Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Integratie en religie

Godsdienst en levensovertuiging in het integratiebeleid etnische minderheden

Trefwoorden etnische minderheden, immigratie, integratiebeleid
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ben Koolen, 'Integratie en religie', TvRRB 2010-1, p. 5-26

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Sinds de tweede helft van de vorige eeuw is ons land geconfronteerd met een voortdurende immigratie van vooral uit derdewereldlanden afkomstige groepen en personen. Het werd de overheid pas gaandeweg duidelijk dat er wat moest gebeuren om de consequenties van de zich veranderende bevolkingssamenstelling te doorzien. Zij ontwikkelde een integratiebeleid om deze nieuw gekomen medebewoners gelijkwaardig deel te laten hebben aan de samenleving. Dat deze groepen hun geloofsovertuigingen meebrengen en die ook in hun nieuwe omgeving willen praktiseren en uitdragen, blijkt een complicerende factor te zijn. Met levensbeschouwelijke zaken hebben overheden het stelselmatig moeilijk.
      De wijze waarop binnen het landelijk beleid aandacht wordt gegeven aan levensbeschouwing is onderwerp van dit artikel. Daartoe wordt begonnen met een schets van de opeenvolgende immigraties, en de wijze waarop de rijksoverheid in haar integratiebeleid rekening heeft gehouden met hun religieuze achtergrond. Het geheel wordt afgesloten met een retrospectieve nabeschouwing.

    • 1 Groepsgewijze immigratie

      Vanwege de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan de Verenigde Staten van Indonesië (1949) en de daaropvolgende anti-Nederlandse politiek van Indonesië weken ongeveer 300.000 mensen uit naar het vroegere vaderland. Zij behoorden tot die in de koloniale tijd meer bevoorrechte bevolkingsgroepen, die daarom in de nieuwe politieke constellatie vijandig werden bejegend. De meerderheid van hen bestond uit de Indo-Europeanen die wellicht nooit dat vaderland hadden aanschouwd, maar er wel door banden des bloeds mee verbonden waren.
      Zij waren voldoende geschoold, spraken Nederlands en wilden hier een nieuwe toekomst opbouwen. In het algemeen werd hun komst met sympathie beantwoord. De regering zorgde voor eerste opvang en al spoedig vonden zij een arbeidsplaats in een land dat in een stadium van wederopbouw alle krachten goed kon gebruiken. De donkere huidskleur van velen van hen vormde daarbij geen beletsel.

      1.1 Molukkers

      Apart van hen dienden zich in het voorjaar van 1951 12.880 militairen van Molukse afkomst en hun gezinsleden aan.1xDe geschiedenis van de Molukkers in Nederland is beschreven in H. Smeets & F. Steijlen, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2006, Amsterdam 2006. Wegens de opheffing van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger moesten zij gedemobiliseerd worden, maar in de vroegere kolonie was geen plek meer te vinden om dat onder Nederlandse vlag te doen. De Nederlandse rechter dwong de regering die demobilisatie elders te doen plaatsvinden. Dat ontslag kregen de Molukkers uiteindelijk op de boot, onderweg naar Rotterdam.
      De Molukkers die in de eerste helft van 1951 voet aan wal zetten, waren niet van plan hier te blijven. Zij steunden de strijd voor onafhankelijkheid in hun herkomstregio. Die had ook een religieuze achtergrond: anders dan in het grote Indonesië was de Molukse bevolking in meerderheid (protestants-)christelijk.
      Voor het blok gezet door hun groepsgewijze overkomst had de Nederlandse regering in allerijl leegstaande gebouwen, voormalige concentratiekampen (Vught, Westerbork), barakken en leegstaande gebouwen voor tijdelijke bewoning geschikt gemaakt. Zij ging ervan uit dat er snel een terugkeerregeling met de Indonesische regering kon worden getroffen. Ook de Molukkers hoopten spoedig naar hun geboortegrond te kunnen terugkeren wanneer die eenmaal was vrijgemaakt van overheersing door de vijand. In afwachting daarvan koos de regering ervoor hen apart te houden van de Nederlandse samenleving en daarom te voorzien in alle zaken betreffende onderdak en levensonderhoud. De Molukkers werden voorwerp van rijkszorg.
      Al spoedig bleek er geen weg terug voor deze militairen. De rijkszorg werd geleidelijk afgebouwd. Vanaf 1959 werden de Molukkers overgeplaatst naar eigen woonwijken, vooral buiten de Randstad. De regering beoogde hiermee een integratieproces in de Nederlandse samenleving op gang te brengen, maar de Molukkers waren daar nog lang niet aan toe. Dat zou immers de bodem wegslaan onder hun bestaansgrond als een groep die wachtte op terugkeer.

      1.2 Buitenlandse werknemers

      De wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog ging gepaard met een explosieve groei van de productieve industrie. Vanaf 1955 liep het bedrijfsleven tegen het probleem op dat zijn expansie werd afgeremd door een tekort aan arbeidsaanbod voor onaantrekkelijk loon naar werken. Dat werd in eerste instantie gevonden in de perifere regio’s van Italië en Spanje. Vanuit de katholieke kerk werd de begeleiding van deze buitenlandse werknemers georganiseerd in de vorm van welzijnsstichtingen.2xKamerstukken II 1969/70, 10 504, nr. 1, p. 10. In het vervolg wordt deze vindplaats afgekort tot TK.

      1.2.1 Wervingsakkoorden

      Het ministerie van Sociale Zaken ging spoedig de wervingsactiviteiten kanaliseren. De regering sloot met ‘wervingslanden’ verdragen waarin de overkomst en het verblijf van werknemers werden geregeld. Met Italië werd het eerste wervingsakkoord gesloten (1960, 1965), spoedig gevolgd door overeenkomsten met Spanje (1961), Portugal (1963), Turkije (1964), Griekenland (1967), Marokko (1967), Joegoslavië (1970) en Tunesië (1971).
      Deze wervingsakkoorden legden betrekkelijk uniform in vorm en inhoud de plichten en vooral de rechten van de werknemers uit die landen vast. Ook over hun godsdienstige verzorging werden afspraken gemaakt. Alleen het wervingsakkoord met Joegoslavië bevat daarover geen bepaling.3xTractatenblad 1970, 50, art. 15 lid 3 (9 maart 1970).

      In de eerste wervingsovereenkomsten spraken beide partijen af ‘met welwillendheid alle initiatieven in beschouwing te nemen (examineront) van maatschappelijke en godsdienstige organisaties, zowel Nederlandse als Portugese, die ten doel hebben de aanpassing van de Portugese arbeiders te vergemakkelijken. Eveneens zal de samenwerking tussen deze Portugese en Nederlandse organisaties worden versoepeld.’4xAls voorbeeld is het verdrag met Portugal gekozen: Tractatenblad 1964, 16, art. 16 lid 2 (22 november 1963).
      Sinds de overeenkomst met Turkije is deze tekst in deze zin aangevuld dat sprake is van ‘in beschouwing nemen en bevorderen’ (examineront et favorisont).5xTractatenblad 1964, 142, art. 19 lid 2 (19 augustus 1964). Deze toevoeging is opmerkelijk, omdat hiermee Nederland zich er toe verplicht de godsdienstige begeleiding te bevorderen. Deze uitbreiding is onopgemerkt gebleven, hoewel zij op gespannen voet staat met de gangbare interpretatie van scheiding van kerk en staat.6xDe discussie of de Staat de religie moet beschermen of ook bevorderen is zo oud als het eerste (restrictieve) amendement (1791) op de grondwet van de Verenigde Staten dat het Congres wetgeving verbiedt inzake ‘an establishment of religion’ of beperking van vrijheid van de meningsuiting, de pers, van het recht op vergadering en petitie. Zij is in volgende wervingsakkoorden behouden gebleven.

      In de overeenkomst met Marokko kwam een volgende nieuwigheid op papier. Met toestemming van zijn werkgever mag de werknemer de wettelijk vastgestelde Nederlandse feestdagen vervangen door officiële Marokkaanse feestdagen. Deze bepaling komt ook voor in de overeenkomst met Tunesië.7xTractatenblad 1969, 87, art. 19 lid 3 (Marokko; 14 mei 1969); Tractatenblad 1971, 82, art. 18 lid 3 (Tunesië; 8 maart 1971).
      Deze wervingsakkoorden zijn nimmer opgezegd. De daarin opgenomen bepalingen, onder meer over de bilaterale overlegstructuur, zijn dus nog steeds van kracht en kunnen door elke verdragspartij worden ingeroepen.

      1.3 Gezinshereniging; Surinamers; vluchtelingen

      De jaren zeventig van de vorige eeuw laten een sterke toename zien van het aantal leden van etnische minderheden. Wel maakte de oliecrisis van 1973 een voortgaande werving van buitenlandse werknemers ongewenst; de gezinshereniging was in volle gang. In de periode 1971-1980 verdrievoudigde daardoor het aantal Marokkanen; bij de Turken was de stijging meer dan vier maal zo groot.
      Daarnaast deed zich vooral tot en met 1975, het jaar van Surinames onafhankelijkheid, een massale instroom van personen uit Suriname voor.
      Voorts ging in deze periode de regering over tot het uitnodigen van groepen vluchtelingen wegens militaire staatsgrepen. Het begon met Oegandezen van Indiase afkomst, spoedig gevolgd door Zuid-Amerikanen (Chili, Argentinië).

      De migranten uit Marokko en Turkije waren nagenoeg allen moslim, zij het behorend tot verschillende theologische scholen. Van de migranten uit Suriname kwamen de aantallen christenen en hindoes goeddeels met elkaar overeen, terwijl een kleiner aantal een islam beleed met sterke invloeden vanuit het voormalige Indiase subcontinent. De Oegandezen waren hindoe.
      Door deze betrekkelijk grootschalige immigratie werd de religieuze factor manifest.

      1.4 Antillianen; asielzoekers

      Vervolgens kwam er een instroom vanuit de Nederlandse Antillen op gang. Aanvankelijk meer aandacht kreeg het groeiende aantal vluchtelingen uit alle delen van Afrika en Azië. In het bijzonder in de jaren negentig leidden de aantallen asielzoekers, ook uit Oost-Europa, tot haast onbeheersbare problemen bij de huisvesting en de afhandeling van asielprocedures.

    • 2 Van migrant tot minderheid (1974-1983)

      In 1974 verscheen de eerste interdepartementale nota van de rijksoverheid over haar beleid voor ‘buitenlandse werknemers’.8xNota Buitenlandse werknemers, TK 1973/74, 10 504, nr. 2. Deze nota is een vervolg op een nota uit 1970 van de minister van Sociale Zaken die door de Kamer was afgewezen. Aan het uitgangspunt dat Nederland geen immigratieland is, verbond zij de blijvende aanwezigheid van de arbeidsmigranten en hun gezinsleden.
      Over religie, en met name over het nieuwe maatschappelijke fenomeen islam, werden enkele algemeenheden gedebiteerd. Alleen de christelijke partijen in het parlement uitten hun teleurstelling over dit gebrek aan aandacht. Zij bepleitten een ‘forse steun’ voor gebedsruimten en moskeeën.
      In 1977 verscheen een nota over het beleid voor de Surinamers op middellange termijn.9xTK 1976/77, 14 398. Een jaar later, in 1978, bracht het kabinet een nota uit over de positie van de Molukse minderheid. Na de reeks gijzelingen door Molukse jongeren (1970-1978) diende deze nota om het standpunt van de Nederlandse regering met betrekking tot een vrije Republiek van de Molukken vast te leggen.10xTK 1977/78, 14 915, nr. 2.

      Deze drie nota’s handelden vooral over achterstanden en achterstelling op wat men de ‘harde sectoren’ noemde: huisvesting, onderwijs en arbeid. Aan het overbruggen van culturele verschillen werd slechts zijdelings aandacht geschonken. Religie kwam nauwelijks aan bod.

      Vanwege deze serie beleidsnota’s drong de Kamer aan op coördinatie en samenhang van het beleid inzake ‘etnische minderheden’.11xTK 1977/78, 14 915, nr. 13. Minister Wiegel van Binnenlandse Zaken nam de suggestie over. Voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) was dat reden om in 1979 een ongevraagd advies uit te brengen over het beleid ten aanzien van etnische minderheden.12xWRR, Etnische minderheden (Rapport 17), Den Haag 1979.
      Daarin werd weinig aandacht besteed aan religie. Ook de Kamer kwam, net zomin als het kabinet in reactie op dit advies, verder dan de vaststelling dat, met alle respect voor de godsdienstige achtergronden van de migranten, de Nederlandse wetgeving prevaleert.13xTK 1980/81, 16 102. nr. 5.

      2.1 Nota Minderhedenbeleid 1983

      De Minderhedennota die in september 1983 het licht zag, is lang beschouwd als het charter voor het integratiebeleid. Met die nota bedoelde het kabinet de hoofdlijnen uit te zetten van zijn beleid ten opzichte van de Nederlandse samenleving in haar relatie tot immigranten vanuit de derde wereld.14xTK 1982/83, 16 102, nr. 20-21.
      De algemene beleidsdoelstelling luidde: ‘Het minderhedenbeleid is gericht op de totstandkoming van een samenleving, waarin in Nederland verblijvende leden van minderheidsgroepen ieder afzonderlijk en als groep een gelijkwaardige plaats en volwaardige ontplooiingskansen hebben.’ Hierin klinkt het gebod van de eerder dat jaar afgekondigde Grondwet door: ‘gelijke behandeling in gelijke gevallen’ voor ieder die zich in Nederland bevindt. De toevoeging ‘als groep’ duidt op de verwachting dat de verschillende etnische groepen zichtbare entiteiten zullen blijven. Deze uitzonderlijke zinsnede tilt het ‘in gemeenschap met anderen’ naar het hogere niveau van overheidszorg voor de bescherming van groepsidentiteiten.

      De hoofdaandacht van de rijksoverheid ging uit naar het onderwijs en de arbeidsmarkt, alsook naar het bestrijden van discriminatie. Maar de nota kon niet heen om het fenomeen religie, dat door de aanwezigheid van etnische minderheden een nieuwe dimensie had gekregen. ‘Godsdienst en levensovertuiging nemen in onze samenleving een bijzondere plaats in.’ De overheid stelt zich dienaangaande neutraal op, maar dat is niet te verstaan als onverschilligheid: ‘de overheid behoedt gelijke kansen en respectering van de eigen beleving’.

    • 3 Maatregelen ex Minderhedennota 1983

      Op zeven terreinen signaleerde de Minderhedennota een knelpunt. Voorop stond het mindere niveau van het materiële voorzieningenniveau voor de religieuze groeperingen in vergelijking met dat voor de gevestigde kerken. Omdat die voorzieningen te beschouwen zijn als een wezenlijk onderdeel voor die minderheden, werden ze van groot belang geacht voor hun functioneren in de Nederlandse maatschappij.
      Ook werden genoemd: ritueel slachten volgens islamitische voorschriften, begraven respectievelijk cremeren van overleden moslims/hindoes, de toelating van imams op openbare scholen voor het geven van godsdienstonderwijs, de geloofsbeleving in gevangenissen en het leger, een subsidiemogelijkheid voor de algemeen maatschappelijke activiteiten door organisaties op religieuze grondslag, en ten slotte overdracht van de rijkskerkgebouwen aan de Molukse kerken.15xTK 1982/83, 16 102, nr. 20-21, p. 110-111.

      3.1 Ritueel slachten

      Voor ritueel slachten was in de Nederlandse wetgeving al ruimte geschapen vanwege de joodse bevolkingsgroep. De Vleeskeuringswet van 1919 kende een speciale bepaling voor de slacht van dieren volgens de Israëlitische rite. Moslims werd, na jaren van chaos bij de slachthuizen, in het bijzonder kort vóór het offerfeest, in 1975 het ritueel slachten toegestaan. Dit werd twee jaar later in de wet verankerd. De vermelding in de Minderhedennota betrof dan ook niet zozeer het wettelijke kader als wel de nog steeds onvoldoende beschikbaarheid van slachthuizen en de organisatie van de topdrukte vóór het offerfeest.
      Het Europees Verdrag inzake de bescherming van slachtdieren bepaalde onder meer dat bij de slacht een immobilisatietoestel gebruikt moest worden.16xTractatenblad 1981, 76. Dit bracht een beperking aan met betrekking tot het ritueel slachten. Vanaf 1992 gelden de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die onbedwelmd slachten volgens de Israëlitische en islamitische rite blijft toestaan (art. 44 lid 2), en de Algemene maatregel van bestuur inzake ritueel slachten.17xStaatsblad 1992, 585; 1996, 573.
      Hét discussiepunt blijft de toelaatbaarheid van onbedwelmd slachten van dieren omwille van de godsdienstvrijheid. Een wetsontwerp van de Partij voor de Dieren dat elke vorm van onbedwelmd slachten uitsluit, is thans in behandeling.18xTK 2007/08, 31 571, nr. 2-3; idem 2009/10, 31 571, nr. 5.

      3.2 Begraven en cremeren

      Voor hindoes, sikhs en boeddhisten is lijkverbranding gebruikelijk. Sinds 1955 is lijkverbranding toegestaan, en sinds 1991 mag er een linnen omhulsel van het stoffelijk overschot worden gebruikt.
      Verstrooiing van de as geschiedt bij voorkeur in stromend water. Een aantal crematoria heeft strooivelden aangelegd die tegemoetkomen aan hindoe-gebruiken.

      Overleden joden en moslims dienen te worden begraven. De Wet op de lijkbezorging is meermalen, in het bijzonder met betrekking tot islamitische voorschriften, aangepast. In 1991 werd het begraven zonder kist toegelaten. In 2009 trad een herziening van de wet in werking.19xStaatsblad 2009, 320. De oudste islamitische begraafplaats in Nederland, stammende uit de jaren dertig van de vorige eeuw, bevindt zich op Oud Eijk en Duinen te den Haag.
      Een probleem blijft de weigering van veel beheerders van gemeentelijke en particuliere begraafplaatsen om ‘eeuwigdurende’ grafrechten toe te kennen. Mede daarom kiezen moslims, vooral die uit Turkije en Marokko, voor een begrafenis in hun herkomstland.

      3.3 Godsdienstonderwijs op openbare scholen

      Vanwege de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (1917) was er een nieuwe wet op het lagereschoolonderwijs nodig. Daarin werd bepaald dat op verzoek van de ouders godsdienstonderwijs op openbare scholen werd toegestaan, waarbij de school verplicht was een verlicht en verwarmd lokaal ter beschikking te stellen (1920).
      In het algemeen werd deze vrijwillige faciliteit exclusief geïnterpreteerd voor katholiek- en protestants-christelijk onderricht. De betekenis van het signaal van de Minderhedennota was dan ook hierin gelegen dat de openbare scholen hun deuren ook moesten openen voor islamitisch godsdienstonderwijs. Bij ouders van moslimleerlingen bleek overigens weinig vraag te zijn naar godsdienstlessen.20xIn de Wet primair onderwijs (1996) is bepaald dat godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs tot maximaal 120 uur per jaar binnen de wettelijke schooltijden vallen (art. 50). De Wet op de beroepen in het onderwijs (2004) regelt de bekwaamheidseisen die ook gelden voor leerkrachten voor godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs. Bij amendement van de Tweede Kamer (2009) is voor dit onderwijs in een bekostigingsregeling voorzien.

      3.4 Subsidie voor activiteiten vanuit een levensbeschouwelijke achtergrond

      De Minderhedennota signaleerde de subsidiëring van algemeen maatschappelijke activiteiten door organisaties op religieuze grondslag als knelpunt. In een brief (1991) stelde minister Dales van Binnenlandse Zaken onomwonden dat het enkele feit dat levensbeschouwelijke organisaties hun sociaal-culturele activiteiten organiseren in gebouwen waarin ook een gebedsruimte aanwezig is, geen belemmering mag zijn van subsidiëring voor sociaal-culturele activiteiten. Op basis van het recht op gelijke behandeling in gelijke gevallen dienen zulke organisaties als elke andere te worden getoetst op hun geschiktheid en vakbekwaamheid.21xTK 1990/91, 20 868, nr. 3.

    • 4 Gebedsruimten

      4.1 Kerken voor Molukkers

      De Molukkers brachten hun godsdiensten mee naar Nederland. De ruim driehonderd moslims en de wat grotere groep katholieken hadden geen geestelijke bedienaren bij zich. De katholieken werden in Nederland door hun eigen kerk opgevangen. De moslims werden in 1952 in een kamp bij het Friese Balk ondergebracht, waarin ook een moskeeruimte werd gebouwd. Zij kozen een imam uit eigen kring.

      Het overgrote deel van de Molukkers hoorde tot de Molukse protestantse kerk. Onder hen was ook een aantal legerpredikanten. In de verwachting van een spoedige terugkeer wensten ze geen aansluiting bij een van de Nederlandse kerken. Zij wilden in Nederland een eigen classis van de kerk in hun moederland vormen, maar vanuit Ambon werd deze niet erkend. Dus richtten zij de Molukse evangelische kerk op.22xSmeets & Steijlen, p. 101-103. Een minderheid trad niet toe tot het nieuwe kerkgenootschap en hield als ‘noodgemeente’ de band met de kerk op de Molukken aan.
      De predikanten en de imam werden bezoldigd door het met de rijkszorg belaste overheidsorgaan Commissariaat van Ambonnezenzorg. Dat commissariaat zorgde ook voor kerkruimten in de woonoorden.

      Het verblijf in de barakken kon niet voortduren. Het kabinet-De Quay besloot tot het bouwen van huizen in de vorm van woonwijken, specifiek voor de Molukkers. Achter dit besluit school onuitgesproken de erkenning dat terugkeer geen reële optie meer was. Deze verhuizing betekende het feitelijke einde van de rijkszorg voor deze bevolkingsgroep.
      In 1959 konden de eersten een huis in zo’n wijk betrekken (Winterswijk). Successievelijk werden meer wijken gebouwd, de laatste in 1993 in Vught, zodat toen 65 gemeenten één of meer Molukkerswijken hadden.23xTot na 1985 beheerde de Dienst der domeinen deze wijken. Sindsdien zijn de woningen overgedragen aan woningcorporaties. Het gemeentebestuur van Woerden, in welke gemeente drie woonoorden waren, zag als enige af van de bouw van een aparte wijk en huisvestte zijn Molukkers verspreid over de gemeente.
      In elke Molukkerswijk werd ook een kerk gebouwd voor de plaatselijke Molukse kerkgemeente. Ook kwamen er twee moskeeën, in Ridderkerk (1984) en Waalwijk (1990). De bouw en de inrichting ervan kwamen ten laste van de rijksoverheid.

      In 1986, vijfendertig jaar na haar aankomst, ondertekenden de Molukse gemeenschap en de regering een ‘Gezamenlijke Verklaring’.24xTK 1986/87, 19705, nr. 6, bijlage. Het Rijk markeerde hiermee het definitieve einde van de door de Molukkers geclaimde bijzondere positie, de Molukse partner haalde een flinke inhaalslag op diverse maatschappelijke terreinen binnen. Onderdeel van die Verklaring was de overdracht van de gebedsruimten. De gezamenlijke Molukse geloofsgemeenschappen kregen het eigendom over de gebedshuizen, en een royale afkoopsom (1989). Voortaan moesten zij zelf alle kosten voor hun personeel en bezittingen dragen. Aldus was het laatste restje rijkszorg opgebruikt.

      4.2 Marokkaanse en Turkse moskeeën

      Na het met Turkije en Marokko gesloten wervingsakkoord nam de immigratie van arbeiders uit die landen snel toe. In 1971 was het aantal Turken voor het eerst groter dan dat van de Spanjaarden. Terwijl de instroom vanuit de Zuid-Europese landen goeddeels stil was gevallen, nam die van immigranten uit Turkije en Marokko exponentieel toe, niet meer zozeer vanwege arbeid, maar door de gezinshereniging.
      Daarmee trad de islam als nieuwe maatschappelijke realiteit voor het voetlicht. Turken en Marokkanen stichtten eigen moskeeën, los van bestemmingsplannen en vestigingseisen, niet zelden op een verdieping van een woonhuis of in een garagebox. In 1975 werd in Almelo een eerste nieuwgebouwde moskee voor Turkse moslims geopend. Hiervoor was op de valreep een rijksbijdrage verleend krachtens de Wet premie kerkenbouw.25xStaatsblad 1962, 538. De wet beperkte premiëring niet tot kerkgebouwen, maar stelde deze ook beschikbaar voor gebouwen om andere genootschappen gelegenheid te geven zich te bezinnen op levensovertuiging. Deze subsidiewet verviel per 1 maart 1975.

      Namens de drie grote christelijke partijen was tijdens het debat over de Nota buitenlandse werknemers (1974) om een voorziening voor moskeeën gevraagd. Minister Van Doorn van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ging daar positief op in en introduceerde in 1976 een Globale regeling inzake subsidiëring gebedsruimten. Zij voorzag in een rijksbijdrage van 10% van de bouw- en inrichtingskosten, tot een maximum van 30.000 gulden. Alleen moskeebouw voor moslims van Turkse of Marokkaanse afkomst in de vier grootste gemeenten kwam in aanmerking; later werd de regeling uitgebreid tot alle gemeenten met meer dan 1000 moslims.

      4.3 Verbreding en afbouw van de moskeebouwsubsidies

      In 1982 verscheen er een advies, onder meer over de voortzetting van de bestaande subsidieregeling. Daarin werd een uitbreiding voorgesteld naar moskeeën van moslims met een Surinaamse achtergrond. Om financiering vanuit het buitenland onnodig te maken zou het subsidiebedrag niet vooraf gemaximeerd moeten worden.26xJ.D.J. Waardenburg & J. Goutier, Religieuze voorzieningen voor etnische minderheden in Nederland, Rijswijk 1982. Minister Brinkman van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) continueerde de regeling met een uitbreiding ten gunste van Surinaamse moslims, maar kwam al spoedig in aanvaring met de Tweede Kamer.

      Minister Rietkerk van Binnenlandse Zaken had nog wel laten uitzoeken dat een bijdrage uit de openbare kas voor de bouw van gebedshuizen niet in strijd was met het beginsel van scheiding van kerk en staat. De meerderheid van de Kamer liet zich daardoor niet overtuigen en in een aangenomen motie-Dales-Wiebenga werd de bijdrageregeling afgewezen met een beroep op dit scheidingsbeginsel. Toen minister Brinkman uitvoering van de motie ontweek, breidden beide Kamerleden hun motie uit tot sociaal-culturele ruimten die ook een religieus doel dienden.27xTK 1985/86, 16 102, nr. 99; TK 1986/87, 16 635, nr. 11; TK 1986/87, 16 102, nr. 144. De regeling werd in 1986 beëindigd.

    • 5 Een commissie agendeert (1988-2007)

      Omdat de minister-president wel eens wilde weten hoe verder om te gaan met levensbeschouwelijke organisaties, nu de van 1854 daterende Wet op de kerkgenootschappen op het punt stond te worden ingetrokken, vroeg hij advies aan een commissie met prof. E.M.H. Hirsch Ballin als voorzitter. In 1988 bracht de commissie haar rapport Overheid, godsdienst en levensovertuiging uit. Daarin besteedde zij uitvoerig aandacht aan de religieuze infrastructuur van etnische minderheden.28xOverheid, godsdienst en levensovertuiging. Eindrapport criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag, Den Haag 1988, p. 62-85.

      5.1 Mandirs en moskeeën

      Door dit rapport kwam de financiële overheidssteun voor de bouw van moskeeën weer op de politieke agenda. De commissie verwierp de verwijzing van de moties-Dales-Wiebenga naar de scheiding van kerk en staat, ‘mits de organisatorische zelfstandigheid en de belijdenisvrijheid worden gerespecteerd, de genootschappen op voet van gelijkheid worden behandeld en de overheid zich onthoudt van maatregelen die ertoe strekken een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting te bevorderen ten koste van andere richtingen’. En: ‘Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er, met inachtneming van de vanwege het scheidingsbeginsel gepaste terughoudendheid, reden zijn voor de overheid voorwaardenscheppend op te treden.’ 29xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 83.
      In het verlengde daarvan wees zij op de structurele achterstandspositie van uit Marokko en Turkije geïmmigreerde moslims, van Surinaamse moslims en hindoes en boeddhistische vluchtelingen uit Zuidoost-Azië. Deze achterstand is niet te rechtvaardigen en bovendien hebben deze groepen geen kans gehad om die achterstand in te lopen of om van bestaande subsidieregelingen gebruik te maken. Daarom beval de commissie voor een beperkte periode ‘een éénmalige subsidie in de kosten voor de bouw en inrichting’ van gebedshuizen aan, bestemd voor gemeenschappen die daar geen beroep op hebben kunnen doen.30xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 84.
      Minister Dales wees die subsidiëring af. Zij beriep zich wijselijk niet meer op scheiding van kerk en staat, maar wees de Kamer er liever op dat er inmiddels geen sprake meer was van een tekort aan gebedsruimten voor etnische minderheidsgroepen. Een nieuwe subsidieregeling was dus niet meer nodig.31xTK 1989/90, 20 868, nr. 2; TK 1990/91, 20 868, nr. 3.

      5.2 Intramurale geestelijke verzorging

      Het rapport besteedde ook aandacht aan geestelijke verzorging van moslims en hindoes in die situaties waarin ingezetenen feitelijk niet meer in staat zijn deel te nemen aan bijeenkomsten van het levensbeschouwelijke verband waartoe zij zich rekenen. Dat geldt met name voor degene die in een ziekenhuis belandt, in militaire dienst gaat of een gevangenisstraf moet uitzitten.
      Op een enkel punt waren eerder al maatregelen genomen. Met betrekking tot voedingsvoorschriften troffen Defensie en Justitie in 1981 en 1984 voor militairen respectievelijk gedetineerden maatregelen die hieraan tegemoetkwamen.

      Intramurale gezondheidsinstellingen als zieken-, jeugd- en bejaardenhuizen kunnen zelf de nodige voorzieningen treffen. Dat ligt bij de rijksinstellingen van Defensie en Justitie anders. Wel bestonden er ad-hocafspraken over het tijdelijk inschakelen van geestelijke verzorgers, maar uiteindelijk moest toch een meer structurele voorziening worden getroffen.

      5.2.1 Zendende instantie

      De commissie-Hirsch Ballin signaleerde een leemte bij geestelijke verzorging van in het bijzonder hindoes en moslims. Te verwachten is immers dat steeds meer moslims en hindoes deel gaan uitmaken van een krijgsmachtonderdeel of een justitiële instelling. Ook zij zullen de band met hun geloofsgemeenschap in stand willen houden. Met het oog daarop stelde de commissie de ministers van Defensie en Justitie voor om centrale diensten voor de organisatie van geestelijke verzorging van hindoes respectievelijk moslims in te stellen. Uitgangspunt daarbij was dat de overheid medeverantwoordelijkheid draagt voor de vrijheid inzake godsdienst en levensovertuiging van degenen die van staatswege in hun bewegingsvrijheid worden belemmerd.32xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 50-51.
      Het kabinet stemde in 1989 op nagenoeg alle punten in met de aanbevelingen van de commissie-Hirsch Ballin.33xTK 1989/90, 20 868, nr. 2. De enige uitzondering betreft de facilitering van de bouw en inrichting van mandirs en moskeeën. In 1988 had de staatssecretaris van Defensie een project ter rekrutering van leden van etnische minderheidsgroepen voor de krijgsmacht opgestart (TK 1987/88, 20 849, nr. 2). De ministers van Defensie en Justitie reserveerden ieder twee maal twee formatieplaatsen voor centrale diensten geestelijke verzorging van hindoes respectievelijk moslims.

      Om op structurele wijze imams of pandits te benoemen is er een voordracht nodig van een autoriteit namens de desbetreffende geloofsgemeenschap, de zogenoemde zendende instantie. De burgerlijke overheden kunnen noch mogen beslissen over de ‘kerkelijke’ status, de rechtgelovigheid en de representativiteit van iemand die zich als geestelijk verzorger aandient. Dat is het prerogatief van het gezagsorgaan van de betreffende levensovertuiging. De overheid moet zich, afgezien van de formele benoeming en ontslagverlening, beperken tot het vaststellen van de functie-eisen en de beoordeling van de vakbekwaamheid van de voorgedragen kandidaat, waartoe sinds kort een voltooide masteropleiding Geestelijke verzorging wordt gevraagd.
      Nu zijn de islamitische en hindoegemeenschappen in leer en organisatie bepaald niet homogeen. De getalsterkte per stroming binnen die gemeenschappen is moeilijk vast te stellen.34xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 67-69. ‘De betrekkelijk recente vestiging in ons land, de etnisch-cultureel verschillende achtergrond en de zwakke sociaal-economische positie van veel leden van de minderheden lijken daarvan de oorzaak te zijn.’35xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 69.

      5.2.2 Een zendende instantie namens hindoeïsme en islam

      Moslimorganisaties hebben een structureel probleem om een gemeenschappelijke zendende instantie te vormen. De soennitische islam kent geen leergezag boven het niveau van de lokale gemeenschap. Het moskeebestuur fungeert als enige gezagsdrager. Daarbij spelen theologische interpretatieverschillen, gegroeide gebruiken en politieke voorkeuren een niet te verwaarlozen rol. Ook als deze moskeebesturen zich in grotere verbanden organiseren, blijft deze principieel lokale autonomie in stand.36xDit geldt niet voor dat deel van de Turkse islam dat het gezag van het (burgerlijke!) Presidium voor godsdienstzaken erkent.

      Het heeft tot 2003 geduurd voordat de Algemene Hindoeraad Nederland als zendende instantie werd erkend.37xIn het Surinaams-Nederlandse hindoeïsme hebben de pandits een leerstellige functie. Naast de landelijke hindoefederaties hebben zich priesterraden gevormd die deze federaties een formele legitimiteit verschaffen om als zendende instantie te functioneren. Vier jaar later gebeurde hetzelfde met het Contactorgaan Moslims Overheid.38xInmiddels functioneert bij het ministerie van Justitie ook een eenheid voor boeddhistische geestelijke verzorging. Zij is nog niet formeel erkend, mede vanwege het ontbreken van een geëigende masteropleiding. Als zendende instantie fungeert de Boeddhistische unie Nederland. Door die erkenning konden ook de Diensten geestelijke verzorging bij de ministeries van Defensie en Justitie worden opgericht en de gereserveerde formatieplaatsen ingevuld.

    • 6 Overleg over religie (1988-2005)

      Vanaf 1985 beschikt de rijksoverheid binnen het minderhedenbeleid over een overlegstructuur met vertegenwoordigingen van de etnische minderheidsgroepen.39xWet overleg minderhedenbeleid, Staatsblad 1997, 335. De onderwerpen ervan zijn algemeen van aard; onderwerpen betreffende de religie zijn daarbij niet uitgezonderd. In de lange geschiedenis van dit overleg met de minister voor Integratiebeleid hebben vertegenwoordigingen van de etnische minderheidsgroepen slechts een enkele maal het onderwerp religie geagendeerd.

      6.1 Overleg over incidenten

      Het tumult rond De Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie had geleid tot de oprichting van een actiecomité van verontruste moslims. Dit was voor minister Van Dijk van Binnenlandse Zaken reden tot een overleg met dat actiecomité en andere moslimorganisaties. Hij vreesde voor ongeregeldheden bij de uitgever en in de boekhandel, zoals in het buitenland was voorgekomen. Toen bleek dat sommige organisaties niet samen met bepaalde andere aan dezelfde tafel wensten te zitten, moest het overleg over twee avonden worden uitgesmeerd. Deze drukbezochte samenkomsten hebben ertoe bijgedragen dat ernstige incidenten zijn uitgebleven.

      Een tweede gelegenheid diende zich aan met de ophanden zijnde actie van de Verenigde Staten tegen de verovering van Koeweit door Irak. Aan de vooravond van de Amerikaanse inval, op 16 januari 1990, sprak de opvolgster van minister Van Dijk, minister Dales, met weer een groot aantal organisaties. Haar zorg was dat deze nieuwe fase in de Koeweitoorlog zou worden opgevat als een aanval van de christelijke wereld op die van de islam. Resultaat van deze bijeenkomst was de – inderdaad geëffectueerde – toezegging van moslimzijde om contacten op te bouwen met joodse organisaties.

      Nog in 2001, twaalf dagen na de aanslagen van 11 september 2001, vond een overleg plaats tussen enerzijds minister-president Kok en minister Van Boxtel voor Grote Steden- en Integratiebeleid en anderzijds jongerengroepen met verschillende religieuze achtergronden, die in een open brief hadden opgeroepen tot afwijzing van elke vorm van terreur en onrecht en bevordering van communicatie tussen bevolkingsgroepen. Bij de bespreking van een rapportage over deze ontmoeting vroeg de Tweede Kamer bij motie om een grootschalig onderzoek naar de islambeleving in Nederland.40xTK 2001/02, 28 006, nr. 3, nr. 6 en nr. 17. In het verlengde van deze motie: K. Phalet & J. ter Wal, Moslim in Nederland, een onderzoek naar de religieuze betrokkenheid van Turken en Marokkanen, Den Haag 2004.

      6.2 Naar een structurele oplossing

      Deze incidentele gesprekken riepen de vraag op naar een meer gestructureerde overlegvorm. Vanaf 1990 werd regelmatig overleg gevoerd tussen federaties op islamitische respectievelijk hindoegrondslag onderling en met het ministerie van Binnenlandse Zaken.

      Dit leidde aanvankelijk tot de oprichting van de Islamitische Raad Nederland, die er echter niet in slaagde vooral kleinere moslimstromingen met zich te verzoenen. Deze laatste verenigden zich in de Nederlandse Moslimraad. Politieke en theologische tegenstellingen binnen én tussen de grootste groepen, die van Turkse, Marokkaanse en Pakistaanse origine, en ook de tegenstellingen tussen soennieten, sjiieten (o.m. alevieten) en ahmadiyya’s waren de belangrijkste redenen voor de moeizame realisering van representatieve overlegorganen.
      Pas in 2004 kon minister Verdonk van Vreemdelingenbeleid en Integratie (V&I) het aanvankelijk louter soennitische Contactorgaan Moslims Overheid en een jaar later de gemengde Contactgroep Islam als haar gesprekspartners aanwijzen. Zij worden voor hun activiteiten gesubsidieerd in afwachting van de totstandkoming van één contactorgaan.41xOok de Algemene Hindoeraad Nederland krijgt een activiteitensubsidie: Jaarnota Integratiebeleid 2005 in TK 2005/06, 30 304, nr. 2, p. 53.

      Ook de hindoegemeenschappen hebben er lang over gedaan voordat zij tot een gemeenschappelijke gesprekspartner voor de overheid kwamen. Pas toen de twee hoofdstromingen binnen het Surinaamse hindoeïsme elkaar vonden, kwam de Algemene Hindoeraad tot stand. Daarbij voegden zich enkele groepen die een substroming vertegenwoordigen. De minister voor V&I aanvaardde de Raad in 2001 als haar gesprekspartner namens het Nederlandse hindoeïsme.

      Vooral in de jaren negentig bleek er een groot aantal christelijke gemeenschappen te bestaan die waren voortgekomen uit de religieuze behoeften van vooral uit Midden-Afrika afkomstige migranten. Zij zochten geen aansluiting bij de gevestigde kerkgemeenschappen.42xVele gemeenschappen richtten eigen gebedsruimtes in in huiskamers, kraakpanden en parkeergarages. In 2007 werd hun een eerste multifunctioneel kerkverzamelgebouw met vijf kerkzalen in Amsterdam-Zuidoost ter beschikking gesteld (Reformatorisch Dagblad 19 oktober 2007). Er zijn plannen om in nog twee van zulke gebouwen te voorzien.
      De meeste allochtoon-christelijke kerkgemeenschappen richtten een samenwerkingsverband ‘Samen Kerk in Nederland’ op. Ook deze organisatie is door minister Verdonk aangewezen als gesprekspartner.

    • 7 De imam in het vizier (1993-2007)

      De meeste imams genoten hun vorming in hun geboorteland en zijn hier aangesteld op initiatief van een plaatselijk moskeebestuur. Daarbij was hun kennisniveau lang niet altijd doorslaggevend. Daarenboven, zij kennen geen Nederlands en bleken in veel gevallen ook niet geneigd zich die taal eigen te maken. Een uitzondering vormen de door het Turkse Presidium voor godsdienstzaken (Diyanet) in ons land gedetacheerde imams, in zoverre dat zij universitair geschoold zijn, een aantal jaren in Turkije werkzaam zijn geweest en vooraf voorbereid zijn op een verblijf in Nederland, ook met enige basiskennis van het Nederlands. Maar zij blijven in Turkse dienst en worden voor hoogstens vier jaar uitgezonden.43xDiyanet is een dienst binnen de Turkse overheid die toezicht houdt op de inhoud van de islamverkondiging in het land. Het oefent in formele zin gezag uit over moskeeën, imams en moskeebesturen. In Nederland wordt het Presidium vertegenwoordigd door de Islamitische stichting te Den Haag. Zie: J. den Exter, Diyanet, een reis door de keuken van de officiële Turkse islam, Beverwijk 1990. Los van Diyanet hebben andere Turkse soennitische en sjiitische (alevieten) stromingen imams in dienst.

      7.1 Imamopleiding in Turkije van jongens uit Nederland mislukt

      De Islamitische stichting Nederland nam in het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw tezamen met haar hoofdbestuur het initiatief om in Turkije een opleidingsschool op voortgezet onderwijsniveau te starten voor jongens uit Nederland. De school was bedoeld als voortraject voor een universitaire imamopleiding. Een poging om in Nederland een soortgelijke opleiding onder controle van Diyanet op te richten, stuitte op weerstand van het onderwijsministerie.44xW.A. Shadid & P.S. van Koningsveld, Religie, cultuur en minderheden, Tilburg 1999, p. 70 e.v. Na korte tijd werd deze middelbare imam-hatipschool omgezet in een algemeen lyceum.
      Als reactie daarop is de motie (29 november 1993) te beschouwen die vroeg om een onderzoek naar de mogelijkheden voor een Nederlandse imamopleiding, dit ten behoeve van het integratieproces van moslims.45xTK 1993/94, 23 409, nr. 8. Het oordeel van de door staatssecretaris Netelenbos aangetrokken dr. N. Landman was echter teleurstellend: bij de bestaande instellingen en ook bij de islamitische gemeenschappen bleek er weinig animo voor te bestaan.

      7.2 Stoere taal

      Minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken spitste het beginnende debat over de buitenlandse imams toe. Tijdens een toespraak in Ankara (1996) zei hij in de richting van Diyanet dat Nederland zelf imams zou gaan opleiden, zodat op den duur geen imams van elders hoefden te worden toegelaten.
      Zijn uitlatingen kregen hier veel bijval. Scholen van het voortgezette onderwijs werden uitgenodigd een voortraject voor een imamopleiding op te starten, maar, zo werd in een brief aan de Kamer (1999) gemeld, geen enkel schoolbestuur had er enige belangstelling voor getoond.46xBrief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid: TK 1999/2000, 26 210, nr. 21, p. 10. De inschakeling van het vo sloot aan bij een vergeefse poging, in 1992/1993 gedaan door de landelijke stichtingen Turks-islamitische culturele federatie en Islamitisch centrum Nederland, om vo-scholen te interesseren voor een vooropleiding tot imam: A. Karagül & K. Wagtendonk, De Imâms, hun taak, hun functie en hun opleiding, Den Haag 1994, p. 23.

      Minister Dijkstal werkte zijn idee uit in een nota Integratiebeleid betreffende etnische minderheden in relatie tot hun geestelijke bedienaren. Inzake het hindoeïsme constateert hij dat de thans werkzame pandits voldoende kennis en ervaring hebben met de Nederlandse samenleving. Voor de opleiding van pandits zijn in eigen kring voldoende mogelijkheden die geen behoefte hebben aan overheidssteun.47xTK 1997/98, 25 919, nr. 2, p. 12.
      Voorzieningen voor een imamopleiding behoren tot de verantwoordelijkheid van de desbetreffende islamitische organisaties. ‘Zodra die opleidingen in Nederland vrucht beginnen af te werpen, zijn aanvragen voor de tewerkstelling van een buitenlandse imam overeenkomstig de Wav effectief af te wegen tegen – prioriteit genietend – Nederlands aanbod.’48xMet ‘Wav’ is de Wet arbeid vreemdelingen bedoeld. TK 1997/98, 25 919, nr. 2, p. 21-25. Daarmee was een piketpaaltje geslagen. De overheid kan in tweede instantie middelen ter beschikking stellen, maar het initiatief tot en de verantwoordelijkheid voor de opzet en inhoud van een imamopleiding in Nederland zijn enkel en alleen een zaak van de geloofsgemeenschappen zelf.

      In 1999 kwam minister Van Boxtel met een beschouwing over godsdienst en levensovertuiging in het licht van het integratiebeleid etnische minderheden. Daarmee wilde hij wat orde scheppen in de warrige discussie die in de Kamer over imamopleidingen werd gevoerd. Zijn uitgangspunt was dat het succes van inspanningen voor het onderwijs en de arbeidsmarkt en ter voorkoming van discriminatie sterk wordt bepaald door de waardesystemen van de mensen die dit aangaat. Daarbij ‘spelen godsdienst en levensovertuiging en meer in het bijzonder kerkgenootschappen en genootschappen van levensbeschouwelijke aard’ een belangrijke rol. Het kabinet wil de maatschappelijke problemen samen met levensbeschouwelijke gemeenschappen tot een oplossing brengen, waarbij ieders positie geëerbiedigd moet worden.
      Overheden moeten zich wel bewust zijn van opvattingen van religieuze groepen die conflicteren met de basiswaarden van de Nederlandse samenleving. Omwille van scheiding van kerk en staat dienen zij zich terughoudend op te stellen zodra het om visies van levensbeschouwelijke aard gaat. Maar als het er op aankomt, prevaleert in het publieke domein de Nederlandse wet- en regelgeving.49xTK 1999/2000, 26 333, nr. 13.
      Een bijzonderheid van deze brief is de invulling van het beginsel van scheiding van kerk en staat. Het was voor het eerst dat het kabinet tot een aanduiding van dit beginsel kwam sinds de intrekking in 1988 van de Wet op de kerkgenootschappen.

      De Tweede Kamercommissie die onder voorzitterschap van S.A. Blok de ontwikkeling van het integratiebeleid – betrekkelijk positief – evalueerde, wijdde weinig aandacht aan religie in het algemeen en aan een imamopleiding. Bij het verzet van Diyanet tegen een Nederlandse opleiding constateerde de commissie de invloed van de overheden van de landen van herkomst als een rem op de integratie te beschouwen. Op een vraag vanuit de Kamer stelde zij dat de overheid zo’n opleiding zou moeten bevorderen, wat erin dient ‘te resulteren dat er binnen afzienbare tijd geen imams van buiten Nederland meer nodig zijn’.50xTK 2003/04, 28 680, nr. 14, antwoord 284. Eindrapport Bruggen Bouwen (19 januari 2004) in TK 2003/04, 28 689, nr. 9, p. 409. In reactie op dit rapport onderstreepte het kabinet de wenselijkheid van zo’n opleiding.51xTK 2003/04, 28 689, nr 17, p. 34-35; zie ook bijlage 2 van deze kabinetsreactie.
      De Kamer op haar beurt bleef hameren op een Nederlandse imamopleiding. Die aandrang culmineerde in een breed gesteunde motie-Bos (november 2004), waarin werd gevraagd ‘uiterlijk per 2008 geen verblijfsvergunningen voor buitenlandse imams meer te verstrekken en in de overgangsperiode slechts tijdelijke verblijfsvergunningen te verlenen met een uiterste looptijd tot 2008’.52xTijdens het debat vanwege de moord op Theo van Gogh: TK 2004/05, 29 854, nr. 10.

      7.3 Opleidingen aan instellingen voor hoger onderwijs

      Om aan de motie-Bos tegemoet te komen kwam minister Verdonk in 2005 voor V&I met een projectsubsidie, onder meer voor de ontwikkeling van een beroepsprofiel van de islamitische geestelijke bedienaar en van een curriculum van een theologische opleiding voor deze beroepsgroep.53xIn een kabinetsnota van 11 mei 2006 is een geestelijk bedienaar in de zin van de Vreemdelingenwet aldus omschreven: ‘een vreemdeling die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, arbeid verricht als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, dan wel ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht of anderszins met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt’ (TK 2005/06, 19 637, nr. 1051, p. 3-4). Inmiddels zijn er drie opleidingen in instellingen van hoger onderwijs gestart. Als eerste opende de Vrije Universiteit een eenjarige masteropleiding en een bacheloropleiding geestelijke verzorging. In 2006 volgden Hogeschool Inholland te Den Haag, met een vierjarige hbo-opleiding tot geestelijk verzorger, en de Rijksuniversiteit Leiden, met een universitaire opleiding Islamitische theologie.54xIntegratienota 2007-2011, p. 122. Beide opleidingen werken samen met een aantal islamitische koepelorganisaties.

      7.4 Inburgering van recent toegelaten geestelijke bedienaren

      In minister Dijkstals nota over geestelijke bedienaren werd een serie cursussen voor imams aangekondigd: een voorbereidingscursus, te geven in Marokko en Turkije, voor imams die een verblijfsvergunning als godsdienstleraar of geestelijk bedienaar hebben aangevraagd, een introductiecursus voor nieuwe imams, een bijscholingscursus voor imams die reeds langer verbleven, en een applicatiecursus voor pastoraal werk in strafinstellingen. Deelname aan zo’n cursus zou overigens niet verplicht zijn.
      Afgezien van de applicatiecursussen is van deze voornemens niet veel terechtgekomen. Alle kaarten werden gezet op uitbreiding van de doelgroepen van de Wet inburgering nieuwkomers van 1997, in de eerste plaats met imams gedurende hun eerste verblijfsjaar.55xTK 1979/98, 25 919, nr. 2, p. 24.

      Per 1 januari 2002 kreeg deze wet een specifieke toepassing op geestelijken van buiten een lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte. Het beginsel van gelijke behandeling noopte de regering tot een uitbreiding tot geestelijken van alle religies. Dezen dienen in het eerste jaar van hun verblijf een inburgeringstraject te doorlopen voor zowel het aanleren van het Nederlands als het kennisnemen van culturele, staatkundige en sociale kenmerken van de Nederlandse samenleving. Bij de politieke beoordeling ervan bleek de wijze waarop daarin aandacht werd gegeven aan homoseksualiteit een belangrijke toetssteen te zijn.
      Sinds 2007 worden het algemene en het op de religieuze functie toegesneden gedeelte, inclusief het taalonderwijs, centraal georganiseerd en afgesloten met een verplicht inburgeringsexamen. Tot nu toe voltooiden 219 geestelijke bedienaren het oriëntatieprogramma (2002-2007) of de inburgeringscursus (20072009).56xOpgave van het Kontakt der Kontinenten te Soesterberg, d.d. 14 januari 2010. Men kan er overigens voor kiezen om zich los van het cursusaanbod voor te bereiden op het inburgeringsexamen.57xVoor naturalisatie is het bezit van het inburgeringscertificaat een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde; er volgt een nieuwe taaltest waarbij hogere eisen aan de (schriftelijke) taalvaardigheid worden gesteld: TK 2005/06, 30 308, nr. 16, p. 50. Een koppeling van naturalisatie aan de resultaatsverplichting met betrekking tot de kennis van de Nederlandse taal en cultuur werd in 2001 voor het eerst voorgesteld door het Kamerlid Verburg (CDA, toen in oppositie): TK 2001/02, 28 006, nr. 6, p. 5. Het cursusprogramma voor het centrale programmadeel is ontwikkeld door het Centrum voor innovatie van opleidingen (Cinop) te ’s-Hertogenbosch, de uitvoering ervan is toevertrouwd aan het Kontakt der Kontinenten (TK 2001/02, 28 198, p. 3).

      7.5 Inburgering van ‘oudkomers’

      Ten slotte zijn sinds 2007 ook die geestelijke bedienaren die reeds langer in Nederland werkzaam zijn (‘oudkomers’), verplicht tot een inburgeringsexamen.58xDe Wet inburgering, TK 2005/06, 30 308, nr. 16, p. 50, verstaat onder oudkomers alle vreemdelingen tussen 18 en 65 jaar die niet minstens acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland hebben gewoond en vóór de invoering van de Wet inburgering nieuwkomers in Nederland woonden. Van deze inburgeringsplicht zijn personen met de nationaliteit van een ander land van de Europese Unie, van een land van de Europese Economische Ruimte, alsook staatsburgers van Zwitserland uitgezonderd. Om die verplichting was gevraagd in een in 2002 aanvaarde motie. Aanleiding daartoe waren uitspraken van enkele imams in een televisieprogramma waarin zij het martelaarschap door zelfmoordaanslagen hadden geprezen en zich negatief hadden uitgelaten over westerse wetten, met als voorbeeld de positie van de vrouw, die indruisen tegen de regels van de islam.59xTK 2001/02, 28 006, nr. 11 en 14.

    • 8 In het kielzog van nine-eleven (2002-nu)

      Vóór 2001, het jaar van de aanslagen op machtscentra in New York en Washington, gaf de Binnenlandse Veiligheidsdienst in zijn jaarverslagen reeds blijk van belangstelling voor ontwikkelingen onder vooral moslims met een Marokkaanse achtergrond. Hij deed dit met als ingang ‘tegenkrachten bij integratie’, maar kwam feitelijk nimmer verder dan de constatering dat ‘een klein aantal’ personen ontvankelijk was voor radicale ideeën. Het enige opmerkelijke feit is de uitwijzing van een Libische imam van een Marokkaanse moskee te Utrecht (2000).

      De verslagen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) over 2002 en later sloegen een andere toon aan.60xVanwege een taakuitbreiding op het terrein van inlichtingeninwinning veranderde de naam ‘Binnenlandse Veiligheidsdienst’ in 2002 in ‘Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst’. Nu luidde de kop ‘Islamistisch terrorisme’. Aandacht werd gegeven aan de rekrutering van jongeren voor een strijdbare islaminterpretatie. Ook werd gewezen op de groeiende aanhang van de salafistische islam. Ook nu blijken moslims van Marokkaanse afkomst het meest gevoelig voor meer radicale interpretaties van hun religie.61xAIVD, Jaarverslag 2003, Den Haag 2004, p. 25 en 35.
      In zijn Jaarverslag 2005 constateerde de AIVD een toenemende interesse van jongeren van Marokkaanse afkomst voor ultraorthodoxe interpretaties van de islam. Zij creëren een ‘tegencultuur’ die niet alleen tegen de Nederlandse samenleving, maar ook tegen de eigen oudere generatie is gericht. Via internet wordt deze ‘knip-en-plak-islam’ verbreid en aangescherpt, aldus de AIVD.62xAIVD, Jaarverslag 2005, Den Haag 2006, p. 40-42.

      8.1 Polarisatie en radicalisering

      In 2005 zette minister Verdonk een preventieve strategie in om de weerbaarheid van moslimjongeren tegen radicale ideeën te vergroten. Actiepunten waren: het vergroten van de kennis van de islam, het vergroten van de vaardigheid om met radicaliseringsprocessen om te gaan, en het verstevigen van de sociale binding met de Nederlandse samenleving.63xTK 2004/05, 29 754, nr. 27; ‘Jaarnota Integratiebeleid 2005’, TK 2005/06, 30 304, nr. 2, p. 54.

      Vooral de radicalisering van jongeren binnen de islam trok de aandacht van de overheid voor de religieuze achtergronden van etnische minderheden. In 2007 lanceerde het kabinet een interdepartementaal project, ‘Terrorismebestrijding’, met ‘weerbaarheid en integratie’ als een van de drie centrale thema’s, en daarin is Verdonks preventieve strategie ingepast.64xEindevaluatie van ‘Weerbaarheid en integratiebeleid’ in COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, ‘Na de schok’, bijlage bij TK 2008/09, 31 143, nr. 66 (maart 2009).
      Aan de basis ervan lag een studie over radicale en democratische moslims met als analyse dat radicalisering wordt bepaald door drie factoren. Veel jongeren zijn op zoek naar zingeving van hun bestaan in Nederland en naar sociale binding. Daarbij staat (politieke) rechtvaardigheid centraal, die zij niet ten aanzien van hun eigen etnische groep gerealiseerd zien. Dat kan leiden tot frustratie en gevoelens van wraak en verzet tegen de in hun ogen onrechtvaardige Nederlandse samenleving.65xF.J. Buijs e.a., Strijders van eigen bodem. Radicale en democratische moslims in Nederland, Amsterdam 2006.

      Dit werd uitgewerkt in het Actieplan polarisatie en radicalisering 2007-2011. Bij de factoren tot radicalisering moet duidelijk worden gemaakt dat Nederland een pluralistische samenleving is met de klemtoon op democratisch burgerschap en loyaliteit aan zijn kernwaarden. De jongeren moeten een pluriform aanbod krijgen van niet-extremistische interpretaties van de islam, en de kennis van religie en cultuur van de ‘nieuwe’ Nederlanders dient bij het autochtone deel van de bevolking te worden vergroot.66xRadicalisering wordt omschreven als ‘een groeiende bereidheid om diep ingrijpende veranderingen in de samenleving (eventueel op ondemocratische wijze) na te streven, te ondersteunen of anderen daartoe aan te zetten’. TK 2006/07, 29 754, nr. 103, p. 8-9, 10, 21-22.
      Als zwaartepunt van dit actieplan werd verwezen naar het gemeentelijke niveau.67xTK 2008/09, 29 754, nr. 141, p. 6-7. Daar moet de boodschap van het actieplan aan de man en in praktijk worden gebracht. Daar is de dialoog tussen religie en samenleving te bevorderen, waarbij ook orthodoxe groeperingen, hoe moeilijk bereikbaar ook, betrokken moeten worden.
      Op landelijk niveau wordt dit sindsdien ondersteund door het Kennis- en adviescentrum polarisatie en radicalisering (Nuansa, Den Haag) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het Samenwerkingsverband van Marokkanen in Nederland, een van de overlegpartners van de rijksoverheid, opende met steun van dat ministerie een website ‘islamwijzer’.68xTK 2007/08, 29 754, nr. 120, p. 5-6.

      8.2 Buitenlandse financiering van moskeeën

      Het debat rond mogelijke radicalisering van moslimjongeren maakte Kamerleden extra gevoelig door een reeks van incidenten: discussie rond de bouw van de Essalaammoskee te Rotterdam met Saoedisch geld, een uitlating van een gezaghebbend orgaan dat Marokkanen moeten worden beschouwd als expats, met dus een blijvende band met en beïnvloeding vanuit het herkomstland, en de tijdelijke overkomst van imams uit Marokko tijdens de ramadanperiode.69xTK 2007/08, 29 754, 3528 (motie); TK 2008/09, 29 754, 1194 (motie). In 2008 werd buitenlandse financiering van moskeeën reden tot een parlementair debat. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bediende de Kamer met een brief waarin zij vooral een geldstroom uit Saoedi-Arabië signaleerde. Daarover stelde zij: fondsenwerving in het buitenland is niet te vermijden, ook christelijke kerken plegen gelden over te maken naar projecten in de derde wereld, en de invloed van Saoedische zijde moet niet worden overdreven. Het kenniscentrum Nuansa verspreidde onder de gemeenten en maatschappelijke instanties een brochure, genaamd ‘Wegwijzer façadepolitiek’ om signalen van salafistische beïnvloeding te onderkennen.70xTK 2008/09, 29 754, nr. 145, p. 3.

    • 9 Terugblik op integratie en religie

      Vóór het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw was religie in het kader van het integratiebeleid van de rijksoverheid inzake etnische minderheden nauwelijks voorwerp van debat. Op deelterreinen werden beleidsmaatregelen getroffen, ingegeven door concrete behoeften van moslims en hindoes.
      In deze periode springt met name de steun voor de bouw en inrichting van gebedshuizen in het oog. De (bescheiden) bijdragen aan moskeeën leidden uiteindelijk tot een botsing tussen christelijke en seculiere partijen, die werd beslecht door de (onbewezen) stelling van minister Dales: er zijn genoeg moskeeën. De 100%-financiering van bouw, inrichting en onderhoud van kerken en moskeeën voor Molukkers stond nimmer ter discussie. Aan de veronderstelde bijzondere positie van de Molukse bevolkingsgroep brandde men zich liever niet.

      Ook de wat dieper gravende beschouwingen van de commissie-Hirsch Ballin gaven geen aanleiding nader op de religieuze dimensie van de samenleving in te gaan. Het pleidooi van de commissie voor een inhaalslag voor kerken, moskeeën en tempels bleek aan dovemansoren gericht te zijn; voor de geestelijke verzorging bij de krijgsmacht en in justitiële inrichtingen heeft zij de aanzet gegeven tot structurele voorzieningen. In het verlengde daarvan werd – wederzijds vrijblijvend – overleg tussen kabinet en religieuze groepen geformaliseerd.

      9.1 De islam

      Uitgerekend tijdens de paarse kabinetten-Kok kwam de islam vol in beeld. Het begon met kritiek op de buitenlandse sturing van de moslimgemeenschappen, met de imams als stenen des aanstoots. De import van imams moest worden verboden zodra een Nederlandse imamopleiding in de feitelijke behoefte kon voorzien. De motie-Bos zette dat in de tijd: in 2008 moest het zo ver zijn. En toen die motie niet werd uitgevoerd, taalde niemand daarnaar. Een specifiek inburgeringstraject met een verplicht eindexamen diende imams en andere buitenlandse geestelijken op het rechte Nederlandse spoor te zetten; het was aanvankelijk bestemd voor de nieuwkomers, maar later ook voor die voorgangers uit den vreemde die hier reeds langer verbleven.

      Het politieke gekissebis kreeg weerklank in een breed gedragen maatschappelijke scepsis over een ‘Nederlandse islam’. Pim Fortuyn, die al eerder Tegen de islamisering had geschreven, dwong de politieke partijen tijdens de verkiezingscampagne van 2002 tot een standpunt over de islam in Nederland.71xTegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament, Utrecht 1997. Uitspraken van enkele imams en vooral de aanslagen van nine-eleven verdeelden de samenleving en gaven het maatschappelijke discours over de islam een grimmig karakter. Het debat concentreerde zich op verschijningsvormen: moskeeën en hun minaretten, hoofddoekjes, boerka’s, imams. Daarachter ging de vraag naar de ‘integreerbaarheid van de islam’ schuil: welke concessies moeten moslims doen om als medeburgers geaccepteerd te worden? De aanslag op Theo van Gogh door iemand die (ook) moslim was en het handjevol verdachten met terroristische bedoelingen leken het gelijk van de islamcritici te bevestigen.
      De vermeende islamisering werd een politiek thema dat een politieke en sociale waterscheiding tot gevolg had. Hierdoor kwam de klemtoon steeds meer op bedreiging van de democratische rechtsorde te liggen. De houding van overheden jegens de moslims werd in toenemende mate bepaald door zorg om de staatsveiligheid. Dat weerspiegelde zich in de Integratienota 2007-2011, waarin als doel van regelmatig contact van de overheid met de moslimgemeenschap werd aangevoerd: ‘het benutten van de potentie van de islam, en de verkleining van de gevaren van radicalisme en extremisme’.72xTK 2007/08, 31 268, nr. 2, p. 16-17.

      9.2 Scheiding van kerk en staat

      Het sinds 1798 geldende beginsel van scheiding van kerk en staat verplicht overheden tot een gelijke behandeling van godsdienstige/levensbeschouwelijke instituties en tot niet-inmenging in de interne aangelegenheden van die gemeenschappen.. De formulering ervan was weliswaar uit de Grondwet 1983 verdwenen, als beginsel bleef het onweersproken. De commissie-Hirsch Ballin had de ruimte voor ‘ongelijke behandeling in ongelijke gevallen’ toegepast als fundament voor overheidssteun aan religieuze groepen met een structurele achterstandspositie. In een democratische rechtsstaat staat het scheidingsbeginsel tevens in dienst van bescherming van de zwakkeren en eerbiediging van de rechten van de minderheid.

      In het parlementaire debat over overheidsbemoeienis met een Nederlandse imamopleiding werden de grenzen van het scheidingsbeginsel meermalen beproefd. De aanvaarde motie-Bos, die een verbod op een verblijfsvergunning na realisering van een Nederlandse ambtsopleiding vroeg, is er een voorbeeld van. Die grenzen werden zeker overschreden in het Actieplan polarisatie en radicalisering, met als doelstelling het ‘stimuleren van pluriform aanbod van (niet-extremistische) interpretaties van de islam’.73xTK 2006/07, 29 754, nr. 103, p. 22. Het kabinet corrigeerde zichzelf in TK 2009/10, 29 614, nr. 22, p. 3: ‘Het is niet aan de overheid te bepalen wie echte salafisten zijn, of welke religieuze standpunten wel of niet juist zijn.’
      Omdat overheden niet hebben te oordelen over de leerstellige inhoud van godsdiensten en levensovertuigingen, staan zij met gebonden handen. Het is niet aan de overheid om tussen interpretaties van het islamitische geloof te kiezen of om bepaalde theologische interpretaties te promoten.74xVereniging van Nederlandse gemeenten, Tweeluik religie en publiek domein, handvatten voor gemeenten, Den Haag 2009, p. 9. ‘Bij de bestrijding van antidemocratisch of ondemocratisch religieus radicalisme mag het dus niet gaan om het tegengaan van (ultra)orthodoxie.’75xP. Dercon, ‘Bescherming van de democratische rechtsorde en de vrijheid van godsdienst’ in: A.J. Nieuwenhuis & C.M. Zoethout (red.), Rechtsstaat en religie, Nijmegen 2009, p. 211. Alleen de (voorgenomen) handeling van een persoon is voorwerp van wetshandhaving.

      De meest pregnante bepaling van de relatie van religie tot integratiebeleid gaf minister Verdonk in 2003: ‘Godsdienst en levensovertuiging zijn geen voorwerp van integratiebeleid maar vormen wel een belangrijke omgevingsfactor van het integratieproces in Nederland.’76xTK 2002/03, 29 203, nr. 2. Bij elke wijze van beleidsbepaling en -uitvoering moeten overheden steeds terdege rekening houden met de eigen waarden en normen van degenen op wie zij hun beleid richten. Deze waarden en normen zijn in algemene zin levensbeschouwelijk beïnvloed en inspireren de opvattingen over vitale terreinen als milieu, arbeid en sociale interactie. Het welslagen van de communicatie tussen overheden en bevolkingsgroepen en van de effectiviteit van overheidsbeleid wordt in hoge mate bepaald door gevoeligheid van overheden voor de basisovertuigingen van de doelgroepen ervan. Meer dan ooit wordt van ambtenaren en politici die met geïmmigreerde bevolkingsgroepen in contact staan, verwacht dat zij inzicht hebben in de levensbeschouwelijke achtergronden van die gemeenschappen.

    Noten

    • 1 De geschiedenis van de Molukkers in Nederland is beschreven in H. Smeets & F. Steijlen, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2006, Amsterdam 2006.

    • 2 Kamerstukken II 1969/70, 10 504, nr. 1, p. 10. In het vervolg wordt deze vindplaats afgekort tot TK.

    • 3 Tractatenblad 1970, 50, art. 15 lid 3 (9 maart 1970).

    • 4 Als voorbeeld is het verdrag met Portugal gekozen: Tractatenblad 1964, 16, art. 16 lid 2 (22 november 1963).

    • 5 Tractatenblad 1964, 142, art. 19 lid 2 (19 augustus 1964).

    • 6 De discussie of de Staat de religie moet beschermen of ook bevorderen is zo oud als het eerste (restrictieve) amendement (1791) op de grondwet van de Verenigde Staten dat het Congres wetgeving verbiedt inzake ‘an establishment of religion’ of beperking van vrijheid van de meningsuiting, de pers, van het recht op vergadering en petitie.

    • 7 Tractatenblad 1969, 87, art. 19 lid 3 (Marokko; 14 mei 1969); Tractatenblad 1971, 82, art. 18 lid 3 (Tunesië; 8 maart 1971).

    • 8 Nota Buitenlandse werknemers, TK 1973/74, 10 504, nr. 2. Deze nota is een vervolg op een nota uit 1970 van de minister van Sociale Zaken die door de Kamer was afgewezen.

    • 9 TK 1976/77, 14 398.

    • 10 TK 1977/78, 14 915, nr. 2.

    • 11 TK 1977/78, 14 915, nr. 13.

    • 12 WRR, Etnische minderheden (Rapport 17), Den Haag 1979.

    • 13 TK 1980/81, 16 102. nr. 5.

    • 14 TK 1982/83, 16 102, nr. 20-21.

    • 15 TK 1982/83, 16 102, nr. 20-21, p. 110-111.

    • 16 Tractatenblad 1981, 76.

    • 17 Staatsblad 1992, 585; 1996, 573.

    • 18 TK 2007/08, 31 571, nr. 2-3; idem 2009/10, 31 571, nr. 5.

    • 19 Staatsblad 2009, 320. De oudste islamitische begraafplaats in Nederland, stammende uit de jaren dertig van de vorige eeuw, bevindt zich op Oud Eijk en Duinen te den Haag.

    • 20 In de Wet primair onderwijs (1996) is bepaald dat godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs tot maximaal 120 uur per jaar binnen de wettelijke schooltijden vallen (art. 50). De Wet op de beroepen in het onderwijs (2004) regelt de bekwaamheidseisen die ook gelden voor leerkrachten voor godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs. Bij amendement van de Tweede Kamer (2009) is voor dit onderwijs in een bekostigingsregeling voorzien.

    • 21 TK 1990/91, 20 868, nr. 3.

    • 22 Smeets & Steijlen, p. 101-103. Een minderheid trad niet toe tot het nieuwe kerkgenootschap en hield als ‘noodgemeente’ de band met de kerk op de Molukken aan.

    • 23 Tot na 1985 beheerde de Dienst der domeinen deze wijken. Sindsdien zijn de woningen overgedragen aan woningcorporaties. Het gemeentebestuur van Woerden, in welke gemeente drie woonoorden waren, zag als enige af van de bouw van een aparte wijk en huisvestte zijn Molukkers verspreid over de gemeente.

    • 24 TK 1986/87, 19705, nr. 6, bijlage.

    • 25 Staatsblad 1962, 538. De wet beperkte premiëring niet tot kerkgebouwen, maar stelde deze ook beschikbaar voor gebouwen om andere genootschappen gelegenheid te geven zich te bezinnen op levensovertuiging. Deze subsidiewet verviel per 1 maart 1975.

    • 26 J.D.J. Waardenburg & J. Goutier, Religieuze voorzieningen voor etnische minderheden in Nederland, Rijswijk 1982.

    • 27 TK 1985/86, 16 102, nr. 99; TK 1986/87, 16 635, nr. 11; TK 1986/87, 16 102, nr. 144.

    • 28 Overheid, godsdienst en levensovertuiging. Eindrapport criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag, Den Haag 1988, p. 62-85.

    • 29 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 83.

    • 30 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 84.

    • 31 TK 1989/90, 20 868, nr. 2; TK 1990/91, 20 868, nr. 3.

    • 32 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 50-51.

    • 33 TK 1989/90, 20 868, nr. 2. De enige uitzondering betreft de facilitering van de bouw en inrichting van mandirs en moskeeën. In 1988 had de staatssecretaris van Defensie een project ter rekrutering van leden van etnische minderheidsgroepen voor de krijgsmacht opgestart (TK 1987/88, 20 849, nr. 2).

    • 34 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 67-69.

    • 35 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, p. 69.

    • 36 Dit geldt niet voor dat deel van de Turkse islam dat het gezag van het (burgerlijke!) Presidium voor godsdienstzaken erkent.

    • 37 In het Surinaams-Nederlandse hindoeïsme hebben de pandits een leerstellige functie. Naast de landelijke hindoefederaties hebben zich priesterraden gevormd die deze federaties een formele legitimiteit verschaffen om als zendende instantie te functioneren.

    • 38 Inmiddels functioneert bij het ministerie van Justitie ook een eenheid voor boeddhistische geestelijke verzorging. Zij is nog niet formeel erkend, mede vanwege het ontbreken van een geëigende masteropleiding. Als zendende instantie fungeert de Boeddhistische unie Nederland.

    • 39 Wet overleg minderhedenbeleid, Staatsblad 1997, 335.

    • 40 TK 2001/02, 28 006, nr. 3, nr. 6 en nr. 17. In het verlengde van deze motie: K. Phalet & J. ter Wal, Moslim in Nederland, een onderzoek naar de religieuze betrokkenheid van Turken en Marokkanen, Den Haag 2004.

    • 41 Ook de Algemene Hindoeraad Nederland krijgt een activiteitensubsidie: Jaarnota Integratiebeleid 2005 in TK 2005/06, 30 304, nr. 2, p. 53.

    • 42 Vele gemeenschappen richtten eigen gebedsruimtes in in huiskamers, kraakpanden en parkeergarages. In 2007 werd hun een eerste multifunctioneel kerkverzamelgebouw met vijf kerkzalen in Amsterdam-Zuidoost ter beschikking gesteld (Reformatorisch Dagblad 19 oktober 2007). Er zijn plannen om in nog twee van zulke gebouwen te voorzien.

    • 43 Diyanet is een dienst binnen de Turkse overheid die toezicht houdt op de inhoud van de islamverkondiging in het land. Het oefent in formele zin gezag uit over moskeeën, imams en moskeebesturen. In Nederland wordt het Presidium vertegenwoordigd door de Islamitische stichting te Den Haag. Zie: J. den Exter, Diyanet, een reis door de keuken van de officiële Turkse islam, Beverwijk 1990.

    • 44 W.A. Shadid & P.S. van Koningsveld, Religie, cultuur en minderheden, Tilburg 1999, p. 70 e.v. Na korte tijd werd deze middelbare imam-hatipschool omgezet in een algemeen lyceum.

    • 45 TK 1993/94, 23 409, nr. 8.

    • 46 Brief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid: TK 1999/2000, 26 210, nr. 21, p. 10. De inschakeling van het vo sloot aan bij een vergeefse poging, in 1992/1993 gedaan door de landelijke stichtingen Turks-islamitische culturele federatie en Islamitisch centrum Nederland, om vo-scholen te interesseren voor een vooropleiding tot imam: A. Karagül & K. Wagtendonk, De Imâms, hun taak, hun functie en hun opleiding, Den Haag 1994, p. 23.

    • 47 TK 1997/98, 25 919, nr. 2, p. 12.

    • 48 Met ‘Wav’ is de Wet arbeid vreemdelingen bedoeld. TK 1997/98, 25 919, nr. 2, p. 21-25.

    • 49 TK 1999/2000, 26 333, nr. 13.

    • 50 TK 2003/04, 28 680, nr. 14, antwoord 284. Eindrapport Bruggen Bouwen (19 januari 2004) in TK 2003/04, 28 689, nr. 9, p. 409.

    • 51 TK 2003/04, 28 689, nr 17, p. 34-35; zie ook bijlage 2 van deze kabinetsreactie.

    • 52 Tijdens het debat vanwege de moord op Theo van Gogh: TK 2004/05, 29 854, nr. 10.

    • 53 In een kabinetsnota van 11 mei 2006 is een geestelijk bedienaar in de zin van de Vreemdelingenwet aldus omschreven: ‘een vreemdeling die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt, arbeid verricht als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, dan wel ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht of anderszins met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt’ (TK 2005/06, 19 637, nr. 1051, p. 3-4).

    • 54 Integratienota 2007-2011, p. 122.

    • 55 TK 1979/98, 25 919, nr. 2, p. 24.

    • 56 Opgave van het Kontakt der Kontinenten te Soesterberg, d.d. 14 januari 2010.

    • 57 Voor naturalisatie is het bezit van het inburgeringscertificaat een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde; er volgt een nieuwe taaltest waarbij hogere eisen aan de (schriftelijke) taalvaardigheid worden gesteld: TK 2005/06, 30 308, nr. 16, p. 50. Een koppeling van naturalisatie aan de resultaatsverplichting met betrekking tot de kennis van de Nederlandse taal en cultuur werd in 2001 voor het eerst voorgesteld door het Kamerlid Verburg (CDA, toen in oppositie): TK 2001/02, 28 006, nr. 6, p. 5. Het cursusprogramma voor het centrale programmadeel is ontwikkeld door het Centrum voor innovatie van opleidingen (Cinop) te ’s-Hertogenbosch, de uitvoering ervan is toevertrouwd aan het Kontakt der Kontinenten (TK 2001/02, 28 198, p. 3).

    • 58 De Wet inburgering, TK 2005/06, 30 308, nr. 16, p. 50, verstaat onder oudkomers alle vreemdelingen tussen 18 en 65 jaar die niet minstens acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland hebben gewoond en vóór de invoering van de Wet inburgering nieuwkomers in Nederland woonden. Van deze inburgeringsplicht zijn personen met de nationaliteit van een ander land van de Europese Unie, van een land van de Europese Economische Ruimte, alsook staatsburgers van Zwitserland uitgezonderd.

    • 59 TK 2001/02, 28 006, nr. 11 en 14.

    • 60 Vanwege een taakuitbreiding op het terrein van inlichtingeninwinning veranderde de naam ‘Binnenlandse Veiligheidsdienst’ in 2002 in ‘Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst’.

    • 61 AIVD, Jaarverslag 2003, Den Haag 2004, p. 25 en 35.

    • 62 AIVD, Jaarverslag 2005, Den Haag 2006, p. 40-42.

    • 63 TK 2004/05, 29 754, nr. 27; ‘Jaarnota Integratiebeleid 2005’, TK 2005/06, 30 304, nr. 2, p. 54.

    • 64 Eindevaluatie van ‘Weerbaarheid en integratiebeleid’ in COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement, ‘Na de schok’, bijlage bij TK 2008/09, 31 143, nr. 66 (maart 2009).

    • 65 F.J. Buijs e.a., Strijders van eigen bodem. Radicale en democratische moslims in Nederland, Amsterdam 2006.

    • 66 Radicalisering wordt omschreven als ‘een groeiende bereidheid om diep ingrijpende veranderingen in de samenleving (eventueel op ondemocratische wijze) na te streven, te ondersteunen of anderen daartoe aan te zetten’. TK 2006/07, 29 754, nr. 103, p. 8-9, 10, 21-22.

    • 67 TK 2008/09, 29 754, nr. 141, p. 6-7.

    • 68 TK 2007/08, 29 754, nr. 120, p. 5-6.

    • 69 TK 2007/08, 29 754, 3528 (motie); TK 2008/09, 29 754, 1194 (motie).

    • 70 TK 2008/09, 29 754, nr. 145, p. 3.

    • 71 Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament, Utrecht 1997.

    • 72 TK 2007/08, 31 268, nr. 2, p. 16-17.

    • 73 TK 2006/07, 29 754, nr. 103, p. 22. Het kabinet corrigeerde zichzelf in TK 2009/10, 29 614, nr. 22, p. 3: ‘Het is niet aan de overheid te bepalen wie echte salafisten zijn, of welke religieuze standpunten wel of niet juist zijn.’

    • 74 Vereniging van Nederlandse gemeenten, Tweeluik religie en publiek domein, handvatten voor gemeenten, Den Haag 2009, p. 9.

    • 75 P. Dercon, ‘Bescherming van de democratische rechtsorde en de vrijheid van godsdienst’ in: A.J. Nieuwenhuis & C.M. Zoethout (red.), Rechtsstaat en religie, Nijmegen 2009, p. 211.

    • 76 TK 2002/03, 29 203, nr. 2.