Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Boekbespreking

Marc de Wilde, Verwantschap in extremen

Politieke theologie bij Walter Benjamin en Carl Schmitt

Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Jerker Spits, "Marc de Wilde, Verwantschap in extremen", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2, (2010):176-178

Dit artikel wordt geciteerd in

      Marc de Wilde, Verwantschap in extremen. Politieke theologie bij Walter Benjamin en Carl Schmitt. Amsterdam: Amsterdam University Press 2008, 303 p.

      In zijn proefschrift Verwantschap in extremen probeert de Amsterdamse rechtsfilosoof Marc de Wilde verschillen en overeenkomsten tussen Schmitt en zijn politieke tegenpool Walter Benjamin aan het licht te brengen. Terwijl Schmitt carrière maakte als nationaalsocialistische ‘kroonjurist’, was Benjamin als jood gedwongen naar Frankrijk uit te wijken. Op de vlucht voor het Duitse leger beroofde hij zich in september 1940 van het leven. Hoewel ze politiek tegengestelde posities innamen, lijken de denkers elkaar te hebben beïnvloed en in hun werk herhaaldelijk naar elkaar te verwijzen. De Wilde reconstrueert deze verborgen dialoog, zoals de Duitse hoogleraar Heinrich Meier dit eerder deed voor Schmitt en de – eveneens joodse – Leo Strauss (Carl Schmitt and Leo Strauss. The Hidden Dialogue, 1995). De Wilde leest de teksten van Schmitt en Benjamin ‘naast elkaar en als antwoord op elkaar, ook wanneer niet met zekerheid is vast te stellen of ze ook daadwerkelijk en bewust als antwoord zijn geschreven’. Dat maakt De Wildes studie soms wat speculatief. Rechtstreekse beïnvloeding is vaak moeilijk te bewijzen. De Wilde moet heel wat mythes doorprikken. Zo blijkt een felicitatiebrief van Schmitt aan Benjamin, waarin hij Benjamin met zijn Zur Kritik der Gewalt complimenteerde, onvindbaar. Derrida voert deze brief op in zijn Force de loi. Bron van Derrida’s bewering is vermoedelijk een tekst van Jürgen Habermas. En waarom verwijst Schmitt pas in 1956 expliciet naar Benjamin? Uit opportunisme? Wilde hij, door te wijzen op een gedachtewisseling met een gevluchte joodse denker, na de oorlog bijdragen aan zijn intellectuele rehabilitatie? Nog lastiger is het antwoord op de vraag of Schmitt zich voor 1945 iets van Benjamin aantrok. Gaf Schmitt in de tweede druk van Der Begriff des Politischen antwoord op Benjamins kritiek? Ook De Wilde komt hier niet verder dan ‘sterke aanwijzingen’. Niettemin toont De Wilde overtuigend de verwantschap tussen Schmitt en Benjamin aan. Die verwantschap is terug te voeren op een gemeenschappelijke overtuiging, namelijk op de gedachte dat het politieke zich enkel naar analogie van theologische denkfiguren, beelden en metaforen laat begrijpen. Beide denkers bekritiseerden het parlementaire ideaal van een geweldloze ‘eeuwige discussie’ die verschillen toedekte. Beide denkers verwierpen het beeld van de geschiedenis als een voortdurende vooruitgang waarin toename van kennis en moreel inzicht gelijk op gaan. Ook de verschillen tussen beide denkers brengt De Wilde nauwgezet in kaart. Waar Schmitt in 1923, het jaar van Hitlers putsch, oproept de macht aan een ‘concrete persoonlijkheid’ over te dragen, voert Benjamin in een studie over het barokke treurspel een alleenheerser op die zijn hand overspeelt en door waanzin wordt gestraft. Zijn schets van een besluitloze, vertwijfelde vorst lijkt een polemiek tegen Schmitts machtige heerser. Benjamin deconstrueert zo al vroeg belangrijke schmittiaanse begrippen als ‘soevereine vorst’ en ‘absolute beslissing’. Volgens Schmitt opent de uitzonderingstoestand een ruimte waarin de staat niet langer als rechtsstaat is aan te merken. Het recht maakt plaats voor een ‘principieel ongelimiteerde bevoegdheid’, waarin ook het doden van de ander is toegestaan; bij Benjamin volgt op de vraag ‘mag ik doden?’ het onwrikbare gebod ‘gij zult niet doden.’ Als aartspessimist zag Schmitt de machthebber enkel in staat de catastrofe door repressief geweld uit te stellen, Benjamins streven was erop gericht de onderdrukking door solidariteit te beëindigen.
      De Wilde heeft een boeiende dissertatie geschreven die doorgaans goed leesbaar is. Wel had hij zijn eigen positie meer kunnen uitwerken, bijvoorbeeld ten opzichte van Jürgen Habermas of Giorgio Agamben. De laatste verbindt Schmitts verdringing van de vijand naar de marges van de rechtsorde met de gevangenen van Guantanomo Bay. De Wilde haalt Agamben wel aan, maar als lezer wil je dan ook graag weten wat hij van hem vindt. Verschillende uitspraken van Amerikaanse politici bevestigden na 11 september 2001 Schmitts theorie van de radicale en allesbepalende onderscheiding tussen vriend en vijand. Ook in Nederland vond een boeiende discussie plaats over de actualiteit van Schmitt. Schmitts scherpe kritiek op de links-liberale, gedepolitiseerde maatschappij leek in toenemende mate te inspireren. Zo nam de jonge Nederlandse filosoof Luuk van Middelaar in een essay in Trouw (Et voilà, de moderniteit, 1 december 2002) Schmitts filosofie als uitgangspunt voor de gedachte dat westerse democratieën militair optreden niet moesten schuwen als zij hun verlichtingsboodschap willen beschermen en uitdragen. Net als Schmitt was Van Middelaar van mening dat de politiek, als de zaak erom spant, zijn tanden moest laten zien. Hij hoopt dat Bush ‘Afghanistan met bommen en overvloed de moderniteit zal binnenslepen’. Bart Jan Spruyt, een van de oprichters van de conservatieve Edmund Burke Stichting en korte tijd werkzaam als adviseur van Geert Wilders, duidde de moord op Theo van Gogh als Ernstfall in schmittiaanse zin (De toekomst van de stad, 2005). De Wilde gaat niet op dat soort discussies in. Verwantschap in extremen is het proefschrift van een afstandelijke academische beschouwer, die in de discussie over Schmitts actualiteit op de achtergrond blijft. De Wilde lijkt zich vooral te laten leiden door de wens de relatie tussen Schmitt en Benjamin te onttrekken aan de politieke strijd om hun nalatenschap. Die speelde bij auteurs als Adorno, Taubes en Agamben nog een doorslaggevende rol. Dit leidde tot een nogal gekleurde beeldvorming. De verwantschap werd bij Adorno ontkend, bij Taubes sterk aangezet en bij Agamben ahistorisch begrepen. Schmitt daagt ons democratische en liberale gedachtegoed uit: de liberaal-democratische overtuiging dat politieke conflicten per definitie door onderhandeling en compromis zijn op te lossen, is enigszins naïef; zelfs problematisch wanneer moralisme wordt gebruikt om tegenstellingen te negeren en de positie van de ander te delegitimeren. Daarbij hoef je niet zover als Schmitt te gaan. Ook als het compromis in uitzonderlijke situaties onhaalbaar blijkt, kan het wel degelijk uitgangspunt van de politiek blijven. Bij Schmitt dicteert de uitzondering echter de regel. De actuele discussie over Schmitts gedachtegoed mag dan een beetje tekort worden gedaan, De Wilde heeft een boeiende studie geschreven die een verrijking vormt voor de literatuur over Schmitt en Benjamin. Verwantschap in extremen toont bovendien aan dat de politieke scheidslijnen in de Republiek van Weimar diffuser en vloeiender waren dan wij tegenwoordig geneigd zijn te denken. De intellectuele elite – Brecht, Jünger, Schmitt, Benjamin – trof elkaar in dezelfde Berlijnse salons. De onderlinge gedachtewisseling was opener dan latere tegenstellingen suggereren. In die openheid was ook een omslag naar radicaliteit mogelijk, zoals Schmitts Werdegang bewijst. Een radicaliteit die een gewelddadige beslissing voorbij elke verantwoording accepteerde. Een radicaliteit die Schmitt even boeiend als omstreden maakt.


Print dit artikel
Button_em