Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Het smalle pad van Jan Donner

De ontstaansgeschiedenis van de Lex Donner 1932

Trefwoorden Jan Donner
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ben Koolen, 'Het smalle pad van Jan Donner', TvRRB 2011-1, p. 72-85

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Boven de politieke markt hangt sinds eind 2009 een initiatief van het Tweede Kamerlid Van der Ham c.s. om uit artikel 147 en 429 Wetboek van Strafrecht (Sr) het verbod op godslastering te schrappen. Om dat voorstel te beoordelen is het van belang de bedoelingen van de wetgever in herinnering te roepen die aan de verbodsbepaling ten grondslag liggen. Daartoe wordt in dit artikel de ontstaansgeschiedenis (1930-1932) geanalyseerd van wat de Lex Donner is gaan heten.

    • Aanvankelijk was het buiten de enge kring van ijveraars voor de Communistische Partij Holland (CPH) niemand opgevallen. Daags voor Kerstmis 1930 opende hun dagblad De Tribune met de kop ‘Weg met het Kerstfeest!’: badinerende alinea’s over christenen en sociaaldemocraten, om vervolgens zonder overgang de god van de kapitalisten ten tonele te voeren. En dat in nogal plastische termen:

      ‘O hij is een bijzonder groot genot, die goeie god! Hij is een buitengewoon bruikbaar ding! Hij marcheert voorop in de oorlogsvoorbereiding, hij verleent glans aan de lastercampagne tegen de Sovjet-Unie, hij is de schutspatroon van elke christelijke, en onchristelijke uitbuiting, hij is het symbool van de verdomming der massa. (…) God beteekent imperialistische oorlog, Christus uithongering en uitbuiting der werkende massa’s, de “Heilige Geest” bloedige onderdrukking der koloniale volkeren, de Heilige Moedermaagd volksverdomming om al deze zegeningen in stand te houden. Voor het arbeidende volk is er geen kerstfeest. Voor hen het lied der Fransche revolutie “À la lanterne!”.
      Christus op de mestvaalt!
      De Heilige Maagd in den stal!
      De Heilige Vaders naar den Duivel!
      Leve de stem van het kanon!”
      Het kanon der proletarische revolutie!’1xDe Tribune 24 december 1930. Van het revolutionaire strijdlied ‘À la lanterne’ (1790) zijn verschillende versies in omloop (‘les aristocrates à la lanterne’). In de beide op internet (s.v.) weergegeven teksten komt de in De Tribune geciteerde strofe niet voor. De cursivering van de geciteerde strofe is ontleend aan het artikel.

      Een maand later kwam De Tribune met een cartoon (zoiets heette toen nog gewoon een ‘plaatje’) met het merkwaardige opschrift ‘Interventie-plannen in de hemel gesmeed en op aarde uitgevoerd’. Daarop prijkt Petrus aan de hemelpoort met een bord: ‘God dit jaar alleen over oorlogszaken te spreken’, terwijl een naakte en onsmakelijk behaarde god met gasmasker aan het kokkerellen is in zijn laboratorium.2xDe Tribune 19 januari 1931, met een gemijterde god: ‘Ik heb een nieuw gifgas ondekt [sic!]. Daar kunnen we heel Sovjet-Rusland mee vernietigen, mijn zoon!’, terwijl ‘zijn zoon’ met instemming van de sociaaldemocraten vanaf het kruis een pot met opschrift ‘pacifisme’ over de wereld uitgiet met de woorden: ‘Voordat we beginnen eerst deze poeder over de aarde uitstrooien.’

    • Antigodsdienstige agitatie

      Het tegen het kerstfeest agerende artikel was niet de eerste speldenprik in het gelovige deel der natie. Voor de CPH, die haar dagblad vooral gebruikte om de Sovjetdoctrine in ons land uit te dragen. woog de antikerkelijke politiek waaraan de Sovjetregering in april 1929 met een decreet inzake de kerken vorm had gegeven, zwaar. Dit decreet verordonneerde een registratie van de kerken, waarbij het zwaartepunt werd gelegd op de lokale parochies: die moesten worden vertegenwoordigd door tien persoonlijk aansprakelijke personen. Het wijde onderwijsnetwerk van de kerken en de kerkgebouwen werden mét hun bezittingen – waaronder liturgische gebruiksvoorwerpen – genationaliseerd. Om de zondag van zijn bijzondere karakter te ontdoen werd een zesdaagse week ingevoerd, met vijf werkdagen. De invoering van dit decreet ging gepaard met een felle antireligieuze campagne en het verplicht stellen van onderwijs in atheïstische zin.

      De Tribune had spoedig aan de strekking van dat decreet gehoor gegeven door stekelige opmerkingen over voor gelovigen gevoelige onderwerpen. Reeds op 18 juli 1929 kreeg een artikel over kinderuitbuiting en mishandeling in katholieke tehuizen de kop ‘Waar Koning Jezus regeert’ mee, en drie weken later dreef de krant de spot met een gebedstekst.3x‘Heer, ik bid u’ (9 augustus 1929). Over de gebrekkige huisvesting in Limburgse wijken werd geschreven met als opschrift ‘Waar de Christus regeert, wort oudere stakkers van 83 jaar hun onderdak ontnomen’, en een reportage over misstanden in Gorinchem ging de wereld in onder de kop ‘’t Coemt al van Godt’.4xDe Tribune resp. 9 augustus, 29 augustus en 23 november 1929. In 1930 ging de redactie onbekommerd door met dit soort plaagstoten,5xZoals: het artikel ‘De straffende hand Gods’ (17 februari 1930) het artikel ‘Hoe wij God aanvallen, een brief uit Kief’ (28 februari 1930), een tekening van het kruis omhakkende arbeiders onder de kop ‘Tegen de aanval van Kerk en kapitaal op de Sovjet-Unie. Het zegevierende proletariaat hakt de afgoden van de kapitalistische wereld neer’, een tekening met onderschrift ‘Daar moet Jezus Christus tot eere en den Paus tot troost een kruistocht begonnen worden (nl. tegen de Sovjet-Unie; 3 maart 1930), een gepersifleerd gebed op rijm over de oorlog met de Sovjet-Unie (26 mei 1930), een kop ‘Onze lieve Heer als zuiveraar, duizende [sic] wandluizen omgekomen’ bij een artikel over brand in een barak (13 augustus 1930), en een commentaar op de troonrede onder de kop ‘Met hulp van God en de sociaal-fascisten naar grootere uitbuiting’ (18 september 1930). met als climax de provocatie in ‘Weg met het Kerstfeest!’.

    • Godslastering of krenking van gevoelens

      Nog vóór dit kerstartikel hadden christelijke partijen in de Tweede Kamer al het plan opgevat aan de agitatie van communistische zijde een halt toe te roepen. Wellicht hadden persberichten over processen wegens godslastering in Duitsland en Oostenrijk hun gewezen op een leemte in de Nederlandse wetgeving.6xHet Vaderland 18 mei 1930 (proces te Wenen tegen de Hongaarse schrijver Ujheli), 7 juni 1930 (toneelstuk te Wenen), en 7 oktober 1930 (proces te Berlijn tegen de Duitse schilder en tekenaar Georg Grosz).
      De christelijke fracties grepen de behandeling van de begroting 1931 van de minister van Justitie aan om een wettelijke sanctie op godslastering in te voeren. In het voorlopig verslag naar aanleiding van de begrotingsstukken wezen ‘vele leden’ op de communistische propaganda tegen de godsdienst en lieten zij optekenen ‘dat het meer dan tijd is publieke Godslastering in woord en geschrift strafbaar te stellen’. Beroep op vrijheid van meningsuiting is hier absoluut niet te aanvaarden, zo voegden zij daaraan toe.7x‘Voorloopig verslag’, Kamerstukken II 1930/31, Bijlage A, hoofdstuk IV, p. 6 (6 november 1930).

      Minister Donner (1891-1981, ARP) van Justitie bleek niet overtuigd te zijn van de noodzaak om het Wetboek van Strafrecht op dit punt aan te scherpen. Over ‘een strafbaarstelling van Godslastering als zodanig, uit hoofde van de in ons land geldende verhouding van godsdienst en Overheid’ bestond bij hem grote reserve. Antigodsdienstige propaganda als zodanig vond Donner geen voorwerp van wetgeving. Een ‘om haar kwetsende vorm onduldbare wijze van meeningsuiting’ was immers reeds strafbaar in het vigerende artikel 147 Sr.8x‘Memorie van antwoord’, Kamerstukken II 1930/31, Bijlage A, hoofdstuk IV, p. 20 (2 december 1930).

      Tijdens de behandeling van de Justitiebegroting (9-10 december 1930) kwam dit onderwerp uiteraard aan de orde. Van katholieke zijde werd erop gewezen dat de overheid Dienaresse Gods is. In dat zicht zou het passen godslastering niet straffeloos te laten. Het gaat hier ook om handhaving van de openbare zeden. De CHU’er Slotemaker de Bruïne wees erop dat hier twee zaken onderscheiden moeten worden: eerbied jegens God en aanstoot aan medemensen. Dominee Zandt (SGP) hield de regering voor dat er geen groter zonde bestaat ‘noch die God meer vertoornt dan de lastering van Zijn Naam. De regering heeft de openbare belediging van de ware godsdienst met alle haar ten dienste staande middelen tegen te gaan.’9xKamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 1108 (Baron Van Wijnbergen, RKSP), p. 1153 (Slotemaker de Bruïne, CHU), p. 1153 (Zandt, SGP). Boon, fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, de grootste oppositiepartij in de Kamer, zwaaide Donner lof toe: ‘een jongen, energieken minster’, ‘het enfant chéri der Kamer’: Kamerstukken II 1930/31, p. 1146 en 1147.

      De minister was nog steeds niet overtuigd van de wenselijkheid van een expliciete strafbaarstelling van godslastering of van een kwetsing van godsdienstige gevoelens. Met betrekking tot een onduldbare wijze van meningsuiting voorziet de bestaande wetgeving in voldoende mogelijkheden. Hij vond bovendien het aantal incidenten gering. De kwestie vond hij dan ook ‘niet een vraagstuk van practisch Staatsbeleid’.10xIdem, p. 1161.

      Acht weken later bleek de minister om te zijn. In antwoord op een schriftelijke vraag van Van Wijnbergen (RKSP) deelde hij mee inmiddels een wetsontwerp in voorbereiding te hebben, en wel omdat feiten van godslastering ‘thans meer dan incidenteel’ blijken te zijn.11xKamerstukken II 1930/31, Aanhangsels 72 (vraag ontvangen 2 februari, antwoord gedateerd 4 februari 1931). Het artikel ‘Weg met het Kerstfeest!’ en de antimilitaristische prent van enkele weken later hadden hem de overtuiging gegeven dat de hetze van De Tribune niet meer als incidenteel was te duiden.12xZie noot 25.

    • Verbannen uit de bibliotheken

      Inmiddels was ook Donners partijgenoot, minister Terpstra van Onderwijs, in het geweer gekomen. Hij waarschuwde de openbare leeszalen dat de subsidie zou worden ingetrokken als zij dit soort ‘moreel schadelijke lectuur’ ter inzage zouden leggen.13xIn een Kamerdebat (vanwege een interpellatiedebat met D. Wijnkoop, CPH) gaf minister Terpstra op 18 juni 1931 toe de inspecteur voor openbare bibliotheken ‘een wenk’ gegeven te hebben: Kamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2792. De directie van de Nederlandsche Spoorwegen reageerde aanstonds met een verbod op de verkoop van De Tribune in haar stationboekhandels.14xJ. van de Plasse, Kroniek van de Nederlandse dagblad- en opiniepers, z.pl.: Cramwinckel 2005, p. 56.
      In februari 1931 kwam het bestuur van de vereniging van openbare bibliotheken en leeszalen met het advies De Tribune niet ter inzage te leggen. Het verwees daarin naar een bepaling in de subsidievoorwaarde van het ministerie dat ‘moreel schadelijke lectuur’ dient te worden geweerd op straffe van intrekking van subsidie.15xIn dezelfde geest beantwoordde minister Terpstra van Onderwijs een schriftelijke vraag van Van der Heide (SDAP): Kamerstukken II 1930/31, Aanhangsels 105 (vraag ingediend 26 februari 1931, antwoord d.d. 26 maart 1931); het advies van de Centrale Vereeniging voor openbare bibliotheken en leeszalen bracht de minister daarbij ter kennis van de Kamer. Het advies is eerder gepubliceerd in Het Vaderland 28 februari 1931. Uit dat advies blijkt dat twintig van de vijftig aangesloten bibliotheken een abonnement hadden op De Tribune. Inmiddels had De Tribune als onderschrift bij een foto een nieuwe school op protestantse grondslag een ‘instituut voor kindervergiftiging (…) tot kanonnenvoer opgeleid’ genoemd (10 februari 1931) en vier dagen later een artikel geplaatst met als kop ‘Jezus als giftmenger’, dat overigens een humoristisch bedoeld verhaaltje was van Duitse bakkers die vervuilde hosties op de markt hadden gebracht. De rijksinspecteur voor openbare bibliotheken ging aanstonds op pad om de urgentie van dit advies bij de plaatselijke besturen te onderstrepen. Dat hij zo nu en dan bot ving, bijvoorbeeld in Amsterdam en Hilversum, werd met gejuich in de kolommen van De Tribune vermeld.16xHilversum ging overstag na een schriftelijke aanzegging van een subsidiestop: De Tribune 26 maart 1931; de Amsterdamse leeszaal ging pas in juli over tot verwijdering van De Tribune: Het Vaderland 16 oktober 1931. De inspecteur, dr. Ph.Chr. Molhuysen (1877-1944), was bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (1921-1937) en schrijver van o.m. Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit (Den Haag 1913-1924, 7 delen) en mederedacteur van het Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek (1911-1937, 10 delen).

    • De Tribune in de verdrukking

      Toen Donner aanvankelijk geweigerd had om tot wetgeving over te gaan, tartte de redactie hem met het scabreuze ‘plaatje’ van de gifmengende god. Maar door zijn antwoord op Van Wijnbergens Kamervraag raakte zij in paniek. Haar krant kwam dus plotseling van twee kanten onder vuur te liggen. Want toen de minister van Onderwijs de bibliotheken een subsidiestop in het vooruitzicht stelde en vanuit kerkelijke hoek de protesten tegen de communistische aanvallen, mede via de daarmee gelieerde landelijke en regionale pers, aanzwollen, was de communistische vrees voor een algeheel verschijningsverbod van De Tribune bepaald niet ongegrond.

      Op 6 februari 1931 meldde het dagblad dat de ‘Honger-Regeering Ruys’ niet een wet inzake godslastering, maar wel één tegen De Tribune aan het voorbereiden was. Drie dagen later heette het dat ‘de hele opzet is, om De Tribune van de markt te laten verdwijnen’.17x‘Honger-Ruys op Tribune-jacht’, De Tribune 6, 9, 23 februari 1931; ook 16 februari. Met ‘Ruys’ is minister-president Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck bedoeld. Om het tij te keren belegde de redactie aan het eind van dezelfde maand een tweedaagse studiedag, gewijd aan het voortbestaan van haar krant, die leidde tot het besluit om plaatselijke comités ter verdediging van De Tribune op te richten.
      Om die comités van het nodige materiaal te voorzien gaf het dagblad een brochure uit, getiteld ‘Godslastering? De Tribune in gevaar’.18xDe brochure van 16 pagina’s was voor 5 cent verkrijgbaar. Eén paragraaf behandelt ‘religieuse pornographie’ met ‘schunnige’ bijbelcitaten: Genesis 9:20 en 10:30; Deuteronomium 16:1 en 29:22. Deze brochure bevatte, afgezien van de herdruk van het ‘plaatje’ over de gifmengende god, nauwelijks iets over godslastering, maar was vooral gewijd aan de listen en lagen van de anticommunisten.
      Op 11 juni maakte De Tribune op alarmerende wijze melding van een aanzienlijk verlies aan abonnementen, in het bijzonder in de provincies Noord-Holland en Amsterdam.

      Het CPH-bestuur en de redactie van De Tribune stonden niet alleen in hun afwijzing van het verbod op de beschikbaarstelling van hun krant. Het liberaal gezinde dagblad Het Vaderland riep op tot kalmte. Verdient het wellicht de voorkeur de krant in het zogeheten vergiftkastje te bewaren, zodat lezers desgevraagd inzage kunnen krijgen, vroeg de krant zich af:

      ‘Men straffe de grofheden van De Tribune slechts met verachting, ook bedenkende, dat wie hier aan het vervolgen slaat, implicite de onmacht van zijn geestelijk wapen daartegen erkent.’19xHet Vaderland 19 februari 1931. Met het ‘vergiftkastje’ wordt de ruimte bedoeld waarin publicaties en documenten worden bewaard die alleen onder condities raadpleegbaar zijn.

      Zes dagen eerder had het Het Volk, als met de SDAP verbonden de belangrijkste concurrent van De Tribune, stelling genomen tegen de voorgenomen wet inzake godslastering. Het is duidelijk, stelde de redacteur,

      ‘dat godslastering, gelijk trouwens elke uiting die de eerlijke overtuiging van andersdenkenden kwetst, ontegenzeggelijk van een geesteshouding getuigt die alleszins verwerpelijk mag heeten. Tegelijkertijd zult u ons echter toestemmen, dat er ter verbetering van zoodanige geesteshouding waarlijk nog wel andere wegen openstaan dan die van wettelijk geweld en wettelijke strafoplegging.’20xHet Volk 13 februari 1931.

    • De Tribune in de Tweede Kamer

      De CPH-fractie stelde de positie van de krant via een interpellatie aan de orde in de Tweede Kamer.21xKamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2748-2764 en 2780-2796. Op 12 juni 1931 legde Wijnkoop (CPH) de ministers Terpstra (ARP) van Onderwijs en Reymer (RKSP) van Waterstaat, aanwezig wegens het verbod tot inzage in stationsboekhandels, een serie vragen voor. Met kennelijk genoegen declameerde hij de gewraakte tekst uit het kerstartikel van De Tribune.22xKamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2750. Hij diende een motie in met de vraag het inzageverbod van De Tribune in te trekken.
      Terwijl de woordvoerders van de confessionele partijen te hoop liepen tegen de interpellant, poogden sprekers van andere partijen tussenoplossingen aan te dragen. Marchant (Vrijzinnig-democratische Bond) vond dat zowel de krant als de rijksinspecteur over de schreef was gegaan en stelde voor dat de leeszalen een passieve inzage zouden geven: in het ‘gifkastje’ en op aanvraag beschikbaar. Vos (Middenpartij voor stad en land) prefereerde in dit soort zaken de gang naar de rechter. De liberaal Knottenbelt vroeg per motie dat de minister bij een voornemen tot stopzetting van subsidie aan bibliotheken en leeszalen gehouden was tot motivering indien hij zou afwijken van het advies van de Centrale Vereeniging van openbare bibliotheken en leeszalen.
      De minister sloot zich aan bij de opmerking van de liberaal Boon dat het niet gaat om de bestrijding van het communisme, maar alleen om de wijze waarop De Tribune had gehandeld. Met verwijzing naar het maandblad De Communist, dat nog steeds in leeszalen ter inzage lag, stelde de minister dat hij een ‘rustige verdediging’ van communisme en atheïsme geen strobreed in de weg zou leggen.
      De tweede termijn werd gedomineerd door de ARP-fractievoorzitter H. Colijn. Hij herinnerde aan minister Heemskerk, die in 1910 had bepaald dat bibliotheken niet alleen ‘moreel schadelijke’, maar ook ‘onbehoorlijke’ lectuur dienden te weren.23xTh. Heemskerk (ARP, 1852-1932) was minister-president en minister van Binnenlandse Zaken van 1908 tot 1913, minister van Justitie van 1918 tot 1925 en ten tijde van dit debat Tweede Kamerlid (1925-1932). Toen hij de koningin negatief had geadviseerd inzake het verzoek van de vrijdenkersvereniging De Dageraad tot een koninklijke goedkeuring van haar herziene statuten, kwam het thema godslastering tijdens een interpellatiedebat (Boon, liberaal) reeds uitdrukkelijk ter sprake: Kamerstukken II 1923/24, p. 2462-2482 en 2486-2509. Zie ook Kamerstukken I 1923/24, p. 553 inzake gemeentelijke vloekverbodsbepalingen. Daarmee verbond hij de stelling dat de gesubsidieerde bibliotheken en leeszalen als semiofficiële instellingen een pedagogische functie hebben. De overheid is dus medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van het geestelijke leven van de samenleving. Ook bij de schijn van dwingelandij moeten moreel schadelijke, revolutionaire en onbehoorlijke invloeden bestreden worden, stelde hij. Hij was het dan ook oneens met het standpunt van minister Terpstra en kondigde aan dit onderwerp bij de aanstaande begrotingsbehandeling aan de orde te zullen stellen.
      De minister bleef zijn beleid verdedigen. De ingediende moties werden verworpen.24xEnkele Kamerleden van met name de SDAP onttrokken zich aan de stemming over de motie-Wijnkoop (verworpen met 23 tegen 45). De motie-Knottenbelt werd verworpen met 25 tegen 48 stemmen.

    • Lex Donner

      Op 25 april 1931 had Donner zijn wetsontwerp inzake smalende godslastering op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze ingediend.25xKamerstukken II 1930/31, Bijlagen 348. Het bevatte twee toevoegingen aan het Wetboek van Strafrecht:

      ‘Artikel 147, na de aanhef ‘Met gevangenstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden wordt gestraft’ als nieuw lid 1: ‘hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat;’.
      Artikel 429 bis: ‘Hij die op ene van den openbare weg zichtbare plaats woorden of afbeeldingen stelt of gesteld houdt, die, als smalende Godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.’

      In de bijbehorende memorie van toelichting bestreed hij de opvatting als zou hier van gelegenheidswetgeving sprake zijn. Hij wees erop dat de incidenten ‘een karakter van stelselmatigheid’ krijgen in een ‘de grenzen van ons land overschrijdend verband’.26xDe minister noemde drie voorbeelden, ontleend aan De Tribune: 24 december 1930 (‘Weg met het Kerstfeest’), 19 januari 1931 (cartoon met gifmengende god) en 15 april 1931 (‘Paschen in Moskou’, waarin melding gemaakt was van het unanieme besluit van de arbeiders in Moskou om op paaszondag aan het werk te gaan). Dat hij hiermee doelde op regie vanuit de Sovjet-Unie is duidelijk. Bij de (ook door hemzelf eerder aangehaalde gehuldigde) opvatting als zou het Wetboek van Strafrecht reeds voldoende mogelijkheden bieden om dit soort incidenten te vervolgen, voerde de minister aan dat het krenken van gevoelens een ‘specificum’ is met toegevoegde waarde voor het strafrecht.
      Voorts gaf de minister twee argumenten om het wetsontwerp in te dienen. In de eerste plaats een staatkundige reden:

      ‘In ons Staatsleven (vindt) ondanks de godsdienstvrijheid in den ruimsten zin, God openlijk erkenning. Dat het gezag bij Gods gratie wordt uitgeoefend, en dat de Overheid ten waarborg zijner rechtsbedeeling in den eed de onderdanen telkens stelt in de tegenwoordigheid Gods, behoeft, naast andere uitingen, slechts herinnerd te worden om te doen gevoelen dat onze staat ook bij de ruimste erkenning van godsdienstvrijheid niet is een “état athée” (…) .Men kan wel stellen dat uitingen in het openbaar, die deze vorm dragen van een rechtstreeks smalen van God – het moge dan zijn, dat slechts bedoeld wordt het smalen van een begrip, dat naar de meening van den smalende anderen zich hebben gemaakt – in een Staat, die in meer dan één opzicht de erkenning Gods handhaaft, niet kunnen worden geduld.’27xKamerstukken II 1930/31, Bijlagen 348, p. 2.

      Dit werd gevolgd door een juridisch argument met betrekking tot het algemene karakter van het strafrecht. Daarbij wees hij erop dat het te ver zou voeren elke krenking van godsdienstige gevoelens strafbaar te stellen. De vrijheid van meningsuiting stelt grenzen aan de mate waarin krenking van godsdienstige gevoelens niet aanvaardbaar is. Dus dient de aard van die krenking nauwkeurig omschreven te worden. Gekozen is voor een smalende wijze van godslasterlijke krenking.

    • De Kamers over het wetsontwerp

      De Tweede Kamer debatteerde eind mei 1932 over dit wetsontwerp, dat dus al ruim een jaar bij de Kamer op behandeling had gewacht (zie tabel 1). De liberaal Eerdmans opende het debat en wees erop dat het ‘een warnet van theologische voorstellingen’ bevatte. Hoe begrippen te duiden als ‘triniteit’ en ‘godsdienstige gevoelens’? Hoe de strijdigheid met de grondwettelijke godsdienstvrijheid te keren? ‘Smalende godslastering’ is op zichzelf een tautologie, kennelijk bedoeld om sommige vormen van godslastering uit te sluiten. Van der Heide (SDAP), zelf dominee, stelde: ‘Religieuze menschen moesten wijzer wezen en den wetgever niet te hulp roepen.’ Wijnkoop (CPH) onderstreepte ‘dat de blasphemie (…) aan het Marxisme inherent is’: dit wetsontwerp beoogt dus het marxisme strafbaar te stellen. Marchant (VDB) vond het eenzijdig om alleen gelovige mensen bescherming te bieden; ‘men zou daarom strafbaar moeten stellen het opzet om eenigen godsdienst bespottelijk te maken’.28xKamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2584 (Eerdmans), p. 2586 (Van der Heide), p. 2596 (Wijnkoop) en p. 2610 (Marchant).
      De (christelijke) regeringspartijen reageerden verdeeld. Donners eigen partijgenoten vonden dat de regering te laat had gereageerd op de ‘smakelooze nabootsing’ van ‘de Russische anti religieuze razernij’ en vond de voorgestelde straffen veel te mild. Dat laatste vond ook dominee Zandt (SGP), die bitter teleurgesteld was over de mate van strafbaarstelling van dit ‘ontzettende vergrijp’. De CHU-spreker vond het voorstel tweeslachtig: het hoort niet om God te gaan, maar om het krenken van gevoelens. Alleen de RKSP toonde zich tevreden.29xIdem, p. 2591 (Visscher), p. 2621 (Krijger), p. 2618 (Zandt) en p. 2610 (Slotemaker de Bruïne). Teulings (RKSP), idem p. 2593, verwees naar het recent gewijzigde art. 1a van het Reglement betreffende de Krijgstucht: ‘Daar de godsdienst de bron is van alle geluk, deugd en waren moed, behoort ook in den krijgsstand een ieder zich tot het hooghouden daarvan en tot een zedige levenswijze te bevlijtigen; de godslasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten en zullen de meerderen hierin en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunnen minderen met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermeden moeten worden’ bij Koninklijk Besluit d.d. 27 april 1931 (Staatsblad 1931, 174).

      Tabel 1: Samenstelling Tweede Kamer tijdens debat wetsontwerp godslastering
      ZetelsWoordvoerder
      RKSP: Rooms-katholieke Staatspartij 30 Van Wijnbergen, Teulings
      SDAP: Sociaal-democratische Arbeiderspartij 24 Van der Heide
      ARP: Anti-revolutionaire Partij 12 Visscher, Heemskerk
      CHU: Christelijk-historische Unie 11 Slotemaker de Bruïne, Krijger
      LSP: Liberale Staatspartij 8 Eerdmans
      VDB: Vrijzinnig-democratische Bond 7 Marchant
      SGP: Staatkundig gereformeerde Partij 3 Zandt, Kersten*
      CPH: Communistische partij Holland 2 Wijnkoop, De Visser*
      HGSP: Hervormde (gereformeerde) Staatspartij 1 Peereboom
      Middenpartij voor stad en land 1 Vos**
      Plattelandsbond 1 -

      * alleen 2e termijn
      ** alleen stemverklaring

      De minister begon met de vaststelling dat zijn wetsontwerp weinig bijval had gekregen. Op de inhoud ingaand beklemtoonde hij dat de overheid de vrijheid van meningsuiting respecteert en zich in beginsel niet mengt in de strijd rond de godsdienst. Maar als daarbij grenzen worden overschreden, moeten de rechten van anderen worden beschermd. Hij beklemtoonde dat het wetsontwerp niet de godslastering als zodanig, maar de krenking van godsdienstige gevoelens strafbaar stelde. De zakelijke omschrijving daarvan is ‘smalende godslastering’, maar de krenking van godsdienstige gevoelens is de rechtsgrond van de bepaling. Godslastering is alleen denkbaar bij een dader die zelf in een opperwezen gelooft. In het wetsontwerp gaat het om de subjectieve bedoeling van de actor om te krenken en die hoeft zelf niet ‘godgelovig’ te zijn.30xKamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2630 en 2632. De minister heeft zich duidelijk laten leiden door Abraham Kuyper, die in zijn derde Stone-lezing (1898) aldus over godslastering sprak: ‘En wat aangaat de Godslastering, zo berust het recht der Overheid om deze te keer te gaan in het Godsbesef dat een ieder van nature ingeschapen is, en vloeit de plicht er toe voort uit het feit dat God Opperkoning over elk volk is. Doch juist deswege is het feit van Godslastering alleen dan geconstateerd te achten, als het opzet bleek, om in arren moede deze Oppersoevereiniteit van God over heel te volk te honen. Wat dan gestraft wordt, is niet de religieuze afwijking, noch de onvrome zin, maar de aanranding van de staatsrechtelijke grondslag, waarop “èn Staat èn Overheid berust”’: A. Kuyper, Het Calvinisme, Zes Stone-lezingen in Oktober 1898 te Princeton (New Jersey) gehouden, Kampen 1959, 3e druk, heruitgegeven door Stichting De Gihonbron, Middelburg 2005, p. 57-58. Zie ook: Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 1161.

      Slotemaker de Bruïne had per amendement voorgesteld de woorden ‘smalende godslastering’ in te ruilen voor een ‘onduldbare’ krenking. Toen de minister riposteerde dat dat vaag was voor een ‘rechtstreeksche omschrijving’ van het delict en Slotemaker geen enkele steun voor zijn voorstel vond, trok hij dit amendementsvoorstel in.31xKamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2650 en 2651.

      De Tweede Kamer stemde op 1 juni 1931 met 49 tegen 44 stemmen in met het wetsontwerp. Minister Donner vond de aanvaarding van zijn wetsvoorstel ‘een van de grootste voldoeningen van mijn Ministerschap’.32xKamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2634. De stemverhouding in de Eerste Kamer was 28 tegen 18 (3 november 1932).33xKamerstukken I 1932/33, Handelingen, p. 49, Staatsblad 1932, 524 d.d. 4 november 1932.

    • Godslastering niet strafbaar

      Uit het debat van de Tweede Kamer over de Lex Donner is duidelijk geworden dat godslastering niet het voorwerp is van de strafbaarstelling. Als reden heeft de minister naar voren gebracht dat godslastering veronderstelt dat de lasteraar ‘godgelovig’ is. Wie niet in een god gelooft, kan ook geen kwaad over hem spreken. Welnu, een levensbeschouwelijke overtuiging is op zichzelf geen object van rechtshandhaving.

      Minister Donner moest een uitweg vinden om zijn partij tegemoet te komen zonder een juridisch gedrocht te produceren. Met het ‘smalen’ vond hij een smal pad waarmee hij het dilemma kon ontwijken. Hij gaf aan in het bewuste strafwetsartikel ‘smalende godslastering’ te hanteren als een technische term voor de krenking van godsdienstige gevoelens:

      ‘Het wetsontwerp beoogt niet strafbaar te stellen de godslastering als zodanig, maar de krenking van godsdienstige gevoelens. De zakelijke omschrijving daarvan is de smalende godslastering, maar de krenking van godsdienstige gevoelens is de rechtsgrond van de strafbepaling.’34xKamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2630.

      De wetgever stelt die krenking strafbaar die met boos opzet gebeurt (‘smalend’). De SGP was zich hiervan terdege bewust, want zij stemde – als enige confessionele fractie – tegen dit wetsvoorstel, omdat het niet ‘het verschrikkelijke vergrijp van godslastering’ strafbaar stelde.35xVan confessionele zijde stemden naast de beide leden van de SGP-fractie ook twee CHU-leden tegen, onder wie woordvoerder Slotemaker de Bruïne.

    • Drie illustratieve rechtszaken

      De toepassing van de Lex Donner laat zich aflezen uit de rechterlijke uitspraken ter zake.36xEen overzicht hiervan is gegeven in B.A.M. van Stokkum, H.J.B. Sackers & J.-P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen. Een inventariserende studie, Den Haag: WODC 2007, p. 98-109. Een drietal voorbeelden:
      In 1938 diende voor de rechtbank van Haarlem de zaak die was aangespannen tegen De Vrijdenker. Dit tijdschrift had een uit het Frans vertaald artikel gepubliceerd waarin de incarnatie en geboorte van Jezus gepersifleerd werd, overigens met diens ouders Jozef en Maria in de hoofdrol. De rechtbank beoordeelde deze publicatie als een ‘kwetsing van de heiligste gevoelens van anderen op een grove en niet door enig redelijk doel te verontschuldigen wijze’.37xVan Stokkum e.a., p. 102. De redacteur kreeg twee maanden voorwaardelijk opgelegd.

      De meest opzienbarende zaak is het ‘ezelsproces’ tegen G.K. van het Reve (1968) geworden, dat leidde tot een uitspraak van de Hoge Raad. Daarin werd Van het Reve vrijgesproken vanwege de interpretatie van ‘smalen’, waarin opzet het sleutelwoord was. In zijn ‘Brief aan mijn Bank’ had Van het Reve niet de opzet gehad God te beledigen toen hij Hem met een ezel vergeleek.38xNJ 1968, 373, Hoge Raad d.d. 2 april 1968. De gewraakte tekst luidt ‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’ Zie J. Fekkes, De God van je Tante ofwel het Ezelsproces van Gerard Cornelis van het Reve, Amsterdam 1968.

      Een derde zaak speelde in 2001 voor de rechtbank van Amsterdam.39xLJN AB3067. Hindoes hadden een zaak aangespannen tegen Shiva Entertainment C.V., welk bedrijf pornografische videobanden op de markt bracht. De klagers keerden zich tegen het gebruik van de naam Shiva, het opperwezen van het hindoeïsme, in het bijzonder in relatie tot de door de gedaagde verspreide publicaties. De rechter nam deze zaak inzake een niet-christelijke levensbeschouwing in behandeling, maar sprak de vennootschap vrij omdat deze nimmer de intentie had gehad zich smalend uit te laten met betrekking tot Shiva.

      In de uitspraak uit 1938 werd de interpretatie van artikel 147 opgerekt tot niet-goddelijke personen. De rechters in beide naoorlogse rechtszaken legden terecht het zwaartepunt van hun oordeel bij de opzet (quod non) tot krenking.

    • Het initiatiefwetsvoorstel-Van der Ham c.s.

      77 jaar plus twee dagen na het van kracht worden van de Lex Donner boden de Kamerleden Van der Ham (D66), De Wit (SP) en Teeven (VVD) de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan dat beoogt het verbod op godslastering te laten vervallen.40xKamerstukken II 2009/10, 32 303, nrs. 1-3 (d.d. 6 november 2009). Mede-initiatiefnemer Teeven is thans staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Aanleiding voor dit initiatief vonden zij in de mededeling van het kabinet naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh dat ‘de mogelijkheden voor verruiming van de strafbaarstelling voor belediging en godslastering worden onderzocht’.41xBrief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 november 2004, Kamerstukken II 2004/05, 29 854, nr. 3 ad 6.4.3. Bedoeld onderzoek, uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie, werd de Kamer in 2007 aangeboden: Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI. nr. 38.

      Dat was niet voor het eerst dat de door Jan Donner geïntroduceerde strafbepaling in de Kamer aan de orde was gesteld. H. Roethof (PvdA) had in 1970 bij amendementsvoorstel vergeefs gepoogd de bepaling uit het Wetboek van Strafrecht te verwijderen.42xVan Stokkum e.a., p. 112. In november 2004 werd een door L. van der Laan (D66) ingediende motie om het verbod op godslastering uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen verworpen.

      De argumentatie van Van der Ham c.s. was goeddeels gebaseerd op de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van meningsuiting (art. 7 Grondwet (Gw)):

      ‘Indieners achten het van belang dat zo veel mogelijk meningen kunnen klinken. Door de botsing van argumenten en opvattingen wordt het debat over belangrijke zaken, zoals levensbeschouwelijke kwesties en de inrichting van de samenleving, verdiept. In deze notie van de vrijheid van meningsuiting zien de indieners een van de voornaamste redenen om het verbod op godslastering (art. 147 Sr) en het daarmee samenhangende verbod op de verspreiding van godslasterlijke afbeeldingen of geschriften (art. 147a Sr) en het aan de openbare weg zichtbaar maken hiervan (art. 429bis Sr) te schrappen.’

      Ook voerden zij de gelijke behandeling van godsdienst en levensovertuiging aan als argument tegen artikel 147:

      ‘Indieners achten de historie en achterliggende motiveringen niet in lijn met de gedachte van de neutraliteit van de Staat inzake godsdienst- en levensbeschouwelijke vraagstukken. De Staat dient zich zoveel mogelijk te onthouden van het willen definiëren van godsdienst en diens heilige figuren. Bovendien dient geen keuze gemaakt te worden voor het stellen van de ene godsdienst of levensovertuiging boven de andere.’

      Verder wezen Van der Ham c.s. erop dat de strafbaarstelling van godslastering slechts een beperkte groep gelovigen, namelijk de monotheïsten, bescherming biedt, wat strijdt met het beginsel van gelijke behandeling.43xZie echter de zaak-Shiva Entertainment (2001).

      In zijn advies bij dit initiatiefwetsvoorstel wees de Raad van State op de nauwe samenhang tussen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (art. 6 Gw).44xRaad van State, advies d.d. 26 januari 2010, zaaknr. W03.09.0473/II. Hij wijst erop dat in het recht op godsdienstvrijheid ‘ook een positieve verplichting van de overheid besloten ligt het genot van deze vrijheid tot op zekere hoogte te waarborgen.’ De indieners doen ‘naar het oordeel van de Raad onvoldoende recht aan de gelijkwaardige plaats die de vrijheid van godsdienst naast de vrijheid van meningsuiting inneemt in de Grondwet en de mensenrechtenverdragen’.45xZie ook de nota ‘Grondrechten in een pluriforme samenleving’, Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 2.

      Ook herinnerde de Raad van State aan uitspraken die beperkingen inhouden in de vrijheid van meningsuiting. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens beschouwt uitingen die aanzetten tot haat, geweld of racisme geen bijdragen aan het openbare debat en derhalve mogen deze belemmerd worden. Hij wijst in het bijzonder op eventuele maatschappelijke gevolgen voor religieuze minderheidsgroeperingen, aangezien afschaffing van het bewuste artikel kan worden opgevat als ‘een negatief signaal ten aanzien van de bescherming van bepaalde groepen in hun religieuze opvattingen’.

      Bij het veronderstelde discriminatoire karakter van de gewraakte bepalingen tekende de Raad aan dat van ongelijke behandeling in gelijke gevallen geen sprake is, aangezien bepaalde religies beschermd worden op een onderdeel dat ‘geen equivalent’ heeft in andere levensovertuigingen. Hier ligt geen argument voor afschaffing: de wetgever zou het wetsartikel kunnen aanpassen met het oog op bescherming van niet-monotheïstische godsdiensten.

      De Raad concludeerde dat de verbodsbepalingen in artikel 137c t/m f ‘beter aansluiten bij het doel kwetsbare groepen te beschermen tegen aanvallen op hun geloof’. Maar of zij voldoende bescherming bieden tegen als ernstig ervaren belediging van groepen is nog maar de vraag. Enerzijds gaan elementen uit de artikelen die voorwerp zijn van het wetsvoorstel dan echter verloren, anderzijds staat niet vast dat de beoogde afschaffing ‘zal bijdragen aan verkleining van de onduidelijkheid over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting’.

    • Kwaadwillige krenking

      Minister Jan Donner stond in het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw onder grote druk om de platvloerse aanvallen van communistische zijde op de christelijke godsdienst een halt toe te roepen. Hij zag in dat een simpel verbod op godslastering vanwege definitieproblemen en op basis van de godsdienstvrijheid geen stand kon houden. Het getuigt van inventiviteit dat hij de gevraagde strafbaarstelling toespitste op het smalende karakter ervan: op krenking van medeburgers die met boos opzet gebeurt door hun godsbeeld bespottelijk te maken.

      Tachtig jaar later moet worden vastgesteld dat de vormgeving van het verbod in het licht van de huidige sociale en politieke verhoudingen gedateerd is. De kern van de verbodsbepaling is in een bredere context nochtans actueel: het schofferen van medeburgers, of het nu is vanwege levensovertuiging, herkomst, geslacht, handicap of wat dan ook, doet welbewust afbreuk aan een democratische samenleving. Daartegen moet zij zich in alle omstandigheden weren, ook strafrechtelijk.

    Noten

    • 1 De Tribune 24 december 1930. Van het revolutionaire strijdlied ‘À la lanterne’ (1790) zijn verschillende versies in omloop (‘les aristocrates à la lanterne’). In de beide op internet (s.v.) weergegeven teksten komt de in De Tribune geciteerde strofe niet voor. De cursivering van de geciteerde strofe is ontleend aan het artikel.

    • 2 De Tribune 19 januari 1931, met een gemijterde god: ‘Ik heb een nieuw gifgas ondekt [sic!]. Daar kunnen we heel Sovjet-Rusland mee vernietigen, mijn zoon!’, terwijl ‘zijn zoon’ met instemming van de sociaaldemocraten vanaf het kruis een pot met opschrift ‘pacifisme’ over de wereld uitgiet met de woorden: ‘Voordat we beginnen eerst deze poeder over de aarde uitstrooien.’

    • 3 ‘Heer, ik bid u’ (9 augustus 1929).

    • 4 De Tribune resp. 9 augustus, 29 augustus en 23 november 1929.

    • 5 Zoals: het artikel ‘De straffende hand Gods’ (17 februari 1930) het artikel ‘Hoe wij God aanvallen, een brief uit Kief’ (28 februari 1930), een tekening van het kruis omhakkende arbeiders onder de kop ‘Tegen de aanval van Kerk en kapitaal op de Sovjet-Unie. Het zegevierende proletariaat hakt de afgoden van de kapitalistische wereld neer’, een tekening met onderschrift ‘Daar moet Jezus Christus tot eere en den Paus tot troost een kruistocht begonnen worden (nl. tegen de Sovjet-Unie; 3 maart 1930), een gepersifleerd gebed op rijm over de oorlog met de Sovjet-Unie (26 mei 1930), een kop ‘Onze lieve Heer als zuiveraar, duizende [sic] wandluizen omgekomen’ bij een artikel over brand in een barak (13 augustus 1930), en een commentaar op de troonrede onder de kop ‘Met hulp van God en de sociaal-fascisten naar grootere uitbuiting’ (18 september 1930).

    • 6 Het Vaderland 18 mei 1930 (proces te Wenen tegen de Hongaarse schrijver Ujheli), 7 juni 1930 (toneelstuk te Wenen), en 7 oktober 1930 (proces te Berlijn tegen de Duitse schilder en tekenaar Georg Grosz).

    • 7 ‘Voorloopig verslag’, Kamerstukken II 1930/31, Bijlage A, hoofdstuk IV, p. 6 (6 november 1930).

    • 8 ‘Memorie van antwoord’, Kamerstukken II 1930/31, Bijlage A, hoofdstuk IV, p. 20 (2 december 1930).

    • 9 Kamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 1108 (Baron Van Wijnbergen, RKSP), p. 1153 (Slotemaker de Bruïne, CHU), p. 1153 (Zandt, SGP). Boon, fractievoorzitter van de Liberale Staatspartij, de grootste oppositiepartij in de Kamer, zwaaide Donner lof toe: ‘een jongen, energieken minster’, ‘het enfant chéri der Kamer’: Kamerstukken II 1930/31, p. 1146 en 1147.

    • 10 Idem, p. 1161.

    • 11 Kamerstukken II 1930/31, Aanhangsels 72 (vraag ontvangen 2 februari, antwoord gedateerd 4 februari 1931).

    • 12 Zie noot 25.

    • 13 In een Kamerdebat (vanwege een interpellatiedebat met D. Wijnkoop, CPH) gaf minister Terpstra op 18 juni 1931 toe de inspecteur voor openbare bibliotheken ‘een wenk’ gegeven te hebben: Kamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2792.

    • 14 J. van de Plasse, Kroniek van de Nederlandse dagblad- en opiniepers, z.pl.: Cramwinckel 2005, p. 56.

    • 15 In dezelfde geest beantwoordde minister Terpstra van Onderwijs een schriftelijke vraag van Van der Heide (SDAP): Kamerstukken II 1930/31, Aanhangsels 105 (vraag ingediend 26 februari 1931, antwoord d.d. 26 maart 1931); het advies van de Centrale Vereeniging voor openbare bibliotheken en leeszalen bracht de minister daarbij ter kennis van de Kamer. Het advies is eerder gepubliceerd in Het Vaderland 28 februari 1931. Uit dat advies blijkt dat twintig van de vijftig aangesloten bibliotheken een abonnement hadden op De Tribune. Inmiddels had De Tribune als onderschrift bij een foto een nieuwe school op protestantse grondslag een ‘instituut voor kindervergiftiging (…) tot kanonnenvoer opgeleid’ genoemd (10 februari 1931) en vier dagen later een artikel geplaatst met als kop ‘Jezus als giftmenger’, dat overigens een humoristisch bedoeld verhaaltje was van Duitse bakkers die vervuilde hosties op de markt hadden gebracht.

    • 16 Hilversum ging overstag na een schriftelijke aanzegging van een subsidiestop: De Tribune 26 maart 1931; de Amsterdamse leeszaal ging pas in juli over tot verwijdering van De Tribune: Het Vaderland 16 oktober 1931. De inspecteur, dr. Ph.Chr. Molhuysen (1877-1944), was bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (1921-1937) en schrijver van o.m. Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Universiteit (Den Haag 1913-1924, 7 delen) en mederedacteur van het Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek (1911-1937, 10 delen).

    • 17 ‘Honger-Ruys op Tribune-jacht’, De Tribune 6, 9, 23 februari 1931; ook 16 februari. Met ‘Ruys’ is minister-president Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck bedoeld.

    • 18 De brochure van 16 pagina’s was voor 5 cent verkrijgbaar. Eén paragraaf behandelt ‘religieuse pornographie’ met ‘schunnige’ bijbelcitaten: Genesis 9:20 en 10:30; Deuteronomium 16:1 en 29:22.

    • 19 Het Vaderland 19 februari 1931. Met het ‘vergiftkastje’ wordt de ruimte bedoeld waarin publicaties en documenten worden bewaard die alleen onder condities raadpleegbaar zijn.

    • 20 Het Volk 13 februari 1931.

    • 21 Kamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2748-2764 en 2780-2796.

    • 22 Kamerstukken II 1930/31, Handelingen, p. 2750.

    • 23 Th. Heemskerk (ARP, 1852-1932) was minister-president en minister van Binnenlandse Zaken van 1908 tot 1913, minister van Justitie van 1918 tot 1925 en ten tijde van dit debat Tweede Kamerlid (1925-1932). Toen hij de koningin negatief had geadviseerd inzake het verzoek van de vrijdenkersvereniging De Dageraad tot een koninklijke goedkeuring van haar herziene statuten, kwam het thema godslastering tijdens een interpellatiedebat (Boon, liberaal) reeds uitdrukkelijk ter sprake: Kamerstukken II 1923/24, p. 2462-2482 en 2486-2509. Zie ook Kamerstukken I 1923/24, p. 553 inzake gemeentelijke vloekverbodsbepalingen.

    • 24 Enkele Kamerleden van met name de SDAP onttrokken zich aan de stemming over de motie-Wijnkoop (verworpen met 23 tegen 45). De motie-Knottenbelt werd verworpen met 25 tegen 48 stemmen.

    • 25 Kamerstukken II 1930/31, Bijlagen 348.

    • 26 De minister noemde drie voorbeelden, ontleend aan De Tribune: 24 december 1930 (‘Weg met het Kerstfeest’), 19 januari 1931 (cartoon met gifmengende god) en 15 april 1931 (‘Paschen in Moskou’, waarin melding gemaakt was van het unanieme besluit van de arbeiders in Moskou om op paaszondag aan het werk te gaan).

    • 27 Kamerstukken II 1930/31, Bijlagen 348, p. 2.

    • 28 Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2584 (Eerdmans), p. 2586 (Van der Heide), p. 2596 (Wijnkoop) en p. 2610 (Marchant).

    • 29 Idem, p. 2591 (Visscher), p. 2621 (Krijger), p. 2618 (Zandt) en p. 2610 (Slotemaker de Bruïne). Teulings (RKSP), idem p. 2593, verwees naar het recent gewijzigde art. 1a van het Reglement betreffende de Krijgstucht: ‘Daar de godsdienst de bron is van alle geluk, deugd en waren moed, behoort ook in den krijgsstand een ieder zich tot het hooghouden daarvan en tot een zedige levenswijze te bevlijtigen; de godslasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten en zullen de meerderen hierin en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunnen minderen met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermeden moeten worden’ bij Koninklijk Besluit d.d. 27 april 1931 (Staatsblad 1931, 174).

    • 30 Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2630 en 2632. De minister heeft zich duidelijk laten leiden door Abraham Kuyper, die in zijn derde Stone-lezing (1898) aldus over godslastering sprak: ‘En wat aangaat de Godslastering, zo berust het recht der Overheid om deze te keer te gaan in het Godsbesef dat een ieder van nature ingeschapen is, en vloeit de plicht er toe voort uit het feit dat God Opperkoning over elk volk is. Doch juist deswege is het feit van Godslastering alleen dan geconstateerd te achten, als het opzet bleek, om in arren moede deze Oppersoevereiniteit van God over heel te volk te honen. Wat dan gestraft wordt, is niet de religieuze afwijking, noch de onvrome zin, maar de aanranding van de staatsrechtelijke grondslag, waarop “èn Staat èn Overheid berust”’: A. Kuyper, Het Calvinisme, Zes Stone-lezingen in Oktober 1898 te Princeton (New Jersey) gehouden, Kampen 1959, 3e druk, heruitgegeven door Stichting De Gihonbron, Middelburg 2005, p. 57-58. Zie ook: Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 1161.

    • 31 Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2650 en 2651.

    • 32 Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2634.

    • 33 Kamerstukken I 1932/33, Handelingen, p. 49, Staatsblad 1932, 524 d.d. 4 november 1932.

    • 34 Kamerstukken II 1931/32, Handelingen, p. 2630.

    • 35 Van confessionele zijde stemden naast de beide leden van de SGP-fractie ook twee CHU-leden tegen, onder wie woordvoerder Slotemaker de Bruïne.

    • 36 Een overzicht hiervan is gegeven in B.A.M. van Stokkum, H.J.B. Sackers & J.-P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen. Een inventariserende studie, Den Haag: WODC 2007, p. 98-109.

    • 37 Van Stokkum e.a., p. 102.

    • 38 NJ 1968, 373, Hoge Raad d.d. 2 april 1968. De gewraakte tekst luidt ‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’ Zie J. Fekkes, De God van je Tante ofwel het Ezelsproces van Gerard Cornelis van het Reve, Amsterdam 1968.

    • 39 LJN AB3067.

    • 40 Kamerstukken II 2009/10, 32 303, nrs. 1-3 (d.d. 6 november 2009). Mede-initiatiefnemer Teeven is thans staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

    • 41 Brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 november 2004, Kamerstukken II 2004/05, 29 854, nr. 3 ad 6.4.3. Bedoeld onderzoek, uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie, werd de Kamer in 2007 aangeboden: Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI. nr. 38.

    • 42 Van Stokkum e.a., p. 112.

    • 43 Zie echter de zaak-Shiva Entertainment (2001).

    • 44 Raad van State, advies d.d. 26 januari 2010, zaaknr. W03.09.0473/II.

    • 45 Zie ook de nota ‘Grondrechten in een pluriforme samenleving’, Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 2.