Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Boekbespreking

Jacques Langlois, Misère du droit

Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Thom Holterman, "Jacques Langlois, Misère du droit", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 1, (2010):94-96

Dit artikel wordt geciteerd in

      Jacques Langlois, Misère du droit. Paris: Éditions Edilivre, 2009, 403 p.

      De armoede van het recht? Ik ben geneigd hier in plaats van over ‘armoede’ ook over ‘ellende’ te spreken, omdat dit meer aanhaakt bij de vraag of door het gebruik van het recht ellende valt te verwachten. Langlois hinkt voor het beantwoorden van die vraag namelijk op twee gedachten. Zo formuleert hij het doel van het recht op een positieve manier en wel in één lange zin, die de cadans van een truckerssong heeft. Het doel van het recht is: de burgers te beschermen, vrede te doen heersen binnen het maatschappelijke kader en dat kader weer te reguleren vanuit een ontwikkelingsperspectief, voor evenwicht te zorgen in de sociale krachtverhoudingen die bestaan tussen de verschillende belangen van de sociale partners, de publieke orde en de sociale verplichtingen te benoemen, het niet-nakomen van het geregelde in die orde te bestraffen, de maatschappij te beschermen tegen criminelen die haar aanranden. Dit tezamen kan niet bepaald wijzen op de armoede van het recht.Langlois voegt hieraan toe dat deze doelformulering de problematiek van de legitimatie van het scheppen van juridische normen oproept. Tevens wijst hij erop dat nadat men over het recht heeft gesproken, men niet kan zwijgen over de juridische instituties die sanctioneren en straffen in naam van de geldende wetten en het ter plaatste geldende recht. Dan begint de ellende… Hij verwijst daarbij onder meer naar de wijze waarop wetten tot stand komen in een ‘democratie’ die geen democratie is (legitimatiegebrek). Hij duikt in veel affaires waaruit blijkt dat juridische instituties niet of slecht functioneren, of zelfs buitenwettelijk opereren.Dit alles wordt in vierhonderd pagina’s aan de orde gesteld, waarbij vaak de kracht van het voorbeeld of de hoeveelheid voorbeelden tezamen, de argumentatie vervangt. Kortom, het betekent dat hij eigenlijk niet over de armoede van het recht spreekt, zoals de titel van zijn boek doet vermoeden, maar over het gemankeerde functioneren van instituties.
      Wie is Langlois en hoe heeft hij zijn tekst in elkaar gestoken? De Fransman Jacques Langlois is geen jurist, zoals hij zelf aangeeft, en hij excuseert zich bij voorbaat voor eventuele juridische onjuistheden (ik ga daar dan ook aan voorbij voor zover aan de orde). Hij is sociaal-politiek geschoold en heeft tot het ‘cadre supérieur’ van de Franse elektriciteitsmaatschappij (EDF/GDF) behoord. Hij is een militante syndicalist geweest (onder meer voor de Franse vakbond Confédération Générale du Travail). Een aantal boeken staan op zijn naam en hij heeft zich daarbij ontpopt als een Proudhon-kenner. Hoewel hij Proudhon als zijn ‘leermeester’ beschouwt, afficheert hij zich niet als ‘anarchist’.
      De titel van zijn boek zie ik als een knipoog naar Proudhon. Immers die schrijft in 1846 zijn Philosophie de la misère, waarop Marx een jaar later reageert met zijn schotschrift tegen Proudhon getiteld Misère de la philosophie.
      Langlois’ Misère du droit (2009) vormt het sluitstuk van een drieluik. Het eerste deel ervan draagt de titel Le libéralisme totalitaire (2001). Daarin onderzoekt hij hoe de liberale economie alles in de maatschappij beoogt te doordringen. Het tweede deel heeft tot titel Agir ensemble dans un monde partagé (2005). Hier deconstrueert hij de actueel bestaande parlementaire democratie en propageert de vervanging ervan door een ander concept.Wat de drie boeken tot een drieluik maakt, is naar zijn mening het problematische verband tussen economie en politiek, dat ontstaat via de bemiddeling van het recht. Wat hij met Misère du droit voor heeft, is aan te tonen wat en waarom dat verband problematisch is.
      Om dat doel te bereiken heeft hij zijn boek in vier delen opgebouwd. Het eerste deel levert het fundament en de verschillende legitimaties voor het bestaan van recht. Het tweede deel beschrijft de categorieën en de functies van het recht. Het derde deel gaat in op de verborgen bronnen van het recht en het ‘juridische’. Ook kan nu duidelijk worden waarom van ‘armoede van het recht’ is te spreken: de dominantie van het statelijke wettenrecht heeft alle rijkdom van het overige recht, in zijn voorstelling van zaken, geëlimineerd.In het derde deel bespreekt hij tevens de verbinding van het recht (wetten) met de ‘macht’. Hij legt de gehanteerde middelen bloot waarmee men de functies van het recht weet ‘om te keren’, dat wil zeggen te misbruiken. Het vierde deel vormt in feite een vervolg op het derde deel, maar in dat deel stelt hij zich positiever op ten aanzien van het recht. De conclusie vormt een gebruikelijke ‘samenvatting’. Van de bespreking door Marc de Wilde van het boek Foucault’s law (zie R&R nr. 3, 2009) leer ik onder meer dat een niet-jurist (Foucault) teksten kan voortbrengen, waarin opmerkingen over recht aan de orde zijn, die kunnen maken dat het lezen van een tekst daarover tot een feest wordt. Dat is bij Langlois niet het geval.Hoewel de structuur van het boek anders doet vermoeden, wordt hier te veel op een hoop geveegd en raakt uit het zicht dat het recht een misère is… want het is niet dat wat door hem wordt aangetoond. Wat veel ellende veroorzaakt en wat hij beschrijft, is de belangenverstrengeling die met behulp van juridische constructies of instituties tot profijt voor sommigen moet leiden. Ellende wordt ook veroorzaakt door wat bij juristen “détournement de pouvoir” of “abus de pouvoir” heet. Wie geeft Langlois daarin ongelijk? De ellende ziet Langlois eveneens ontstaan door het wetgevingsproces in een gemankeerde ‘democratie’. Maar wie oog heeft voor de kortetermijnvisie die het parlementaire werk typeert en het populisme dat geëxploiteerd wordt, heeft dit niets opzienbarends. Het is vooral dat wat bij Langlois onder de ‘misère van het recht’ valt.
      Dat ‘recht’ zeer wel als een positieve categorie kan worden begrepen, blijkt ook bij Langlois. Hij gaat daarvoor uit van het feit dat vóór het recht het sociale, de moraal, de cultuur, de doelen en de waarden van de maatschappij liggen (ook al niet voor het eerst opgemerkt). Het recht levert vervolgens de noodzakelijke structuur voor regulatie en sociale samenhang door de gerechtigheid te dienen (“la cohésion et la régulation sociales par la justice”). Is het recht plotseling niet meer die armoedecategorie? Het antwoord hierop is ontkennend als het recht in handen is van een niet-positivistische jurist. Want die zal het recht naar het oordeel van Langlois onder de heerschappij van de normen van de moraal en de beginselen van de gerechtigheid plaatsen. Alsof het duidelijk is wat deze containerbegrippen inhouden… Ongeacht de ogenschijnlijke logische opbouw van het boek, blijkt van alles erin door elkaar te lopen. Het is goed bedoeld, ongetwijfeld, maar in de wereld van het recht zal het niet aanslaan, vermoed ik.


Print dit artikel
Button_em