Voorkant_regelmaat
Rss

RegelMaat

Meer op het gebied van Bestuursrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 4, 2015 Alle samenvattingen uitklappen
Redactioneel

Wetgevingsjurist en politiek

Auteurs Prof. mr. L.F.M. Verhey
Auteursinformatie

Prof. mr. L.F.M. Verhey
Prof. mr. L.F.M. Verhey is hoogleraar Kirchheiner leerstoel aan de Universiteit Leiden en Staatsraad bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Artikel

Wetgevingsjuristen ten prooi aan New Political Governance?

Een inventarisatie (2002-2015)

Trefwoorden politisering, gedelegeerde regelgeving, rechtsstatelijkheid
Auteurs Dr. C.F. van den Berg en Mr. dr. G.S.A. Dijkstra
SamenvattingAuteursinformatie

    De bijdrage richt zich op de vraag in hoeverre de rol en positie van de wetgevingsjuridische functie in het laatste decennium zijn veranderd, in het bijzonder of het werk van wetgevingsjuristen is gepolitiseerd. Politisering komt voor in drie vormen, namelijk in patronagebenoemingen, het versterken van de partijpolitieke grip op beleid en uitvoering en in New Political Governance. De auteurs concluderen voorlopig dat het werk van wetgevingsjuristen inderdaad is gepolitiseerd, waarbij een transitie heeft plaatsgevonden van de tweede vorm van politisering naar New Political Governance. Dit is met name zichtbaar doordat steeds meer gebruik wordt gemaakt van gedelegeerde wetgeving, waar wetgevingsjuristen van oudsher minder bemoeienis mee hebben. De politisering van hun werk leidt ertoe dat wetgevingsjuristen steeds minder in staat zijn om rechtsstatelijke waarden te waarborgen. De auteurs onderscheiden, in navolging van Van Lochem, vijf verschillende strategieën om hiermee om te gaan, maar er lijkt onder wetgevingsjuristen zelf geen consensus te zijn over wat nu de beste strategie is. De auteurs zijn van mening dat de democratische rechtsstaat moet worden versterkt om de toegenomen politieke spanning in het werk van wetgevingsjuristen te verlichten.


Dr. C.F. van den Berg
Dr. C.F. van den Berg is als universitair hoofddocent verbonden aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden.

Mr. dr. G.S.A. Dijkstra
Mr. dr. G.S.A. Dijkstra is als universitair docent verbonden aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden.
Artikel

De dagelijkse praktijk

Trefwoorden politiek-bestuurlijke context, rationaliteiten, competenties wetgevingsjurist
Auteurs Mr. M.L. Haimé
SamenvattingAuteursinformatie

    De auteur schetst wat tegenwoordig van de wetgevingsjurist wordt verwacht tegen de achtergrond van de huidige politiek-bestuurlijke context, het samenspel tussen beleid, wetgeving en uitvoering en de positionering van de juridische functie in de ambtelijke organisatie. Ten aanzien van de politiek-bestuurlijke context constateert zij dat er steeds meer sprake is van een ‘gulzig bestuur’: problemen moeten terstond en krachtig worden aangepast, zo nodig met wetgeving. De wetgevingsjurist krijgt ook steeds meer te maken met andere rationaliteiten, die wellicht botsen met zijn eigen, juridische, rationaliteit. Dit maakt het samenspel tussen beleid, wetgeving en uitvoering complex. De positionering van de wetgevende functie is in elke organisatie anders. De auteur ziet ook in de huidige tijd het signaleren van rechtsstatelijke risico’s, het bieden van tegenspraak door op die risico’s te wijzen of alternatieven aan te reiken als een belangrijke taak van de wetgevingsjurist. Dit vergt dat hij goed kan samenwerken en kan netwerken.


Mr. M.L. Haimé
Mr. M.L. Haimé is directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel

Klokkenluiden en het belang van een open organisatiecultuur

Trefwoorden klokkenluiden, ambtelijke professionaliteit
Auteurs Prof. mr. L.F.M. Verhey
SamenvattingAuteursinformatie

    In deze bijdrage wordt de problematiek van klokkenluiden in publieke organisaties besproken geplaatst tegen het bredere perspectief van politiek-ambtelijke verhoudingen. Het verschijnsel hangt nauw samen met enerzijds de politieke loyaliteit en anderzijds de professionaliteit van de ambtenaar. Klokkenluiden krijgt steeds meer een positief onthaal door de toegenomen betekenis van de vrijheid van meningsuiting, de toenemende wens tot openbaarheid, veranderde opvattingen over politiek en ministeriële verantwoordelijkheid en een toenemend wantrouwen in de overheid en instituties. Tegelijkertijd signaleert de auteur ook enkele risico’s aan klokkenluiden, zoals de schade voor de betreffende organisatie bij onzorgvuldig gebruik, de onmogelijkheid om het begrip ‘misstand’ helder te definiëren en, in relatie daarmee, het risico op onzuivere motieven bij klokkenluiden. Verder zijn er de gevolgen voor de verhoudingen binnen de organisatie en het miskennen van het gevaar van het naar buiten brengen van schadelijke informatie, voor het openbaar belang, maar ook voor de privacy van burgers. Deze risico’s moeten terdege onder ogen worden gezien. De auteur ziet wetgeving niet als belangrijkste antwoord op dit vraagstuk, maar ziet de oplossing veelal in aanhoudende aandacht voor de cultuur en omgangsvormen binnen een ambtelijke organisatie. Een open organisatiecultuur is de beste garantie dat klokkenluiden een incidenteel verschijnsel blijft.


Prof. mr. L.F.M. Verhey
Prof. mr. L.F.M. Verhey is hoogleraar Kirchheiner leerstoel aan de Universiteit Leiden en Staatsraad bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Casus

De inclusieve wetgever als groeiend ideaal

Trefwoorden inclusieve wetgeving, inclusiviteit, modificatie, codificatie, instrumentele wetgeving, wetgevingsbeleid
Auteurs Mr. dr. P.J.P.M. van Lochem
SamenvattingAuteursinformatie

    De ontwikkeling van ons wetgevingsbeleid, in het bijzonder het Integrale afwegingskader en de internetconsultatie, bevordert in toenemende mate het ideaal van de inclusieve wetgever. Dit ideaal is leidend in de fase van de ambtelijke voorbereiding, niet in de politieke fase van wetgeving. De Kamer sluit wel aan bij de resultaten van de inclusieve voorbereiding, is soms zelfs bereid daarvoor plaats te maken. Dat is in strijd met het (formele) systeem van onze democratie, maar juist door de inclusieve benadering in de ambtelijke voorbereiding lijken we ons geen grote democratische zorgen te hoeven maken. Toenemende inclusiviteit van wetgeving, waarbij de normadressaten (onder ambtelijke regie) soms grote invloed op de uiteindelijke normering wordt gelaten, roept wel de vraag op of de begrippen modificatie en instrumentele wetgeving nog wel van toepassing zijn op de huidige wetgeving.


Mr. dr. P.J.P.M. van Lochem
Mr. dr. P.J.P.M. van Lochem is werkzaam bij het Fellow Meijers Instituut (Universiteit Leiden) en is voormalig rector van de Academie voor Wetgeving en de Academie voor Overheidsjuristen.
Column

Obamacare na Obama, deel II: King v. Burwell

Trefwoorden Obamacare, King v. Burwell, Medicare
Auteurs Dr. S.H. Ranchordás
SamenvattingAuteursinformatie

    De bijdrage is het vervolg op de rubriek in RegelMaat 2015, afl. 3. Sindsdien heeft het Amerikaanse Hooggerechtshof een belangrijk arrest gewezen, waardoor volgens de auteur de kans dat Obamacare in de Amerikaanse rechtsorde wordt verankerd groter is geworden. Het Hof oordeelde dat mensen, ongeacht in welke staat ze wonen, recht hebben op een bijdrage van de federale overheid om hun ziektekostenverzekering te kunnen betalen. Of de markt van zorgverzekeringen in een bepaalde staat wordt beheerd door die staat zelf, of door de federale overheid, heeft daarvoor geen gevolg. De auteur wijst erop dat deze uitspraak van groot belang is en ook aandacht kreeg in Nederland, maar achterbleef bij de uitspraak over het homohuwelijk.


Dr. S.H. Ranchordás
Dr. S.H. Ranchordás is universitair docent aan de Tilburg Law School van Tilburg University, Resident Fellow bij het Information Society Project van de Yale Law School en Niels Stensen Fellow.
Artikel

Digitale identificatie

Reactie op ‘De overheid als verschaffer en beschermer van digitale identiteiten’

Trefwoorden DigiD, authenticiteit, elektronische identiteitskaart
Auteurs Mr. G.G. Zwanikken
SamenvattingAuteursinformatie

    Het toerekenen van rechtshandelingen blijkt uit de ondertekening. Voor de opkomst van de digitale werkelijkheid was een handtekening ‘de ouderwetse krabbel op een stuk papier’. Digitaal is die natte handtekening niet mogelijk; een scan, kopie of faxafdruk van een natte handtekening is geen echte handtekening en fraudegevoelig. Richting overheid wordt de digitale authenticiteit thans gewaarborgd door DigiD. DigiD is helaas zo lek als een mandje. De overheid werkt zelf de identiteitsfraude in de hand. Nederland loopt achter in het verschaffen van een digitale identiteit aan zijn burgers. De oplossing is de elektronische identiteitskaart in te voeren. Met een blik naar de Belgische regelgeving lijkt het een klusje van niks. De Belgische wetgeving is luid en duidelijk, is opgesteld in de Nederlandse taal en is mede gebaseerd op meer dan tien jaar ervaring met die elektronische identiteitskaart. Onder de noemer ‘beter goed gejat dan slecht verzonnen’ behoeft slechts artikel 3 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 te worden aangevuld met de bepalingen zoals geregeld in België. Het kabinet dient de elektronische identiteitskaart in te voeren.


Mr. G.G. Zwanikken
Mr. G.G. Zwanikken is notaris te Velp.