Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Redactioneel

Onverdoofd ritueel slachten

Trefwoorden editorial, ritual slaughtering
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Carla Zoethout, 'Onverdoofd ritueel slachten', TvRRB 2011-3, p. 3-4

Dit artikel wordt geciteerd in

      Op 28 juni jl. werd het verbod op het onverdoofd ritueel slachten aangenomen door de Tweede Kamer: 116 tegen 30 stemmen. Drie PvdA’ers en één Kamerlid van de PVV, de partijen CDA, ChristenUnie en SGP stemden tegen het wetsvoorstel. Alleen als wordt aangetoond dat de methode van joodse of islamitische slachters (waarbij het dier zonder verdoving wordt gedood door één ononderbroken halssnede) niet minder diervriendelijk is dan de reguliere slacht, kan ontheffing worden verleend. Een gelegenheidscoalitie van D66, PvdA, VVD en GroenLinks zorgde op het laatste moment nog voor die uitzondering in het wetsvoorstel, waarvan men zich de politieke betekenis wel maar de realiteitszin veel moeilijker kan voorstellen.
      Terwijl de Partij voor de Dieren bleef benadrukken dat het niet om een religieuze kwestie gaat maar dat het dierenwelzijn vooropstaat, stuitte het wetsvoorstel met name in islamitische en joodse kringen op grote weerstand. Het voorstel moet nu nog door de Eerste Kamer, waarvan de 75 leden het wetsvoorstel kunnen aannemen of verwerpen, maar niet meer veranderen.
      Stel dat de politiek inderdaad akkoord gaat met het voorstel, dan nog blijft de vraag hoe de wet door de rechter zal worden beoordeeld. Het is onmiskenbaar dat het wetsvoorstel, dat een verandering teweeg zal brengen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, te maken heeft met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Zou de wet overeind blijven als de rechter deze beoordeelt in het licht van artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)?
      Volgens deze verdragsbepaling zijn eventuele inbreuken op de vrijheid van godsdienst alleen gerechtvaardigd wanneer deze op een wettelijke grondslag berusten (evident), noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en een legitiem doel dienen. Zal de inbreuk op de vrijheid van godsdienst worden beschouwd als ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’?
      Met name wanneer het gaat om de vrijheid van godsdienst heeft de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) nogal eens laten zien dat de rechters geneigd zijn zich in zo’n situatie terughoudend op te stellen. In twee recente – zeer geruchtmakende – zaken over de kruisbeelden op openbare scholen in Italië1xDe zgn. Lautsi-zaken, zie hierover TvRRB 2010-1, p. 75-80 en TvRRB 2011-2, p. 105-109. was het ook weer de ‘margin of appreciation’ die de Grand Chamber van het EHRM verlossing bood. De zaak werd uiteindelijk aan Italië zelf overgelaten – beleidsvrijheid van het land in kwestie. Het is heel goed mogelijk dat ook een Nederlandse rechter deze uitweg gaat kiezen en de beoordeling daarmee aan de politiek overlaat.
      Blijft het punt van het ‘legitieme doel’ van een eventuele beperking van artikel 9 EVRM. Het lijkt goed verdedigbaar het dierenwelzijn te doen vallen onder het doel ‘bescherming van de goede zeden’. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hanteert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw de doctrine dat het EVRM een ‘living instrument’ is, dat zich in zekere zin aanpast aan de veranderende opvattingen. Het is duidelijk dat de opvattingen over wat behoort tot de goede zeden in de loop van de tijd sterk veranderd zijn – ook ten aanzien van dieren en dierenwelzijn. In 1789 stelde Bentham de kwestie al op onontkoombare manier aan de orde: ‘The question is not, Can they reason? nor Can they walk? but, Can they suffer?’ De laatste decennia heeft de bescherming van dieren zelfs een ongekende ontwikkeling doorgemaakt, niet in de laatste plaats door de boeken van ethici als Peter Singer en Tom Regan en de opkomst van de Partij voor de Dieren in Nederland. Het voorkomen van dierenleed wordt inmiddels algemeen beschouwd als onderdeel van de heersende moraal.
      Dit betekent al met al dat aan het voorkomen van dierenleed ook juridisch gezien waarschijnlijk meer gewicht zal worden toegekend dan aan de onbeperkte uitoefening van godsdienstige voorschriften en praktijken. Terecht. Bovendien hoef je maar één keer naar een video over de praktijk van het onverdoofd ritueel slachten te kijken om van de juistheid van deze afweging overtuigd te raken.

    Noten

    • 1 De zgn. Lautsi-zaken, zie hierover TvRRB 2010-1, p. 75-80 en TvRRB 2011-2, p. 105-109.


Print dit artikel