DOI: 10.5553/RM/0920055X2021037004006

RegelMaatAccess_open

Objets trouvés

Wettelijke bescherming van de academische vrijheid?

Trefwoorden wetenschappelijke integriteit, draaideurcontracten, onafhankelijkheid, gedragscodes
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
R.A.J. van Gestel, 'Wettelijke bescherming van de academische vrijheid?', RegelMaat 2021-4, p. 330-344

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1. Inleiding

      Rond de start van het academiejaar 2021-2022, dat volgde op een hectisch jaar waarin de COVID-19-pandemie het werkklimaat voor universiteiten op zijn kop zette, verscheen het rapport Goede wetenschap. Een visie van binnenuit.1x S. Jerak-Zuiderent, J.M. Brenninkmeijer, A. M’charek & J. Pols, Goede wetenschap. Een visie van binnenuit, Amsterdam 2021. Zie https://pure.amc.nl/ws/files/19483919/2021_sept_Goede_wetenschap _visie_van_binnenuit_ ZonMw_project.pdf. Dit project maakt deel uit van het door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) geïnitieerde en bij ZonMw ondergebrachte programma ‘Bevorderen van verantwoorde onderzoekspraktijken’. In deze studie is onderzocht hoe wetenschappers in vijf verschillende disciplines – wiskunde, scheikunde, filosofie, antropologie en medicijnen – wetenschap vorm geven, tegen welke problemen ze daarbij aanlopen en wat zij zelf als goede wetenschap zien. De onderzoekers beschrijven dat er sinds de jaren tachtig twee dominante invloeden in het Nederlandse wetenschapsbeleid en de wetenschapspraktijk zichtbaar zijn, te weten:

      1. Wetenschappelijk inhoudelijke doelen worden steeds meer bepaald door overheden en externe financiers.

      2. Er is een verschuiving van stabiele eerstegeldstroomfinanciering naar projectfinanciering op basis van competitie en privatisering.

      Uit gesprekken en observaties door de onderzoekers komen drie hoofdproblemen naar voren die een bedreiging vormen voor goede wetenschap:

      ‘1. De druk op het produceren van extern gedefinieerde relevantie in korte projecten; 2. De bedreigde plek van explorerend en vernieuwend “nog niet-weten”; 3. Slechte arbeidsomstandigheden aan de universiteiten, en een gebrek aan diversiteit aan stemmen, samenhangend met een geringe diversiteit aan onderwerpen, methode en theorie.’

      Het rapport constateert dat commissies van wetenschappers elkaar steeds vaker beoordelen op niet-vakspecifieke eigenschappen (is het onderzoek ‘sexy’?), terwijl ook bedrijven middels financiering een steeds grotere stem krijgen in het bepalen van de koers van de wetenschap. ‘Hypegevoeligheid’ dreigt soms ten koste te gaan van langetermijndoelen. Voortdurende competitie om middelen zou niet enkel zorgen voor discontinuïteit, maar ook voor verspilling van tijd en middelen door de energie die moet worden gestoken in onderzoeksaanvragen. Voor exploratief onderzoek dat is gericht op nieuwe vragen en onderzoeksrichtingen zou steeds minder ruimte zijn. Daarbij vormen baanonzekerheid en hoge werkdruk, in combinatie met voortdurende competitie om schaarse middelen, steeds vaker een bedreiging voor de wetenschappelijke diversiteit van stemmen en ethiek op de werkvloer.

      Dit onderzoek valt in de tijd samen met een grote landelijke enquête naar integriteit binnen de wetenschap, waaruit naar voren komt dat ruim de helft van de Nederlandse wetenschappers regelmatig zou zondigen tegen regels voor behoorlijk onderzoek door onwelgevallige onderzoeksresultaten weg te laten, problemen met de methodiek van een studie te verzwijgen en/of selectief te citeren uit beschikbare literatuur. Zo’n 8% van de ondervraagden erkent zelfs de afgelopen drie jaar onderzoeksresultaten te hebben vervalst of verzonnen.2x Zie voor alle resultaten uit de enquête: www.nsri2020.nl/. Zie voor twee artikelen over deze enquête: G. Gopalakrishna, G. ter Riet, G. Vink, I. Stoop, J. Wicherts & L. Bouter, Prevalence of Questionable Research Practices, Research Misconduct and Their Potential Explanatory Factors: A Survey among Academic Researchers in the Netherlands, 6 juli 2021, https://doi.org/10.31222/osf.io/vk9yt, en G. Gopalakrishna, J. Wicherts, G. Vink, I. Stoop, O. van den Akker, G. ter Riet & L. Bouter, Prevalence of Responsible Research Practices and Their Potential Explanatory Factors: A Survey among Academic Researchers in the Netherlands, 6 juli 2021, https://doi.org/10.31222/osf.io/xsn94. Interessant is voorts dat respondenten aangaven dat wanneer hun een strenge peerreview te wachten stond, zij minder snel geneigd zijn te frauderen. Wetenschappers die bovendien een grote publicatiedruk of noodzaak om onderzoeksfinanciering te genereren ervaren, erkennen zich eerder schuldig te maken aan bedenkelijke onderzoekspraktijken dan wetenschappers voor wie dat niet geldt.3x Deze relatie werd opvallend genoeg eerder nog ontkend door o.a. K. Schuyt, Tussen fout en fraude. Integriteit en oneerlijk gedrag in wetenschappelijk onderzoek, Leiden: Leiden University Press 2014, p. 55-56. Opvallend, omdat Schuyt zich niet baseert op empirisch onderzoek, maar op een anekdotische vergelijking met financiële fraude, die tamelijk uit de lucht gegrepen lijkt. Zowel mannen als vrouwen die aan het begin van hun wetenschappelijke loopbaan staan, bekenden relatief vaker in de fout te gaan.4x Zie ook B. Funnekotter, ‘Sjoemelen met wetenschap komt vaak voor in Nederland, blijkt uit integriteitsenquête’, NRC 8 juli 2021. De vraag is intussen in hoeverre jonge wetenschappers daadwerkelijk vaker in de fout gaan of louter het gevoel hebben dat wat ze doen misschien niet correct is, bijv. omdat er onvoldoende begeleiding is en onzekerheid een rol speelt. Denkbaar is ook dat bij jonge wetenschappers het ethisch besef en de bereidheid tot twijfel daarover juist groter zijn dan bij gevestigde namen. Dit duidt erop dat er een relatie is tussen academische vrijheid en integriteit.

    • 2. Vraagstelling

      De kritische lezer van dit tijdschrift zal zich afvragen: Wat heeft dit met juristen en met wetgevingsvraagstukken van doen? Gelden bovenstaande problemen eigenlijk ook voor rechtswetenschappers en, zo ja, vallen dit soort problemen überhaupt wettelijk te regelen, of is dit veeleer een zaak die aan het zelfregulerend vermogen van wetenschappelijke instituties moet worden overgelaten?

      Hierna zal ik om te beginnen kort aangeven wat het beginsel van de academische vrijheid inhoudt en dat vrijheid van wetenschap ook gekoppeld is aan een bepaalde professionele verantwoordelijkheid (par. 3). Vervolgens zal ik betogen dat ook rechtswetenschappers te maken hebben met problemen rond academische vrijheid, waarbij ik met name inga op de nauw daarmee samenhangende problematiek van tekortschietende wetenschappelijke onafhankelijkheid (par. 4). Daarna bestudeer ik op welke wijze die academische vrijheid geborgd is in wetgeving (par. 5). Mijn hypothese is dat die bescherming ontoereikend is en daarmee tevens een bedreiging vormt voor de wetenschappelijke integriteit. De vraag is of dit laatste gecompenseerd wordt door de bescherming die wetenschappelijke gedragscodes bieden in combinatie met bestaande zelfreguleringsmechanismen die de onaf­hankelijkheid van rechtswetenschappelijk onderzoek zouden moeten borgen, of dat er misschien toch aanvullende wetgeving vereist is. Ik vermoed dat dit laatste het geval is en belicht enkele mogelijkheden waaraan in dat kader gedacht zou kunnen worden (par. 6). Ik rond af met een conclusie (par. 7).

    • 3. Academische vrijheid

      De gezaghebbende UNESCO-definitie van academische vrijheid laat zien dat deze vrijheid meer omvat dan het ontbreken van externe beïnvloeding van onderwijs en onderzoek, waaronder bijvoorbeeld de toegang tot medezeggenschapsorganen en de vrijheid om kritiek uit te oefenen op de eigen instelling:

      ‘Academische vrijheid is het recht van docenten in het hoger onderwijs om zonder inperking door een voorgeschreven doctrine te genieten van de vrijheid om te onderwijzen, te discussiëren, onderzoek te verrichten, de resultaten daarvan te verspreiden en te publiceren, hun mening over de instelling of het systeem waarbinnen zij werken kenbaar te maken, van institutionele censuur gevrijwaard te blijven, en aan professionele en representatieve academische organen deel te nemen.’5x UNESCO, Recommendation Concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, Parijs 1997, par. 27, zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13144&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html.

      Hiermee hangt, volgens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), onlosmakelijk samen dat wetenschappers in onafhankelijkheid hun onderwijs en onderzoek moeten kunnen vormgeven en delen, los van druk van politiek, bedrijven, maatschappelijk middenveld of publieke opinie.6x KNAW, Academische vrijheid in Nederland. Een begripsanalyse en richtsnoer, Amsterdam 2021, p. 22. Daar staat tegenover dat deze vrijheid ook is gekoppeld aan een verantwoordelijkheid om professionele normen en waarden die zijn verbonden aan de wetenschap, zoals die bijvoorbeeld zijn neergelegd in algemene gedragscodes voor wetenschappelijke integriteit, te eerbiedigen.7x KNAW 2021, p. 23. Hierbij doen zich evenwel minimaal twee problemen voor. Ten eerste kunnen die vrijheden en verantwoordelijkheden met elkaar op gespannen voet komen te staan. Ten tweede bieden de bestaande gedragscodes, bijvoorbeeld op het punt van de onafhankelijkheid, vaak weinig houvast met betrekking tot de vraag wat er precies van wetenschappers verlangd wordt en lijkt van actieve handhaving niet of nauwelijks sprake.

    • 4. Bedreiging van de academische vrijheid

      Groen heeft eerder gewezen op het gevaar dat geldverstrekkers via voorwaardelijke financiering steeds meer de inhoud van het universitaire onderwijs en onderzoek meebepalen.8x Zie www.advalvas.vu.nl/nieuws/academische-vrijheid-groot-maar-er-zijn-spanningen. Waar het gaat om onderzoek zien we dat projectfinanciering via de tweede en vooral derde geldstroom een enorme vlucht heeft genomen. Zo beschrijft Van Lunteren dat in de periode 2003-2012 de hoeveelheid projectfinanciering ten opzichte van onderzoeksfinanciering uit de eerste geldstroom bijna is verdubbeld. Een groot deel daarvan is geld afkomstig uit de EU-kaderprogramma’s, waarbij universiteiten meer dan de helft van de financiering zelf moeten bijpassen (‘matched funding’).9x F. van Lunteren, ‘Academische vrijheid en het universitair grootbedrijf’, in: K. van Berkel & C. van Bruggen (red.), Academische vrijheid, Amsterdam: Boom 2020, p. 110. Het gevolg daarvan is niet enkel geweest dat de ruimte voor ongebonden onderzoek dat puur wordt gedreven door nieuwsgierigheid van wetenschappers enorm is geslonken, maar ook dat wetenschappers veel meer tijd kwijt zijn geraakt aan het schrijven van onderzoeksvoorstellen met een afnemende slagingskans, terwijl met name bij derdegeldstroomonderzoek het risico is toegenomen dat niet alleen wordt geconcurreerd op de kwaliteit, maar ook op de plooibaarheid van de vraagstelling, methode en verslaglegging.10x A. Brenninkmeijer, ‘Wie betaalt, bepaalt!’, NJB 2008/1854, p. 2355.
      Dat dit gevaar zich bij juridisch onderzoek soms daadwerkelijk verwezenlijkt,11x KNAW-werkgroep opdrachtonderzoek, Wetenschap op bestelling. Over de omgang tussen wetenschappelijk onderzoekers en hun opdrachtgevers, Amsterdam: KNAW 2005. hebben we niet lang geleden nog gezien bij het onderzoek dat werd gefinancierd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (WODC), waar bij herhaling sprake was van beïnvloeding van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek in een politiek gewenste richting.12x Daarover o.a. Onderzoekscommissie WODC II, Ongemakkelijk onderzoek. Naar een betere balans in de relatie tussen WODC en beleid, Den Haag 15 januari 2019. Ruim een kwart van de door de commissie-Hertogh ondervraagde WODC-onderzoekers en leden van begeleidingscommissies zegt ongewenste invloed van medewerkers van het ministerie te hebben ervaren.13x Onderzoekscommissie WODC II 2019, p. 10. Meestal werd daar weerstand tegen geboden, maar dat lukte niet altijd. De vraag die helaas goeddeels onbeantwoord is gebleven luidt: waarom lukte dat niet altijd?14x Zeer kritisch over het rapport van de commissie-Hertogh op dit punt is: L. de Ruig, ‘De WODC-affaire: een kritische blik op het werk van de onderzoekscommissie-Hertogh’, Beleidsonderzoek On­line juni 2019. Konden wetenschappers niet op tegen de druk van de opdrachtgever – al dan niet uitgeoefend via begeleidingscommissies –, of was het een kwestie van zelfcensuur: het weglaten of afzwakken van onwelgevallige onderzoeksresultaten omdat ze de kans verkleinden op vervolgopdrachten?

      De academische vrijheid wordt echter nog op tal van andere manieren bedreigd. In de Verenigde Staten is het systeem van ‘tenure’ – een vaste aanstelling, die nauwelijks nog ongedaan kan worden gemaakt, na voltooiing van een proefperiode – juist ontwikkeld om wetenschappers te beschermen tegen ongeoorloofde druk.15x Zie www.aaup.org/report/1940-statement-principles-academic-freedom-and-tenure. In ons land vormen tijdelijke aanstellingen voor jonge wetenschappers juist een bedreiging voor de academische vrijheid. Zogeheten ‘draaideurconstructies’ met medewerkers waarbij tijdelijke contracten aaneengeregen worden om jonge wetenschappers geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te hoeven geven, lijken aan de orde van de dag. De rechtbank Den Haag bepaalde onlangs nog in een zaak aangespannen door een docent bij de Faculteit der Geesteswetenschappen tegen de Universiteit van Leiden (UL):

      ‘Dat in de eigen beleidsstukken van de UL staat dat onderwijspersoneel dat niet gepromoveerd is geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd krijgt, is een enkele vaststelling van beleid en bevat dan ook geen objectieve en transparante grond. Het lijkt er veeleer op dat de UL (en vele werkgevers) huiverig zijn om werknemers voor onbepaalde tijd in dienst te nemen omdat zij (ten onrechte) bang zijn er niet meer vanaf te kunnen als dat nodig is. Onder het mom van een “flexibele schil” wordt zo een groot deel van de werknemers een onzekere toekomst voorgeschoteld en een tweedeling in de samenleving gecreëerd. Veel van dit “flexibele personeel” wordt immers kort voor het bereiken van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd de wacht aangezegd waarna voor hen meestal weer een keten van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd bij een andere werkgever volgt. Deze werknemers verblijven op deze wijze jarenlang in onzekerheid en kunnen bijvoorbeeld geen huis kopen. Deze in Nederland wijdverbreide, en zelfs binnen de overheid en de Rechtspraak gehanteerde, praktijk is, zoals hiervoor al overwogen, niet in overeenstemming met de uitgangspunten van Richtlijn.’16x Rb. Den Haag 30 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7032, r.o. 5.5.

      Dit draaideurbeleid zorgt niet alleen voor rechtsonzekerheid, maar draagt er ook toe bij dat er steeds minder ruimte is voor kritiek binnen de (rechts)wetenschap ten opzichte van facultaire en universitaire besturen, terwijl die kritiek broodnodig lijkt. Zo zien we dat deze besturen de laatste jaren steeds vaker op zoek gaan naar sponsoring van leerstoelen, waardoor de onafhankelijkheid van wetenschappers in bepaalde rechtsgebieden in het gedrang kan komen. Vleggeert merkte in zijn oratie bijvoorbeeld op dat er binnen het fiscale recht nauwelijks nog hoogleraren zijn die niet tevens verbonden zijn aan een van de grote belastingadvieskantoren.17x J. Vleggeert, Hoe onafhankelijk is de fiscale wetenschapper? (oratie Leiden), 2020, www.universiteitleiden.nl/nieuws/2020/11/terugkijken-oratie-jan-vleggeert---hoe-onafhankelijk-is-de-fiscale-wetenschapper. Deze kritiek is bovendien niet nieuw. Zie eerder al ‘Belastingprofessoren zelden volledig onafhankelijk’, de Volkskant 21 mei 2016. Dit zou ervoor zorgen dat bepaalde onderwerpen die niet in het belang zijn van de clientèle of de commerciële werkgever van hoogleraren fiscaal recht – denk aan de problemen met toeslagen voor gewone burgers – nauwelijks besproken worden in de literatuur.18x D. Notenboom & W.R. Kooiman, ‘Hoogleraren met een dubbele pet onafhankelijk?’, NLF-W 2021/30, p. 1-15 (www.nlfiscaal.nl/nlfw2021/0030) komen op grond van empirisch onderzoek, anders dan Vleggeert, tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat hoogleraren met een dubbele pet vooral in het belang van hun clientèle schrijven. Wel constateren zij echter dat het opvallend is ‘waarover niet wordt geschreven. Als het geldende recht positief uitpakt voor de belastingplichtige maar deze uitkomst niet gewenst is, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een heffingslek, klimmen hoogleraren met dubbele pet opvallend weinig in de pen.’ Daarnaast zien zij eenzijdigheid in de onderwerpen waarover wordt gepubliceerd. De nadruk ligt op de belastingheffing van bedrijven.

      De slinkende ruimte voor kritiek en debat zien we ook op andere terreinen. Zo leidde kritiek vanuit ideologisch rechtse hoek in 2018 tot de motie-Duisenberg, waarvan de teneur was – het staat er niet letterlijk – dat zou moeten worden nagegaan of het wetenschappelijke klimaat in Nederland wel voldoende divers – lees: niet te links – zou zijn. Vervolgens bracht de KNAW een briefadvies uit over vrije wetenschapsbeoefening waarin zonder nadere (empirische) onderbouwing werd gesuggereerd dat het allemaal wel mee zou vallen.19x KNAW, Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland, Amsterdam, maart 2018. De voorzitter van de commissie merkte in NRC op dat politicologie veel linkse wetenschappers zou hebben, terwijl het bij bedrijfseconomie eerder andersom zou zijn.20x Interview, in: NRC 12 maart 2018. Stolker verdedigde niettemin dat dit te gemakkelijk is en dat disciplines, zoals de rechtswetenschap, veel normatiever zijn dan vaak wordt gedacht, waardoor een debat over bijvoorbeeld ideologische vooringenomenheid, dat door de KNAW onder de mat wordt geveegd, alleszins legitiem is.21x C. Stolker, ‘Vrijheid van wetenschap – drie steentjes in een rustige KNAW-vijver’, Science Guide 23 mei 2018.
      Zo laten Amerikaanse studies op het gebied van het politieke staatsrecht zien dat ideologische vooringenomenheden op dat gebied wel degelijk voorkomen.22x A. Chilton & E. Posner, ‘An Empirical Study of Political Bias in Legal Scholarship’, Journal of Legal Studies (44) 2015, p. 277-314. Zie eerder ook al R. Spitzer, Saving the Constitution from Lawyers, Cambridge: Cambridge University Press 2008. De vraag is of dat in Nederland zoveel anders is. Wie bijvoorbeeld de commentaren van Cliteur leest op de staatscommissie parlementair stelsel waar het gaat om zaken als directe democratie, soevereiniteitsoverdracht en rechterlijke rechtsvorming, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat de standpunten van de politicus en de wetenschapper nogal door elkaar lopen.23x Vgl. bijv. P. Cliteur, ‘Wat wil de regering veranderen op staatsrechtelijk terrein? Liefst zo min mogelijk’, De Dagelijkse Standaard 9 oktober 2020, het standpunt van Cliteur namens FVD in de Eerste Kamer: Handelingen I 2019/20, nr. 10, item 6, p. 1-7 en T. Baudet & P. Cliteur, Echte democratie. Het probleem van de representatieve democratie (onderzoeksrapport Forum voor Democratie), september 2016. Daar waar Cliteur zich bovendien op de academische vrijheid beroept wanneer vermeendelijk links georiënteerde wetenschappers hem proberen te weren van een bijdrage aan de Groningse ‘Nacht van de filosofie’,24x De partij van Baudet en Cliteur had eerder een meldpunt voor linkse indoctrinatie in het onderwijs aangekondigd. Zie daarover o.a. https://nos.nl/artikel/2277889-onderwijs-en-politiek-vallen-hard-over-meldpunt-indoctrinatie. Zie verder de brief van Cliteur over de bezwaren tegen zijn komst: https://tpo.nl/2019/03/27/paul-cliteur-open-brief-aan-de-rector-van-de-universiteit-groningen/. is het evengoed de vraag of studenten die onderwijs van hem krijgen met een beroep op dezelfde vrijheid niet zouden mogen verlangen om verstoken te blijven van rechtse vooringenomenheid bij het verkondigen van juridische standpunten in het onderwijs.25x M. de Quay, ‘Vaarwel Rechtsgeleerdheid, hallo Cliteur-kunde: waarom mijn prof niet zo moet zeuren’, Mare 10 december 2020. Is partijdigheid met andere woorden wetenschappelijk gezien niet überhaupt problematisch, ongeacht van welke kant deze komt? Zo ja, welke regels hebben daarbij te gelden?

    • 5. Wettelijke bescherming academische vrijheid?

      De zo-even genoemde voorbeelden roepen de vraag op hoe effectief de bescherming van de academische vrijheid in Nederland eigenlijk is. Groen merkt in zijn dissertatie op dat de harde kern van de academische vrijheid wordt beschermd door: de grondwettelijke vrijheid van menings­uiting, neergelegd in artikel 7 van de Grondwet (Gw), artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 13 van het EU-Handvest voor de grondrechten, en de auteursrechtelijke bescherming op grond van de Auteurswet. Daarnaast is de academische vrijheid erkend als een sociaal grondrecht in artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en bepaalt artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) als opdracht aan universiteiten dat zij de academische vrijheid in acht moeten nemen. Daarnaast zijn er auteursrechtelijke bepalingen die academisch werk beschermen en zijn er tal van soft law-verklaringen, waarin aspecten van de academische vrijheid voorkomen, maar waaraan geen rechten ontleend kunnen worden.26x Zie voor een beknopt overzicht ook A. De Baets, ‘Academische vrijheid tussen geschiedenis en mensenrechten’, in: K. van Berkel & C. van Bruggen (red.), Academische vrijheid, Amsterdam: Boom 2020, p. 15-32. Ik beperk me hierna tot de vrijheid van meningsuiting, het EU-Handvest en de WHW, aangezien deze de kern vormen van de juridisch bindende regels.

      5.1 Bescherming via de vrijheid van meningsuiting

      De voorbeelden in paragraaf 4 laten zien hoe belangrijk de vrijheid van meningsuiting van wetenschappers is, waaronder het ontvangen en verstrekken van informatie valt.27x Groen 2017, p. 245. Illustratief voor de rechtswetenschap is de zaak Mustafa Erdoğan/Turkije.28x Groen 2017, p. 69.
      Deze zaak handelt over een hoogleraar constitutioneel recht, die zich in een publicatie in een juridisch tijdschrift negatief uitlaat over een uitspraak van het Turkse Constitutionele Hof, waarin het de islamitische partij Fazilet verbiedt. In de publicatie wordt gesuggereerd dat de uitspraak zou zijn gedaan onder druk van het leger, waarbij en passant enkele rechters als onbekwaam worden weggezet. De rechters van het Constitutionele Hof stappen daarop naar de rechter om schadevergoeding te vorderen voor de aantasting van hun reputatie. De rechtbank honoreert hun eis en het Turkse Hof van Cassatie laat dit oordeel in stand.
      Als de zaak in Straatsburg belandt, toetst het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) of er sprake is van een beperking die voorzienbaar is bij wet, noodzakelijk is in een democratische samenleving en bovendien proportioneel is, en concludeert uiteindelijk dat dit niet het geval is, waarbij wordt opgemerkt dat de academische vrijheid:

      ‘extends to the academics’ freedom to express freely their views and opinions, even if controversial or unpopular, in the areas of their research, professional expertise and competence. This may include an examination of the functioning of public institutions in a given political system, and a criticism thereof.’29x EHRM 27 mei 2014, 346/04 en 39779/04 (Mustafa Erdoğan e.a./Turkije), r.o. 41.

      Het Hof stelt dat het noodzakelijk is om de rechterlijke macht, die publiek vertrouwen moet genieten als ‘guarantor of justice’, te beschermen tegen aanstootgevende en beledigende aanvallen, maar dat in dit geval de belangenafweging ten gunste van de expressievrijheid van de wetenschapper moet uitvallen, aangezien de nationale rechtbanken onvoldoende rekening zouden hebben gehouden met de context waarin het artikel geschreven werd, namelijk dat sprake is van een verhit publiek debat over uitspraken van het Grondwettelijk Hof, terwijl het medium waarin de kritiek verschenen is, geldt als dat van een ‘quasiwetenschappelijk’ juridisch tijdschrift.30x Jammer dat het EHRM niet toelicht waarom de kwalificatie ‘quasiwetenschappelijk’ wordt verbonden aan het juridische tijdschrift. Is dat omdat het Hof juridische tijdschriften in het algemeen niet (erg) wetenschappelijk acht, of omdat dit specifieke tijdschrift bijv. een mix van vakpublicaties en wetenschappelijke publicaties publiceert? Vanwege het belang van het open academisch debat voor een democratische samenleving zou een beperking van de vrijheid van meningsuiting in zo’n geval beter moeten worden gemotiveerd.
      In de praktijk is het lastig de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting van wetenschappers als gewone burgers uit elkaar te houden. Kern van de zaak is dat wanneer wetenschappers hun oordeel geven over zaken die buiten hun vakgebied liggen, zij beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting zoals die voor iedereen geldt. Zolang hun oordelen daarbinnen blijven, geldt doorgaans dat het belang van de academische vrijheid als drempelverhogende factor geldt, die zorgt dat inbreuken op die vrijheid minder snel noodzakelijk of proportioneel worden geacht. Veel jurisprudentie op dit punt is er evenwel niet. Dit kan enerzijds wijzen op het feit dat de problemen klein zijn, maar anderzijds evengoed op het feit dat wetenschappers niet snel naar de rechter stappen om zich te beroepen op hun academische vrijheid vanwege afhankelijkheidsrelaties, sociale druk of angst voor repercussies.

      5.2 Academische vrijheid in artikel 13 EU-Handvest voor de grondrechten31x Art. 13 luidt: ‘De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.’

      Op 6 oktober 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) uitspraak gewezen in een zaak aangespannen door de Commissie tegen Hongarije over een wet voor buitenlandse instellingen die hoger onderwijs aanbieden.32x HvJ EU 6 oktober 2020, ECLI:EU:C:2020:792 (Commissie/Hongarije). Hoewel de regering via de invoering van een accreditatiestelsel claimt de kwaliteit van het onderwijs aan universiteiten te willen waarborgen, wordt de regeling door velen gezien als een gelegenheidswet die eerst en vooral bedoeld is om de Central European University (CEU) van miljardair George Soros – criticaster van premier Orbán – dwars te zitten.33x Zie voor een bespreking van deze wet ook P. Bard, ‘The Rule of Law and Academic Freedom or the Lack of It in Hungary’, European Political Science 2020, afl. 19, p. 87-96. Voor zover hier relevant bepaalt die wet dat (gedeeltelijk) buitenlandse hogeronderwijsinstellingen voortaan ook onderwijs in het land van oorsprong moeten aanbieden, hetgeen voor de CEU, die geregistreerd stond in de Verenigde Staten, grote (financiële) moeilijkheden zou opleveren. Het EHRM bepaalt uiteindelijk dat de ‘Lex CEU’ in strijd is met GATS-regels en Europese regels inzake vrij verkeer van diensten en vestiging,34x Het General Agreement on Trade in Services (GATS) van de Wereldhandelsorganisatie bevat o.a. bepalingen over transnationale liberalisering en markttoegang van onderwijsinstellingen. maar ook met artikel 13 EU-Handvest.
      In het arrest zoekt het HvJ EU aansluiting bij de jurisprudentie van het EHRM. Daaruit vloeit voort dat academische vrijheid, zowel in het onderzoek als in het onderwijs, de vrijheid van meningsuiting en actie, de vrijheid om informatie te verstrekken en de vrijheid om kennis en waarheid te zoeken en zonder beperking te verspreiden waarborgt, waarbij die vrijheid zich tevens uitstrekt tot de vrijheid van universiteiten om vrijelijk hun standpunten kenbaar te maken.35x R.o. 225. Interessanter is dat het Hof in navolging van de Advocaat-Generaal en onder verwijzing naar aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa36x Aanbeveling 1762 (2006) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 30 juni 2006 betreffende academische vrijheid en universitaire autonomie; zie https://assembly.coe.int/nw/xml/XRef/Xref-XML2HTML-EN.asp?fileid=17469&lang=en. en van UNESCO37x United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, Recommendation 41 concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, 11 november 1997; zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13144&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html. verdedigt dat de academische vrijheid ruim moet worden opgevat. Uit beide aanbevelingen zou voortvloeien dat de academische vrijheid ook een ‘institutionele en organisatorische dimensie’ heeft, omdat deze een noodzakelijke voorwaarde is om wetenschappers hun taken in vrijheid te laten vervullen. Het is de plicht van lidstaten om de autonomie van hogeronderwijsinstellingen te beschermen tegen bedreiging door wie dan ook.38x R.o. 227.
      De Hongaarse ‘Lex CEU’ zou deze autonome infrastructuur kunnen ontnemen die nodig is voor de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek en de pedagogische activiteiten van wetenschappers. Het Hof oordeelt ten slotte dat de litigieuze maatregelen niet worden gerechtvaardigd door een van de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang die door Hongarije zijn aangevoerd.39x R.o. 240-242. De Cock en Timbermont wijzen erop dat met name het Europees Parlement de laatste jaren aandacht heeft gevraagd voor toenemende bedreigingen van de academische vrijheid als gevolg van het ontbreken van een stabiele overheidsfinanciering.40x W. De Cock & E. Timbermont, ‘Hof van Justitie kiest voor brede benadering van het concept “academische vrijheid”’, SEW 2021, afl. 7-8, p. 359-364. Hierdoor moeten universiteiten op zoek naar andere financiële middelen die juist een risico vormen.41x Aanbeveling van het Europees Parlement van 29 november 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU (PbEU 2020, C 363/173). Zie ook de Bonn Declaration on freedom of scientific research, 20 oktober 2020, www.eu2020.de/eu2020-en/news/pressemitteilungen/european-research-area-bonn-declaration-karliczek/2408464.
      Minstens zo belangrijk is dat de individuele academische vrijheid gemakkelijk kan botsen met de collectieve academische vrijheid van universiteiten, bijvoorbeeld waar instellingen bepaalde onderzoekstechnieken in de ban willen doen,42x De Cock & Timbermont 2021, p. 362. zoals dierproeven, of bepaalde studierichtingen willen opheffen. Wat dit laatste betreft kan ook worden gedacht aan het opheffen van leerstoelen, zoals recentelijk aan de rechtenfaculteit in Rotterdam is gebeurd met de leerstoelen staats- en bestuursrecht.43x Daarover o.a. www.uva.nl/binaries/content/documents/personalpages/o/r/r.ortlep/nl/downloads/downloads/assets/asset. Het is met andere woorden goed ons te realiseren dat bedreigingen van de academische vrijheid ook van binnen de eigen instelling kunnen komen. Onzeker is vooralsnog in hoeverre artikel 13 EU-Handvest daartegen effectieve bescherming biedt.

      5.3 Nationale wetgeving

      Een van de weinige plekken in de Nederlandse wet waar de academische vrijheid expliciet wordt genoemd is artikel 1.6 WHW. Hoewel die bepaling volgens de wetsgeschiedenis aspecten heeft die een beschermende functie zouden kunnen hebben voor individuele (rechts)wetenschappers, zoals de vrijheid om zelf de onderzoeksthema’s te initiëren, bij het uitvoeren van onderzoek eigen inzichten te volgen en zelf de inhoud en methode van onderwijs te kiezen,44x Kamerstukken II 1980/81, 16802, nr. 3, p. 50. komt daar in de praktijk weinig van terecht. De hoofdreden is dat academische vrijheid in de toelichting wordt geschetst als een beginsel dat tegen andere beginselen moet worden afgewogen. Dit zorgt ervoor dat de rechter in de praktijk terughoudend toetst. Zo merkt de Centrale Raad van Beroep in een ontslagzaak uit 2019 typisch op:

      ‘Verder heeft appellant met een beroep op de academische vrijheid betoogd dat hij zich uitsluitend hoefde te houden aan het Onderwijs- en Examenreglement en niet aan de inhoud van het onderwijsprogramma. In zijn visie is de docent qua methoden en inhoud eindverantwoordelijk voor de invulling van het vak. De Raad deelt deze visie niet. (…) Na de door appellant genoemde passage “De academische vrijheid blijft een toetssteen voor zowel universiteiten als hogescholen. De vrijheid in het geven van onderwijs geeft de docent de vrijheid om op zijn vakgebied die wetenschappelijke opvattingen te verkondigen, die naar zijn mening de juiste zijn, en geeft hem de bevoegdheid om inhoud en methode van het door hem te geven onderwijs te bepalen” is namelijk ook het volgende vermeld: “Dit recht is niet onbeperkt. De docent werkt in het kader van het door het college van bestuur vastgestelde onderwijs- en examenreglement en zijn onderwijs dient er ook op gericht te zijn om op didactisch verantwoorde wijze studenten verder te brengen in de opleiding. De vrijheid in het beoefenen van de wetenschap houdt de vrijheid van de wetenschapsbeoefenaar in om zelf het onderzoeksthema te initiëren en bij het verrichten van onderzoek eigen inzichten te volgen. Ook hier geldt wel dat het thema moet passen binnen het door de instelling vastgestelde onderzoeksbeleid.”’45x CRvB 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:51.

      Ook in andere arbeidsrechtelijke geschillen wordt zelden met succes een beroep gedaan op de academische vrijheid.46x Zie voor een voorbeeld binnen de rechtswetenschap CRvB 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1009. Groen constateert dat de academische vrijheid in dit soort zaken vaak eerder in het nadeel van wetenschappers werkt. Juist vanwege de grote vrijheid en het gebrek aan gedetailleerde opdrachten die in andere werkgever-werknemerrelaties een belangrijke rol spelen, hebben zij een sterkere verantwoordelijkheid om een adequate invulling te geven aan de eigen positie.47x Groen 2017, p. 82. Daarbij zouden zij mogen worden beoordeeld aan de hand van ‘algemeen erkende, meetbare randvoorwaarden’.48x CRvB 26 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2797, r.o. 4.3. Voor rechtswetenschappers roept dit evenwel al gelijk de vraag op: welke algemeen erkende en meetbare voorwaarden gelden binnen de rechtswetenschap? Een van de klachten binnen de rechtswetenschap is juist dat methoden van onderzoek vaak erg impliciet zijn en dat er geen vaste regels zijn voor bronverwijzingen, terwijl er bijvoorbeeld ook geen cultuur van peerreview en aandacht voor ‘conflict of interest statements’ bij tijdschriften en boekuitgevers bestaat.

    • 6. Code of codificatie?

      De conclusie op grond van het voorgaande is dat wanneer we een aantal concrete bedreigingen van de academische vrijheid vergelijken met het wettelijk kader en de jurisprudentie op basis daarvan, we moeten constateren dat academische vrijheid als gecodificeerde rechtsnorm in wetten en verdragen nauwelijks effectieve afweerrechten voor wetenschappers bevat en vaak ook zodanig open geformuleerd zijn dat ze weinig houvast bieden voor de rechter bij de interpretatie van open normen in wetgeving.49x Denk bijv. aan beginselen van goed werkgever- en werknemerschap als bedoeld in art. 7:611 BW. Volgens Groen 2017, p. 116 zou het onwenselijk zijn om academische vrijheid als een afweerrecht te zien, omdat een te grote onafhankelijkheid kan leiden tot onproductieve eigengereidheid, onverantwoordelijk gedrag en het negeren van belangen van anderen. Alles kan in theorie, maar bewijs daarvoor levert hij in het geheel niet. Niet in te zien valt bovendien waar de rechter uitwassen van de onafhankelijkheid niet zou kunnen afstraffen. Omgekeerd: wat hebben wetenschappers aan een recht dat nauwelijks geëffectueerd kan worden? Daar komt bij dat bestaande gedragscodes op het gebied van de wetenschappelijke integriteit, zoals de VSNU-code uit 2018, een grote verantwoordelijkheid leggen op individuele wetenschappers, bijvoorbeeld waar het gaat om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar dat de praktische betekenis van die normen vaak tamelijk vaag blijft.50x Teksten als ‘wees precies en accuraat bij de uitvoering van het onderzoek’, ‘hanteer wetenschappelijke methoden’ en ‘doe recht aan alle verkregen onderzoeksresultaten’ in de VSNU-code vertellen (aspirant-)rechtswetenschappers nu niet echt wat er in concreto verwacht wordt. Zo definieert die code onafhankelijkheid als volgt:

      ‘Onafhankelijkheid houdt onder andere in dat men zich in de keuze van de methode, bij de beoordeling van de data en in de weging van alternatieve verklaringen, maar ook bij het beoordelen van onderzoek of onderzoeksvoorstellen van anderen, niet laat leiden door buiten-wetenschappelijke overwegingen (bijvoorbeeld overwegingen van commerciële of politieke aard). Aldus geformuleerd omvat onafhankelijkheid ook onpartijdigheid. Onafhankelijkheid is in elk geval vereist bij de opzet en uitvoering van en rapportage over het onderzoek; bij de keuze van het onderzoeksobject en van de onderzoeksvraag is onafhankelijkheid niet altijd nodig.’51x Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018, hoofdstuk 2, onder 4; zie www.vsnu.nl/files/documenten/Nederlandse%20gedragscode%20wetenschappelijke%20integriteit%202018.pdf.

      Niet alleen is deze tekst weinig concreet, ook wordt wat aan de ene kant wordt gegarandeerd, zoals de vrijheid van de methodekeuze, aan de andere kant weer weggegeven door te stellen dat bij de keuze van het onderzoeksobject en de vraagstelling onafhankelijkheid ‘niet altijd’ nodig is, hetgeen gelijk de vraag oproept: wanneer dan niet? We hebben bovendien in paragraaf 4 gezien dat de onafhankelijkheid van rechtswetenschappers onder druk staat door bijvoorbeeld: commerciële sponsoring van bijzondere leerstoelen, steeds grotere afhankelijkheid van tweede- en derdegeldstroommiddelen waardoor de ruimte voor ongebonden onderzoek wordt verkleind, maar ook door draaideurconstructies die universiteiten hanteren om te voorkomen dat jonge wetenschappers een contract voor onbepaalde tijd krijgen. Op geen enkele wijze wordt duidelijk hoe gedragscodes hier tegenwicht aan bieden.

      Waar het de terugkerende problemen van bijzondere hoogleraren met tekortschietende onafhankelijkheid betreft, valt op dat bewindspersonen, zodra er een incident is, achteraf gelijk hameren op het feit dat wetenschappers zich moeten houden aan de gedragscode wetenschappelijke integriteit en dat instellingen daarop hadden moeten toezien,52x Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 2890. maar volstrekt onduidelijk is hoe universiteiten dat praktisch zouden moeten doen. In dat verband kan men zich afvragen of het niet veel effectiever is wanneer bijvoorbeeld in de WHW wordt bepaald dat het niet langer is toegestaan dat bijzondere hoogleraren in dienst zijn van de sponsor van de leerstoel. Ook voor contractonderzoek is het denkbaar wettelijke regels te maken die bijvoorbeeld bepaalde onverenigbare relaties uitsluiten en te eisen dat bij publicatie van onderzoeksresultaten ook vermeld wordt door wie het onderzoek is gefinancierd en te verlangen dat universiteiten marktconforme tarieven hanteren, zodat publieke middelen niet worden ingezet voor commerciële doelen. Zelfs waar het gaat om draaideurconstructies voor docenten met tijdelijke contracten is het voorstelbaar om bijvoorbeeld in aanvulling op de ketenregeling uit de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) wettelijk te bepalen dat verlenging van een tijdelijk contract als nieuw contract geldt en daardoor meetelt voor wat betreft het toegestane maximumaantal losse contracten.53x Dit zou in feite een codificatie zijn van HvJ EU 11 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:113/OTA.
      Ook waar het de (zorg)plichten van de instellingen betreft uit hoofdstuk 4 en 5 van de VSNU-gedragscode geldt dat veel normen over een open, veilige en inclusieve wetenschapscultuur op zichzelf prima zijn, maar nauwelijks enige harde bescherming bieden voor wetenschappers die in het nauw komen, bijvoorbeeld vanwege het feit dat zij slachtoffer zijn van fraude of wangedrag, of juist daarvan beschuldigd worden. Universiteiten moeten weliswaar beschikken over klachtregelingen, vertrouwenspersonen, commissies voor wetenschappelijke integriteit en volgens de laatste cao ook ombudspersonen, maar wat precies de taken en verantwoordelijkheden zijn van deze instituties mogen universiteiten grotendeels zelf bepalen. Dit zorgt voor een ondoorzichtige lappendeken van – vaak niet-professionele – instituties met overlappende taken en zonder duidelijke bevoegdheden, waarbij ook nog eens significante verschillen kunnen bestaan tussen universiteiten.
      Met betrekking tot commissies voor wetenschappelijke integriteit (CWI’s) geldt dat Colleges van Bestuur (CvB’s) zelf de leden benoemen, zonder dat daarvoor specifieke benoemingsvoorwaarden gelden. In de praktijk bestaan de commissies vaak uit hoogleraren of emeriti uit de eigen instelling, die dit werk tijdelijk doen en naast overige werkzaamheden, zonder dat zij noodzakelijk specifieke kennis bezitten over wetenschapsfraude, publicatieculturen, ethiek of klachtprocedures.54x Schuyt 2014, p. 171. Het komt daarbij ook nog voor dat CvB’s bij zaken met bijvoorbeeld hoge mediagevoeligheid ineens buiten het eigen CWI om een ad-hoccommissie met externe leden instellen om een klacht af te handelen. CWI’s doen verder aanbevelingen aan het eigen CvB, maar wat daarbij precies de rechten van beklaagden zijn, is minder helder. Zij kunnen indien zij het oneens zijn met de voorlopige beslissing van het CvB weliswaar een ‘second opinion’ vragen bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), maar dit orgaan heeft eveneens louter een adviserende bevoegdheid, hetgeen betekent dat CvB’s daarvan kunnen afwijken. Een beklaagde die zich onjuist behandeld voelt, zal daarom alsnog bij de rechter belanden, waarbij wel specifieke wettelijke bewijsregels en procedurele waarborgen gelden, zoals het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

      Wat zojuist is gezegd over wetenschapsfraude geldt evenzeer voor andere vormen van wangedrag, zoals roddelen, intimidatie en machtsmisbruik – dat regelmatig samenvalt met frauduleus gedrag, bijvoorbeeld waar ten onrechte coauteurschap wordt geclaimd in een hiërarchische relatie –, waarvoor studenten en medewerkers doorgaans bij vertrouwenspersonen of HR-functionarissen terechtkunnen. Het probleem daarbij is dat deze meestal niet over eigen onderzoeksbevoegdheden beschikken en ook zelf niet kunnen ingrijpen door maatregelen te treffen. Het gevolg daarvan is dat studenten of medewerkers met een klacht via deze personen toch al snel weer bij bestuurlijke gremia uitkomen, hetgeen niet noodzakelijk vertrouwenwekkend is, zeker wanneer het gaat om klachten jegens leidinggevenden binnen de organisatie. Volgens de laatste cao zou hierin verandering moeten komen door de invoering van universitaire Ombudspersonen, die wel zelf onderzoek zouden moeten kunnen doen. Ook hier geldt evenwel dat er geen wettelijke eisen zijn gesteld aan de benoemingseisen en de benoemingsprocedure. Bovendien komen deze figuren in loondienst bij de universiteit en kunnen zij louter aanbevelingen doen aan het CvB dat hen benoemt. Hoe vertrouwenwekkend is dat voor wetenschappers die hun academische vrijheid bedreigd zien?55x Zie ook www.scienceguide.nl/2021/02/kamer-wil-een-onafhankelijkere-ombudsfunctie-op-de-universiteit/. Wordt het ook hier met andere woorden niet eens tijd voor een wettelijke regeling die een daadwerkelijk onafhankelijke (nationale) Wetenschapsombudsman introduceert met wettelijk vastgelegde onderzoeksbevoegdheden die ook bepaalde maatregelen kan nemen, zoals het uitbrengen van een bindend advies om een conflict tussen wetenschappers en de instelling voor te leggen aan een onafhankelijke arbiter?

    • 7. Conclusie

      Effectieve bescherming van de academische vrijheid lijkt niet een onderwerp dat hoog op de politieke agenda staat. Vaak komt het onderwerp even op als er bijvoorbeeld weer eens een incident rond ‘free speech on campus’ of een poging tot beïnvloeding van wetenschappelijke resultaten door opdrachtgevers van onderzoek is geweest, maar nadat de eerste opwinding in de media voorbij is, ebt het onderwerp vaak weer weg.
      Dit laatste is zonde, want er zijn aanwijzingen dat de academische vrijheid structureel onder druk staat, mede door de wijze waarop onderwijs en onderzoek gefinancierd worden en wetenschappers binnen universiteiten ‘gemanaged’ worden. Door ontwikkelingen zoals het langdurig op tijdelijke contracten houden van jonge wetenschappers en toenemende nadruk op valorisatie en cocreatie van onderzoek slinkt de ruimte voor kritiek en voor nieuwsgierigheidgedreven ongebonden onderzoek. Ook in het onderwijs zien we dat via zaken als toelatingsbeleid, accreditaties en onderwijsprogrammering er steeds minder ruimte lijkt voor de eigen professionaliteit van wetenschappers.

      Wie vervolgens kijkt naar de manier waarop de academische vrijheid wordt beschermd, moet al snel tot de conclusie komen dat de huidige wetgeving, met uitzondering van wellicht beroepen op de vrijheid van meningsuiting, weinig bescherming biedt tegen de sluipende uitholling van diezelfde vrijheid. Waar het bijvoorbeeld gaat om arbeidsrechtelijke kwesties, zoals het aanvechten van ontslag of het opheffen van functies, laat de jurisprudentie zien dat zelden met succes een beroep kan worden gedaan op wettelijke regels waarin de waarde van academische vrijheid erkend wordt. Volgens sommigen is dat een goede zaak, aangezien academische vrijheid en wetenschappelijke integriteit niet hetzelfde zijn en een integrale aanpak van integriteitsvraagstukken waarin bijvoorbeeld ook wangedrag wordt meegenomen uit den boze is.56x Schuyt 2014, p. 177. De praktijk laat mijns inziens echter zien dat academische vrijheid, integriteitskwesties en wangedrag dikwijls naadloos in elkaar overlopen. Een hoogleraar die geen kritiek duldt en jonge medewerkers op een tijdelijk contract dreigt hun aanstelling niet te verlengen indien zij geen hand-en-spandiensten verrichten voor zijn eigen onderzoek, zonder dat hun bijdrage vermeld wordt in de uiteindelijke publicatie, is in meerdere opzichten niet integer bezig en voor de slachtoffers van wie de academische vrijheid bedreigd wordt, zal het om één samenhangende zaak gaan.

      Dat de wettelijke bescherming niet sterk ontwikkeld is, zou minder erg zijn indien er effectieve zelfreguleringsmechanismen bestaan, zoals duidelijke gedragscodes die actief gehandhaafd worden, maar ernstig betwijfeld kan worden of dat het geval is. De VSNU-code wetenschappelijke integriteit lijkt weinig houvast te bieden waar het gaat om zaken als tekortschietende onafhankelijkheid en onpartijdigheid van houders van bijzondere leerstoelen of sluipende uitholling van de academische vrijheid van individuele wetenschappers middels personeelsbeleid – dreigementen dat contractsverlenging of bevordering uitblijft in het geval wetenschappers bijvoorbeeld kritiek op de eigen organisatie hebben –, financiering van onderwijs en onderzoek op een manier die ook inhoudelijk sturend is, of ontbrekende bescherming tegen intimidatie. Van een proactief beleid om toezicht te houden op de naleving van gedragscodes lijkt veelal geen sprake en vertrouwenspersonen, CWI’s en ombudsfiguren hebben doorgaans weinig harde bevoegdheden en zijn bovendien afhankelijk van klachten, terwijl inmiddels overbekend is dat juist studenten of wetenschappers die zich in een afhankelijke positie bevinden niet snel geneigd zijn om klachten in te dienen. Dit alles roept de vraag op of het niet eens tijd wordt om in elk geval het debat te openen over de wenselijkheid van een aantal harde wettelijke regels die meer bescherming bieden voor wetenschappers tegen de bedreiging van hun academische vrijheid door krachten van buiten en binnen de universiteit. Voorbeelden zijn regelgeving om misbruik van tijdelijke contracten tegen te gaan, duidelijkere randvoorwaarden voor de benoeming van bijzondere hoogleraren en wettelijk verankerde bevoegdheden voor universitaire Ombudspersonen. Natuurlijk zal dit (ook) niet alle problemen oplossen, maar het geeft wel een duidelijk signaal af, namelijk: academische vrijheid is meer dan een louter academische discussie.

    Noten

    • 1 S. Jerak-Zuiderent, J.M. Brenninkmeijer, A. M’charek & J. Pols, Goede wetenschap. Een visie van binnenuit, Amsterdam 2021. Zie https://pure.amc.nl/ws/files/19483919/2021_sept_Goede_wetenschap _visie_van_binnenuit_ ZonMw_project.pdf.

    • 2 Zie voor alle resultaten uit de enquête: www.nsri2020.nl/. Zie voor twee artikelen over deze enquête: G. Gopalakrishna, G. ter Riet, G. Vink, I. Stoop, J. Wicherts & L. Bouter, Prevalence of Questionable Research Practices, Research Misconduct and Their Potential Explanatory Factors: A Survey among Academic Researchers in the Netherlands, 6 juli 2021, https://doi.org/10.31222/osf.io/vk9yt, en G. Gopalakrishna, J. Wicherts, G. Vink, I. Stoop, O. van den Akker, G. ter Riet & L. Bouter, Prevalence of Responsible Research Practices and Their Potential Explanatory Factors: A Survey among Academic Researchers in the Netherlands, 6 juli 2021, https://doi.org/10.31222/osf.io/xsn94.

    • 3 Deze relatie werd opvallend genoeg eerder nog ontkend door o.a. K. Schuyt, Tussen fout en fraude. Integriteit en oneerlijk gedrag in wetenschappelijk onderzoek, Leiden: Leiden University Press 2014, p. 55-56. Opvallend, omdat Schuyt zich niet baseert op empirisch onderzoek, maar op een anekdotische vergelijking met financiële fraude, die tamelijk uit de lucht gegrepen lijkt.

    • 4 Zie ook B. Funnekotter, ‘Sjoemelen met wetenschap komt vaak voor in Nederland, blijkt uit integriteitsenquête’, NRC 8 juli 2021. De vraag is intussen in hoeverre jonge wetenschappers daadwerkelijk vaker in de fout gaan of louter het gevoel hebben dat wat ze doen misschien niet correct is, bijv. omdat er onvoldoende begeleiding is en onzekerheid een rol speelt. Denkbaar is ook dat bij jonge wetenschappers het ethisch besef en de bereidheid tot twijfel daarover juist groter zijn dan bij gevestigde namen.

    • 5 UNESCO, Recommendation Concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, Parijs 1997, par. 27, zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13144&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html.

    • 6 KNAW, Academische vrijheid in Nederland. Een begripsanalyse en richtsnoer, Amsterdam 2021, p. 22.

    • 7 KNAW 2021, p. 23.

    • 8 Zie www.advalvas.vu.nl/nieuws/academische-vrijheid-groot-maar-er-zijn-spanningen.

    • 9 F. van Lunteren, ‘Academische vrijheid en het universitair grootbedrijf’, in: K. van Berkel & C. van Bruggen (red.), Academische vrijheid, Amsterdam: Boom 2020, p. 110.

    • 10 A. Brenninkmeijer, ‘Wie betaalt, bepaalt!’, NJB 2008/1854, p. 2355.

    • 11 KNAW-werkgroep opdrachtonderzoek, Wetenschap op bestelling. Over de omgang tussen wetenschappelijk onderzoekers en hun opdrachtgevers, Amsterdam: KNAW 2005.

    • 12 Daarover o.a. Onderzoekscommissie WODC II, Ongemakkelijk onderzoek. Naar een betere balans in de relatie tussen WODC en beleid, Den Haag 15 januari 2019.

    • 13 Onderzoekscommissie WODC II 2019, p. 10.

    • 14 Zeer kritisch over het rapport van de commissie-Hertogh op dit punt is: L. de Ruig, ‘De WODC-affaire: een kritische blik op het werk van de onderzoekscommissie-Hertogh’, Beleidsonderzoek On­line juni 2019.

    • 15 Zie www.aaup.org/report/1940-statement-principles-academic-freedom-and-tenure.

    • 16 Rb. Den Haag 30 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7032, r.o. 5.5.

    • 17 J. Vleggeert, Hoe onafhankelijk is de fiscale wetenschapper? (oratie Leiden), 2020, www.universiteitleiden.nl/nieuws/2020/11/terugkijken-oratie-jan-vleggeert---hoe-onafhankelijk-is-de-fiscale-wetenschapper. Deze kritiek is bovendien niet nieuw. Zie eerder al ‘Belastingprofessoren zelden volledig onafhankelijk’, de Volkskant 21 mei 2016.

    • 18 D. Notenboom & W.R. Kooiman, ‘Hoogleraren met een dubbele pet onafhankelijk?’, NLF-W 2021/30, p. 1-15 (www.nlfiscaal.nl/nlfw2021/0030) komen op grond van empirisch onderzoek, anders dan Vleggeert, tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat hoogleraren met een dubbele pet vooral in het belang van hun clientèle schrijven. Wel constateren zij echter dat het opvallend is ‘waarover niet wordt geschreven. Als het geldende recht positief uitpakt voor de belastingplichtige maar deze uitkomst niet gewenst is, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een heffingslek, klimmen hoogleraren met dubbele pet opvallend weinig in de pen.’ Daarnaast zien zij eenzijdigheid in de onderwerpen waarover wordt gepubliceerd. De nadruk ligt op de belastingheffing van bedrijven.

    • 19 KNAW, Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland, Amsterdam, maart 2018.

    • 20 Interview, in: NRC 12 maart 2018.

    • 21 C. Stolker, ‘Vrijheid van wetenschap – drie steentjes in een rustige KNAW-vijver’, Science Guide 23 mei 2018.

    • 22 A. Chilton & E. Posner, ‘An Empirical Study of Political Bias in Legal Scholarship’, Journal of Legal Studies (44) 2015, p. 277-314. Zie eerder ook al R. Spitzer, Saving the Constitution from Lawyers, Cambridge: Cambridge University Press 2008.

    • 23 Vgl. bijv. P. Cliteur, ‘Wat wil de regering veranderen op staatsrechtelijk terrein? Liefst zo min mogelijk’, De Dagelijkse Standaard 9 oktober 2020, het standpunt van Cliteur namens FVD in de Eerste Kamer: Handelingen I 2019/20, nr. 10, item 6, p. 1-7 en T. Baudet & P. Cliteur, Echte democratie. Het probleem van de representatieve democratie (onderzoeksrapport Forum voor Democratie), september 2016.

    • 24 De partij van Baudet en Cliteur had eerder een meldpunt voor linkse indoctrinatie in het onderwijs aangekondigd. Zie daarover o.a. https://nos.nl/artikel/2277889-onderwijs-en-politiek-vallen-hard-over-meldpunt-indoctrinatie. Zie verder de brief van Cliteur over de bezwaren tegen zijn komst: https://tpo.nl/2019/03/27/paul-cliteur-open-brief-aan-de-rector-van-de-universiteit-groningen/.

    • 25 M. de Quay, ‘Vaarwel Rechtsgeleerdheid, hallo Cliteur-kunde: waarom mijn prof niet zo moet zeuren’, Mare 10 december 2020.

    • 26 Zie voor een beknopt overzicht ook A. De Baets, ‘Academische vrijheid tussen geschiedenis en mensenrechten’, in: K. van Berkel & C. van Bruggen (red.), Academische vrijheid, Amsterdam: Boom 2020, p. 15-32.

    • 27 Groen 2017, p. 245.

    • 28 Groen 2017, p. 69.

    • 29 EHRM 27 mei 2014, 346/04 en 39779/04 (Mustafa Erdoğan e.a./Turkije), r.o. 41.

    • 30 Jammer dat het EHRM niet toelicht waarom de kwalificatie ‘quasiwetenschappelijk’ wordt verbonden aan het juridische tijdschrift. Is dat omdat het Hof juridische tijdschriften in het algemeen niet (erg) wetenschappelijk acht, of omdat dit specifieke tijdschrift bijv. een mix van vakpublicaties en wetenschappelijke publicaties publiceert?

    • 31 Art. 13 luidt: ‘De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.’

    • 32 HvJ EU 6 oktober 2020, ECLI:EU:C:2020:792 (Commissie/Hongarije).

    • 33 Zie voor een bespreking van deze wet ook P. Bard, ‘The Rule of Law and Academic Freedom or the Lack of It in Hungary’, European Political Science 2020, afl. 19, p. 87-96.

    • 34 Het General Agreement on Trade in Services (GATS) van de Wereldhandelsorganisatie bevat o.a. bepalingen over transnationale liberalisering en markttoegang van onderwijsinstellingen.

    • 35 R.o. 225.

    • 36 Aanbeveling 1762 (2006) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 30 juni 2006 betreffende academische vrijheid en universitaire autonomie; zie https://assembly.coe.int/nw/xml/XRef/Xref-XML2HTML-EN.asp?fileid=17469&lang=en.

    • 37 United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, Recommendation 41 concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, 11 november 1997; zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13144&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html.

    • 38 R.o. 227.

    • 39 R.o. 240-242.

    • 40 W. De Cock & E. Timbermont, ‘Hof van Justitie kiest voor brede benadering van het concept “academische vrijheid”’, SEW 2021, afl. 7-8, p. 359-364.

    • 41 Aanbeveling van het Europees Parlement van 29 november 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de verdediging van de academische vrijheid bij het externe optreden van de EU (PbEU 2020, C 363/173). Zie ook de Bonn Declaration on freedom of scientific research, 20 oktober 2020, www.eu2020.de/eu2020-en/news/pressemitteilungen/european-research-area-bonn-declaration-karliczek/2408464.

    • 42 De Cock & Timbermont 2021, p. 362.

    • 43 Daarover o.a. www.uva.nl/binaries/content/documents/personalpages/o/r/r.ortlep/nl/downloads/downloads/assets/asset.

    • 44 Kamerstukken II 1980/81, 16802, nr. 3, p. 50.

    • 45 CRvB 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:51.

    • 46 Zie voor een voorbeeld binnen de rechtswetenschap CRvB 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1009.

    • 47 Groen 2017, p. 82.

    • 48 CRvB 26 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2797, r.o. 4.3.

    • 49 Denk bijv. aan beginselen van goed werkgever- en werknemerschap als bedoeld in art. 7:611 BW. Volgens Groen 2017, p. 116 zou het onwenselijk zijn om academische vrijheid als een afweerrecht te zien, omdat een te grote onafhankelijkheid kan leiden tot onproductieve eigengereidheid, onverantwoordelijk gedrag en het negeren van belangen van anderen. Alles kan in theorie, maar bewijs daarvoor levert hij in het geheel niet. Niet in te zien valt bovendien waar de rechter uitwassen van de onafhankelijkheid niet zou kunnen afstraffen. Omgekeerd: wat hebben wetenschappers aan een recht dat nauwelijks geëffectueerd kan worden?

    • 50 Teksten als ‘wees precies en accuraat bij de uitvoering van het onderzoek’, ‘hanteer wetenschappelijke methoden’ en ‘doe recht aan alle verkregen onderzoeksresultaten’ in de VSNU-code vertellen (aspirant-)rechtswetenschappers nu niet echt wat er in concreto verwacht wordt.

    • 51 Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018, hoofdstuk 2, onder 4; zie www.vsnu.nl/files/documenten/Nederlandse%20gedragscode%20wetenschappelijke%20integriteit%202018.pdf.

    • 52 Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 2890.

    • 53 Dit zou in feite een codificatie zijn van HvJ EU 11 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:113/OTA.

    • 54 Schuyt 2014, p. 171.

    • 55 Zie ook www.scienceguide.nl/2021/02/kamer-wil-een-onafhankelijkere-ombudsfunctie-op-de-universiteit/.

    • 56 Schuyt 2014, p. 177.


Print dit artikel