Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Boekbespreking

T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek

Trefwoorden zorgplicht, zorgethiek
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Rob Schwitters, "T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 1, (2009):60-64

Dit artikel wordt geciteerd in

      T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek, Deventer: Kluwer 2007, 455 p.

      Het recht laat zich niet funderen op één enkel beginsel, zoals autonomie. Altijd zijn er wetten en rechterlijke beslissingen aan te wijzen waarin op zijn minst een zekere invloed van een ander beginsel herkend kan worden. Zo kan bijvoorbeeld de regulering van euthanasie in ons land niet uitsluitend als een uitdrukking van autonomie gezien worden: artsen hoeven niet de wens van de patiënt te honoreren, hoe overwogen deze ook is. In het recht komen meerdere beginselen tot uitdrukking die om voorrang strijden en waarvan de onderlinge gewichtsverdeling voortdurend bepaald moet worden. Beginselen waarvan het belang weinig ter discussie staat, naast autonomie, zijn gelijkheid, onpartijdigheid en rechtszekerheid. Tjong Tjin Tai probeert in zijn dissertatie aan te tonen dat het recht beter geanalyseerd kan worden indien men daarnaast zorgplicht als een funderend beginsel opvat. Daarnaast probeert hij de zorgethiek nader aan te scherpen door deze in het licht van het recht nader te beschouwen.
      Zorg is naast die andere beginselen een vreemde eend in de bijt. Die zijn gebaseerd op een rechtvaardigheidsethiek, terwijl zorg haar fundament vindt in de zorgethiek. Deze ethiek is een theorie die ethische fenomenen analyseert op basis van de concrete betrokkenheid van een zorgverlener bij een zorgontvanger, zoals binnen de verhouding tussen verpleger en patiënt. De rechtvaardigheidsethiek grijpt aan bij de vormgeving van de verhoudingen tussen vreemden of de ordening van de gehele samenleving.
      Tjong Tjin Tai volgt in zijn studie twee wegen om de betekenis van de zorgethiek te traceren. Hij positioneert deze ethiek ten opzichte van de rechtvaardigheidsethiek, waarvan de invloed op het recht buiten kijf staat. Ten tweede belicht hij de betekenis van de zorgethiek voor centrale leerstukken binnen het recht. Daarbij richt hij zich niet op die domeinen waar men deze invloed het eerst zou vermoeden, zoals het familierecht of het gezondheidsrecht. Hij poogt juist te laten zien dat belangrijke leerstukken in het civiele vermogensrecht meer inzichtelijk worden wanneer je oog hebt voor een zorgethische fundering.
      Een belangrijk deel van het boek omvat een vergelijking tussen de zorgethiek en op rechtvaardigheid gefundeerde ethische theorieën. De auteur nuanceert daarbij de verschillen, met name door afstand te nemen van gangbare interpretaties van de zorgethiek. Desalniettemin is hij van mening dat op rechtvaardigheid gefundeerde theorieën naast de zorgethiek een zelfstandige betekenis houden. Maar hij toont ook aan dat veel dagelijkse handelingspraktijken moeilijk uitsluitend op basis van beginselen van rechtvaardigheid, voorbijgaand aan zorgethische beginselen, geanalyseerd kunnen worden.
      De zorgethiek richt zich in eerste instantie op de zorg binnen bestendige persoonlijke relaties, zoals tussen ouders en kinderen, tussen verplegers en patiënten en tussen leraar en leerlingen. Op deze relaties gefundeerde zorgdaden veronderstellen dat de zorgverlener bekend en vertrouwd is met de zorgontvanger en inzicht heeft, of op basis van overleg inzicht kan krijgen, in zijn concrete belangen.
      In de gebruikelijke zorgethische leer wordt ervan uitgegaan dat binnen het kader van dergelijke relaties gehandeld wordt op basis van affectie, betrokkenheid en responsiviteit, hetgeen een verplichting en toetsing van het handelen aan regels zou uitsluiten. Het is Tjong Tjin Tai er onder andere om te doen deze aanname te weerleggen. Een zorgplicht kan gefundeerd worden op een gemiddelde norm die aangeeft wat een goed zorgverlener in de gegeven omstandigheden zou doen. Omdat deze plicht afgestemd is op de concrete belangen van de zorgontvanger, die sterk – per individu en afhankelijk van de omstandigheden – kunnen verschillen, kunnen er geen algemene regels worden gegeven die het handelen uitputtend reguleren. Een algemene regel kan hooguit bepalen als een goed zorgverlener te handelen, maar dat verwijst naar concrete omstandigheden. Dit maakt de zorg echter niet geheel onbepaald. Zorg is immers ingebed in zorgpraktijken, waar onder zorgverleners consensus bestaat over wat goede zorg is.
      Een zo uitgelegde zorgethiek zou zich laten verenigen met andere ethische theorieën en zou de kritiek pareren dat de zorgethiek toetsing van handelen aan regels uitsluit. Wel erkent de auteur dat er een spanning kan bestaan tussen zorgethische beginselen en beginselen gefundeerd op een rechtvaardigheidsethiek. Het beginsel van gelijkheid staat het bijvoorbeeld niet toe dat er extra inspanningen worden verlangd van mensen die zich ongewild in bijzondere posities bevinden, zoals van kinderen die geconfronteerd worden met de afhankelijkheid van hun bejaarde ouders. En onpartijdigheid zou moeilijk te rijmen zijn met zorgethische beginselen, waardoor juist een zekere partijdigheid in bepaalde omstandigheden wordt toegestaan, zoals een bijzondere aandacht van ouders voor de veiligheid van hun eigen kinderen, terwijl zich meer kinderen in een bedreigende situatie bevinden. Deze partijdigheid wordt volgens Tjong Tjin Tai echter ook in de dagelijkse handelingspraktijk aanvaard. Daar laat men zich niet leiden door absolute voorschriften van gelijkheid en onpartijdigheid, maar bestaat er enige ruimte voor de extra zorg die voortvloeit uit bijzondere relaties. Wel hebben rechtvaardigheidstheorieën een aanvullende waarde. De conclusie is dat er geen absolute scheiding tussen zorg en rechtvaardigheid kan worden aangebracht, noch een absolute prioriteit kan worden gegeven aan één van beide. Er is een synthese nodig van rechtvaardigheid en zorg.
      Het dikwijls geformuleerde verwijt dat zorgethiek tot paternalisme leidt, wordt gerelativeerd. Doorgaans stemt de zorgontvanger vrijwillig in met het feit dat een ander zich ontfermt over zijn belangen, bijvoorbeeld wanneer hij de hulp van een arts of verpleegkundige inroept. Verder is binnen dergelijke relaties de zorgverlener verplicht rekening te houden met de wensen van de zorgontvanger. Ook als die wensen sterk afwijken van de belangen waarvan verwacht wordt dat de zorgverlener die behartigt (zoals het geven van een adequate medische behandeling), kan de zorgverlener deze niet zomaar klakkeloos naast zich neerleggen, al mag hij er ook niet zomaar aan tegemoetkomen. Wat geboden is, is dat de zorgverlener in dat geval kritisch doorvraagt en overleg pleegt. In deze opdracht tot het kritisch nagaan of de wensen van de zorgontvanger overeenstemmen met zijn werkelijke belangen ligt het verschil met meer formalistische opvattingen van rechtvaardigheid of autonomie: op basis daarvan is alleen de formele vraag aan de orde of er instemming is.
      Overigens wordt het bereik van de zorgethiek in deze dissertatie ruimer bepaald dan de directe zorg voor de concrete belangen binnen het kader van de relatie tussen zorgverlener en zorgontvanger. Zo worden regels die controle mogelijk moeten maken, zoals de plicht van de zorgverlener om zijn handelen te documenteren, tot de zorgethiek gerekend. Ook wordt van een zorgethische theorie verwacht dat deze een regeling voorhanden heeft voor het geval een zorgverlener tekortschiet. Tjong Tjin Tai verwijt het de traditionele zorgethiek niet alleen voorbij te gaan aan de betekenis van dergelijke regelingen die de zorg structuren, maar ook te weinig aandacht te hebben voor organisaties en instituties waarbinnen zorg plaatsvindt.
      Bij de confrontatie van de zorgethiek met het vermogensrecht worden verschillende modaliteiten van zorg onderscheiden. Niet alle vormen van zorg die in het vermogensrecht een rol spelen, vloeien direct voort uit zorgethische beginselen. Daarvan is slechts sprake indien het gaat om zorg – ‘onmiddellijke zorg’ genoemd – die plaatsvindt binnen een bestendige relatie tussen zorgverlener en zorgontvanger. In dat geval is inzicht in concrete belangen en individuele eigenaardigheden van de zorgontvanger vereist en kan overleg noodzakelijk zijn. Zorg binnen het vermogensrecht heeft dikwijls een meer beperkte betekenis, in die zin dat men verplicht is rekening te houden met de belangen van anderen, zonder dat men bekend is met die anderen en inzicht heeft in hun concrete belangen. De zorg gaat dan niet verder dan het zich rekenschap geven van belangen die op basis van ervaringsregels aan de zorgontvanger worden toegeschreven, zoals een wegbeheerder aan diegenen die zich op zijn weg begeven een belang bij veiligheid toeschrijft. In dat geval is sprake van afgeleide zorg: belangen worden op basis van ervaringsregels bepaald. Ook bij de meeste overeenkomsten kan diegene die zorg moet dragen voor nakoming van de overeenkomst de werkelijke belangen van de schuldeiser negeren. De schuldeiser heeft zijn autonome wil immers neergelegd in het overeengekomen resultaat. Dit geldt zowel voor resultaatverbintenissen als voor inspanningsverbintenissen gericht op een overeengekomen doel. Deze overeenkomsten verlangen geen andere inspanning dan dat de schuldenaar dat resultaat of doel tracht te bereiken.
      Van onmiddellijke zorg is wel sprake bij die categorie inspanningsverbintenissen die niet op een concreet doel gericht zijn, maar op behartiging van de belangen van de schuldeiser (bijvoorbeeld de opdracht op basis van art. 7:401 BW). De schuldeiser hoeft dan niet zelf op zijn belangen te letten. De schuldenaar moet dan met de schuldeiser in overleg treden om vast te stellen wat deze belangen inhouden en in concreto vereisen. Soms zal hij ook weerstand moeten bieden aan onverstandige wensen van de schuldeiser. Zo zal een aannemer niet alle wensen van de schuldeiser behoeven te volgen. Daarnaast rusten er op de schuldenaar allerlei informatie-, mededelings- en waarschuwingsplichten. Is er sprake van dergelijke onmiddellijke zorgplichten, dan kan het handelen niet door harde algemene regels genormeerd worden. Uiteindelijk geldt als norm hoe een goed schuldenaar in de gegeven omstandigheden zou hebben gehandeld. Weliswaar worden hoge eisen gesteld aan het handelen van de schuldenaar, maar de toetsing van zijn gedrag is niet eenvoudig, want sterk contextafhankelijk.
      Met een bijzondere categorie (onmiddellijke) zorgplichten zijn institutionele beroepen belast. Het zijn beroepen die de taak hebben bepaalde maatschappelijk gewichtige belangen te behartigen. Daarbij gaat het met name om advocaten, notarissen, artsen en banken. De auteur voert overigens een pleidooi om ook de verzekeraar als een institutioneel beroep op te vatten. Op basis van de bijzondere verantwoordelijkheid van deze beroepen voor een gewichtig maatschappelijk belang, waarbij de belangen van derden in het geding zijn, kan het des te meer geboden zijn dat deze beroepsbeoefenaars weerstand bieden aan de onmiddellijke wensen van hun cliënten.
      Deze bijzondere zorg was volgens Tjong Tjin Tai aan de orde in de optiehandel-arresten. Daarin ging het om de zorgplicht van banken jegens hun opties schrijvende cliënten, die de wens hadden risico’s te nemen die hun financiële draagkracht ver te boven gingen.1xZie met name HR 23 mei 1997, NJ 1998, 192 (Rabobank/Everaars), r.o.v. 3.3, al. 3 en HR 11 juli 2003, NJ 2005, 103 (Van Zuylen/Rabobank), r.o. 3.6.4. Juist als sprake is van institutionele beroepen – en de auteur rekent banken tot de institutionele beroepen – mag de samenleving erop vertrouwen dat deze hun positie inzetten om de bij hen in beheer gegeven maatschappelijke belangen te beschermen. Daarnaast mag van hen extra inspanning verwacht worden om de werkelijke belangen van de schuldeiser te achterhalen. Daarom kan een zwaardere toetsing van de wens van de cliënt verwacht worden dan een enkele formele waarschuwing en is een weigering, zolang de cliënt niet doordrongen is van het besef van de grote risico’s, soms geboden.2xOverigens zoekt de auteur de grondslag van deze bijzondere zorg van banken in art. 7:402 BW (opdracht) en pas subsidiair in art. 6:248 lid 1 BW (redelijkheid en billijkheid), op welk artikel de Hoge Raad de zorgplicht fundeerde.
      Tjong Tjin Tai’s fundering van de bijzondere verantwoordelijkheid van banken jegens opties schrijvende cliënten is één van de illustraties dat de analyse van jurisprudentie aan transparantie wint indien daarbij zorgethische beginselen betrokken worden. Overigens acht ik in dit opzicht niet al zijn analyses geslaagd. Zo roept zijn analyse van ontwikkelingen in de jurisprudentie met betrekking tot de zorgplicht van de werkgever voor een veilige werkomgeving de nodige vragen bij mij op. De auteur verdedigt de opvatting dat de zorgplicht beperkt moet blijven tot middellijke zorg. Een vergaande tendens in de richting van risicoaansprakelijkheid, waarvan met name sprake was in het arrest Pollemans/Hoondert, zou als een onwenselijke omarming van onmiddellijke zorg moeten worden afgewezen.3xHR 20 september 1996, NJ 1997, 198 m.nt. PAS. In mijn ogen worden risicoaansprakelijkheid (een gestandaardiseerde aansprakelijkheid) en onmiddellijke zorg (waarbij de schuldenaar betrokken is bij de concrete belangen van de schuldeiser) in deze analyse niet helder onderscheiden.
      Al met al is het een zeer lezenswaardig boek waarin het (voor)oordeel dat de zorgethiek irrelevant is voor het recht omdat deze zich niet zou verdragen met verplichtingen overtuigend ontkracht wordt. Terloops komt daarbij een rijk palet aan thema’s aan de orde als de mogelijkheden en beperkingen van juridisering, de vraag in welke mate de zorg voor concrete belangen aan regels getoetst kan worden, de spanning tussen paternalisme en autonomie, tussen zorg en gelijkheid, et cetera.
      Bijzonder is dat recht en rechtsfilosofische theorieën direct op elkaar betrokken worden. Dat maakt dat geen groots architecturaal ontwerp van ethische regels en beginselen ontwikkeld wordt dat geen ruimte laat voor andere regels en beginselen; daarvoor heeft de benadering een te casuïstisch karakter. Als de zorgethiek vergeleken wordt met de rechtvaardigheidsethiek fungeert de dagelijkse handelingspraktijk vaak als scherprechter. Het zet de auteur ertoe aan om de aanvullende betekenis of tekorten van beide theorieën uiteen te zetten. In de behandeling van jurisprudentie voegen de wijze waarop beginselen uit zorgethiek en rechtvaardigheidsethiek elkaar aanvullen, en de vraag welke modaliteit van zorg aan de orde is, zich in belangrijke mate naar de eigenaardigheden van het gethematiseerde probleem. Wie behoefte heeft aan een systematische integrale vergelijking van zorgethiek en rechtvaardigheidsethiek zou daar wat minder gelukkig mee kunnen zijn. Voor mij is het juist de kwaliteit van deze dissertatie dat op een genuanceerde wijze de wisselende betekenis van uiteenlopende beginselen uiteen wordt gezet.

    Noten

    • 1 Zie met name HR 23 mei 1997, NJ 1998, 192 (Rabobank/Everaars), r.o.v. 3.3, al. 3 en HR 11 juli 2003, NJ 2005, 103 (Van Zuylen/Rabobank), r.o. 3.6.4.

    • 2 Overigens zoekt de auteur de grondslag van deze bijzondere zorg van banken in art. 7:402 BW (opdracht) en pas subsidiair in art. 6:248 lid 1 BW (redelijkheid en billijkheid), op welk artikel de Hoge Raad de zorgplicht fundeerde.

    • 3 HR 20 september 1996, NJ 1997, 198 m.nt. PAS.


Print dit artikel
Button_em