DOI: 10.5553/PROCES/016500762022101003005

PROCESAccess_open

Artikel

Jongerenrechtbank

De jeugdstrafzitting als kinderspel?

Trefwoorden onafhankelijke rechtspraak, risico’s, Herstelrecht, Netwidening
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Samenvatting Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze Citaties (2)
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ido Weijers, 'Jongerenrechtbank', PROCES 2022, p. 132-142

    Following the example of ‘teen courts’ in the US, recently some schools in the Netherlands are experimenting with this. It means that pupils adjudicate justice on fellow pupils as a result of mildly undesired behavior. However, this approach is not well thought out in several respects and it poses a risk to the children involved.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      Precies honderd jaar geleden werd in ons land besloten tot de instelling van een aparte kinderrechter. Eind negentiende eeuw was in de hele westerse wereld het besef ontstaan dat er behoefte was aan een duidelijke rol van de staat als kinderen ernstig werden verwaarloosd, over straat zwierven en/of delicten pleegden. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van de kinderbescherming ontstond het besef dat er een apart jeugdstraf(proces)recht noodzakelijk was, hetgeen leidde tot de introductie van de Kinderwetten in 1901. Gegeven dit breed gedeelde besef van de wenselijkheid van een aparte aanpak van ‘kinderen in gevaar’ en ‘gevaarlijke kinderen’ vormde de instelling van een aparte, alleen zittende kinderrechter als spil en ‘spin in het web’ van het jeugdrecht in 1922 de logische vervolgstap.1x O.W.E. Berg, ‘De kinderrechter: een spin in een web’, Trema 1979, 2, p. 57-58. Vergelijk G.W. Brands-Bottema, Overheid en opvoeding in de periode 1870-1987, Arnhem: Gouda Quint 1988.
      In de afgelopen honderd jaar is het besef alleen maar gegroeid dat rechtspreken over kinderen niet alleen belangstelling voor de wereld van kinderen en jongeren vraagt, maar ook veel rechterlijke ervaring en specifieke kennis vereist. Het advies van de commissie-Anneveldt zestig jaar later,2x Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen, Sanctierecht voor jeugdigen, 1982. de introductie van het nieuwe jeugdstrafrecht in 19943x Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528. en de plicht van rechters om na korte tijd van plek te rouleren4x Vergelijk P.A.J.Th. van Teefelen, ‘De terugtred van de kinderrechter’, FJR 1995, p. 218-222; A. van der Linden, ‘Verdwijnt de gespecialiseerde kinderrechter uit Nederland?’, FJR 2001, p. 30-37. hebben geleid tot een aanzienlijke achteruitgang van de spilfunctie van de kinderrechter. Desalniettemin is het besef dat jeugdzaken ruime ervaring als rechter en specifieke kennis vergen onder de betrokken professionals nog steeds en zeker de laatste decennia weer onverminderd sterk aanwezig. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de afgelopen jaren in veel rechtbanken opnieuw jeugdteams zijn ingericht, waarin rechters zowel jeugdstrafzaken als civiele jeugdbeschermingszaken behandelen en dit vaak jarenlang doen, in aansluiting op de dominante praktijk elders in Europa.5x S. Rap & I. Weijers, The Effective Youth Court. Juvenile Justice Procedures in Europe, Den Haag: Eleven 2014, p. 123-130.
      Het is de moeite waard om kort stil te staan bij de beslissingen die ruim honderd jaar geleden werden genomen om minderjarige verdachten voor de rechter te laten verschijnen. Allereerst diende de zitting geheel afwijkend van het commune strafrecht in principe plaats te vinden achter gesloten deuren om een mogelijk negatief effect voor de toekomst van het kind te voorkomen (art. 495b lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv)) en diende het kind in principe voor één rechter te verschijnen (art. 495 lid 1 Sv). Ook diende een jeugdige die voor de rechter moest verschijnen altijd begeleid te worden door een advocaat, bij voorkeur een advocaat gespecialiseerd in het jeugdrecht (art. 489 lid 1 Sv). De ouders moesten voor de zitting worden opgeroepen (art. 496 lid 1 Sv). En er diende altijd een rapport te worden uitgebracht over de situatie van de jongere (art. 494 lid 1 Sv). Al deze procesregels gelden tot op de dag van vandaag. Alleen de aanwijzing dat de ouders voor de zitting moeten worden opgeroepen is sinds 2011 aangescherpt tot de verplichte aanwezigheid van de ouders op de strafzitting tegen hun kind.
      De meeste politiemensen, alle advocaten, officieren van justitie en rechters kennen deze regels en realiseren zich dat die speciaal voor minderjarigen zijn bedacht. Het zijn procesvoorschriften die ruim een eeuw geleden in volstrekte consensus zijn vastgelegd, ondanks dat de samenleving toentertijd sterk verzuild en fundamenteel verdeeld was rond talloze vraagstukken met name wat betreft opvoeding en schoolgaan. Van links tot rechts was en is men het erover eens dat rechtspreken over kinderen, los van de ernst van de zaak en de eventueel op te leggen sancties, speciale kennis en pedagogische vaardigheden vereist en dat kinderen beschermd moeten worden tegen mogelijke kwalijke gevolgen van hun verschijning voor de rechtbank.

    • 2. Experimenten met jongerenrechtbanken

      In dit licht is het merkwaardig dat er sinds kort, zonder enige relatie met deze traditie en zonder reflectie daarop, op enkele middelbare scholen wordt geëxperimenteerd met zogeheten ‘jongerenrechtbanken’.6x www.jongerenrechtbanken.nl. Na een aantal bezoeken aan experimenten met teen courts in de VS werd in 2014 een stichting opgericht, die het jaar daarop een vergelijkbaar experiment lanceerde op drie Amsterdamse middelbare scholen; zie www.napnieuws.nl/2015/01/28/amsterdamse-scholieren-spelen-voor-rechter/. Leerlingen die zich hebben misdragen, wordt gevraagd te verschijnen voor een forum van medeleerlingen. Zo wordt inmiddels op ten minste tien Amsterdamse scholen voor voortgezet onderwijs in het kader van het vak maatschappijleer met een jongerenrechtbank gewerkt.7x www.jongerenrechtbanken.nl/deelnemende-scholen/. Belangstellende leerlingen kunnen zich opgeven voor een instructie van enkele dagdelen. In die voorbereiding hoort een bezoek aan de politie en aan de rechtbank; uiteraard niet voor een jeugdstrafzitting, want die zijn gesloten. Er worden korte trainingen in communicatie- en bemiddelingsvaardigheden gevolgd, en in het motiveren en opstellen van de uitspraak. De instructie wordt afgesloten met de behandeling van een oefenzaak in de rechtbank en beëdiging door een rechter, waarna de deelnemers een theoriecertificaat en een speciaal T-shirt ontvangen.
      Er wordt gemikt op ten minste tien zaken per school op jaarbasis, en bij gebrek aan echte zaken worden dan oefenzaken behandeld die eerder op school hebben gespeeld of hadden kunnen spelen. De jongerenrechtbank kan zich buigen over zowel wangedrag van leerlingen op school als lichte delicten begaan in de buurt van de school. De zitting van de jongerenrechtbank verloopt volgens een vastgesteld script, de uitspraak wordt aansluitend op de zitting gedaan en ter plekke op schrift gesteld en uitgereikt aan betrokkenen. Er kan onder meer worden geëist dat de beschuldigde excuses aanbiedt, een voordracht houdt over zijn verkeerde gedrag, een aantal uren klussen doet op school of een schadevergoeding betaalt.8x G.J. Slump & J. Asscher, ‘Jongerenrechtbanken: oplossingsgerichte lekenrechtspraak voor en door leerlingen’, Justitiële verkenningen 2018, 4, p. 84.
      Het gaat er dus ‘net echt’ en serieus aan toe en het is duidelijk dat dit voor geïnteresseerde leerlingen een spannende aangelegenheid is. Alleen al een bezoek aan politie en rechtbank is voor sommigen zeer aanlokkelijk, en ook rechtertje spelen spreekt een aantal kinderen aan. Hoe aantrekkelijk ook voor sommige leerlingen, het idee van de jongerenrechtbank is onvoldoende doordacht. Allereerst ontbreekt hier het besef dat de sanctionering van kinderen allesbehalve kinderspel is, maar bij uitstek ervaring en specifieke professionaliteit vereist. Minstens zo opvallend is dat zonder enige reflectie wordt voorbijgegaan aan de zojuist aangehaalde speciale procesregels, zoals behandeling achter gesloten deuren door één rechter, die zijn gericht op de bescherming van minderjarigen tegen mogelijk schadelijke gevolgen van de verschijning voor een rechtbank. Dit experiment gaat voorbij aan mogelijk risico voor de betrokken kinderen, past niet in onze rechtsstatelijke traditie van onafhankelijke rechtspraak en mist een heldere juridische en pedagogische grondslag.

    • 3. Onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak

      De gedachte van een forum van leerlingen dat oordeelt over medeleerlingen botst met een kernbeginsel van onze rechtsstaat. Wij prijzen ons immers gelukkig dat we in een land leven waarin we niet door onze buren of collega’s worden beoordeeld en een straf opgelegd kunnen krijgen. Sommige beroepsgroepen kennen een eigen tuchtrecht, maar daarbij wordt er nauwkeurig op toegezien dat er geen banden zijn tussen degenen die over het handelen van vakgenoten moeten beslissen en degenen die door hen beoordeeld worden. Wij verafschuwen het idee dat we voor een tribunaal van directe collega’s zouden moeten verschijnen. Het stuit ons tegen de borst als we een buurtbewoner die herhaaldelijk zorgt voor overlast, zijn rotzooi op straat gooit of steeds loopt te schelden of ruzie maakt op straat, op een buurtbijeenkomst ter verantwoording zouden roepen en gezamenlijk zouden beslissen tot een sanctie, een vermaning of het maken van excuses aan degenen die hij heeft uitgescholden.
      We erkennen de waarde van informele bemiddeling als beide partijen dat wensen, zonder poespas, zo veel mogelijk zonder dat politie, Openbaar Ministerie en rechtbank daar bemoeienis mee hebben en zonder dat er ‘eigen rechtertje’ wordt gespeeld. Dat geldt onder meer voor vechtscheidingen en burenruzies, maar evengoed voor ergernissen en leed in allerlei andere maatschappelijke situaties. Maar als het gaat om het sanctioneren van wangedrag hechten wij ook heel sterk aan de onafhankelijke en onpartijdige rol van de instantie die daartoe mag besluiten. Hoewel in een extreme uithoek van de Nederlandse politiek tegenwoordig gretig wordt gespeculeerd op de mogelijkheid om bewindspersonen te zijner tijd ter verantwoording te roepen voor tribunalen, gruwt de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking van dergelijke fantasieën, niet alleen als het gaat om bewindspersonen, maar van de hele gedachte van een tribunaal.
      Voor de jongerenrechtbank gelden dezelfde bezwaren. Volgens de Stichting Jongerenrechtbanken Nederland wordt met deze creatie ‘invulling gegeven aan een van de onderwijsdoelstellingen binnen het vak maatschappijleer, waarvan kennismakingmet “het recht” een (levend) onderdeel is’.9x Slump & Asscher 2018, p. 81. Als kennismaking met het Nederlandse strafrecht roept dit initiatief echter ernstige twijfel op omtrent de invulling van dit vak. Bij de propagandisten en op de deelnemende scholen lijkt het besef van het belang van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van degenen die hier uitspraak doen in elk geval afwezig. Het is verbazingwekkend en verontrustend hoe weinig hierover kennelijk door de initiatiefnemers en vanuit de betrokken scholen is nagedacht. Dit lijkt niet alleen te wijzen op een gebrek aan inzicht in een van de grondbeginselen van onze rechtsstaat en op een gebrek aan besef bij de schoolleiding van wat voor juridisch dubieus initiatief men hiermee in huis heeft gehaald. Het geeft ook aan dat degenen die hiermee aan de slag gaan zich niet realiseren wat voor pedagogisch ondoordacht initiatief men hiermee heeft genomen.

    • 4. Schuld en schaamte

      Een van de pijnlijke kanten van de gedachte te moeten verschijnen voor een forum van collega’s, buurtgenoten of medeleerlingen betreft de schaamte die een dergelijke enscenering onvermijdelijk met zich brengt. Het is een groot goed dat het ter verantwoording worden geroepen voor een rechtbank dit element minimaliseert, zeker als het een gesloten zitting betreft.10x Hetzelfde geldt in principe voor een gesprek met de leidinggevende of de directeur. Dan gaat het over de schuldvraag, over de vraag of men het heeft gedaan, waarom, met wie en in hoeverre men daarbij persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden en schuld heeft. Daarop kan een straf naar de mate van schuld worden opgelegd.
      Bij uitstek bij jongeren is dit onderscheid tussen schuld en schaamte cruciaal. Schaamte ofwel het gevoel in de grond te willen zinken, uit het zicht van anderen te willen verdwijnen, gaat over wie je bent. Schuld gaat alleen over je gedrag, over wat je fout hebt gedaan. Schuld kan worden vereffend, maar bij schaamte ligt dat heel anders, dat betreft je hele identiteit.11x I. Weijers, Schuld en schaamte. Een pedagogisch perspectief op het jeugdstrafrecht, Bohn Stafleu Van Loghum 2000. Daarom heeft schaamte ook een veel vernietigender en niet te overzien effect. Schaamte kan leiden tot het gevoel dat het er toch allemaal niet toe doet wat je doet en in dat effect schuilt uiteraard een groot gevaar. Als er één leeftijdsfase is waarin het zorgvuldig omgaan met aanspreken op schuld en het vermijden van associaties met schaamte essentieel zijn, dan is het wel de adolescentie.12x I. Weijers, ‘De adolescent’, in: I. Weijers (red.), Jeugdcriminologie 4, Boom 2022, p. 173-192. Schaamte, het gevoel af te gaan en dan bij uitstek voor leeftijdgenoten, heeft in die ontwikkelingsfase een nauwelijks bij te sturen negatief psychologisch effect – het gevoel waardeloos te zijn. In dit licht is het creëren van een forum van medeleerlingen, los van de verdere invulling, het ‘script’ en de sancties, een juridisch en pedagogisch onverantwoord concept. Niet voor niets wordt in artikel 40 van het Kinderrechtenverdrag uitdrukkelijk gesteld dat de behandeling van een strafbaar feit begaan door een minderjarige geen afbreuk mag doen aan diens gevoel van waardigheid en eigenwaarde.

    • 5. Risico’s

      Terecht hebben onderzoekers erop gewezen dat het goed mogelijk is dat de deelnemers aan een teen court hier een negatief/crimineel zelfbeeld aan overhouden en dat het uiteindelijke effect op de veroordeelden door een teen court helemaal niet minder negatief is dan het door de voorstanders van het teen court zeer kritisch beoordeelde Amerikaanse jeugdstrafproces.13x J. Bouchard & J. Wong, ‘A jury of their peers: A meta-analysis of the effects of teen court on criminal recidivism’, Journal of Youth and Adolescence 2017, 46, p. 1482. Meer in het algemeen wordt met de instelling van een jongerenrechtbank voorbijgegaan aan een van de klassieke inzichten uit het jeugdstrafrecht. Dat is het besef dat het bij ‘gevaarlijke kinderen’ kan gaan om ‘kinderen in gevaar’, ofwel dat men bij delicten van kinderen altijd alert moet zijn op mogelijke onderliggende problematiek, zoals spanningen thuis, armoede, pesterij of zware druk door andere kinderen. De onderkenning daarvan en het op de juiste daarmee omgaan vergen training, kennis en ervaring die niet van minderjarigen kunnen worden verwacht.
      Degenen die de jongerenrechtbank propageren, stellen simpelweg dat zij uitgaan van ‘de overtuiging dat je jongeren meer verantwoordelijkheid kunt geven, wanneer je hun daartoe ook het vertrouwen en de “gereedschappen” geeft’.14x Slump & Asscher 2018, p. 81. Echter, al bij de start van dit experiment in 2015 werd erop gewezen dat die overtuiging niet genoeg is en werd gewaarschuwd voor de risico’s van een dergelijke aanpak, zoals het feit dat kinderen heel hard kunnen zijn in het uitdelen van straffen. Ook werd opgemerkt dat rechtspraak een bepaalde mate van abstractie en professionaliteit vraagt die we niet zomaar van jongeren kunnen verwachten en die we gelet op hun leeftijd ook nog niet van hen hoeven te verwachten. Daarbij werd onder meer gewezen op de ervaringen van de Poolse pedagoog Janus Korczak, die al begin vorige eeuw kinderrechtzittingen organiseerde in zijn weeshuis. De uitkomsten bleken lang niet altijd positief; sommige kinderen probeerden elkaar na verloop van tijd een hak te zetten.15x www.napnieuws.nl/2015/01/28/amsterdamse-scholieren-spelen-voor-rechter/.

    • 6. De VS als voorbeeld?

      Als inspiratiebron voor de jongerenrechtbank wordt graag gewezen naar de VS, waar inmiddels meer dan duizend teen courts functioneren.16x Slump & Asscher 2018, p. 78. Daarmee wordt er echter aan voorbijgezien dat de VS allerminst een voorbeeld vormen wat betreft strafrechtelijke traditie en respect voor mensen- en kinderrechten. Zo is in dat land pas in 2005 na heel veel strijd de doodstraf voor minderjarigen afgeschaft. En in scherp contrast met Europa is het daar ook nog steeds mogelijk dat jongeren levenslang krijgen opgelegd zonder de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidstelling. Ten slotte is dit ook het enige land ter wereld dat het Kinderrechtenverdrag niet heeft geratificeerd en voldoet het in talloze opzichten, zowel wat het materiële als het formele jeugdstrafrecht betreft, niet aan de beginselen die daarin zijn vastgelegd.
      Ons land kent een onvergelijkbaar veel humanere jeugdstrafrechttraditie. Dat wil niet zeggen dat hier geen behoefte bestaat aan extra inspiratie voor een kindvriendelijke bejegening naar aanleiding van antisociaal gedrag. Maar daarvoor kan beter te rade worden gegaan bij buurlanden elders in Europa. Daar wordt de reactie op het soort ergerlijk gedrag waar de jongerenrechtbank geacht wordt zich over te buigen, zeker niet aan leeftijdgenoten voorgelegd, maar wordt dit meestal juist met een simpele waarschuwing afgedaan.17x S. Rap & I. Weijers, De jeugdstrafzitting: een pedagogisch perspectief, Raad voor de rechtspraak 2011.

    • 7. Netwidening

      Tegelijkertijd roept de introductie van de jongerenrechtbank fundamentele vragen op betreffende de ontwikkeling van ons strafklimaat als het niet om duidelijk crimineel maar juist typisch hinderlijk gedrag van jongeren gaat en de wijze waarop de school daarbij een rol speelt. De introductie van de jongerenrechtbank vormt een voorbeeld van criminalisering van ongewenst en asociaal gedrag, ofwel netwidening. Niet alleen diefstal, ernstige bedreigingen en mishandeling, maar ook en vooral kwesties als pesten en conflicten tussen leerlingen, scheldpartijen en onschuldige vechtpartijen belanden hiermee op het bord van de jongerenrechtbank.
      Daarmee veranderen dergelijke uitingen van typisch hinderlijk adolescentengedrag in crimineel gedrag – we spelen tenslotte rechtbankje. Die bemoeienis gaat onherroepelijk gepaard met onwenselijke uitvergroting en intensivering van bemoeienis met hinderlijk gedrag van jongeren. Degene die wordt beschuldigd van pesten, schelden of vechten moet zich verantwoorden voor een forum en kan een sanctie verwachten in plaats van dat de school haar verantwoordelijkheid neemt om hierover met de jongere en diens ouders in gesprek te gaan. De introductie van de jongerenrechtbank brengt een uitbreiding van het arsenaal aan punitieve bemoeienissen met minderjarigen met zich en leidt ook feitelijk tot een toename van vormen van sanctionering van jongeren naar aanleiding van flutdelicten.
      Deze trend staat haaks op de recente ontwikkeling richting een meer kindvriendelijke sanctionering van ongewenst adolescentengedrag, zoals bijvoorbeeld beoogd met de reprimande door de politie.18x Pilot ‘Reprimande minderjarige verdachten van start’, politie.nl. Doel daarvan is uitdrukkelijk decriminalisering ofwel ‘klein houden’ van de reactie, omdat bekend is dat dergelijk gedrag voor het overgrote deel ‘low risk’, leeftijdgebonden kattenkwaad is, dat we daarna niet alleen zelden of nooit terugzien, maar dat op zich in het algemeen ook geen reden geeft tot zorg en bijzondere aandacht.
      Daarbij is het opvallend dat de jongerenrechtbank zonder nadere reflectie mikt op sanctionering van 12- tot 16-jarigen. Zoals aan het begin van dit artikel aangegeven, is er gezien de eisen die aan de sanctionering van minderjarigen moeten worden gesteld volop reden om af te zien van de gedachte deze rol in handen van kinderen te leggen. Maar er is ook reden om te twijfelen aan de wijsheid van het idee om kinderen eenvoudigweg vanaf de instroom in het middelbaar onderwijs überhaupt bloot te stellen aan sanctionering door enige vorm van rechtbank. De laatste jaren is er van diverse kanten op gewezen dat gezien de kinderlijke ontwikkeling redelijkerwijs pas van een vorm van sanctionering sprake zou moeten zijn vanaf een jaar of 14,19x Vergelijk het advies van de RSJ in: RSJ, Verhoging strafrechtelijke minimumleeftijd in context, 2017. zoals dat in continentaal Europa vrijwel overal gebruikelijk is.20x I. Weijers, ‘De leeftijdsgrenzen’, in: I. Weijers (red.), Jeugdstrafrecht in internationaal perspectief 5, Boom 2021, p. 211-226.

    • 8. Herstelrecht

      Een heel ander bezwaar betreft de voortdurend terugkerende voorstelling van de jongerenrechtbank als een vorm van herstelrecht.21x Slump & Asscher 2018, p. 80; K. Hagen, ‘Jongeren spreken recht op school’, Onderwijsblad 17 april 2019; interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf. De basisgedachte achter herstelrecht, of ‘buitengerechtelijke afdoening’, is dejuridisering, bemiddeling, zoeken naar dialoog en oplossingen voor conflicten tussen partijen zonder in juridische procedures, zittingen, veroordelingen enzovoort terecht te komen.22x I. Weijers, ‘Inleiding’, in: I. Weijers (red.), Het herstelgesprek bij jeugdige delinquenten. Sleutelteksten uit het internationale debat, SWP 2005, p. 5-17. Het meest opvallende aan de jongerenrechtbank is nu juist dat er, zoals de term aangeeft, uitdrukkelijk voor een vorm van rechtertje spelen wordt gekozen. Het gaat helemaal niet om mediation en het zoeken naar voor beide partijen aanvaardbare oplossingen. Er worden niet alleen rechtbanken bezocht, zoals dat overigens los van een cursus voorbereiding op een jongerenrechtbank altijd kan worden gedaan (zij het niet wat betreft het bijwonen van een jeugdstrafzitting, aangezien die gesloten is voor publiek). Er wordt een oefenzaak gehouden in de rechtbank, er vindt beëdiging door een rechter plaats, er wordt een zitting georganiseerd volgens een vast script, waarbij wordt gekoerst op een uitspraak die wordt gemotiveerd, op schrift gesteld en uitgereikt aan de leerling. Voor zover er in dit strak neergezette kader ook nog enige dialoog plaatsvindt tussen degene die verondersteld slachtoffer is en de veronderstelde dader, is dat uitdrukkelijk via de omweg van de rechtbankzitting.
      Als er werkelijk van mediation sprake zou zijn, dan zou er helemaal niet standaard worden gewerkt met de inzet van leerlingen die de rol van advocaat op zich nemen, zoals het script van de jongerenrechtbank voorschrijft.23x Interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf. Dan zou alle poespas met befjes op zwarte hemden waarmee de reclame voor dit initiatief gepaard gaat, een rechtbankopstelling en een uitspraak op papier die aan de schuldig bevonden leerling wordt uitgereikt, uiteraard achterwege blijven. Dan zouden één of meer leerlingen zich opwerpen als informele bemiddelaar tussen beide partijen, dan zou alle focus liggen bij het goed luisteren naar beider verhaal en zou elke vorm van toewerken naar een veroordeling juist vermeden worden.24x I. Weijers, ‘Het is hun gesprek’, in: I. Weijers (red.), Slachtoffer-dadergesprekken in de schaduw van het strafproces, Boom Lemma uitgevers 2012, p. 107-115.
      Er blijkt zowel bij de omschrijving van het type delicten als in de praktijk zelfs geen sprake van dat de jongerenrechtbank zich specifiek richt op kwesties waarbij het werkelijk gaat om een conflict tussen twee leerlingen. Er wordt juist opengelaten dat het ook kan gaan om iets op het gebied van de openbare orde of een winkeldiefstal in de nabijgelegen supermarkt. Sterker nog, zelfs kwesties die direct en primair raken aan de positie van de docent en de schoolleiding, zoals ordeproblemen in de klas, gebruik van valse verzuimbriefjes, misbruik van het alarm en het gebruik van lachgas, en kwesties die mede raken aan de verantwoordelijkheid van de politie, zoals het dragen van (nep)wapens op school25x Slump & Asscher 2018, p. 84. en vuurwerk op zak hebben,26x Hagen 2019. blijken te worden voorgelegd aan dit jongerenforum. Hier stuiten we op een volgend probleem. Dit betreft de willekeur wat betreft welke delicten onder welk sanctiestelsel vallen en de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid betreffende de vraag welke instantie wordt geacht daarvoor sancties op te leggen. Daarop komen we terug in de volgende paragraaf.

    • 9. Rechtvaardiging

      Wat vormt nu eigenlijk de motivatie voor dit streven naar berechting van leerlingen door medeleerlingen? Wat rechtvaardigt, gegeven de genoemde bezwaren en risico’s, volgens de voorstanders het instellen van een jongerenrechtbank? Daarvoor worden allereerst allerlei vage associaties geopperd, zoals ‘overheid en burgers zijn op zoek naar nieuwe onderlinge verhoudingen’, ‘meer ruimte voor burgers om met eigen initiatieven te komen en te experimenteren’, ‘weer meer verantwoordelijkheid en regie bij de burger’ en ruimte voor ‘positieve veiligheid’, waarbij het zou gaan om ‘betrokkenheid, vertrouwen, empathie, verbondenheid en gezamenlijke waarden en normen’.27x Slump & Asscher 2018, p. 79. Er wordt gesproken van ‘de sociale cohesie op school vergroten’28x Interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf. en ‘het proces teruggeven aan scholieren (…)’.29x Hagen 2019.
      Voor degenen die hier niet meteen een warm gevoel bij krijgen, wordt vervolgens een heel andere maar beslissende stap gezet, want dan wordt de rechtvaardiging gezocht in de veronderstelde grotere effectiviteit: straffen zouden effectiever zijn ‘wanneer ze door leeftijdgenoten uitgesproken worden, omdat deze ervaren zouden kunnen worden als afwijzing van het deviante gedrag door leeftijdgenoten’.30x Slump & Asscher 2018, p. 79-80. De rechtvaardiging blijkt dan te worden gezocht in de veronderstelling dat de inzet van de jongerenrechtbank de kans op recidive zal doen afnemen en wangedrag zal voorkomen. Vervolgens blijkt het een kleine stap naar de gedachte dat het ook efficiënter dan andere aanpakken zou zijn, aangezien dit ‘de belasting van het justitiesysteem beperkt en relatief weinig kost’.31x Slump & Asscher 2018, p. 80. We zien hier in een paar woorden samengevat een utilitaristische rechtvaardiging geserveerd in een vederlicht communitaristisch sausje – weinig kosten, verondersteld effect, en tegelijk aansluiting bij wat wordt gezien als nieuwe (positieve) maatschappelijke ontwikkelingen. De jongerenrechtbank als effectieve en efficiënte, want goedkope methode van conflictoplossing die de verantwoordelijkheid bij de partijen zelf legt, ofwel het verhaal van de zelfredzame, voor zichzelf verantwoordelijke jonge burger van de toekomst.32x Vergelijk M. Brink, ‘Naar een wettelijke regeling van mediation?’, Nederlands Juristenblad 2013, 30, p. 2050.

    • 10. Zorgelijke ontwikkelingen

      Jaren geleden spraken onderzoekers al hun verbazing uit over de enorme populariteit van het teen court in de VS, zonder dat er bewijs was voor de veronderstelde werkzaamheid wat betreft een afname van de recidive.33x L.N. Gase e.a., ‘The Impact of Teen Courts on Youth Outcomes: A Systematic Review’, Adolescent Research Review 2016, 1, p. 63; Bouchard & Wong 2017, p. 1481. Formeel gezien is het overigens discutabel of er bij de kwesties waar de jongerenrechtbank zich over buigt überhaupt kan worden gesproken over ‘preventie van recidive’, omdat er strikt genomen geen sprake is van een bewezen strafbaar feit. Uit de paar relevante overzichtsstudies blijkt allerminst een positief effect.34x Bouchard & Wong 2017, p. 1472-1487; Gase e.a. 2016, p. 51-67; W.P. Stickle e.a., ‘An experimental evaluation of teen courts’, Journal of Experimental Criminology 2008, 2, p. 137-163. Dat is logisch, aangezien het hier zoals gezegd uitdrukkelijk om low risk storend gedrag gaat, waar de kans op recidive dus zeer gering is. Daarmee is de kans op beperking van recidive in feite minuscuul en, zoals Bouchard en Wong concluderen, is de kans dat op dit punt ook maar enig betekenisvol verschil met gangbare sanctionering zal worden gevonden verwaarloosbaar.35x Bouchard & Wong 2017, p. 1482. Als werkelijk zou worden gemikt op recidivevermindering, dan zou hier, beschouwd vanuit het in de criminologie bekende Risk-Need-Responsivity-model, ook helemaal niet op moeten worden ingezet, maar moet de focus juist op de ernstiger delicten en herhaald antisociaal gedrag worden gericht.36x D.A. Andrews & J. Bonta, ‘Rehabilitating criminal justice policy and practice’, Psychology, Public Policy and Law 2010, 1, p. 39-55; vergelijk P. van der Laan & A-M Slotboom, ‘Wat werkt?’, in: I. Weijers (red.), Justitiële Interventies, Den Haag: Boom criminologie 2016, p. 117-131.
      Ook het argument van de verlichting van het justitiesysteem en daarmee het idee van kostenbesparing is niet steekhoudend. De meeste gedragingen waar de jongerenrechtbank zich over buigt betreffen zaken als pesten, uitschelden en vechten. Die brengen geen bemoeienis van politie en justitie met zich. En omgekeerd, waar het zaken buiten de school betreft, zoals stelen uit de buurtsuper, graffiti en serieuze bedreiging of ernstige mishandeling, is het onwenselijk dat dit niet door de politie (en waar nodig het Openbaar Ministerie) wordt afgehandeld.
      In dit opzicht past de gedachte dat leerlingen rechtspreken over medeleerlingen in een zorgelijke trend die de Raad van State enkele jaren geleden signaleerde, waarbij efficiencyoverwegingen de overhand hebben en onvoldoende rekening wordt gehouden met de rechtsbescherming.37x https://jaarverslag.raadvanstate.nl/2015/instituut/gezamenlijke-themas-advisering-en-bestuursrechtspraak/sanctiestelsels/. Daarbij wees de Afdeling advisering van de Raad van State nog op een ander zorgelijk verschijnsel, dat hier direct mee samenhangt en dat, zoals in de vorige paragraaf opgemerkt, helaas ook aan de orde is met de toepassing van de jongerenrechtbank. Dat betreft de willekeurige manier waarop wordt bepaald welke delicten onder welk sanctiestelsel vallen en de rechtsongelijkheid die dit met zich brengt. Is iets jatten uit de supermarkt een kwestie die winkeliers zelf mogen afhandelen (wat in de praktijk regelmatig blijkt voor te komen)? Of behoort dit primair tot de taak van de politie? Of moeten we dit nu opvatten als een taak van de school waar de daders vandaan komen? En de ernstige bedreiging en de mishandeling net buiten het schoolplein? Enzovoort, enzovoort. Hier stuiten we op een van de kwalijke implicaties van de gedachte van de zelfredzame (jonge) burger.

    • 11. Conclusie

      Scholen moeten zich niet inlaten met een jongerenrechtbank. Het is belangrijk dat leerlingen correcte kennis krijgen aangereikt over ons rechtssysteem. Het is ook waardevol om in het onderwijs te spreken over grenzen en overschrijding van aanvaardbaar gedrag. Maar het is juridisch en pedagogisch onverantwoord om leerlingen recht te laten spreken over medeleerlingen. Zoeken naar actieve inbreng van leerlingen kent ongeveer net zo’n lange traditie als recht doen aan de positie van minderjarigen in het strafrecht, maar jongerenrechtspraak is daarvoor een ongeschikt middel. In lessen maatschappijleer dient geen rechtbankje te worden gespeeld, maar te worden gewezen op belangrijke uitspraken en rechten.
      De jongerenrechtbank leidt tot toenemende sanctionering van flutdelicten; in plaats van waar nodig tot bemiddeling te leiden, leidt het tot ‘kleine juridisering’; het mist oog voor het belang van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak; het mist oog voor het belang van het te veroordelen kind en ziet voorbij aan de mogelijk schadelijke gevolgen voor kinderen; het legt de verantwoordelijkheid voor maatregelen van de kant van docenten en schoolleiding ten onrechte bij de leerlingen; het houdt onvoldoende rekening met het belang van rechtsbescherming en rechtsgelijkheid en vergroot de willekeur wat betreft welke instantie reageert op welk wangedrag van jongeren.

    Noten

    • 1 O.W.E. Berg, ‘De kinderrechter: een spin in een web’, Trema 1979, 2, p. 57-58. Vergelijk G.W. Brands-Bottema, Overheid en opvoeding in de periode 1870-1987, Arnhem: Gouda Quint 1988.

    • 2 Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen, Sanctierecht voor jeugdigen, 1982.

    • 3 Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528.

    • 4 Vergelijk P.A.J.Th. van Teefelen, ‘De terugtred van de kinderrechter’, FJR 1995, p. 218-222; A. van der Linden, ‘Verdwijnt de gespecialiseerde kinderrechter uit Nederland?’, FJR 2001, p. 30-37.

    • 5 S. Rap & I. Weijers, The Effective Youth Court. Juvenile Justice Procedures in Europe, Den Haag: Eleven 2014, p. 123-130.

    • 6 www.jongerenrechtbanken.nl. Na een aantal bezoeken aan experimenten met teen courts in de VS werd in 2014 een stichting opgericht, die het jaar daarop een vergelijkbaar experiment lanceerde op drie Amsterdamse middelbare scholen; zie www.napnieuws.nl/2015/01/28/amsterdamse-scholieren-spelen-voor-rechter/.

    • 7 www.jongerenrechtbanken.nl/deelnemende-scholen/.

    • 8 G.J. Slump & J. Asscher, ‘Jongerenrechtbanken: oplossingsgerichte lekenrechtspraak voor en door leerlingen’, Justitiële verkenningen 2018, 4, p. 84.

    • 9 Slump & Asscher 2018, p. 81.

    • 10 Hetzelfde geldt in principe voor een gesprek met de leidinggevende of de directeur.

    • 11 I. Weijers, Schuld en schaamte. Een pedagogisch perspectief op het jeugdstrafrecht, Bohn Stafleu Van Loghum 2000.

    • 12 I. Weijers, ‘De adolescent’, in: I. Weijers (red.), Jeugdcriminologie 4, Boom 2022, p. 173-192.

    • 13 J. Bouchard & J. Wong, ‘A jury of their peers: A meta-analysis of the effects of teen court on criminal recidivism’, Journal of Youth and Adolescence 2017, 46, p. 1482.

    • 14 Slump & Asscher 2018, p. 81.

    • 15 www.napnieuws.nl/2015/01/28/amsterdamse-scholieren-spelen-voor-rechter/.

    • 16 Slump & Asscher 2018, p. 78.

    • 17 S. Rap & I. Weijers, De jeugdstrafzitting: een pedagogisch perspectief, Raad voor de rechtspraak 2011.

    • 18 Pilot ‘Reprimande minderjarige verdachten van start’, politie.nl.

    • 19 Vergelijk het advies van de RSJ in: RSJ, Verhoging strafrechtelijke minimumleeftijd in context, 2017.

    • 20 I. Weijers, ‘De leeftijdsgrenzen’, in: I. Weijers (red.), Jeugdstrafrecht in internationaal perspectief 5, Boom 2021, p. 211-226.

    • 21 Slump & Asscher 2018, p. 80; K. Hagen, ‘Jongeren spreken recht op school’, Onderwijsblad 17 april 2019; interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf.

    • 22 I. Weijers, ‘Inleiding’, in: I. Weijers (red.), Het herstelgesprek bij jeugdige delinquenten. Sleutelteksten uit het internationale debat, SWP 2005, p. 5-17.

    • 23 Interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf.

    • 24 I. Weijers, ‘Het is hun gesprek’, in: I. Weijers (red.), Slachtoffer-dadergesprekken in de schaduw van het strafproces, Boom Lemma uitgevers 2012, p. 107-115.

    • 25 Slump & Asscher 2018, p. 84.

    • 26 Hagen 2019.

    • 27 Slump & Asscher 2018, p. 79.

    • 28 Interview met Kim Roelofs, ‘De sociale cohesie op school vergroten’, https://stichtingveiligonderwijs.nl/wp-content/uploads/2021/10/Magazine-2021-2.pdf.

    • 29 Hagen 2019.

    • 30 Slump & Asscher 2018, p. 79-80.

    • 31 Slump & Asscher 2018, p. 80.

    • 32 Vergelijk M. Brink, ‘Naar een wettelijke regeling van mediation?’, Nederlands Juristenblad 2013, 30, p. 2050.

    • 33 L.N. Gase e.a., ‘The Impact of Teen Courts on Youth Outcomes: A Systematic Review’, Adolescent Research Review 2016, 1, p. 63; Bouchard & Wong 2017, p. 1481. Formeel gezien is het overigens discutabel of er bij de kwesties waar de jongerenrechtbank zich over buigt überhaupt kan worden gesproken over ‘preventie van recidive’, omdat er strikt genomen geen sprake is van een bewezen strafbaar feit.

    • 34 Bouchard & Wong 2017, p. 1472-1487; Gase e.a. 2016, p. 51-67; W.P. Stickle e.a., ‘An experimental evaluation of teen courts’, Journal of Experimental Criminology 2008, 2, p. 137-163.

    • 35 Bouchard & Wong 2017, p. 1482.

    • 36 D.A. Andrews & J. Bonta, ‘Rehabilitating criminal justice policy and practice’, Psychology, Public Policy and Law 2010, 1, p. 39-55; vergelijk P. van der Laan & A-M Slotboom, ‘Wat werkt?’, in: I. Weijers (red.), Justitiële Interventies, Den Haag: Boom criminologie 2016, p. 117-131.

    • 37 https://jaarverslag.raadvanstate.nl/2015/instituut/gezamenlijke-themas-advisering-en-bestuursrechtspraak/sanctiestelsels/.


Print dit artikel