Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Een mijlpaal op weg naar maatschappelijke uitsluiting

Over het SGP-arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010

Trefwoorden discriminatie, godsdienstvrijheid, sociale uitsluiting
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Matthijs de Blois, 'Een mijlpaal op weg naar maatschappelijke uitsluiting', TvRRB 2010-3, p. 61-69

Dit artikel wordt geciteerd in

    • De SGP maakt volgens de Hoge Raad inbreuk op het grondrecht van vrouwen om toegelaten te worden tot het passief kiesrecht en de Staat handelt onrechtmatig door daar niets aan te doen. Anders dan de Hoge Raad pretendeert is van een serieuze afweging tussen het discriminatieverbod en de vrijheden van godsdienst en vereniging geen sprake. De voorkeur voor het gelijkheidsbeginsel is gebaseerd op een formalistische opvatting van democratie, die geen recht doet aan het belang van de representatie van alle maatschappelijke stromingen, waaronder van de dominante norm afwijkende minderheden. Het arrest past in een bedenkelijke trend van maatschappelijke uitsluiting van orthodoxe gelovigen.

    • 1 Inleiding

      De Hoge Raad heeft op 9 april 2010 zijn machtswoord gesproken.1xHR 9 april 2010, LJN BK4549. De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) maakt volgens ons hoogste rechtscollege inbreuk op het grondrecht van vrouwen om toegelaten te worden tot het passief kiesrecht en de Staat handelt onrechtmatig door daar niets aan te doen. De zaak is zoals bekend aangespannen door een aantal mensenrechtenorganisaties (hierna Clara Wichmann c.s.) die, zacht gezegd, totaal geen affiniteit hebben met de SGP of met de vrouwen uit de achterban van die partij. Zij hebben uit die kring geen enkele vrouw kunnen vinden die bereid was een procedure te voeren tegen de SGP of de Staat om tegen schending van haar recht op te komen. Dat heeft Clara Wichmann c.s. er niet van weerhouden te procederen. Het motto is kennelijk, met een variant op Rousseau: men zal hen dwingen om gelijk te zijn.2xVgl. Rousseau: ‘Afin que le pacte social ne soit pas un vain formulaire, il renferme tacitement cet engagement, qui seul peut donner de la force aux autres, que quiconque refusera d’obéir à la volonté générale y sera contraint par tout le corps: ce qui ne signifie autre chose sinon qu’on le forcera d’être libre’ (cursivering van mij; MdB). Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social ou principes du Droit Politique (1762), Livre Premier VII, René Hilsum, Éditeur à Paris 1933, p. 28. De rechtsstrijd heeft daardoor een sterke ideologische lading gekregen. Coûte que coûte moest het aan de verlichting ontleende gelijkheidsideaal prevaleren boven de hier en daar in de samenleving nog gekoesterde orthodox-christelijke opvattingen over de verhouding van man en vrouw. De Hoge Raad bleek bereid zijn steun te geven aan het volhardend streven van Clara Wichmann c.s. en heeft daarmee een mijlpaal opgericht op de weg naar de maatschappelijke uitsluiting van de kleine groep orthodoxe gelovigen in Nederland. Gevreesd moet worden dat dit arrest gevolgen zal hebben, ook buiten het terrein van het kiesrecht.
      Op een aantal aspecten van het arrest van de Hoge Raad wil ik in deze bijdrage ingaan.3xZie ook de bespreking van dit arrest door Sophie van Bijsterveld in het vorige TvRRB-nummer (2010, nr. 2). Om te beginnen de wijze waarop de ‘afweging’ van de in het geding zijnde grondrechten aan de orde komt. In dat verband ga ik ook in op de door de Hoge Raad gehuldigde democratieopvatting. Verder plaats ik het arrest in het bredere kader van de positie van orthodoxe gelovigen in de huidige seculiere samenleving. Het vermoeden dat zij in Nederland (en daarbuiten) in toenemende mate te maken hebben met vormen van maatschappelijke uitsluiting lijkt door de uitspraak van de Hoge Raad te worden bevestigd. De slotsom is dat het arrest de oorspronkelijke betekenis van de grondrechten heeft veranderd in haar tegendeel.

    • 2 De afweging

      De Hoge Raad plaatst de aan hem voorgelegde rechtsvraag, evenals de lagere rechters en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die zich over de ‘SGP vrouwenkwestie’ hebben gebogen, in het kader van de botsing van grondrechten. Het recht op gelijke behandeling oftewel het discriminatieverbod, toegespitst op de grond geslacht, staat tegenover de vrijheden van godsdienst en vereniging. In de woorden van de Hoge Raad: ‘dat het grondrecht op gelijke behandeling van vrouwen, zoals neergelegd in onder andere art. 7 Vrouwenverdrag, in een specifiek geval in botsing kan komen met andere, evenzeer zwaarwegende grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en van vereniging, en dat dan moet worden afgewogen aan welke van die grondrechten voorrang moet worden gegeven’ (r.o. 4.5.2) [mijn cursivering; MdB]. De Hoge Raad meent dat de uitkomst van die afweging niet al op voorhand is vastgelegd in artikel 7 van het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen, kortweg aangeduid als Vrouwenverdrag (hierna: VV), zoals gesteld door Clara Wichmann c.s. Deze overweging wekt verwachtingen die niet worden waargemaakt. De Hoge Raad bewijst lippendienst aan de ‘afweging’, maar komt daar niet echt aan toe.
      Een serieuze afweging brengt immers mee dat de betekenis van elk der conflicterende rechten in de omstandigheden van het concrete geval, en gelet op de belangen van de direct betrokkenen en van de samenleving als geheel, in de beoordeling worden betrokken. In het vervolg willen we de grondrechten die in deze casus tegenover elkaar staan, nader bezien.

      2.1 Vrijheid van godsdienst en van vereniging

      Welk gewicht kent de Hoge Raad toe aan de door de SGP ingeroepen grondrechten? Hij overweegt in rechtsoverweging 4.5.3:

      ‘De grondrechten van vrijheid van godsdienst en van vereniging – en uiteraard ook de vrijheid van meningsuiting die voor de kwestie die thans aan de orde is naast de zojuist genoemde grondrechten geen noemenswaardige zelfstandige rol speelt – waarborgen dat burgers zich in een politieke partij kunnen verenigen op de grondslag van een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging en in het kader van die partij hun overtuiging en daarop gebaseerde politieke beginselen en programma’s kunnen uitdragen. In een democratische rechtsstaat mag echter aan die beginselen en programma’s slechts praktische uitvoering worden gegeven met inachtneming van de grenzen die hieraan worden gesteld door de wetten en verdragen.’

      Wat opvalt is dat de strekking grondrechten van godsdienst en vereniging in belangrijke mate wordt gereduceerd tot het organiseren van een partij op een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag en het uitdragen daarvan. Over de op die grondslag gebaseerde praxis wordt slechts gezegd dat deze moet blijven binnen de grenzen van wetten en verdragen. Of de SGP in casu is gebleven binnen de door wetten en verdragen gestelde grenzen, is de vraag die de Hoge Raad moet beantwoorden. Dat moet volgens zijn eigen uitgangspunt niet alleen gebeuren aan de hand van artikel 7 VV, maar ook aan de hand van wat wetten en verdragen bepalen aangaande de vrijheden van godsdienst en vereniging. Had de Hoge Raad die serieus genomen, dan zou in ieder geval het volgende naar voren zijn gekomen.
      Artikel 6 lid 1 van de Grondwet erkent de vrijheid van godsdienst en deze houdt in het recht om een godsdienst individueel of in gemeenschap met anderen te belijden. Dit belijden omvat, blijkens de memorie van toelichting, ‘niet alleen het huldigen van de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging maar ook het zich daarnaar gedragen’.4xZie Algehele grondwetsherziening, eerste lezing, deel 1a Grondrechten, Den Haag 1979, p. 29. Dat ziet dus ook op collectieve gedragingen, zoals die in het kader van een politieke partij op godsdienstige grondslag. Het belang van de godsdienstvrijheid en dus ook van dit aspect daarvan wordt nog eens onderstreept door het gegeven dat van artikel 6 lid 1 niet afgeweken kan worden in uitzonderingstoestanden (art. 103 Grondwet). Volgens artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) geldt hetzelfde voor de in artikel 18 van dat verdrag gegarandeerde godsdienstvrijheid. In deze bepaling is, evenals in het parallelle internationale voorschrift in artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), sprake van het recht niet alleen om een godsdienst of overtuiging aan te hangen, maar ook om deze te belijden. Dat wil zeggen het recht ‘zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften’.5xHet citaat is uit de Nederlandse vertaling van art. 9 EVRM. Art. 18 IVBPR hanteert een andere woordvolgorde, maar is zakelijk gelijk aan zijn Europese evenknie. Met name dat laatste is van belang voor de SGP-casus.
      Ook moet erop worden gewezen dat het belang van de vrijheid van godsdienst voor de democratie is onderstreept door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn eerste uitspraak waarin deze vrijheid centraal staat:

      ‘As enshrined in Article 9, freedom of thought, conscience and religion is one of the foundations of a “democratic society” within the meaning of the Convention. It is, in its religious dimension, one of the most vital elements that go to make up the identity of believers and their conception of life, but it is also a precious asset for atheists, agnostics, sceptics and the unconcerned. The pluralism indissociable from a democratic society, which has been dearly won over the centuries, depends on it.’6xEHRM 25 mei 1993 (Kokkinakis vs. Greece), NJCM-Bulletin 1993, p. 702, par. 31.

      In opeenvolgende uitspraken wordt dit in vrijwel identieke bewoordingen herhaald.7xOm enkele van de vele voorbeelden te noemen: EHRM 10 november 2005, (Leyla Sahin vs. Turkije), NJCM-Bulletin, 2005, p. 219, par. 104; EHRM 5 oktober 2006, (Moscow Branch of the Salvation Army vs. Rusland), NJCM-Bulletin 2007, p. 858, par. 57. Het pluralisme waar het Hof naar verwijst is in de verdragsstaten sinds het arrest van 1993 alleen nog maar toegenomen. Het is bijzonder jammer dat de Hoge Raad in de onderhavige uitspraak, waarin het pluralisme van onze democratie zozeer centraal staat, geen enkele aandacht heeft besteed aan de geciteerde passage van het Hof te Straatsburg. Had ons hoogste rechtscollege dat wel gedaan, dan zou het feit dat een van de meerderheidsopinie afwijkende godsdienstige opvatting en praktijk in het geding was meer gewicht in de schaal hebben gelegd.
      De Hoge Raad had zich verder moeten realiseren dat juist in verband met de vaststelling van de reikwijdte van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de nationale traditie in de ogen van het EHRM een belangrijk oriëntatiepunt mag zijn als het gaat om de afweging van grondrechten.8xZie bijv. EHRM 20 september 1994 (Otto Preminger Institut vs. Oostenrijk), NJCM-Bulletin 1995, p. 176. Hij had zich dan ook, mede gelet op de vrijheid van vereniging, rekenschap moeten geven van de ontwikkeling van de Nederlandse partijendemocratie, waarin juist van oudsher het religieuze en levensbeschouwelijke pluralisme van onze samenleving tot uitdrukking kon komen. De Hoge Raad had bij de bepaling van het relatieve gewicht van de rechten van de SGP voorts niet voorbij mogen gaan aan de rijke traditie van de geestelijke vrijheid in ons land, die altijd garant heeft gestaan voor een ruimhartige erkenning van de rechten van minderheden die een van de dominante norm afwijkende visie uitdragen en uitleven. Een voorbeeld daarvan is de brede erkenning van gewetensvrijheid in onze rechtsorde; denk maar aan de wetgeving op het terrein van verplichte verzekeringen of de Wet afbreking zwangerschap. Een ander voorbeeld is de vrijwel unieke garantie van de onderwijsvrijheid in artikel 23 van de Grondwet. De Hoge Raad erkende in 1988 in het Maimonides-arrest9xHR 22 januari 1988, NJ 1988, 891. dat uit die bepaling het recht voortvloeit om een op religieuze gronden gebaseerd toelatingsbeleid voor leerlingen te voeren, dat onder omstandigheden prevaleert boven een uit het recht op gelijke behandeling voortvloeiende claim.

      2.2 Discriminatieverbod

      Tegenover de vrijheden van godsdienst en vereniging ligt het verbod van discriminatie op grond van geslacht in de schaal. Bij de vaststelling van het relatieve gewicht daarvan in verband met de SGP had ons hoogste rechtscollege het volstrekt ideologische karakter van wat eerder genoemd is ‘de kruistocht van Clara Wichmann tegen de SGP’ in rekening kunnen brengen.10xR. Schutgens & J. Sillen, ‘De SGP, het rechterlijk bevel en het kiesrecht’, NJB 2010, 17, p. 1114-1117. Het gaat om de bevestiging van het eigen gelijk zonder dat daarmee enig concreet belang wordt gediend, nu geen enkele SGP-vrouw ook maar iets voelde voor de procedure. Voor u, over u en zonder u. Blijkens berichten in de pers bestaat er onder vrouwen in de SGP-kring veel verontwaardiging over dit feministisch paternalisme!11xZie bijv. M. Langelaar-Verhoeks & G. Waterman, Trouw 12 april 2010.
      Het zou ook de moeite waard geweest zijn als de Hoge Raad bij de vraag naar de schending van het gelijkheidsbeginsel nadrukkelijk was ingegaan op de motieven achter het vrouwenstandpunt van de SGP. Dit is niet ingegeven door het idee dat vrouwen in vergelijking met mannen minderwaardig zijn. En dat idee van minderwaardigheid is toch de kern van het discriminatiebegrip. Minister De Gaay Fortman typeerde indertijd tijdens de Kamerbehandeling van de nieuwe Grondwet heel treffend discriminatie als het behandelen van een ander op een zodanige wijze dat hij een ander op grond van bepaalde aspecten als onvolwaardig beschouwt.12xZie Algehele grondwetsherziening, eerste lezing, deel Ia Grondrechten, ’Den Haag 1979, p. 442. Daarvan is in casu geen sprake. Ook de SGP stelt de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, als beiden geschapen naar Gods beeld, voorop en stemt daarmee in met een fundamenteel beginsel van onze rechtsorde. Zij voegt daar wel een bepaalde visie op de verschillende rol van mannen en vrouwen ten aanzien van de politiek aan toe, daarbij verwijzend naar de positie van mannen en vrouwen in de scheppingsorde. Die visie als zodanig is theologisch omstreden, maar dat maakt het niet onmogelijk om haar als integer te beschouwen.13xZie ook M. de Blois, ‘De Mannenpartij en het Vrouwenverdrag’, Nemesis 2002, 6, p. 173-179. Tigchelaar spreekt in dat verband van een interpretatie van gelijkwaardigheid als complementariteit, daarbij kennelijk doelend op een complementaire rol van mannen en vrouwen.14xJ. Tigchelaar, ‘De politieke partij, de trouwambtenaar en de imam’, Nemesis 2002, 4, p.71-74, op p. 74.
      Verder had in de overwegingen ten aanzien van het relatieve gewicht van het recht op gelijke behandeling betrokken dienen te worden dat de SGP geen enkele vrouw verhindert om zich al dan niet in het kader van een andere partij te kandideren voor een vertegenwoordigend lichaam. De uitsluiting van vrouwen van het passieve kiesrecht is dan ook zeer betrekkelijk.
      Ten slotte moet nog maar eens worden onderstreept dat vrouwen met politieke ambities en opvattingen die overeenkomen met die van de SGP, volkomen vrij zijn een nieuwe partij op te richten die vrouwen kandideert. Ook kunnen vrouwen zich aansluiten bij verwante partijen zoals de ChristenUnie (CU), waar vrouwen wel kandidaat gesteld worden, of het CDA, dat in het algemeen ook enkele mensen uit de meer orthodox-christelijke hoek op de kandidatenlijst plaatst.
      In het licht van het voorgaande zou de conclusie gerechtvaardigd zijn dat de schending van het discriminatieverbod niet van een zodanige ernst is dat daardoor de inbreuk op de vrijheden van godsdienst en vereniging gerechtvaardigd zou kunnen worden.

    • 3 Opvattingen over democratie

      Uit het arrest blijkt dat de prioriteit die de Hoge Raad geeft aan het discriminatieverbod boven de vrijheden van godsdienst en vereniging, gebaseerd is op een welbepaalde opvatting over democratie. Hij ziet de kern daarvan in de uitoefening van het individuele kiesrecht. Dat blijkt duidelijk uit rechtsoverweging 4.5.5:

      ‘Aangezien aldus het kunnen uitoefenen van het passief kiesrecht het democratisch functioneren van de staat in de kern raakt, is onaanvaardbaar dat een politieke groepering bij het samenstellen van de kandidatenlijst in strijd handelt met een grondrecht dat de kiesrechten van alle burgers waarborgt, ook al berust dit handelen op een voor die groepering in haar godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging wortelend beginsel. In zoverre weegt het discriminatieverbod in art. 4 Gw., art. 25 in verband met art. 2 IVBPR en, toegespitst op de onderhavige kwestie, art. 7 Vrouwenverdrag zwaarder dan de andere in het geding zijnde grondrechten.
      Uit het voorgaande volgt dat de inbreuk die de SGP maakt op het door de Grondwet en de genoemde verdragen gewaarborgde grondrecht van vrouwen om op gelijke voet als mannen toegelaten te worden tot het passief kiesrecht, niet wordt gerechtvaardigd doordat haar opvatting ten aanzien van de roeping en de plaats van de vrouw in de maatschappij direct wortelt in haar godsdienstige overtuiging. (…)’

      De Hoge Raad kiest voor de individualistische en formalistische opvatting van democratie. De enkele vaststelling dat de SGP op grond van haar Program van Beginselen vrouwen uitsluit van kandidaatstelling namens deze partij in vertegenwoordigende lichamen, maakt dat het democratisch functioneren van de staat in de kern wordt geraakt. Die conclusie ligt echter in het geheel niet voor de hand als de Hoge Raad was uitgegaan van een andere, veel meer materiële invulling van het begrip democratie. Die invulling past veel beter bij de in Nederland en veel andere westerse staten reeds lang bestaande traditie van de partijendemocratie. Daarin staat de gedachte centraal dat de leden van de vertegenwoordigende lichamen geacht worden het algemeen belang te dienen vanuit politieke beginselen, die belichaamd zijn in politieke partijen. Die politieke beginselen zijn geworteld in de uiteenlopende visies op mens en wereld, die in een pluriforme samenleving nu eenmaal voorhanden zijn. Op die wijze kan optimaal recht worden gedaan aan de veelkleurigheid van de samenleving. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak inzake de subsidieverlening aan de SGP gekozen voor deze opvatting van democratie. Zij refereert in dat verband aan ‘het algemeen belang bij een afdoende vertegenwoordiging van het gehele electoraat zoals daaraan in het Nederlandse staatsbestel is vormgegeven. Daarbij gaat het ook om de vertegenwoordiging van kleine minderheden met van de heersende opvattingen afwijkende denkbeelden, zolang deze niet handelen in strijd met het strafrecht’.15xABRvS 5 december 2007, inzake de SGP tegen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2.13.1. Verderop wordt gerefereerd aan ‘het algemeen belang dat is betrokken bij een brede weerspiegeling in het geheel van politieke partijen van de maatschappelijke, levensbeschouwelijke, ideologische en religieuze stromingen in de samenleving. Hiermee is gewaarborgd dat het binnen die stromingen levende gedachtegoed wordt verwoord binnen het democratisch staatsbestel waarin het politieke debat over de publieke besluitvorming plaatsvindt.’16xIdem 2.14.1. Toegespitst op de SGP-visie op de rol van de vrouw (en op de subsidiekwestie) overweegt de Afdeling ten slotte:

      ‘Ook een partij wier gedachtegoed wat betreft de gelijkheid en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen afwijkt van heersende opvattingen en actuele rechtsontwikkelingen, dient, behoudens ieders verantwoordelijkheid ingevolge het strafrecht, onbelemmerd te kunnen deelnemen aan het publieke debat. Het uitsluiten van een dergelijke politieke partij van subsidiëring zou haar ten opzichte van de andere partijen in een aanmerkelijk nadeliger positie brengen in een context waarin alle partijen juist op gelijke voet aan het parlementaire debat moeten kunnen deelnemen. Daardoor zou de legitimiteit van de uitkomst van het debat worden ondermijnd.’17xIdem 2.14.2.

      De democratieopvatting van de Hoge Raad staat hier diametraal tegenover en komt erop neer dat in het democratisch bestel geen plaats meer is voor een partij die een aan haar godsdienstige grondslag ontleende opvatting over de man-vrouwverhouding huldigt die afwijkt van die van de overgrote meerderheid van de samenleving. In naam van de gelijkheid wordt daarmee de discriminatie op grond van godsdienst bevorderd. En deze discriminatie is niet slechts van theoretische betekenis, maar zeer reëel, gezien het aantal mensen (SGP-leden en -stemmers) dat daar daadwerkelijk door wordt getroffen.

    • 4 Een monument van liberale intolerantie

      Het arrest van de Hoge Raad staat niet op zichzelf. In Nederland en elders in de westerse wereld zien we steeds meer voorbeelden van intolerantie jegens orthodox gelovige minderheden. Het gaat paradoxaal genoeg om een intolerantie die gepredikt wordt in naam van de vrijheid, gelijkheid en verdraagzaamheid. Wat dat betreft is er een treffende overeenkomst met de wijze waarop liberale politici in de negentiende eeuw de vertegenwoordigers van de orthodoxe gelovigen tegemoet traden tijdens de schoolstrijd. Beroemd of zo men wil berucht zijn de op 8 december 1874 door de liberale voorman mr. J. Kappeyne van de Coppello uitgesproken woorden met betrekking tot de door dr. Abraham Kuyper aangevoerde minderheid van antirevolutionairen: ‘Welnu, dan moet die minderheid maar worden onderdrukt, want dan is zij de vlieg, die de gansche zalf bederft, en heeft zij in onze maatschappij geen recht van bestaan.’18xZie P.A. Diepenhorst, Onze strijd in de Staten-Generaal, Deel I De Schoolstrijd, Amsterdam 1927, p. 331. Kappeyne had uiteraard de Bijbelse allusie (Prediker 10:1) met zorg gekozen. Reeds toen werd verdedigd dat wie de ideologie van de verlichting niet omarmt, niet meer mag meedoen in de samenleving. In onze tijd klinkt die roep nog veel luider en niet alleen in Nederland. We herinneren ons hoe in 2004 de beoogde Eurocommissaris Buttiglione voor het Europees Parlement onaanvaardbaar was vanwege zijn conservatief-christelijke opvattingen over het huwelijk.19xZie M. de Blois, ‘Triomf voor de democratie? Tragedie voor de mensenrechten!’, NJB 2004, 44, p. 2288-2289. In het Verenigd Koninkrijk heeft het Supreme Court onlangs het exclusieve toelatingsbeleid van een orthodox-joodse school in strijd geoordeeld met het discriminatieverbod.20xR (E) vs. Governing Body of JFS and other [2009] UKSC 15 (16 december 2009). De casus komt overeen met die welke ten grondslag ligt aan het Maimonides-arrest van de Hoge Raad. Van eigen bodem is de door de Commissie gelijke behandeling geadviseerde uitsluiting van de gewetensbezwaarde trouwambtenaar in naam van de gelijkheid.21xZie Commissie gelijke behandeling, Advies 2008-04 ‘Trouwen? Geen bezwaar!’. Steeds luider klinken de pleidooien voor inperking van vrijheid van bijzondere scholen om een op hun grondslag gebaseerd toelatingsbeleid te voeren. Een daartoe strekkend wetsontwerp ligt nu bij de Tweede Kamer.22xKamerstukken 2005/06, 30 417, nr. 2. Het seculiere verzet tegen artikel 23 van de Grondwet is groeiende.23xZie bijv. P. van Schie, ‘Artikel 23 is niet liberaal’, Trouw 3 december 2005. Christelijke hulpverleningsinstanties krijgen steeds meer tegenwerking van gemeenteraden. Exemplarisch is de veelbesproken motie van de Amsterdamse gemeenteraad om geen levensbeschouwelijke hulpverleningsorganisaties in te schakelen als deze bij het werven van personeel onderscheid maken op grond van godsdienst. Het college van B&W van de hoofdstad heeft overigens terecht besloten de motie niet uit voeren.24xZie Reformatorisch Dagblad 19 en 20 november 2009 en 8 december 2009. Zelfs binnenkerkelijke praktijken worden niet ontzien. Serieuze politici nemen het op voor verstoorders van een misviering in verband met de door het betreffende kerkgenootschap gehuldigde en gepraktiseerde opvattingen over seksualiteit, die door de buitenwacht als verwerpelijk en strijdig met het gelijkheidsdogma worden beschouwd.25xZie bijv. Katholiek Nieuwsblad 28 februari 2010.
      Van een rechterlijk college en zeker van de Hoge Raad zou men verwachten dat hij afstand bewaart tot heersende maatschappelijke en politieke trends wanneer de rechten van minderheden op het spel staan. Helaas is dat in casu niet het geval geweest. Wij leren onze studenten dat in een democratische rechtsstaat de minderheden het moeten hebben van de toepassing van grondrechten en van het optreden van de onafhankelijke rechter. Sinds 9 april 2010 kunnen we dat eigenlijk niet meer zeggen. Het gelijkheidsbeginsel, ooit bedoeld om maatschappelijke uitsluiting van minderheidsgroepen te voorkomen, blijkt gelet op het arrest van de Hoge Raad een effectief instrument om maatschappelijke uitsluiting te bevorderen.

    Noten

    • * De auteur dankt mr. P. Boswijk voor de vruchtbare gesprekken over het SGP-arrest.
    • 1 HR 9 april 2010, LJN BK4549.

    • 2 Vgl. Rousseau: ‘Afin que le pacte social ne soit pas un vain formulaire, il renferme tacitement cet engagement, qui seul peut donner de la force aux autres, que quiconque refusera d’obéir à la volonté générale y sera contraint par tout le corps: ce qui ne signifie autre chose sinon qu’on le forcera d’être libre’ (cursivering van mij; MdB). Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social ou principes du Droit Politique (1762), Livre Premier VII, René Hilsum, Éditeur à Paris 1933, p. 28.

    • 3 Zie ook de bespreking van dit arrest door Sophie van Bijsterveld in het vorige TvRRB-nummer (2010, nr. 2).

    • 4 Zie Algehele grondwetsherziening, eerste lezing, deel 1a Grondrechten, Den Haag 1979, p. 29.

    • 5 Het citaat is uit de Nederlandse vertaling van art. 9 EVRM. Art. 18 IVBPR hanteert een andere woordvolgorde, maar is zakelijk gelijk aan zijn Europese evenknie.

    • 6 EHRM 25 mei 1993 (Kokkinakis vs. Greece), NJCM-Bulletin 1993, p. 702, par. 31.

    • 7 Om enkele van de vele voorbeelden te noemen: EHRM 10 november 2005, (Leyla Sahin vs. Turkije), NJCM-Bulletin, 2005, p. 219, par. 104; EHRM 5 oktober 2006, (Moscow Branch of the Salvation Army vs. Rusland), NJCM-Bulletin 2007, p. 858, par. 57.

    • 8 Zie bijv. EHRM 20 september 1994 (Otto Preminger Institut vs. Oostenrijk), NJCM-Bulletin 1995, p. 176.

    • 9 HR 22 januari 1988, NJ 1988, 891.

    • 10 R. Schutgens & J. Sillen, ‘De SGP, het rechterlijk bevel en het kiesrecht’, NJB 2010, 17, p. 1114-1117.

    • 11 Zie bijv. M. Langelaar-Verhoeks & G. Waterman, Trouw 12 april 2010.

    • 12 Zie Algehele grondwetsherziening, eerste lezing, deel Ia Grondrechten, ’Den Haag 1979, p. 442.

    • 13 Zie ook M. de Blois, ‘De Mannenpartij en het Vrouwenverdrag’, Nemesis 2002, 6, p. 173-179.

    • 14 J. Tigchelaar, ‘De politieke partij, de trouwambtenaar en de imam’, Nemesis 2002, 4, p.71-74, op p. 74.

    • 15 ABRvS 5 december 2007, inzake de SGP tegen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2.13.1.

    • 16 Idem 2.14.1.

    • 17 Idem 2.14.2.

    • 18 Zie P.A. Diepenhorst, Onze strijd in de Staten-Generaal, Deel I De Schoolstrijd, Amsterdam 1927, p. 331. Kappeyne had uiteraard de Bijbelse allusie (Prediker 10:1) met zorg gekozen.

    • 19 Zie M. de Blois, ‘Triomf voor de democratie? Tragedie voor de mensenrechten!’, NJB 2004, 44, p. 2288-2289.

    • 20 R (E) vs. Governing Body of JFS and other [2009] UKSC 15 (16 december 2009). De casus komt overeen met die welke ten grondslag ligt aan het Maimonides-arrest van de Hoge Raad.

    • 21 Zie Commissie gelijke behandeling, Advies 2008-04 ‘Trouwen? Geen bezwaar!’.

    • 22 Kamerstukken 2005/06, 30 417, nr. 2.

    • 23 Zie bijv. P. van Schie, ‘Artikel 23 is niet liberaal’, Trouw 3 december 2005.

    • 24 Zie Reformatorisch Dagblad 19 en 20 november 2009 en 8 december 2009.

    • 25 Zie bijv. Katholiek Nieuwsblad 28 februari 2010.

De auteur dankt mr. P. Boswijk voor de vruchtbare gesprekken over het SGP-arrest.

Print dit artikel