is geradicaliseerd. Risico’s en behoeften moeten op een gestructureerde manier in kaart worden gebracht. In de literatuur wordt aangemoedigd tot het inrichten van een procedure voor intake, risicotaxatie en classificatie. De essentie daarvan is dat een programma, maar ook de veiligheidssetting, aansluit bij individuele risico’s en behoeften. Een classificatieprocedure draagt bijvoorbeeld bij aan het plaatsen van een persoon in een geschikt gevangenisregime en het bepalen van gepaste interventies. Een dergelijke aanpak maakt het ook mogelijk om een specifieke doelgroep voor het programma te selecteren. Het gedurende een exitprogramma periodiek uitvoeren van een risicotaxatie maakt het mogelijk om individuele vooruitgang inzichtelijk te maken en interventies aan te scherpen.33x GCTF z.j.; UNODC 2016. De focus op risico’s en behoeften, en de afstemming van interventies daarop, sluiten aan bij het ‘risk-needs-responsivity framework’ (RNR-model).34x UNODC 2016. Het aspect ‘risk’ in het RNR-model, het risicoprincipe, houdt in dat het recidiverisico richtinggevend is voor de duur en intensiteit van de behandeling. Een hoger risico vraagt om een langere en frequentere behandeling. De term ‘needs’, het zorgbehoefteprincipe, geeft aan dat behandeling zich moet richten op factoren die zijn verbonden met het delictgedrag, de zogenoemde dynamische criminogene factoren. Ten slotte wordt met ‘responsivity’, het responsiviteitsprincipe, gesteld dat bij de behandeling rekening moet worden gehouden met iemands leerstijl en intelligentie. Tevens dienen algemene behandelkenmerken niet uit het oog te worden verloren, zoals een passende therapeutische behandelomgeving.35x J. van Horn, M. Eisenberg, & K. Uzieblo. ‘Risicotaxatie in de Nederlandse ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg’, Tijdschrift voor Psychiatrie 2016, 8, p. 583-592; zie D.A. Andrews & J. Bonta, The Psychology of Criminal Conduct, Abingdon: Routledge 2015.
      Er bestaan verschillende risicotaxatie-instrumenten rondom extremisme, radicalisering en terrorisme. Deze instrumenten zijn veelal afgeleid van risicotaxatie-instrumenten in andere domeinen, zoals criminaliteit of psychiatrie, maar zijn meestal niet even valide of betrouwbaar. Dat hangt samen met de beperkte omvang en benaderbaarheid van de doelgroep en met het gegeven dat de instrumenten niet altijd openbaar worden gemaakt.36x A.R. Feddes, ‘Risk assessment in integral security policy’, in: L. Colaert (red.), ‘De-radicalisation’. Scientific insights for policy, Brussel: Flemish Peace Institute 2017, p. 47-61. Een relatief bekend risicotaxatie-instrument is de Violent Extremist Risk Assessment 2 Revised (VERA-2R). Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) is betrokken bij de doorontwikkeling van het instrument en biedt rondom de VERA-2R training en certificering aan. De VERA-2R wordt gebruikt door Reclassering Nederland en de Dienst Justiele Inrichtingen (DJI).37x NIFP, Risicotaxatie-instrument VERA-2R, z.j., geraadpleegd via www.nifp.nl/onderwerpen/risicotaxatie-instrument-vera-2r. Het instrument is bedoeld voor het inschatten van het individuele risico op gewelddadig extremisme. De VERA-2R focust op indicatoren binnen verschillende domeinen, zoals grieven en ervaren ongelijkheid, strafrechtelijk verleden en mentale problemen. In de VERA-2R wordt ook aandacht besteed aan iemands motieven voor gewelddadig extremisme en factoren die het risico juist verminderen – beschermende factoren38x Zie voor kritiek op deze factoren, zoals een bestaande kennislacune: M. Herzog-Evans, ‘A comparison of two structured professional judgment tools for violent extremism and their relevance in the French context’, European Journal of Probation 2018, 1, p. 3-27. (bijvoorbeeld een meer gematigde verbondenheid met ideologie). Risico’s worden in de VERA-2R beschouwd als dynamisch. Herhaalde toepassing van het instrument maakt het mogelijk om veranderingen in houding en gedrag inzichtelijk te maken, en daarmee ook eventuele effecten van een exitprogramma.39x M. Lloyd, Extremism Risk Assessment: A Directory (Full report), 2019, geraadpleegd via https://crestresearch.ac.uk/resources/extremism-risk-assessment-directory/.

      2.3 Categorie 3: Omgang met geradicaliseerde (ex-)gedetineerden en aanmoedigen van deelname

      Een centraal aspect in een exitprogramma is de interactie met geradicaliseerde (ex-)gedetineerden.40x RAN Exit z.j.-b; M. van de Donk, RAN Exit Academy. ‘Communicating with radicalised individuals in an exit setting’ (Ex Post Paper, RAN Exit, Rotterdam, 25-26 april 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl. Deze interactie is echter niet eenvoudig en leunt sterk op wederzijds vertrouwen. Professionals moeten ervan uitgaan dat verandering mogelijk is en dienen betrouwbaar, deskundig en sociaal vaardig te zijn. Professionals die in dienst zijn van de overheid, zoals professionals in de strafrechtsector, hebben de handicap dat geradicaliseerde personen vaak zeer weinig vertrouwen hebben in overheidsinstituties.41x RAN Exit, Minimum methodological requirements for exit interventions. Outline: deradicalisation interventions for violent extremism (Ex Post Paper, Londen, 15-16 maart 2016), z.j.-a, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl#ecl-inpage-1581. De overheid wordt verbonden met de ervaren onvrede over de samenleving, en de legitimiteit van de overheid kan worden ontkend.42x B. Doosje, A. Loseman & K. van den Bos, ‘Determinants of Radicalization of Islamic Youth in the Netherlands: Personal Uncertainty, Perceived Injustice, and Perceived Group Threat’, Journal of Social Issues 2013, 3, p. 586-604; B. Doosje e.a., ‘Terrorism, radicalization and de-radicalization’, Current Opinion in Psychology 2016, 11, p. 79-84; F.M. Moghaddam, ‘The Staircase to Terrorism. A Psychological Exploration’, American Psychologist 2005, 2, p. 161-169. Andere hindernissen bij de interactie met geradicaliseerde (ex-)gedetineerden zijn bijvoorbeeld een gebrek aan coöperatie vanwege het ontkennen van problematisch gedrag en de aanwezigheid van een taalbarrière.43x Van de Donk z.j. Van de Donk geeft communicatiestrategieën die toepasbaar zijn binnen een exitprogramma. Zo beveelt hij aan open vragen te stellen om discussie aan te moedigen, conversaties te richten op de toekomst (een narratieve methode die aanzet tot reflectie op positieve persoonlijke eigenschappen kan daarbij worden toegepast), taalgebruik te spiegelen en ideologische twijfel aan te moedigen. Daarnaast dient er onder andere duidelijkheid verschaft te worden over hoe er wordt omgegaan met vertrouwelijke informatie, zijn vooral luisteren en observeren belangrijk, en moet neutraal worden gereageerd op provocerend gedrag.44x Van de Donk z.j.; zie ook RAN Exit z.j.-b. Omtrent het komen tot gedegen interactie zijn er overeenkomsten met benaderingen en methoden die toepasbaar zijn bij het werken met niet-radicale (ex-)gedetineerden. Zo komt het belang van een goede relatie tussen werker en cliënt tot uiting in het RNR-model45x Andrews & Bonta 2015; zie ook A. Menger, De werkalliantie in het gedwongen kader. Onderzocht bij het reclasseringstoezicht (Dissertatie), Delft: Eburon 2018. en de zogenoemde werkalliantie in reclasseringswerk.46x R. Henskens, V. de Vogel & A. Menger, How to build up a working alliance with mandated clients: a four year project in the Netherlands, z.j., geraadpleegd via www.cep-probation.org/how-to-build-a-working-alliance-with-mandated-clients-situation-of-a-four-year-project-in-the-netherlands/; Menger 2018; Van der Heide & Schuurman 2018a. De methode ‘motivational interviewing’ (motiverende gespreksvoering), een compassievolle en doelgerichte communicatiestijl gericht op het stimuleren van de persoonlijke motivatie voor positieve verandering,47x W.R. Miller & S. Rollnick, Motivational Interviewing. Helping People Change, New York: The Guilford Press 2013. geeft eveneens handvatten voor de interactie. Van de Donk baseerde zijn aanbevelingen deels op deze laatste methode.48x Van de Donk z.j.
      Deradicalisering kan niet worden opgelegd. Intrinsieke motivatie is daarvoor noodzakelijk. Geradicaliseerde (ex-)gedetineerden kunnen uiteraard wel worden aangemoedigd om te veranderen.49x RAN Exit z.j.-a. Openingen voor reflectie kunnen al ontstaan door een positieve benadering door gevangenispersoneel, maar in het geval van religieus extremisme bijvoorbeeld ook door gesprekken met een theoloog.50x GCTF z.j.
      Of deelname aan een exitprogramma dan bij voorkeur ook vrijwillig zou moeten zijn, is op basis van huidige inzichten lastig te bepalen. Voor- en nadelen zijn verbonden met zowel vrijwillige als verplichte deelname.51x A. Cherney, K. de Rooy & E. Eggins, ‘Mandatory participation in programs to counter violent extremism: A review of evidence for and against’, Journal for Deradicalization 2021, 27, p. 1-33. Zo kan vrijwillige deelname bij de start al gepaard gaan met een positieve houding jegens rehabilitatie en zal het ook minder snel leiden tot weerstand of het voeden van grieven.52x Costa e.a. 2021; Cherney e.a. 2021; M.N. Milla, J. Hudiyana & H.H. Arifin, ‘Attitude toward rehabilitation as a key predictor for adopting alternative identities in deradicalization programs: An investigation of terrorist detainees’ profiles’, Asian Journal of Social Psychology 2020, 1, p. 15-28. Vrijwillige deelname heeft echter als nadeel dat een programma niet altijd vroegtijdig kan beginnen. De bereidheid tot deelname kan immers op zich laten wachten. Dit is geen (of hoogstens een kleiner) probleem bij verplichte deelname of als deelname voorwaardelijk is voor bepaalde vervolgstappen (zoals vervroegde vrijlating met reclasseringstoezicht).53x Costa e.a. 2021.

      2.4 Categorie 4: Interventies

      Zoals aangegeven, zullen de redenen waarom iemand is geradicaliseerd en het risico dat iemand vormt begrepen moeten worden, omdat dit aanknopingspunten kan bieden voor interventies.54x Koehler 2017a. Maatwerk en aandacht voor een breed pallet aan factoren (sociaal, psychologisch, religieus, beroepsmatig enzovoort) zijn in een exitprogramma noodzakelijk.55x Entenmann e.a. 2015; UNODC 2016. Maatwerk heeft overigens niet enkel betrekking op het individu, maar ook op de brede context waarin interventies worden ingezet. Relevant zijn onder meer het land waar het exitprogramma wordt toegepast, de aard van de terroristische groepering en de woonplaats waar een geradicaliseerde ex-gedetineerde naar terugkeert.56x UNODC 2016. West-Europese landen verschillen wat dat betreft in de manier waarop de overheid is georganiseerd, de relatie tussen kerk en staat, de etnische achtergrond van extremisten en de dominante opvattingen over terrorismebestrijding.57x B. de Graaff, ‘Ze hebben het op ons gemunt, maar wie zijn het nu weer? De telkens wisselende fenomenen van terrorisme, radicalisering, extremisme en fanatisme’, Cahiers Politiestudies 2017, 1, p. 23-38. Illustratief voor dit laatste is de aanpak in Belgische gevangenissen: mede vanuit het heersende idee bij justitie dat deradicaliseren niet mogelijk is, ligt het accent op het opbouwen van een vertrouwensband en hulp op maat.58x Van San 2018. Naast maatwerk is een gedegen theoretische onderbouwing van de interventies relevant. Interventies moeten in lijn zijn met, voor zover beschikbaar, actuele wetenschappelijke inzichten, en het moet duidelijk zijn op welke wijze ze bijdragen aan de doelstellingen van een exitprogramma.59x Koehler 2017a; Veldhuis 2012. De hierna volgende interventies kunnen onder meer worden toegepast in een exitprogramma:

      Psychosociale interventies

      Interventies gericht op psychische problematiek hebben mogelijk nut bij een deel van de geradicaliseerde (ex-)gedetineerden. Onderzoeken geven een wisselend beeld van de mate waarin psychische stoornissen een rol spelen bij terrorisme. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat er een sterkere invloed uitgaat van kwesties rond identiteit, gevoelens van achterstelling, zingeving en steun, terwijl psychische stoornissen juist een beperkte rol spelen.60x N. Schulten e.a., Psychopathologie en terrorisme: Stand van zaken, lacunes en prioriteiten voor toekomstig onderzoek (in opdracht van het WODC), Amsterdam: Universiteit van Amsterdam 2018. Ook zijn er studies die laten zien dat terroristen juist gezonder en stabieler zijn op psychologisch vlak dan andere gewelddadige criminelen.61x A. Silke & J. Morrison, Re-offending by released terrorist prisoners: Separating hype from reality (ICCT Policy Brief, september), 2020, geraadpleegd via https://icct.nl/app/uploads/2020/09/Re-Offending-by-Released-Terrorist-Prisoners.pdf. Anderzijds laat onderzoek ook zien dat gedragsproblemen en stoornissen juist oververtegenwoordigd zijn in de groep Nederlandse Syrië­gangers.62x A.W. Weenink, ‘Behavioral problems and disorders among radicals in police files’, Perspectives on Terrorism 2015, 2, p. 17-33. In het verlengde hiervan kunnen interventies op het terrein van psychische problematiek een rol spelen als een stoornis een relatie heeft met radicalisering.
      Cognitieve gedragstherapie, een specifieke psychosociale interventie,63x D. Wiersma, ‘Psychosociale interventies bij psychosen. Bijdragen aan de verbetering van de prognose en het herstel’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2010, 154, A1760, p. 1-5. wordt als een nuttig onderdeel van een exitprogramma beschouwd. Bij cognitieve gedragstherapie wordt geprobeerd de gedachten, gevoelens en overtuigingen die gerelateerd zijn aan het individuele radicaliseringsproces te begrijpen en te veranderen. Iemand kan worden geleerd kritisch te reflecteren, een ander perspectief in te nemen of doelen te formuleren.64x GCTF z.j.; M.W. Lipsey, N.A. Landenberger & S.J. Wilson, Effects of Cognitive-Behavioral Programs for Criminal Offenders (Campbell Systematic Reviews, 6), Oslo: The Campbell Collaboration 2007; Veldhuis 2012. Ook agressieregulatie kan onderdeel zijn van cognitieve gedragstherapie.65x Lipsey e.a. 2007. Andere psychosociale interventies kunnen zich onder meer richten op het vergroten van zelfvertrouwen, het verbeteren van relaties of emotioneel welbevinden.66x UNODC 2016.

      Scholing en beroepsvaardighedentraining

      Het kan zeer nuttig blijken om educatie onderdeel te laten zijn van een exitprogramma. Het behalen van certificaten en diploma’s vergroot de kansen op de arbeidsmarkt, maar ook het zelfvertrouwen en de status binnen de gemeenschap. Onderwijs kan het reflectievermogen vergroten en inzicht bieden in verantwoord burgerschap.67x GCTF z.j.; UNODC 2016; zie N. Chowdhury Fink e.a., The Role of Education in Countering Violent Extremism (Center on Global Counterterrorism Cooperation & Hedayah, Meeting Note, december), 2013, geraadpleegd via https://globalcenter.org/wp-content/uploads/2013/12/Dec13_Education_Expert_Meeting_Note.pdf. Kansen op de arbeidsmarkt zullen eveneens toenemen door specifieke beroepsvaardighedentrainingen. Het bieden van actieve ondersteuning bij het vinden van werk is van belang, waarbij binnen detentie al contact kan worden gelegd met potentiële werkgevers.68x GCTF z.j.; UNODC 2016.

      Betrekken van het sociaal netwerk

      Het sociale netwerk van een geradicaliseerde (ex-)gedetineerde kan betrokken worden in een exitprogramma. Met name familieleden kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan een exitprogramma.69x GCTF z.j. Het kan zeer waardevol blijken om aandacht te hebben voor het onderhouden en herstellen van familiebanden, en om onzekerheden die familieleden bij de situatie ervaren te verminderen.70x M. Molenkamp, The role of family and social networks in the rehabilitation of (violent) extremist and terrorist offenders (RAN, Ex Post Paper, RAN P&P Working Group, Utrecht, 6-7 maart 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl. Een stabiel en positief sociaal netwerk blijkt een van de belangrijkere factoren voor succesvolle re-integratie in de samenleving.71x Koehler 2017a; zie C.J. Taylor, ‘The Family’s Role in the Reintegration of Formerly Incarcerated Individuals: The Direct Effects of Emotional Support’, The Prison Journal 2016, 3, p. 331-354. Sociale steun van familie genereert gevoelens van wederkerigheid en kan verbonden zijn met de motivatie om van levensstijl te veranderen, daarin te volharden en te zoeken naar aanknopingspunten daarvoor.72x J. Cid & J. Marti, ‘Imprisonment, social support, and desistance: a theoretical approach to pathways of desistance and persistence for imprisoned men’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2015, 61, p. 1433-1454. De kans om terug te vallen op het voormalige terroristische netwerk voor steun lijkt erdoor te kunnen worden verkleind.73x Rodermond e.a. 2021.

      Betrekken van deskundigen omtrent religie

      Theologen (inclusief imams) kunnen een belangrijke rol spelen in een exitprogramma. In relatie tot religieus extremisme kunnen zij een alternatieve en mildere godsdienstige interpretatie aandragen en twijfel oproepen over extreme ideologische opvattingen. Illustratief daarvoor is de ideologische insteek die Reclassering Nederland, specifiek het team dat zich richt op toezicht, controle en re-integratie van geradicaliseerde ex-gedetineerden (Team Terrorisme, Extremisme en Radicalisering, kortweg Team-TER),74x Van der Heide & Schuurman 2018a. waar nodig hanteert. Team-TER heeft expertise op het gebied van religieuze ideologie, en medewerkers zijn vaak zelf in staat een dialoog over religie met radicale ex-gedetineerden te voeren. Team-TER leunt echter vooral op de inzet van externe deskundigen voor dergelijke dialogen. Het doel is daarbij niet zozeer om iemand te overtuigen om afstand te nemen van diens ideologie, maar om persoonlijke reflectie aan te moedigen en een ander perspectief aan te reiken.75x Van der Heide & Schuurman 2018b. Overigens zal een deel van de geradicaliseerde (ex-)gedetineerden niet over diepgaande ideologische kennis beschikken.76x A. Weenink, De Syriëgangers, 2019, Politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatieorganisatie, Analyse & Onderzoek – Team CTER, geraadpleegd via www.politie.nl/binaries/content/assets/politie/algemeen/publicaties/publicaties-2018/politie-2019-rapport-de-syriegangers.pdf.

      Betrekken van ervaringsdeskundigen en slachtoffers

      Voormalig extremisten of voormalig terroristen kunnen worden betrokken in een exitprogramma. Het kan helpend zijn voor geradicaliseerde (ex-)gedetineerden om te spreken met iemand die deels dezelfde ervaringen heeft gehad en die toont dat verandering mogelijk is. Ervaringsdeskundigen kunnen in een exitprogramma dan ook een coachende rol hebben richting (ex-)gedetineerden, maar kunnen ook betrokken professionals adviseren. Zonder risico’s is de inzet van een voormalig extremist of terrorist niet. Ervaring an sich is niet voldoende; iemand moet over de juiste kwaliteiten (kennis, vaardigheden, houding enzovoort) beschikken om bij te dragen aan de doelen van een exitprogramma.77x RAN Exit z.j.-b. Intensieve training, begeleiding en duidelijke richtlijnen voor de uitvoering van het werk worden aangeraden. De functie van ervaringsdeskundige dient van tijdelijke aard te zijn om een nieuwe afhankelijkheid van extremisme te voorkomen.78x Koehler 2017a.
      Naast voormalige ‘plegers’ kunnen ook slachtoffers een rol spelen in een exitprogramma. Het verhaal van het slachtoffer kan een geradicaliseerde (ex-)gedetineerde een andere kijk geven op het handelen en de ideologie. Het contact kan ook bijdragen aan het geestelijk welzijn van het slachtoffer.79x GCTF z.j. Het in contact brengen van slachtoffers en daders, en andere betrokkenen bij een misdrijf, in een poging ‘schade te herstellen’ en vertrouwen op te bouwen wordt aangeduid als ‘restorative justice’ (herstelgericht werken). Herstelgericht werken kan worden toegepast bij gewelddadig extremisme en gebruikt methoden als slachtoffer-dadermediation en discussiegroepen.80x E. Biffi, The role of restorative justice in preventing and responding to violent extremism (RAN, Ex Post Paper, RAN RVT and RAN Exit Meeting – Restorative Justice, Dublin, 3-4 december 2019), 2020, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl. Onderzoek naar herstelgericht werken met gedetineerden en slachtoffers leert ons dat herstelgerichte communicatie met het slachtoffer al gezien kan worden als een mogelijkheid of een ‘fase’ om aan te geven hoe zij hun leven willen veranderen, hoe dit te bewerkstelligen en de daarvoor benodigde praktische hulp te verwerven.81x B. Claes & J. Shapland, ‘Herstelbemiddeling in twee gevangenissen. Positieve effecten bij het stoppen met misdaad’, Tijdschrift voor Herstelrecht 2017, 4, p. 12-28.

      Creatieve en recreatieve activiteiten

      Creatieve en recreatieve activiteiten kunnen leiden tot nieuwe inzichten en ervaringen. Het zijn activiteiten die spanning kunnen reduceren en geradicaliseerde (ex-)gedetineerden een alternatief positief perspectief kunnen aanreiken. Drama of kunst kan bijvoorbeeld aanzetten tot kritisch reflecteren, en sport kan leiden tot meer verbinding met anderen of tot meer zelfvertrouwen.82x N. Chowdhury Fink e.a., Thinking Outside the Box. Exploring the Critical Roles of Sports, Arts, and Culture in Preventing Violent Extremism (Hedayah & Global Center, Policy Brief, februari), 2015, geraadpleegd via www.globalcenter.org/wp-content/uploads/2015/02/15Feb17_SAC_Brief_Hedayah_GlobalCenter.pdf; UNODC 2016. Sport en spel kunnen ook de relatie met professionals verbeteren. Het biedt een neutrale setting waar onderlinge verschillen naar de achtergrond verdwijnen.83x UNODC 2016. In een exitprogramma moet voldoende aandacht zijn voor creatieve en recreatieve activiteiten.

      2.5 Categorie 5: Nazorg

      Hoewel een exitprogramma kan worden afgerond bij vrijlating is een adequate verwevenheid met het verdere re-integratietraject nastrevenswaardig. Het nauwgezet begeleiden van de overgang van detentie naar een vrij bestaan is belangrijk om de kans op recidive te verminderen en te voorkomen dat er (opnieuw) aansluiting wordt gezocht bij een extremistische groepering.84x T. Baaken, J. Korn & D. Walkenhorst, The challenge of resocialisation: Dealing with radicalised individuals during and after imprisonment (RAN, Ex Post Paper, Policy & Practice Event - The Challenge of Resocialisation, Wenen, 6 november 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598. De terugkeer in de samenleving van ex-gedetineerden is überhaupt complex, maar is voor ex-gedetineerden met een extremistische achtergrond vaak nog lastiger door onder meer stigmatisering en beperkingen die voortkomen uit bijzondere voorwaarden en sanctielijsten.85x Baaken e.a. z.j.; Weggemans & De Graaf 2015; R.J. Williams, Approaches to violent extremist offenders and countering radicalisation in prisons and probation (RAN P&P Practitioners’ Working Paper), 2016, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598. De re-integratie van een geradicaliseerde gedetineerde dient op een doordachte en gecoördineerde manier te worden begeleid.86x D. Walkenhorst e.a., Rehabilitation Manual. Rehabilitation of radicalised and terrorist offenders for first-line practitioners (RAN Manual), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/sites/homeaffairs/files/what-we-do/networks/radicalisation_awareness_network/ran-papers/docs/ran_rehab_manual_en.pdf. De volgende aspecten zijn daarbij onder andere van belang:

      Maatwerk

      De geboden nazorg zal moeten aansluiten bij individuele behoeften en risico’s. Risicotaxatie-instrumenten kunnen inzicht geven in beide.87x Baaken e.a. z.j.; S. Cornwall & M. Molenkamp, Developing, implementing and using risk assessment for violent extremist and terrorist offenders (RAN, Ex Post Paper, RAN P&P Working Group, Brussel, 9-10 juli 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598; Williams 2016. De geradicaliseerde ex-gedetineerden zullen actief betrokken moeten worden bij het opstellen van een re-integratieplan en de doelen die daarin worden geformuleerd. Dit kan de motivatie om doelen te bereiken doen toenemen en het zelfvertrouwen versterken. De variëteit aan individuele behoeften en risico’s en de vaak lange duur van re-integratietrajecten vereisen een flexibele aanpak.88x Baaken e.a. z.j.

      Ketensamenwerking

      Diverse organisaties zijn bij de re-integratie betrokken (politie, welzijn, reclassering enzovoort). In internationale publicaties wordt dit aangemoedigd onder de noemer ‘multi-agency cooperation’.89x Walkenhorst e.a. z.j.; Williams 2016. Er moet voldoende expertise, onderling vertrouwen, helderheid over verantwoordelijkheden en doelen, en mogelijkheden voor het uitwisselen van informatie zijn.90x Baaken e.a. z.j.; RAN P&P, Working group meeting – Multi-agency cooperation (Ex Post Paper, Stockholm, 24-25 februari), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl; Van der Heide & Schuurman 2018b; Williams 2016. Van der Heide en Schuurman concluderen in hun evaluatie van de activiteiten van Team-TER dat samenwerking met andere actoren, zoals de gemeente Amsterdam en het Landelijk Steunpunt Extremisme, niet altijd probleemloos verliep.91x Van der Heide & Schuurman 2018b.

      Betrekken van de gemeenschap

      Stigmatisering is een obstakel voor re-integratie en moet waar mogelijk worden gereduceerd, want zoals Maruna treffend aangeeft: ‘[S]ocieties that do not believe that offenders can  change will get offenders who do not believe that they can ­change.’92x S. Maruna, Making Good. How Ex-convicts Reform and Rebuild Their Lives, Washington: American Psychological Association 2001, p. 166. Het betrekken van de (lokale) gemeenschap (onder andere familie, buren, wijk, culturele of religieuze instellingen) bij de terugkeer kan vooroordelen doen afnemen en de kans op succesvolle re-integratie vergroten.93x GCTF z.j.; Veldhuis 2012. In de praktijk blijkt echter dat dit lang niet altijd gebeurt. Professionals hebben bijvoorbeeld het netwerk niet, of families weten hun weg niet te vinden in de veiligheidszorg.94x K. Frissen & J. Janssen, ‘Leren over radicalisering’, PROCES 2018, 5, p. 307-318; J. Janssen, ‘Karima Sahla: “Een gedegen aanpak van radicalisering kan niet zonder de families”’, Tijdschrift voor de Politie 2017, 2, p. 36-38. Uit ervaringen met andere programma’s in detentie is bekend dat die beter aanslaan als al tijdens de detentieperiode aandacht is voor de banden met de buitenwereld. Dat wordt ook wel ’transmuraal herstelgericht werken’ genoemd.95x B. Claes, Transmuraal herstelgericht werken. Een verhaal van hoop, kracht en verantwoordelijkheid, ’s-Hertogenbosch: Avans Hogeschool, Expertisecentrum Veiligheid 2019.

      2.6 Categorie 6: Monitoren en evalueren

      Het ontwikkelen van een werkzaam exitprogramma wordt ondersteund door het verkrijgen van een accuraat beeld van de activiteiten in het programma en de resultaten die ermee worden bereikt. Kennis over de werking van andere exitprogramma’s draagt eveneens bij aan het vormgeven van een effectief programma. Zoals beschreven, worden exitprogramma’s nog amper op een gedegen manier geëvalueerd. Hier liggen praktische redenen aan ten grondslag, zoals de beschikbaarheid van data, maar ook de complexiteit van het operationaliseren van succes.96x Horgan & Braddock 2010; Van der Heide & Schuurman 2018b; Veldhuis 2012; zie M.J. Williams & S.M. Kleinman, ‘A utilization-focused guide for conducting terrorism risk reduction program evaluations’, Behavioral Sciences of Terrorism and Political Aggression 2014, 2, p. 102-146. In de literatuur worden verschillende methoden aangedragen voor het evalueren van exitprogramma’s.97x A.-J. Gielen, ‘Countering Violent Extremism: A Realist Review for Assessing What Works, for Whom, in What Circumstances, and How?’, Terrorism and Political Violence 2019, 6, p. 1149-1167; Koehler 2019. Een voorbeeld van een evaluatiemethode die aansluit bij het maatwerk in een exitprogramma is ‘realist evaluation’. Bij deze methode staat de combinatie van context, mechanisme en uitkomst centraal: wat werkt, voor wie, in welke situatie en op welke wijze?98x Gielen 2019; R. Pawson & N. Tilley, Realistic Evaluation, Londen: SAGE 1997; Veldhuis 2012. Exitprogramma’s zullen periodiek moeten worden geëvalueerd door een onafhankelijke en deskundige partij.99x Koehler 2017b.
      Intern is het belangrijk om te monitoren of een exitprogramma wordt uitgevoerd volgens de opgestelde doelen, standaarden en werkwijzen.100x Koehler 2017b. Het gedegen documenteren van activiteiten in het programma is daarvoor relevant,101x UNODC 2016. maar bijvoorbeeld ook het controleren van het kennisniveau van medewerkers en de financiële aspecten van het programma.102x Koehler 2017b. Periodieke rapportages over de (individuele) voortgang ondersteunen het bijsturen of aanscherpen van het programma. Er kan gekeken worden naar verschillende aspecten, zoals het aantal activiteiten waaraan is deelgenomen, veranderingen in het risicoprofiel, of incidenten die zijn voorgevallen.103x UNODC 2016. Onsuccesvolle casussen kunnen inzicht geven in knelpunten in het programma en verlangen een grondige analyse om eventuele fouten in de toekomst te voorkomen.104x Koehler 2017b.

    • 3. Slot

      In dit artikel is verslag gedaan van een raamwerk dat is ontwikkeld voor exitprogramma’s binnen detentie en voor de re-integratie. Op basis van wetenschappelijke literatuur en vakliteratuur is inzicht gegeven in de onderdelen waaruit een exitprogramma kan bestaan en welke voorwaarden verbonden lijken te zijn aan een gedegen implementatie. Er is nog weinig kennis over effectieve exitprogramma’s, onder andere doordat grondige evaluaties nauwelijks zijn uitgevoerd.105x Koehler 2019. Het werken aan de re-integratie van geradicaliseerde (ex-)gedetineerden verlangt echter geen volledig nieuwe aanpak. Er kan, zoals blijkt uit het raamwerk, worden geleund op diverse algemene theoretische benaderingen en praktische methoden uit het sociaal werk en het reclasseringswerk, zoals het RNR-model, systeem- en herstelgericht werken, ketenbenadering, risicotaxatie, motiverende gespreksvoering en het opbouwen van een werkalliantie. Dat roept overigens ook de vraag op of een exitprogramma wel voldoende bestaansrecht heeft. Het stelselmatig evalueren van exitprogramma’s en verder verdiepend onderzoek naar processen van deradicalisering en disengagement dragen bij aan het beantwoorden van deze vraag.
      Uiteenlopende aspecten zijn belangrijk bij het opzetten van een exitprogramma, maar een drietal wordt hier nogmaals in het bijzonder genoemd. Ten eerste is een exitprogramma maatwerk, een ‘one size fits all’-benadering zal niet werken. Een programma dient aan te sluiten bij de context waarin het wordt ingezet en bij de kenmerken van de geradicaliseerde (ex-)gedetineerde. Interventies zullen zich moeten richten op individuele risico’s en behoeften. Het is cruciaal dat begrepen wordt waarom iemand is geradicaliseerd. Ten tweede is het betrekken van een positief sociaal netwerk van belang. Familie en vrienden kunnen participatie in een exitprogramma aanmoedigen en kunnen praktische en emotionele ondersteuning bieden bij terugkeer. Aandacht moet uitgaan naar het versterken van de banden met het sociale netwerk. Als derde zal er in een exitprogramma vroegtijdig en voldoende aandacht moeten zijn voor de re-integratie in de samenleving. De overgang van het leven binnen detentie naar een vrij bestaan moet worden ondersteund. Re-integratie is vaak een lang en ingewikkeld traject. Het vereist gecoördineerde samenwerking tussen diverse actoren en mede-eigenaarschap van de geradicaliseerde (ex-)gedetineerde. Exitprogramma’s moeten aansluiten op dit traject en de plannen die ervoor worden opgesteld.

    Noten

    • 1 D. Koehler (Köhler), Structural quality standards for work to intervene with and counter violent extremism. A handbook for practitioners, state coordination units and civil society programme implementers in Germany, Stuttgart: Counter Extremism Network Coordination Unit 2017a; M. van San, De onvoorspelbare terrorist. Het ‘magisch denken’ over preventie van radicalisering en de mogelijkheden tot deradicalisering, Brussel: Itinera Institute 2018; NCTV, De golfbewegingen van rechts-extremistisch geweld in West-Europa. Aard, ernst en omvang van de rechts-extremistische geweldsdreiging in West-Europa, inclusief Nederland, 2018, geraadpleegd via www.nctv.nl/documenten/rapporten/2018/11/05/de-golfbewegingen-van-rechts-extremistisch-geweld-in-west-europa.

    • 2 Koehler 2017a; V. Costa e.a., ‘One size does not fit all: Exploring the Characteristics of exit programmes in Europe’, Journal for Deradicalization 2021, 28, p. 1-38.

    • 3 De term exitprogramma kan verwijzen naar een specifiek soort uittredingsprogramma, maar wordt ook als overkoepelende term gebruikt voor programma’s gericht op deradicalisering, disengagement, rehabilitatie en/of re-integratie. De definitie in dit artikel sluit aan bij dit laatste. Zie Costa e.a. 2021; D. Koehler, ‘A typology of “de-radicalisation” programmes’, in: L. Colaert (red.), ‘De-radicalisation’. Scientific insights for policy. Brussel: Flemish Peace Institute 2017b, p. 63-81.

    • 4 Koehler 2017a.

    • 5 Het project WayOut (www.wayout-prison.eu) werd gefinancierd door de Europese Commissie (European Union’s Internal Security Fund – Police) en is afgerond in 2021. Het betrof een samenwerking tussen meerdere Europese praktijk- en kennisinstellingen. Het project ondersteunt de toepassing van exitprogramma’s in gevangenissen en door reclasseringsorganisaties door onder andere het inzichtelijk maken van de ‘state of the art’ in de wetenschap, een bondige evaluatie van bestaande exitprogramma’s en de ontwikkeling van onderwijsmateriaal voor professionals.

    • 6 Zie R.C. van Halderen & N. Vosters, D4.1 – Methodological framework exit programme (WayOut project, deliverable nr. 4.1), 2021, op te vragen via www.exit-practices.eu.

    • 7 GCTF, Rome Memorandum on Good Practices for Rehabilitation and Reintegration of Violent Extremist Offenders, z.j., geraadpleegd via www.thegctf.org/Portals/1/Documents/Framework%20Documents/2016%20and%20before/GCTF-Rome-Memorandum-ENG.pdf?ver=2016-09-01-121309-677; Koehler 2017a; RAN Exit, Setting up an exit intervention (Ex Post Paper, Berlijn, 13-14 februari 2017), z.j.-b, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl#ecl-inpage-1581; UNODC, Handbook on the Management of Violent Extremist Prisoners and the Prevention of Radicalization to Violence in Prisons (Criminal Justice Handbook Series, United Nations Office on Drugs and Crime), New York: United Nations 2016.

    • 8 Onderdeel van het project WayOut is een website waar kennis wordt gedeeld (inclusief relevante publicaties) en onderzoeksrapporten die onderdeel zijn van het project kunnen worden opgevraagd: www.exit-practices.eu.

    • 9 D. Koehler, ‘Are There “Best Practices” in Deradicalisation? Experiences from Frontline Intervention and Comparative Research’, in: S. Jayakumar (red.), Terrorism, Radicalisation & Countering Violent Extremism. Practical Considerations & Concerns. Singapore: Palgrave Pivot 2019, p. 59-68.

    • 10 Koehler 2017a; L. van der Heide & B. Schuurman, ‘Reintegrating Terrorists in the Netherlands: Evaluating the Dutch approach’, Journal for Deradicalization 2018b, 17, p. 196-239; Van San 2018; T. Veldhuis, Designing Rehabilitation and Reintegration Programmes for Violent Extremist Offenders: A Realist Approach (ICCT Research Paper), Den Haag: International Centre for Counter-Terrorism 2012.

    • 11 M.B. Altier, C.N. Thoroughgood & J.G. Horgan, ‘Turning away from terrorism: Lessons from psychology, sociology, and criminology’, Journal of Peace Research 2014, 5, p. 647-661; K. Barrelle, ‘Pro-integration: disengagement from and life after extremism’, Behavioral Sciences of Terrorism and Political Aggression 2015, 2, p. 129-142; Koehler 2017a; Van San 2018.

    • 12 Zie Veldhuis 2012.

    • 13 Voor inzicht in de Nederlandse aanpak zie o.a. D.J. Weggemans & B.A. de Graaf, Na de vrijlating. Een exploratieve studie naar recidive en re-integratie van jihadistische ex-gedetineerden, Apeldoorn: Politie & Wetenschap 2015; E. Rodermond, R. Zalmé & E. Zuiderveld, Re-integratie en recidive na een verblijf op de TA. Een mixed-method analyse van de levensloop en criminele carrière na de vrijlating, Amsterdam: NSCR 2021; L van der Heide & B. Schuurman, Re-integratie van delinquenten met een extremistische achtergrond: Evaluatie van de Nederlandse aanpak (ISGA Report), Den Haag: Universiteit Leiden 2018a.

    • 14 Veldhuis 2012.

    • 15 Van der Heide & Schuurman 2018b; Koehler 2017b.

    • 16 Veldhuis 2012.

    • 17 L. Vidino & J. Brandon, ‘Europe’s experience in countering radicalisation: approaches and challenges’, Journal of Policing, Intelligence and Counter Terrorism 2012, 2, p. 163-179; UNODC 2016.

    • 18 Veldhuis 2012.

    • 19 Zie GCTF z.j.; UNODC 2016; Veldhuis 2012.

    • 20 GCTF z.j.; Veldhuis 2012.

    • 21 Koehler 2017a.

    • 22 UNODC 2016.

    • 23 GCTF z.j.; Koehler 2017a; UNODC 2016.

    • 24 GCTF z.j.

    • 25 Hedayah & ICCT, Building on the GCTF’s Rome Memorandum: Additional Guidance on the Role of Psychologists/Psychology in Rehabilitation and Reintegration Programs, z.j., geraadpleegd via www.icct.nl/download/file/Hedayah-ICCT%20Psychology%20Good%20Practices.pdf.

    • 26 RAN Exit z.j.-b.

    • 27 GCTF z.j.; UNODC 2016.

    • 28 GCTF z.j.; Koehler 2017a.

    • 29 Zie M.J. Geenen, Reflecteren. Leren van je ervaringen als sociale professional, Bussum: Coutinho 2010.

    • 30 Zie RAN Exit z.j.-b.

    • 31 E. Entenmann e.a., Rehabilitation for Foreign Fighters? Relevance, Challenges and Opportunities for the Criminal Justice Sector (ICCT Policy Brief, december), Den Haag: International Centre for Counter-Terrorism 2015.

    • 32 Koehler 2017a; D. Koehler, Understanding Deradicalization. Methods, tools and programs for countering violent extremism, Abingdon: Routledge 2017c; zie J. Horgan & K. Braddock, ‘Rehabilitating the Terrorists?: Challenges in Assessing the Effectiveness of De-radicalization programs’, Terrorism and Political Violence 2010, 2, p. 267-291.

    • 33 GCTF z.j.; UNODC 2016.

    • 34 UNODC 2016.

    • 35 J. van Horn, M. Eisenberg, & K. Uzieblo. ‘Risicotaxatie in de Nederlandse ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg’, Tijdschrift voor Psychiatrie 2016, 8, p. 583-592; zie D.A. Andrews & J. Bonta, The Psychology of Criminal Conduct, Abingdon: Routledge 2015.

    • 36 A.R. Feddes, ‘Risk assessment in integral security policy’, in: L. Colaert (red.), ‘De-radicalisation’. Scientific insights for policy, Brussel: Flemish Peace Institute 2017, p. 47-61.

    • 37 NIFP, Risicotaxatie-instrument VERA-2R, z.j., geraadpleegd via www.nifp.nl/onderwerpen/risicotaxatie-instrument-vera-2r.

    • 38 Zie voor kritiek op deze factoren, zoals een bestaande kennislacune: M. Herzog-Evans, ‘A comparison of two structured professional judgment tools for violent extremism and their relevance in the French context’, European Journal of Probation 2018, 1, p. 3-27.

    • 39 M. Lloyd, Extremism Risk Assessment: A Directory (Full report), 2019, geraadpleegd via https://crestresearch.ac.uk/resources/extremism-risk-assessment-directory/.

    • 40 RAN Exit z.j.-b; M. van de Donk, RAN Exit Academy. ‘Communicating with radicalised individuals in an exit setting’ (Ex Post Paper, RAN Exit, Rotterdam, 25-26 april 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl.

    • 41 RAN Exit, Minimum methodological requirements for exit interventions. Outline: deradicalisation interventions for violent extremism (Ex Post Paper, Londen, 15-16 maart 2016), z.j.-a, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl#ecl-inpage-1581.

    • 42 B. Doosje, A. Loseman & K. van den Bos, ‘Determinants of Radicalization of Islamic Youth in the Netherlands: Personal Uncertainty, Perceived Injustice, and Perceived Group Threat’, Journal of Social Issues 2013, 3, p. 586-604; B. Doosje e.a., ‘Terrorism, radicalization and de-radicalization’, Current Opinion in Psychology 2016, 11, p. 79-84; F.M. Moghaddam, ‘The Staircase to Terrorism. A Psychological Exploration’, American Psychologist 2005, 2, p. 161-169.

    • 43 Van de Donk z.j.

    • 44 Van de Donk z.j.; zie ook RAN Exit z.j.-b.

    • 45 Andrews & Bonta 2015; zie ook A. Menger, De werkalliantie in het gedwongen kader. Onderzocht bij het reclasseringstoezicht (Dissertatie), Delft: Eburon 2018.

    • 46 R. Henskens, V. de Vogel & A. Menger, How to build up a working alliance with mandated clients: a four year project in the Netherlands, z.j., geraadpleegd via www.cep-probation.org/how-to-build-a-working-alliance-with-mandated-clients-situation-of-a-four-year-project-in-the-netherlands/; Menger 2018; Van der Heide & Schuurman 2018a.

    • 47 W.R. Miller & S. Rollnick, Motivational Interviewing. Helping People Change, New York: The Guilford Press 2013.

    • 48 Van de Donk z.j.

    • 49 RAN Exit z.j.-a.

    • 50 GCTF z.j.

    • 51 A. Cherney, K. de Rooy & E. Eggins, ‘Mandatory participation in programs to counter violent extremism: A review of evidence for and against’, Journal for Deradicalization 2021, 27, p. 1-33.

    • 52 Costa e.a. 2021; Cherney e.a. 2021; M.N. Milla, J. Hudiyana & H.H. Arifin, ‘Attitude toward rehabilitation as a key predictor for adopting alternative identities in deradicalization programs: An investigation of terrorist detainees’ profiles’, Asian Journal of Social Psychology 2020, 1, p. 15-28.

    • 53 Costa e.a. 2021.

    • 54 Koehler 2017a.

    • 55 Entenmann e.a. 2015; UNODC 2016.

    • 56 UNODC 2016.

    • 57 B. de Graaff, ‘Ze hebben het op ons gemunt, maar wie zijn het nu weer? De telkens wisselende fenomenen van terrorisme, radicalisering, extremisme en fanatisme’, Cahiers Politiestudies 2017, 1, p. 23-38.

    • 58 Van San 2018.

    • 59 Koehler 2017a; Veldhuis 2012.

    • 60 N. Schulten e.a., Psychopathologie en terrorisme: Stand van zaken, lacunes en prioriteiten voor toekomstig onderzoek (in opdracht van het WODC), Amsterdam: Universiteit van Amsterdam 2018.

    • 61 A. Silke & J. Morrison, Re-offending by released terrorist prisoners: Separating hype from reality (ICCT Policy Brief, september), 2020, geraadpleegd via https://icct.nl/app/uploads/2020/09/Re-Offending-by-Released-Terrorist-Prisoners.pdf.

    • 62 A.W. Weenink, ‘Behavioral problems and disorders among radicals in police files’, Perspectives on Terrorism 2015, 2, p. 17-33.

    • 63 D. Wiersma, ‘Psychosociale interventies bij psychosen. Bijdragen aan de verbetering van de prognose en het herstel’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2010, 154, A1760, p. 1-5.

    • 64 GCTF z.j.; M.W. Lipsey, N.A. Landenberger & S.J. Wilson, Effects of Cognitive-Behavioral Programs for Criminal Offenders (Campbell Systematic Reviews, 6), Oslo: The Campbell Collaboration 2007; Veldhuis 2012.

    • 65 Lipsey e.a. 2007.

    • 66 UNODC 2016.

    • 67 GCTF z.j.; UNODC 2016; zie N. Chowdhury Fink e.a., The Role of Education in Countering Violent Extremism (Center on Global Counterterrorism Cooperation & Hedayah, Meeting Note, december), 2013, geraadpleegd via https://globalcenter.org/wp-content/uploads/2013/12/Dec13_Education_Expert_Meeting_Note.pdf.

    • 68 GCTF z.j.; UNODC 2016.

    • 69 GCTF z.j.

    • 70 M. Molenkamp, The role of family and social networks in the rehabilitation of (violent) extremist and terrorist offenders (RAN, Ex Post Paper, RAN P&P Working Group, Utrecht, 6-7 maart 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl.

    • 71 Koehler 2017a; zie C.J. Taylor, ‘The Family’s Role in the Reintegration of Formerly Incarcerated Individuals: The Direct Effects of Emotional Support’, The Prison Journal 2016, 3, p. 331-354.

    • 72 J. Cid & J. Marti, ‘Imprisonment, social support, and desistance: a theoretical approach to pathways of desistance and persistence for imprisoned men’, International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology 2015, 61, p. 1433-1454.

    • 73 Rodermond e.a. 2021.

    • 74 Van der Heide & Schuurman 2018a.

    • 75 Van der Heide & Schuurman 2018b.

    • 76 A. Weenink, De Syriëgangers, 2019, Politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatieorganisatie, Analyse & Onderzoek – Team CTER, geraadpleegd via www.politie.nl/binaries/content/assets/politie/algemeen/publicaties/publicaties-2018/politie-2019-rapport-de-syriegangers.pdf.

    • 77 RAN Exit z.j.-b.

    • 78 Koehler 2017a.

    • 79 GCTF z.j.

    • 80 E. Biffi, The role of restorative justice in preventing and responding to violent extremism (RAN, Ex Post Paper, RAN RVT and RAN Exit Meeting – Restorative Justice, Dublin, 3-4 december 2019), 2020, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/rehabilitation-working_nl.

    • 81 B. Claes & J. Shapland, ‘Herstelbemiddeling in twee gevangenissen. Positieve effecten bij het stoppen met misdaad’, Tijdschrift voor Herstelrecht 2017, 4, p. 12-28.

    • 82 N. Chowdhury Fink e.a., Thinking Outside the Box. Exploring the Critical Roles of Sports, Arts, and Culture in Preventing Violent Extremism (Hedayah & Global Center, Policy Brief, februari), 2015, geraadpleegd via www.globalcenter.org/wp-content/uploads/2015/02/15Feb17_SAC_Brief_Hedayah_GlobalCenter.pdf; UNODC 2016.

    • 83 UNODC 2016.

    • 84 T. Baaken, J. Korn & D. Walkenhorst, The challenge of resocialisation: Dealing with radicalised individuals during and after imprisonment (RAN, Ex Post Paper, Policy & Practice Event - The Challenge of Resocialisation, Wenen, 6 november 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598.

    • 85 Baaken e.a. z.j.; Weggemans & De Graaf 2015; R.J. Williams, Approaches to violent extremist offenders and countering radicalisation in prisons and probation (RAN P&P Practitioners’ Working Paper), 2016, geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598.

    • 86 D. Walkenhorst e.a., Rehabilitation Manual. Rehabilitation of radicalised and terrorist offenders for first-line practitioners (RAN Manual), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/sites/homeaffairs/files/what-we-do/networks/radicalisation_awareness_network/ran-papers/docs/ran_rehab_manual_en.pdf.

    • 87 Baaken e.a. z.j.; S. Cornwall & M. Molenkamp, Developing, implementing and using risk assessment for violent extremist and terrorist offenders (RAN, Ex Post Paper, RAN P&P Working Group, Brussel, 9-10 juli 2018), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl#ecl-inpage-1598; Williams 2016.

    • 88 Baaken e.a. z.j.

    • 89 Walkenhorst e.a. z.j.; Williams 2016.

    • 90 Baaken e.a. z.j.; RAN P&P, Working group meeting – Multi-agency cooperation (Ex Post Paper, Stockholm, 24-25 februari), z.j., geraadpleegd via https://ec.europa.eu/home-affairs/networks/radicalisation-awareness-network-ran/topics-and-working-groups/prisons-working-group-ran_nl; Van der Heide & Schuurman 2018b; Williams 2016.

    • 91 Van der Heide & Schuurman 2018b.

    • 92 S. Maruna, Making Good. How Ex-convicts Reform and Rebuild Their Lives, Washington: American Psychological Association 2001, p. 166.

    • 93 GCTF z.j.; Veldhuis 2012.

    • 94 K. Frissen & J. Janssen, ‘Leren over radicalisering’, PROCES 2018, 5, p. 307-318; J. Janssen, ‘Karima Sahla: “Een gedegen aanpak van radicalisering kan niet zonder de families”’, Tijdschrift voor de Politie 2017, 2, p. 36-38.

    • 95 B. Claes, Transmuraal herstelgericht werken. Een verhaal van hoop, kracht en verantwoordelijkheid, ’s-Hertogenbosch: Avans Hogeschool, Expertisecentrum Veiligheid 2019.

    • 96 Horgan & Braddock 2010; Van der Heide & Schuurman 2018b; Veldhuis 2012; zie M.J. Williams & S.M. Kleinman, ‘A utilization-focused guide for conducting terrorism risk reduction program evaluations’, Behavioral Sciences of Terrorism and Political Aggression 2014, 2, p. 102-146.

    • 97 A.-J. Gielen, ‘Countering Violent Extremism: A Realist Review for Assessing What Works, for Whom, in What Circumstances, and How?’, Terrorism and Political Violence 2019, 6, p. 1149-1167; Koehler 2019.

    • 98 Gielen 2019; R. Pawson & N. Tilley, Realistic Evaluation, Londen: SAGE 1997; Veldhuis 2012.

    • 99 Koehler 2017b.

    • 100 Koehler 2017b.

    • 101 UNODC 2016.

    • 102 Koehler 2017b.

    • 103 UNODC 2016.

    • 104 Koehler 2017b.

    • 105 Koehler 2019.


Print dit artikel