Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Lijfstraffen, godsdienst en opvoeding

Moet de pedagogische tik ook in Suriname als mishandeling worden beschouwd?

Trefwoorden corporal punishment, Suriname, parenting
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Monique Veira en Duncan Wielzen, 'Lijfstraffen, godsdienst en opvoeding', TvRRB 2011-3, p. 5-16

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Inleiding

      Aan verzorgers1xVerzorgers zijn de ouders, voogden of de vaders van natuurlijke niet-erkende kinderen die conform art. 351 jo. 439 jo. 342 SBW moeten zorg dragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. van een kind2xKinderen zijn zij die op grond van art. 382 SBW de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hebben, niet gehuwd zijn of niet gehuwd geweest zijn. is door de wetgever de plicht opgedragen en het recht gegeven hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden.3xArt. 351 SBW jo. 439 SBW jo. 342 SBW. Een memorie van toelichting op deze artikelen ontbreekt in het Surinaams Burgerlijk Wetboek (SBW), waardoor niet duidelijk is wat wel en wat niet gebruikt mag worden bij de opvoeding van het kind. Eén opvoedmiddel4xEen opvoedmiddel is een middel dat door de opvoeder bewust gehanteerd wordt met oog op een bepaald doel. Voorbeelden van opvoedmiddelen zijn onder andere: beloning, straf, een gesprek. Zie http://inwiki.pabo-inholland.nl/opvoedingsmiddelen, laatst bezocht op 28 augustus 2011. is de lijfstraf.5xEen lijfstraf is een vorm van lichamelijke leedtoediening waarbij een persoon gepijnigd wordt als hij een maatregel overtreden heeft. Conform ‘kastijden’ in van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal. Anno 2011 is het in Suriname nog gangbaar en geaccepteerd dat ouders lijfstraffen toepassen als opvoedmiddel.6xIn het populaire Surinaamse televisieprogramma Tap a bankstel (Op de sofa/zitbank), dat vanaf 2009 tot heden elke zondagmiddag wordt uitgezonden, worden diverse populaire en prominente Surinamers van verschillende rassen geïnterviewd. Het is opmerkelijk dat een groot deel vertelt in zijn/haar jeugd lijfstraffen gehad te hebben of dat hij/zij zelf de eigen kinderen lijfelijk straft als die de opvoedregels overtreden. Ook ouders van Surinaamse origine die in Nederland hun kinderen opvoeden, passen in de Nederlandse samenleving lijfstraffen toe als middel bij de opvoeding. Zie M. Distelbrink, Opvoeding in Surinaams-Creoolse gezinnen in Nederland, Assen 1998, p. 46; B. Lalmahomed, Creoolse vrouwen. Opvoeding en levensstijl, Utrecht 1999, p. 85. Dit in tegenstelling tot Nederland, waar lijfstraffen als opvoedmiddel maatschappelijk noch wettelijk geaccepteerd worden. Maatschappelijk blijkt dit onder andere7xZie J.C.M. Willems, ‘Geweld is nooit privé. Op weg naar een verbod op slaan en ander opvoedingsgeweld’, Nederlands Juristenblad 2004, p. 281-284; L. Trouwhorst & N. De Bruyn, ‘Het kan echt anders! Ouders gebruiken andere vaardigheden’, Tijdschrift voor kindermishandeling 2003-4 (themanummer ‘Geweldloos Opvoeden’), p. 8-11. uit manifestaties en workshops georganiseerd door mensen werkzaam in verschillende beroepen waarbij met kinderen gewerkt wordt, die unaniem van mening zijn dat alle vormen van opvoedingsgeweld – en dus ook lijfstraffen – wettelijk uitgesloten moeten worden.8xDeze groeperingen hebben in 2003 een ‘Proclamatie voor opvoeden zonder geweld’ mede ondertekend en aangeboden aan de Nederlandse staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); www.geweldloosactief.nl/web200M06.html, laatst bezocht op 28 augustus 2011. Deze maatschappelijke druk heeft er uiteindelijk toe geleid dat artikel 1:247 lid 2 Nederlands Burgerlijk Wetboek (NBW) in 2007 zodanig is gewijzigd9xWet van 8 maart 2007, Stb. 145, in werking getreden op 25 april 2007, tot wijziging van Boek I van het Burgerlijk Wetboek teneinde een bijdrage te leveren aan het voorkomen van het gebruik van geestelijk of lichamelijk geweld jegens of van enige andere vernederende behandeling van kinderen in de verzorging en opvoeding. dat lijfstraffen als onderdeel van de opvoeding uitdrukkelijk verboden zijn.10xArt. 1:247 lid 2 NBW is overgenomen in het Concept Surinaams Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt: ‘Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.’ Zie: www.korps-politie-suriname.com/, laatst bezocht op 28 augustus 2011. Desondanks worden lijfstraffen in de praktijk nog steeds toegepast. Uit recent onderzoek blijkt dat een niet onaanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking geen moeite heeft met het geven van een corrigerende tik aan de eigen kinderen om hen een les te leren.11xwww.eo.nl/tijdschriften/visie/2009/page/_Wie_zijn_kind_liefheeft__spaart_de_roede_niet_/articles/article.esp?article=10826771, laatst bezocht op 28 augustus 2011.
      Hoewel de Surinaamse maatschappij anders over het toepassen van lijfstraffen in de opvoeding schijnt te denken, is in het Concept Surinaams Burgerlijk Wetboek (CSBW) de tekst van artikel 1:247 lid 2 NBW letterlijk overgenomen. Het kopiëren van Nederlandse wetgeving door Suriname is niet verwonderlijk omdat Suriname van ongeveer 1600 tot 1975 bijna onafgebroken een kolonie van het Koninkrijk der Nederlanden is geweest.12xZie H. Buddingh’, Geschiedenis van Suriname, Utrecht 1995. Voordat de regering in Suriname in 1954 zelfstandig bestuur in binnenlandse aangelegenheden verkreeg (buitenlandse zaken en defensie bleven vallen onder de taken van het Koninkrijk),13xwww.knag-expedities.nl/pages/tijdgeest/tijdgeest2.php#, laatst bezocht op 28 augustus 2011. was de Nederlandse regelgeving van toepassing op de inwoners van Suriname. Hoewel er intern zelfbestuur verkregen werd, moest op grond van het concordantiebeginsel, neergelegd in artikel 48 van het Statuut,14xHet Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, G.B. 1954, 172. de regelgeving in de kolonie Suriname overeenstemmen met de regelgeving in het Koninkrijk. In 1975 werd in Nederland een wet tot wijziging van het Koninkrijksstatuut aanvaard. Suriname werd hierdoor in datzelfde jaar onafhankelijk en kon van toen af aan zelfstandig regelgeving creëren. Ondanks deze zelfstandigheid worden bij de bespreking en/of bestudering en/of toepassing van het recht in Suriname, voor zover nodig en mogelijk, nog steeds Nederlandse hand-, studieboeken en jurisprudentie gebruikt. Daarnaast heeft het Nederlandse burgerlijk recht model gestaan voor het in 2009 bij de Nationale Assemblee (het Surinaamse parlement) ingediende Ontwerp Surinaams Burgerlijk Wetboek.15xNieuw Burgerlijk Wetboek, memorie van toelichting, p. 1 op: www.juspolsuriname.org/, laatst bezocht op 28 augustus 2011. Het richten van de blik op het Nederlandse recht is op zijn plaats, omdat een bepaalde mate van concordantie met het Nederlandse recht voor Suriname namelijk een essentieel vereiste blijft. Dit omdat de Surinaamse rechtsgemeenschap te klein is om een eigen zelfstandige rechtswetenschap en rechtspraak te kunnen schragen, het Surinaamse recht een variant is van het Nederlandse en het voor de continuïteit en om praktische en financiële redenen nodig is.16xJ.H. Adhin, ‘Problemen voor de wetgever bij eventuele invoering Nieuw Burgerlijk Wetboek’, in: Capita Selecta Staats- en Bestuursrecht. Twintig artikelen van dr. mr. drs. Jnan H. Adhin samengesteld door mr. R.E. Tjung Agnie, Paramaribo 1996, p. 104.
      Naast de wet- en regelgeving is er ook het vermeende recht van verschillende geloofsrichtingen die heilige boeken gebruiken, waarin lijfstraffen als opvoedmiddel blijkbaar zijn toegestaan.17xZie bijv. de Bijbel: Spreuken 13:24, Spreuken 23:13-14, Spreuken 29:15; de Koran: soera 18, ayat 74 en 80; Upanishads des Veda 593; zie ook reeds eerder aangehaald: www.eo.nl/tijdschriften/visie/2009/page/_Wie_zijn_kind_liefheeft__spaart_de_roede_niet_/articles/article.esp?article=10826771. Dit artikel gaat in op de in 2009 ontstane heisa rond de Nederlandse evangelische predikant Gertjan Goldschmeding, die door toepassing van lijfstraffen in zijn eigen gezin en uitspraken daarover op conferenties in 2005 en 2007 in problemen kwam met de Nederlandse justitie. Goldschmeding beschouwde de ‘inmenging’ van justitie als een aantasting van zijn recht op godsdienstvrijheid. Sommige ouders menen hieraan het recht te ontlenen om lijfstraffen ook daadwerkelijk toe te passen in hun gezinsleven, met als doel hun kinderen te corrigeren en te leren omgaan met de tegenslagen van het leven. Het vermeende recht van geloofsrichtingen wordt aangehaald omdat ongeveer 74% van de Surinaamse bevolking tegenover 45% van de Nederlandse bevolking een van de wereldgodsdiensten belijdt.18xVan de Surinaamse bevolking is ongeveer 41% christen, 13% moslim, 20% belijdt het hindoeïsme. Zie Algemeen Bureau voor de Statistiek, Censusstatistieken, Zevende Algemene Volks- en Woningtelling in Suriname, Demografische en Sociale Statistieken, Paramaribo 2005, p. 33. In Nederland geeft 45% van de bevolking te kennen tot een religieuze denominatie te behoren, terwijl 35% aangeeft lid te zijn van een religieuze of kerkelijke organisatie. Zie W.B.H.J. van de Donk e.a. (red.), Geloven in het publieke domein: verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2009, p. 75, tabel 3.4. De cijfers dateren uit het jaar 2000. De relatie tussen godsdienst en lijfstraffen verdient daarom aparte vermelding.
      In dit artikel zal verder worden nagegaan wat de Surinaamse rechtsbronnen aangeven met betrekking tot het gebruik van lijfstraffen in de opvoeding van kinderen. Ook zal worden nagegaan waarom artikel 1:247 lid 2 NBW gewijzigd is en of het in het licht van redenen voor wijziging en tegen de maatschappelijke achtergrond bezien op zijn plaats is om het Surinaamse wetsartikel betreffende de opvoeding van kinderen conform het NBW te wijzigen.

    • Bescherming van het Surinaamse kind van rechtswege

      De bronnen van het positieve recht zijn het verdragsrecht, de wet, de jurisprudentie en het gewoonterecht.19xE. Poortinga, Rechtsbronnen en Rechtssystemen, Nijmegen 1998, p. 17-18; P.B. Cliteur, Inleiding in het recht, Groningen 1996, p. 31-46. Bij de opvoeding staat aan de ene kant het belang van verzorgers, waarbij zij het recht hebben om naar eigen inzichten het kind op te voeden. Aan de andere kant staat het belang van het kind, dat recht heeft op bescherming tegen geestelijk en fysiek geweld. Het recht van verzorgers om hun kinderen naar eigen inzichten op te voeden is vastgelegd in artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).20xDit verdrag is op 28 december 1976 door Suriname geratificeerd. Hierin is het volgende opgenomen:

      ‘1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.
      2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.’

      Deze verdragsbepaling is doorvertaald naar het nationaal recht middels artikel 17 van de Surinaamse Grondwet en artikel 351 jo. 439 jo. 342 SBW. Artikel 17 lid 1 van de Surinaamse Grondwet stelt het volgende: ‘Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezin, zijn woning en van zijn eer en goede naam.’
      In artikel 351 jo. 439 jo. 342 SBW wordt gesteld dat de verzorgers verplicht zijn hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden.
      Kerkgenootschappen hebben binnen de Surinaamse rechtsorde een bepaalde plaats ingenomen. In 1911 stelde de Hoge Raad21xHR 29 december 1911, W9272. namelijk dat kerkgenootschappen ‘onder de opperheerschappij der algemene wet’ staan. De kerkgenootschappen werden zo als onderdeel van de Nederlandse (en toen ook de Surinaamse) rechtsorde erkend. Deze kerkgenootschappen passen het kerkelijk of canoniek recht22xHet kerkelijk of canoniek recht wordt zowel door de rooms-katholieke als de oosters-orthodoxe kerk en de anglicaanse kerk toegepast. Het kerkrecht is gebaseerd op de belangrijkste bronnen van het katholieke geloof: de Bijbel, de (werken van) kerkleraren en de traditie. Zie bijv. C. van de Wiel, Geschiedenis van het kerkelijk recht, Leuven 2006. toe. In de Surinaamse Grondwet is daarnaast het recht op godsdienstvrijheid erkend.23xArt. 18 Grondwet: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.’ Op basis hiervan zijn niet alleen kerkgenootschappen maar ook de genootschappen van andere geloofsrichtingen vrij eigen geloofsregels te hebben die van toepassing zijn op degenen die bij die genootschap zijn aangesloten.
      Het recht van het kind op bescherming tegen fysiek geweld is vastgelegd in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind:24xDit verdrag werd op 20 november 1989 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Suriname tekende dit verdrag samen met Nederland op 26 januari 1990. Op 2 september 1990 trad het verdrag in werking, omdat twintig landen het verdrag toen geratificeerd hadden. ‘De Staten die partij zijn, binden zich om alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied te nemen om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.’
      Terugvertaling van dit verdragsartikel in de Surinaamse nationale wetgeving vinden we in de strafrechtelijke bepalingen aangaande mishandeling.25xMishandeling is in dit kader het toebrengen van verwondingen of pijn of andere schade tegen het lichaam van een persoon gericht. Mishandeling en de verschillende varianten hiervan zijn vastgelegd in artikel 360 tot en met 364 Wetboek van Strafrecht (Sr). In artikel 360 lid 4 Sr wordt opzettelijke benadeling van de gezondheid gelijkgesteld met mishandeling.
      Kortom, de nationaal en internationaal opgelegde rechten en plichten van ouders en sancties tegen eventuele mishandeling van het Surinaamse kind zijn in de huidige Surinaamse wetgeving al vastgelegd.

    • Godsdienst en lijfstraffen

      Hiervoor hebben we gewezen op de rol en invloed van heilige boeken zoals de Bijbel en de Koran bij de keuze van ouders om lijfstraffen als opvoedmiddel te gebruiken. Onder theologen van verschillende christelijke gezindten bestonden en bestaan verschillende opvattingen over Bijbelteksten waarin het toepassen van lijfstraffen wordt verwoord. Dat blijkt al in de zestiende eeuw. Tegen de heersende opvatting dat de Bijbel aanzet tot het tuchtigen van kinderen, met verwijzing naar onder andere Spreuken 13:24 (‘Wie de roede spaart, is zijn zoon slecht gezind; als hij hem liefheeft, berispt hij hem vroegtijdig’),26xDe Bijbel, uit de grondtekst vertaald, Willibrordvertaling, ’s-Hertogenbosch 1995, geheel herziene uitgave. In dit artikel zijn alle Bijbelse citaten genomen uit de Willibrordvertaling 1995. laat de christelijke humanist Erasmus (1466-1536) een ander geluid horen. In sommige van zijn werken waarschuwt hij tegen ruwheid en onbegrip ten opzichte van kinderen, maar vooral tegen het slaan door de vaders.27xN. Bakker, J. Noordman & M. Rietveld-van Wingerden, Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee & Praktijk 1500-2000, Assen 2006, p. 138. In zijn ‘Traktaat over opvoeding en onderwijs’ (1529) pleit hij voor een ‘liefdevolle en toegewijde opvoeding’, want dat is volgens hem ‘de bron van alle deugd’. Verwijzend naar de brief van de apostel Paulus aan de christenen van Efeze (6:4: ‘En u, vaders, verbitter uw kinderen niet, maar voedt ze op met christelijke tucht en vermaning’) verklaart hij dat zelfs voor deze apostel vermaningen en terechtwijzingen vrij moesten zijn van bitterheid en hardheid. Ze moesten met zachtmoedigheid, mildheid en liefde gebeuren, zoals Jezus zijn discipelen onderrichtte.28xD. Erasmus, ‘Traktaat over opvoeding en onderwijs’, in: D. Erasmus, Over opvoeding en vrije wil, uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door J. Sperna Weiland, Baarn 1992, p. 77-116, i.h.b. p. 106. Wie zijn kind echter mishandelt ‘vereelt het lichaam tegen slagen, zoals het de ziel verhardt voor de woorden’. Het kind wordt onhandelbaar, want ‘het voortdurende schelden verhardt de ziel’.29xErasmus 1992.
      Bijbelteksten zoals Spreuken 13:24 zijn weliswaar geschreven in een tijd waarin het toedienen van lijfstraffen net zo geaccepteerd was als het houden van slaven. Net zoals het voor slavenhouders geoorloofd was om middels lijfstraffen hun slaven tot gehoorzaamheid te onderwerpen, was het de plicht van vaders om hun zonen met behulp van lijfstraffen gehoorzaamheid aan God bij te brengen. De essentie van de spreuk is dat ouders zich tot het uiterste moeten inspannen om hun kind te corrigeren, uit liefde voor God en voor het kind zelf.30xM.J. Paul, G. van den Brink & J.C. Bette, Studiebijbel Oude Testament. Bijbelcommentaar Psalmen II, Spreuken, Prediker, Veenendaal 2011, p. 481. Want rechtvaardig is diegene die zich laat leiden door de ‘vreze des Heren’. Wie zijn zoon daartoe opvoedt – dat was de Bijbelse opvatting van toen – maakt van hem een rechtschapen, onberispelijk, verstandig, wijs en vroom mens.31xZie ‘Inleiding op het boek Spreuken’, de Bijbel (Oude Testament), p. 845-846, p. 845; cfm. Sirach 30:1: ‘Wie zijn zoon liefheeft moet hem slaan om tenslotte vreugde aan hem te beleven.’
      Volgens de Amerikaanse historicus Philip Greven heeft de Bijbel eeuwenlang als inspiratie gediend voor een strenge gezinsopvoeding onder orthodoxe calvinisten.32xPh. Greven, Spare the Child. The Religious Roots of Punishments and the Psychological Impact of Physical Abuse, New York 1992. De predikant Jacobus Koelman (1632-1695) heeft vanuit die overtuiging zijn stempel gedrukt op de opvoeding van kinderen in reformatorische milieus.33xJ. Koelman, De plichten der ouders, in kinderen voor God op te voeden, herschreven door C. Bregman, Houten 2003, zie vooral hoofdstuk 5 (p. 76-93). Hier geeft de auteur aan welke zonden ouders hun kinderen moeten afleren en de tuchtmaatregelen die zij daartoe ter beschikking hebben. Zijn tijdgenoot en collega-predikant Petrus Wittewrongel (1609-1662) beschouwde kastijding als een van de middelen die ouders ter beschikking hadden om hun kinderen in de vreze Gods op te voeden.34xL.F. Groenendijk, De nadere reformatie van het gezin. De visie van Petrus Wittewrongel op de christelijke huishouding, Dordrecht 1984, p. 152; Bakker, Noordman & Rietveld-van Wingerden 2006, p. 142. Dat moest gepaard gaan met liefde. Die Bijbelse beïnvloeding van de (godsdienstige) opvoeding was zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw aanwezig.35xN. Bakker, ‘Opvoeden met de harde hand?’, in: B. Levering e.a. (red.), Thema’s uit de wijsgerige en historische pedagogiek, Utrecht 1998, p. 79-85, i.h.b. p. 81. In godsdienstig opzicht werd het toedienen van lijfstraffen gezien als een tuchtmaatregel ter bevordering van de godzaligheid.36xBakker, Noordman & Rietveld-van Wingerden 2006, p. 141-143.
      Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw is er sprake van een kentering in het opvoedingspatroon in met name reformatorische kringen. De opkomst van de reformpedagogiek ging niet voorbij aan de kerken met hun onderwijsinstituten. Reformpedagogen onderstreepten het belang van het centraal stellen van het kind in opvoeding en onderwijs.37xN. Bakker e.a. (red.), Reformpedagogiek in België en Nederland, Assen 2002. Traditioneel onderwijs moest het afleggen tegen nieuwere vormen die gericht waren op de integrale ontwikkeling van het kind. Er kwam tevens een duidelijke scheiding tussen school en maatschappij. Dat bracht onder meer met zich mee dat de Bijbelse invloed op de opvoeding van kinderen stopte bij de schoolpoort en beperkt bleef binnen het gezin. Maar ook daar nam de invloed van een Bijbelgerichte aanpak in de opvoeding – wat zich vaak vertaalde in een eenzijdige autoritaire opvoeding – af als gevolg van toenadering tot liberale denkbeelden.
      Ook binnen de kerken was er sprake van een veranderende tijdgeest. Binnen zowel rooms-katholieke als reformatorische kringen drong het besef door dat een christendom zonder naastenliefde een contradictio in terminis is. De opvoeding tot naastenliefde begon primair binnen het gezin. Maar een dergelijke opvoeding sloot een incidenteel pak slaag niet uit.38xS.O. Los, Karaktervorming bij kleuters en kinderen, Amsterdam 1930, p. 113.
      Kortom, ‘de ontdekking van het kind’ zoals dat binnen de reformpedagogiek door sommigen werd voorgesteld, ging ook niet voorbij aan christelijke gezinnen. Kinderen hadden niet alleen maar plichten, maar ook rechten, zoals het recht op een liefdevolle opvoeding39xOnder een ‘liefdevolle opvoeding’ verstaan wij een opvoeding waarin ouderlijke liefde voor het kind bepalend is voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind. Die ouderlijke liefde is voorgegeven vanuit de natuurwet (de aard der dingen) en correspondeert met Bijbelse grondslagen voor naastenliefde: ‘Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat een ander niet.’ in een veilige omgeving. Dat recht zou later internationaal en nationaal worden vastgelegd in conventies en verdragen.
      Net als binnen het christendom bestonden/bestaan er verschillende opvattingen over het toedienen van lijfstraffen bij de opvoeding van kinderen in islamitische milieus. Volgens sommige overleveringen40xDe ahadith, dat zijn overleveringen aangaande wat de Profeet zei, deed of stilzwijgend goedgekeurd heeft. is het centrale idee dat vaders de plicht hebben hun kinderen goed op te voeden en voor hen te zorgen. Daarbij is het slaan van de kinderen aan religieuze voorschriften onderhevig. Het mag slechts als uiterste maatregel worden toegepast om een ongehoorzaam kind te corrigeren. Bovendien mag het slaan van kinderen nooit gebeuren in een emotionele toestand van boosheid. Volgens Mufti Z. Bhayat is het in de islam verboden om kinderen in het gezicht, aan het hoofd of een ander gevoelig lichaamsdeel te slaan. Er mogen ook geen wonden, striemen of blauwe plekken aan een lichaamsdeel worden toegebracht.41xMufti Z. Bhayat, ‘Upbringing of Children, Disciplining of Children. An Islamic Perspective’, http://haram.wordpress.com/upbringing-of-children-disciplining-of-children-an-islamic-perspective/, laatst bezocht op 12 september 2011.
      Hoewel binnen islamitische milieus kinderen niet gespaard blijven voor de roede, is het toepassen van lijfstraffen aan strikte voorwaarden gebonden. Het disciplineren van kinderen mag slechts uit noodzaak gebeuren, maar het herhaaldelijk slaan is uit den boze. Er is dus sprake van een gebalanceerde benadering.
      Bij Javaanse moslims in Suriname schijnt een grote mate van terughoudendheid te bestaan voor wat betreft het toepassen van lijfstraffen bij de opvoeding. Het beeld bestaat dat een dergelijke maatregel de harmonie tussen de ouder en het kind verstoort als gevolg van de spanning die het tussen hen creëert. Als zodanig druist het in tegen het principe van rukun, dat een centrale plaats inneemt in de leef- en denkwereld van Javanen.42xG.D. van Wengen, ‘Javaans leven’, in: A. Helman, Cultureel mozaïek van Suriname, Zutphen 1977, p. 226-239. Volgens Van Wengen (p. 233) is rukun de aanduiding van zowel de onderlinge harmonie tussen mensen als het voortdurend streven naar harmonie tussen de mensenwereld en de geestenwereld. In hoeverre religieuze opvattingen heden ten dage (nog) van invloed zijn op de keus voor het al dan niet toepassen van lijfstraffen in de opvoeding onder Javaanse moslims is moeilijk in te schatten, gezien het aanzienlijk deel abangan onder dit deel van de Surinaamse bevolking; dat zijn de in godsdienstig opzicht ‘meelopers’ die het niet zo nauw schijnen te nemen met Koranvoorschriften en religieuze plichten.43xVan Wengen 1977, p. 233.

    • Is het geven van een lijfstraf als opvoedmiddel een vorm van mishandeling van het kind?

      In de negentiende eeuw werd het ouderlijk gezag44xIn dit artikel wordt als term voor de ouderlijke macht en de voogdij samen het begrip ouderlijk gezag gebruikt. vooral gezien en geregeld als het geheel van rechten en bevoegdheden van de ouders met betrekking tot het kind. Aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw brak het inzicht door dat de ouderlijke macht bestaat ter wille van het kind en niet ter wille van de ouders. Dit leidde tot een reeks van kinderbeschermingsmaatregelen, waarvan de eerste, de Kinderwet van 1901,45xWet van 6 februari 1901, Stb. 62, in werking getreden in 1905. de ontzetting uit het ouderlijk gezag mogelijk maakte.46xMr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 814-818. Tot aan de Wet op de kinderbescherming van 1921,47xWet van 5 juli 1921, Stb. 834. die volgde op de wet van 1901, golden met betrekking tot het vaderlijk tuchtigingsrecht de bepalingen van de Code Civil van 1804, waarbij de vrouw en kinderen volledig aan de macht en autoriteit van de vader onderworpen waren. De Code Civil gaf de vader de bevoegdheid zijn ongehoorzame kind te tuchtigen, zelfs door middel van opsluiting in een tuchtschool of een gevangenis. De rechter kon dit niet weigeren en moest een aanhoudingsmandaat afleveren. Er werd van uitgegaan dat de vader van nature goed en redelijk was, dus was er geen verweer tegen eventuele misbruiken van de vaderlijke macht. In de laatste decennia van de negentiende eeuw nam het geloof in de natuurlijke goedheid van de vader af en met de Wet op de kinderbescherming van 1921 werd de rechter belast met de uitoefening van het recht tot opsluiting, na een klacht van ouders.48xM. de Koster, ‘Ongepast gedrag van jonge vrouwen en (generatie)conflicten. Ouderlijke klachten over onhandelbare dochters bij de kinderrechter in Antwerpen 1912-1913 en 1924-1925’, Beeld en beeldvorming 2001-8, p. 105-107. Meerdere kinderbeschermingsmaatregelen zijn sindsdien gevolgd en intussen worden het karakter en de omvang van het ouderlijk gezag gezien als een onverbrekelijke samenhang tussen bevoegdheden van de ouders, bescherming van het kind tegen de ouders en eigen recht van het opgroeiende kind.49xMr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 815-818. In recente doctrine en jurisprudentie wordt aangenomen dat het ouderlijk gezag in principe afneemt naar de mate dat eigen inzicht en mogelijkheden van het kind sterker worden.50xHR 25 september 1998, NJ 1999, 379, m.nt. sw.
      In 200751xWet van 8 maart 2007, Stb. 145, in werking getreden 25 april 2007. heeft, zoals eerder aangegeven, de meest recente wijziging van artikel 1:247 lid 2 NBW in Nederland plaatsgehad. Dit betreft de wijziging die in het artikel met hetzelfde nummer kopieconform overgenomen is in het Concept Surinaams Burgerlijk Wetboek.52xwww.korps-politie-suriname.com/, laatst bezocht op 28 augustus 2011. De wijziging bevat twee elementen. Allereerst is bepaald dat ook de zorg en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het kind tot de verzorging en opvoeding behoren. Verder is uitdrukkelijk gesteld dat geestelijk en lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling niet mogen worden toegepast in de verzorging en opvoeding van het kind. Volgens de bijbehorende Kamerstukken53xKamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 4, p. 1-5. zijn zowel het pedagogische ‘pak voor de broek’ als het regelmatig slaan van kinderen en het toebrengen van ernstig letsel een vorm van mishandeling.
      Vanaf de wetswijziging van 2007 valt dus in Nederland elke vorm van pijn die aan het lichaam van een kind wordt toegebracht onder de noemer van mishandeling.54xMr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 818. Wordt mishandeling aan ouders ten laste gelegd en is dit niet buitenproportioneel of dient het de opvoeding, dan kan het tuchtigingsrecht van ouders volgens de Hoge Raad (HR)55xHR 10 december 1996, DD 97 004. Zie ook Mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Deventer 1996, p. 358. als rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen. In de Surinaamse wetgeving wordt het door de verzorgers geven van een lijfstraf als opvoedmiddel (nog) niet als mishandeling van het kind gezien.

    • Moet de pedagogische tik bij de wetswijziging in Suriname ook als mishandeling worden beschouwd?

      Lijfstraffen zijn, zoals eerder aangegeven, een uitvloeisel van het ouderlijk tuchtrecht dat gebaseerd is op artikel 351 jo. 439 jo. 342 SBW. Dit recht, ook wel de castigatio paterna of vaderlijke kastijding genoemd, wordt in de oudere jurisprudentie niet als mishandeling gezien.56xHR 10 februari 1902, W 7723; HR 10 oktober 2000, NJ 2000, 656.
      Voordat de laatste wetswijziging op dit stuk in Nederland werd doorgevoerd, luidde artikel 1:247 lid 2 NBW als volgt: ‘Onder verzorging en opvoeding wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.’ Deze wijziging werd gedaan om tot uitdrukking te brengen dat meer rekening gehouden moest worden met de toenemende mondigheid van het opgroeiend kind en diens behoefte zich naar eigen inzicht te ontwikkelen.57xKamerstukken II 1989/90, 21 309, nr. 2, p. 7-8.
      Een dergelijke tussenstap waarbij meer rekening wordt gehouden met de rechten van het kind is door de Surinaamse wetgeving58xAan wetgeving ter bescherming van het kind moet, in vergelijking met Nederland, nog veel gedaan worden. Enkele ontwerpwetten hieromtrent die reeds jaren in Nederland van kracht zijn, liggen bij de Nationale Assemblee van de Republiek Suriname. Zie: www.dna.sr/Documentatie/files.html, laatst bezocht op 28 augustus 2011. en meer nog door de Surinaamse maatschappij,59xEerder aangehaald televisieprogramma, artikelen in lokale dagbladen en tijdschriften bevestigen dit vermoeden. Wetenschappelijk (sociologisch) onderzoek hierover is niet gedaan en beveel ik dan ook zeer aan. ons inziens, nog niet gemaakt. Aan het ouderlijk tuchtrecht menen leerkrachten bijvoorbeeld ook het recht te ontlenen om kinderen een pedagogische tik te geven.60xR.H. Tholen, Kindermishandeling in het onderwijs (doctoraalscriptie Rechten Universiteit van Suriname), Paramaribo 2007, p. 6. Het toepassen van lijfstraffen op Surinaamse scholen is echter zeker sinds 1929 officieel verboden door het Surinaamse ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.61xZie de brief van het departement van Onderwijs en Volksontwikkeling aan de hoofden van de openbare scholen in Suriname, d.d. 29 maart 1950, nr. 1034. Toch bleek het in 2005 en opnieuw in 2006 vanwege aanhoudende klachten nog nodig om schoolleiders hierop schriftelijk te wijzen.62xZie de brief van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Inspectie Basisonderwijs, d.d. 17 augustus 2005, LSC-YD-nr. 471 en de brief van de Stichting Onderwijs Evangelische Broedergemeente in Suriname d.d. 13 januari 2006, nr. 113. Als het bewustwordingsproces voor wat betreft de rechten van het kind in Suriname nog niet voldoende op gang is gekomen, rijst de vraag in hoeverre een dergelijke wetswijziging het veronderstelde beoogde effect zal hebben. De wetgeving kan dan zodanig gewijzigd worden dat het geven van een tik gelijkstaat aan mishandeling, maar de mogelijkheid dat het veronderstelde effect bereikt wordt, namelijk het tegengaan van mishandeling, is dan wel uitermate klein.

    • Slot

      Het Nederlands wetsvoorstel waarin alle vormen van geweld in de opvoeding verboden worden, is vooral aangenomen omdat het Comité van de Verenigde Naties dat toezicht houdt op naleving van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, heeft geadviseerd deze wetswijziging door te voeren.63xKamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 5, p. 2. Ook al dekt de strafrechtelijke wetgeving mishandeling van het kind, dan nog wordt door het Comité de mogelijkheid aangegrepen om een eventueel beoogd effect te bewerkstelligen. Als beoogde effecten van de wetswijziging noemt de toelichting ook het meer bespreekbaar maken van het onderwerp bestraffen van kinderen zowel voor ouders als voor hulpverleners. Vooral is beoogd de houding van ouders ten aanzien van de lichamelijke bestraffing of de vernederende behandeling van kinderen te beïnvloeden. Dit terwijl uit rechtsvergelijkend onderzoek met betrekking tot landen die in hun wetgeving een dergelijke norm hebben opgenomen, blijkt dat het effect van een dergelijke wettelijke regeling op de beïnvloeding van de houding niet aantoonbaar is.64xNederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW); K. Kooijman, I. ten Berge & A. Oostveen, Fysieke bestraffing van kinderen een inventarisatie van wettelijke verboden in vier Europese landen, Utrecht 2003, p. 28, 41, 49, 61. Onderzoek heeft daarnaast uitgewezen dat de bijzondere relatie tussen ouders en kinderen ertoe leidt dat er weinig belangstelling bestaat voor ingrijpen van wetgever en/of rechter en dat men de oplossing van problemen vooral zoekt binnen de gezinssfeer.65xMr. C. Asser´s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 817.
      Het burgerlijk recht biedt verder nu al tal van mogelijkheden tot ingrijpen van het Surinaamse Bureau Familierechtelijke Zaken indien ouders kennelijk niet in staat zijn hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind te nemen.
      Ons inziens sluit een liefdevolle opvoeding het straffen of berispen van een kind niet uit. Die straf kan variëren van het kind tijdelijk onthouden wat het dierbaar is, zoals een favoriet spel, tot het af en toe geven van een corrigerende tik, omdat dat laatste niet vanzelfsprekend duidt op minder liefde van de ouder ten opzichte van het kind. Kinderen die gedurende hun opvoeding van (een van) de ouders een pak slaag kregen en desondanks optimaal functioneren in de maatschappij, zonder daaraan psychische of emotionele schade van hun opvoeding te hebben overgehouden, vormen het beste bewijs voor onze zienswijze. Uiteraard zal nader onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van een controlegroep deze zienswijze al dan niet kunnen bevestigen.
      Tijdens de Nederlandse parlementaire discussies over wijziging van dit artikel haalde de ChristenUnie dan ook terecht aan dat er geen eenduidige bewijzen zijn dat een enkele tik tijdens de opvoeding kwaad kan. Ook stelde die partij dat met de aanname van deze wetswijziging het recht van de opvoeders op vrijheid van opvoeding ingeperkt wordt.66xKamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 5, p. 7-8. Het is niet uitgesloten dat grote groepen mensen uit de Surinaamse samenleving – 74% hangt een bepaalde godsdienst aan – de aanname van deze wet als een inperking van verworven godsdienstvrijheden zal ervaren. Dat zal echter afhangen van de mate waarin religieuze voorschriften op het moment van aanname van de wet een feitelijke rol van betekenis spelen in de opvoeding van kinderen.
      De noodzaak om rekening te houden met de godsdienst van grote delen uit de Surinaamse samenleving is eerder gebleken. Het SBW trad op 1 mei 1869 in werking.67xG.B. 1968, 14. Dit SBW, dat een kopie was van het NBW, had geen rekening gehouden met de andere godsdienstige en etnische samenstelling van de Surinaamse bevolking. Volgens deze wet kon een huwelijk alleen bij de burgerlijke stand gesloten worden68xArt. 78 SBW. Dit artikel is nog steeds van kracht. Echter kunnen nu voorgangers van verschillende geloofsgezindten opgeleid worden tot huwelijksambtenaar (nieuw art. 134 c SBW). en was het zelfs uitdrukkelijk verboden godsdienstige plechtigheden plaats te laten hebben voor de sluiting van het burgerlijk huwelijk.69xOud art. 134 SBW. Dit artikel is vervallen verklaard bij S.B. 2003, nr. 44. De invoering van vooral dit verbod heeft er niet toe heeft geleid dat de bevolking die gewend was volgens hun religieuze tradities te huwen, haar handelen aan de nieuwe wetgeving aanpaste.70xM.A. Veira, ‘Het huwelijksrecht bekeken tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de Surinaamse maatschappij’, Surinaams Juristen Blad 2001-3, p. 19-26. Het gevolg was dat de Surinaamse wetgever, naast de bestaande wetten, andere wetten creëerde om tegemoet te komen aan de godsdienstige behoeften van de moslims en hindoes op dit betreffend stuk.71xHuwelijkswet mohammedanen, G.B. 1940, nr. 149 en Huwelijkswet hindoes, G.B. 1940, nr. 150. Deze wetten zijn vervallen verklaard bij resolutie van 17 juni 2003. Zie ook Wet Herziening Huwelijksrecht 1973, G.B. 1973, nr. 140, die in werking is getreden op 26 juni 2003, S.B. 2003, nr. 47. Geleerd hebbende uit de geschiedenis houdt de in 2003 in Suriname ingevoerde Wet Herziening Huwelijksrecht 1973 meer rekening met de godsdienstige behoeften van de gelaagde Surinaamse maatschappij. In deze wet is aan de voorgangers van alle gevestigde godsdienstige groeperingen de gelegenheid geboden om opgeleid te worden tot huwelijksambtenaar. Hierdoor worden zij bevoegd om namens de staat tot sluiting van huwelijken over te gaan, conform hun religieuze opvattingen.72xArt. 134 b SBW, dat ingevoerd is middels de Wet Herziening Huwelijksrecht 1973, G.B. 1973, nr. 140, in werking getreden op 26 juni 2003, S.B. 2003, nr. 47. Van deze mogelijkheid wordt vanwege de behoeften in de Surinaamse maatschappij nog steeds veel gebruikgemaakt door de religieuze groeperingen,73xwww.krindenki.com/?p=3720; www.dbsuriname.com/archief/nat/2011/jul11/11-07-11/Nat_Wintireligie%20kent%20voor%20het%20eerst%20wettige%20huwelijksambtenaren.asp; www.apintie.sr/vidi.php?vid=2670, laatst bezocht op 28 augustus 2011. hetgeen doet vermoeden dat religie nog een belangrijke invloed heeft op het gezinsleven. Hoewel een bepaalde mate van concordantie van het Surinaamse recht met het Nederlandse recht dus essentieel is, hoeft dit surinamisering van het recht niet in de weg te staan.74xAdhin 1996, p. 105.
      Ook bestaat er ons inziens niet noodzakelijkerwijs een discrepantie tussen een liefdevolle opvoeding en het geven van een pedagogische tik. Wat echter van cruciaal belang is, is dat een dergelijke maatregel, net als elke straf, voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit: de straf moet in verhouding staan tot de ernst van het ‘vergrijp’ van het kind en er mag niet fysiek gestraft worden als een minder ingrijpende opvoedkundige maatregel volstaat.75xZie HR 10 september 1996, DD 97004.
      Centraal bij het bespreken van het wel of niet gebruiken van een lijfstraf als opvoedmiddel zou het in de praktijk brengen van een liefdevolle opvoeding moeten zijn, wat een kunst blijkt te zijn.76xE. Kessler, Liefdevol opvoeden, een kunst. Op een zinvolle manier grenzen stellen en daarbij je goede humeur bewaren, Amersfoort 2009, p. 91. In Suriname zal daarbij, evenals in Nederland het geval is geweest, alle opgedane kennis en ervaring voor dit doel ingezet moeten worden.77xTijdens de grote manifestatie in 2003 zijn de drie lessen die van belang zijn voor de opvoeding van kinderen benadrukt: (1) it takes rights to raise a child: kinderen moeten met rechten opgevoed worden; (2) it takes a village to raise a child: waarmee gepleit wordt voor meer samenwerking bij de opvoeding; (3) it takes best practices to raise a child: hier gaat het om de beste hulp voor kind en opvoeders. Zie G.C.A.M. Ruitenberg, ‘Kindermishandeling: morgen niet meer’, Rechtshulp, maandblad voor de sociale praktijk 2003-1, p. 5.
      Regelgeving waarvan bewezen is dat ze niet leidt tot dit doel, zou in dit licht bezien achterwege gelaten kunnen worden. Of hebben we symboolwetgeving78xEen symbool is een teken waarbij geen natuurlijke relatie bestaat tussen de representatie van het teken en de betekenis die ermee wordt uitgedrukt. Volgens van Dale duidt het op ‘een werkelijkheid die samenvalt met een andere werkelijkheid en deze zichtbaar voorstelt’. nodig om ons te herinneren aan het feit dat geweld niet binnen de opvoeding thuishoort?

    Noten

    • 1 Verzorgers zijn de ouders, voogden of de vaders van natuurlijke niet-erkende kinderen die conform art. 351 jo. 439 jo. 342 SBW moeten zorg dragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

    • 2 Kinderen zijn zij die op grond van art. 382 SBW de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hebben, niet gehuwd zijn of niet gehuwd geweest zijn.

    • 3 Art. 351 SBW jo. 439 SBW jo. 342 SBW.

    • 4 Een opvoedmiddel is een middel dat door de opvoeder bewust gehanteerd wordt met oog op een bepaald doel. Voorbeelden van opvoedmiddelen zijn onder andere: beloning, straf, een gesprek. Zie http://inwiki.pabo-inholland.nl/opvoedingsmiddelen, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 5 Een lijfstraf is een vorm van lichamelijke leedtoediening waarbij een persoon gepijnigd wordt als hij een maatregel overtreden heeft. Conform ‘kastijden’ in van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal.

    • 6 In het populaire Surinaamse televisieprogramma Tap a bankstel (Op de sofa/zitbank), dat vanaf 2009 tot heden elke zondagmiddag wordt uitgezonden, worden diverse populaire en prominente Surinamers van verschillende rassen geïnterviewd. Het is opmerkelijk dat een groot deel vertelt in zijn/haar jeugd lijfstraffen gehad te hebben of dat hij/zij zelf de eigen kinderen lijfelijk straft als die de opvoedregels overtreden. Ook ouders van Surinaamse origine die in Nederland hun kinderen opvoeden, passen in de Nederlandse samenleving lijfstraffen toe als middel bij de opvoeding. Zie M. Distelbrink, Opvoeding in Surinaams-Creoolse gezinnen in Nederland, Assen 1998, p. 46; B. Lalmahomed, Creoolse vrouwen. Opvoeding en levensstijl, Utrecht 1999, p. 85.

    • 7 Zie J.C.M. Willems, ‘Geweld is nooit privé. Op weg naar een verbod op slaan en ander opvoedingsgeweld’, Nederlands Juristenblad 2004, p. 281-284; L. Trouwhorst & N. De Bruyn, ‘Het kan echt anders! Ouders gebruiken andere vaardigheden’, Tijdschrift voor kindermishandeling 2003-4 (themanummer ‘Geweldloos Opvoeden’), p. 8-11.

    • 8 Deze groeperingen hebben in 2003 een ‘Proclamatie voor opvoeden zonder geweld’ mede ondertekend en aangeboden aan de Nederlandse staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); www.geweldloosactief.nl/web200M06.html, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 9 Wet van 8 maart 2007, Stb. 145, in werking getreden op 25 april 2007, tot wijziging van Boek I van het Burgerlijk Wetboek teneinde een bijdrage te leveren aan het voorkomen van het gebruik van geestelijk of lichamelijk geweld jegens of van enige andere vernederende behandeling van kinderen in de verzorging en opvoeding.

    • 10 Art. 1:247 lid 2 NBW is overgenomen in het Concept Surinaams Burgerlijk Wetboek en luidt als volgt: ‘Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.’ Zie: www.korps-politie-suriname.com/, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 11 www.eo.nl/tijdschriften/visie/2009/page/_Wie_zijn_kind_liefheeft__spaart_de_roede_niet_/articles/article.esp?article=10826771, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 12 Zie H. Buddingh’, Geschiedenis van Suriname, Utrecht 1995.

    • 13 www.knag-expedities.nl/pages/tijdgeest/tijdgeest2.php#, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 14 Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, G.B. 1954, 172.

    • 15 Nieuw Burgerlijk Wetboek, memorie van toelichting, p. 1 op: www.juspolsuriname.org/, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 16 J.H. Adhin, ‘Problemen voor de wetgever bij eventuele invoering Nieuw Burgerlijk Wetboek’, in: Capita Selecta Staats- en Bestuursrecht. Twintig artikelen van dr. mr. drs. Jnan H. Adhin samengesteld door mr. R.E. Tjung Agnie, Paramaribo 1996, p. 104.

    • 17 Zie bijv. de Bijbel: Spreuken 13:24, Spreuken 23:13-14, Spreuken 29:15; de Koran: soera 18, ayat 74 en 80; Upanishads des Veda 593; zie ook reeds eerder aangehaald: www.eo.nl/tijdschriften/visie/2009/page/_Wie_zijn_kind_liefheeft__spaart_de_roede_niet_/articles/article.esp?article=10826771. Dit artikel gaat in op de in 2009 ontstane heisa rond de Nederlandse evangelische predikant Gertjan Goldschmeding, die door toepassing van lijfstraffen in zijn eigen gezin en uitspraken daarover op conferenties in 2005 en 2007 in problemen kwam met de Nederlandse justitie. Goldschmeding beschouwde de ‘inmenging’ van justitie als een aantasting van zijn recht op godsdienstvrijheid.

    • 18 Van de Surinaamse bevolking is ongeveer 41% christen, 13% moslim, 20% belijdt het hindoeïsme. Zie Algemeen Bureau voor de Statistiek, Censusstatistieken, Zevende Algemene Volks- en Woningtelling in Suriname, Demografische en Sociale Statistieken, Paramaribo 2005, p. 33. In Nederland geeft 45% van de bevolking te kennen tot een religieuze denominatie te behoren, terwijl 35% aangeeft lid te zijn van een religieuze of kerkelijke organisatie. Zie W.B.H.J. van de Donk e.a. (red.), Geloven in het publieke domein: verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2009, p. 75, tabel 3.4. De cijfers dateren uit het jaar 2000.

    • 19 E. Poortinga, Rechtsbronnen en Rechtssystemen, Nijmegen 1998, p. 17-18; P.B. Cliteur, Inleiding in het recht, Groningen 1996, p. 31-46.

    • 20 Dit verdrag is op 28 december 1976 door Suriname geratificeerd.

    • 21 HR 29 december 1911, W9272.

    • 22 Het kerkelijk of canoniek recht wordt zowel door de rooms-katholieke als de oosters-orthodoxe kerk en de anglicaanse kerk toegepast. Het kerkrecht is gebaseerd op de belangrijkste bronnen van het katholieke geloof: de Bijbel, de (werken van) kerkleraren en de traditie. Zie bijv. C. van de Wiel, Geschiedenis van het kerkelijk recht, Leuven 2006.

    • 23 Art. 18 Grondwet: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.’

    • 24 Dit verdrag werd op 20 november 1989 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Suriname tekende dit verdrag samen met Nederland op 26 januari 1990. Op 2 september 1990 trad het verdrag in werking, omdat twintig landen het verdrag toen geratificeerd hadden.

    • 25 Mishandeling is in dit kader het toebrengen van verwondingen of pijn of andere schade tegen het lichaam van een persoon gericht.

    • 26 De Bijbel, uit de grondtekst vertaald, Willibrordvertaling, ’s-Hertogenbosch 1995, geheel herziene uitgave. In dit artikel zijn alle Bijbelse citaten genomen uit de Willibrordvertaling 1995.

    • 27 N. Bakker, J. Noordman & M. Rietveld-van Wingerden, Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee & Praktijk 1500-2000, Assen 2006, p. 138.

    • 28 D. Erasmus, ‘Traktaat over opvoeding en onderwijs’, in: D. Erasmus, Over opvoeding en vrije wil, uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door J. Sperna Weiland, Baarn 1992, p. 77-116, i.h.b. p. 106.

    • 29 Erasmus 1992.

    • 30 M.J. Paul, G. van den Brink & J.C. Bette, Studiebijbel Oude Testament. Bijbelcommentaar Psalmen II, Spreuken, Prediker, Veenendaal 2011, p. 481.

    • 31 Zie ‘Inleiding op het boek Spreuken’, de Bijbel (Oude Testament), p. 845-846, p. 845; cfm. Sirach 30:1: ‘Wie zijn zoon liefheeft moet hem slaan om tenslotte vreugde aan hem te beleven.’

    • 32 Ph. Greven, Spare the Child. The Religious Roots of Punishments and the Psychological Impact of Physical Abuse, New York 1992.

    • 33 J. Koelman, De plichten der ouders, in kinderen voor God op te voeden, herschreven door C. Bregman, Houten 2003, zie vooral hoofdstuk 5 (p. 76-93). Hier geeft de auteur aan welke zonden ouders hun kinderen moeten afleren en de tuchtmaatregelen die zij daartoe ter beschikking hebben.

    • 34 L.F. Groenendijk, De nadere reformatie van het gezin. De visie van Petrus Wittewrongel op de christelijke huishouding, Dordrecht 1984, p. 152; Bakker, Noordman & Rietveld-van Wingerden 2006, p. 142.

    • 35 N. Bakker, ‘Opvoeden met de harde hand?’, in: B. Levering e.a. (red.), Thema’s uit de wijsgerige en historische pedagogiek, Utrecht 1998, p. 79-85, i.h.b. p. 81.

    • 36 Bakker, Noordman & Rietveld-van Wingerden 2006, p. 141-143.

    • 37 N. Bakker e.a. (red.), Reformpedagogiek in België en Nederland, Assen 2002.

    • 38 S.O. Los, Karaktervorming bij kleuters en kinderen, Amsterdam 1930, p. 113.

    • 39 Onder een ‘liefdevolle opvoeding’ verstaan wij een opvoeding waarin ouderlijke liefde voor het kind bepalend is voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind. Die ouderlijke liefde is voorgegeven vanuit de natuurwet (de aard der dingen) en correspondeert met Bijbelse grondslagen voor naastenliefde: ‘Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat een ander niet.’

    • 40 De ahadith, dat zijn overleveringen aangaande wat de Profeet zei, deed of stilzwijgend goedgekeurd heeft.

    • 41 Mufti Z. Bhayat, ‘Upbringing of Children, Disciplining of Children. An Islamic Perspective’, http://haram.wordpress.com/upbringing-of-children-disciplining-of-children-an-islamic-perspective/, laatst bezocht op 12 september 2011.

    • 42 G.D. van Wengen, ‘Javaans leven’, in: A. Helman, Cultureel mozaïek van Suriname, Zutphen 1977, p. 226-239. Volgens Van Wengen (p. 233) is rukun de aanduiding van zowel de onderlinge harmonie tussen mensen als het voortdurend streven naar harmonie tussen de mensenwereld en de geestenwereld.

    • 43 Van Wengen 1977, p. 233.

    • 44 In dit artikel wordt als term voor de ouderlijke macht en de voogdij samen het begrip ouderlijk gezag gebruikt.

    • 45 Wet van 6 februari 1901, Stb. 62, in werking getreden in 1905.

    • 46 Mr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 814-818.

    • 47 Wet van 5 juli 1921, Stb. 834.

    • 48 M. de Koster, ‘Ongepast gedrag van jonge vrouwen en (generatie)conflicten. Ouderlijke klachten over onhandelbare dochters bij de kinderrechter in Antwerpen 1912-1913 en 1924-1925’, Beeld en beeldvorming 2001-8, p. 105-107.

    • 49 Mr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 815-818.

    • 50 HR 25 september 1998, NJ 1999, 379, m.nt. sw.

    • 51 Wet van 8 maart 2007, Stb. 145, in werking getreden 25 april 2007.

    • 52 www.korps-politie-suriname.com/, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 53 Kamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 4, p. 1-5.

    • 54 Mr. C. Asser’s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 818.

    • 55 HR 10 december 1996, DD 97 004. Zie ook Mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Deventer 1996, p. 358.

    • 56 HR 10 februari 1902, W 7723; HR 10 oktober 2000, NJ 2000, 656.

    • 57 Kamerstukken II 1989/90, 21 309, nr. 2, p. 7-8.

    • 58 Aan wetgeving ter bescherming van het kind moet, in vergelijking met Nederland, nog veel gedaan worden. Enkele ontwerpwetten hieromtrent die reeds jaren in Nederland van kracht zijn, liggen bij de Nationale Assemblee van de Republiek Suriname. Zie: www.dna.sr/Documentatie/files.html, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 59 Eerder aangehaald televisieprogramma, artikelen in lokale dagbladen en tijdschriften bevestigen dit vermoeden. Wetenschappelijk (sociologisch) onderzoek hierover is niet gedaan en beveel ik dan ook zeer aan.

    • 60 R.H. Tholen, Kindermishandeling in het onderwijs (doctoraalscriptie Rechten Universiteit van Suriname), Paramaribo 2007, p. 6.

    • 61 Zie de brief van het departement van Onderwijs en Volksontwikkeling aan de hoofden van de openbare scholen in Suriname, d.d. 29 maart 1950, nr. 1034.

    • 62 Zie de brief van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Inspectie Basisonderwijs, d.d. 17 augustus 2005, LSC-YD-nr. 471 en de brief van de Stichting Onderwijs Evangelische Broedergemeente in Suriname d.d. 13 januari 2006, nr. 113.

    • 63 Kamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 5, p. 2.

    • 64 Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW); K. Kooijman, I. ten Berge & A. Oostveen, Fysieke bestraffing van kinderen een inventarisatie van wettelijke verboden in vier Europese landen, Utrecht 2003, p. 28, 41, 49, 61.

    • 65 Mr. C. Asser´s Personen- en Familierecht, Deventer 2002, nr. 817.

    • 66 Kamerstukken II 2005/06, 30 316, nr. 5, p. 7-8.

    • 67 G.B. 1968, 14.

    • 68 Art. 78 SBW. Dit artikel is nog steeds van kracht. Echter kunnen nu voorgangers van verschillende geloofsgezindten opgeleid worden tot huwelijksambtenaar (nieuw art. 134 c SBW).

    • 69 Oud art. 134 SBW. Dit artikel is vervallen verklaard bij S.B. 2003, nr. 44.

    • 70 M.A. Veira, ‘Het huwelijksrecht bekeken tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de Surinaamse maatschappij’, Surinaams Juristen Blad 2001-3, p. 19-26.

    • 71 Huwelijkswet mohammedanen, G.B. 1940, nr. 149 en Huwelijkswet hindoes, G.B. 1940, nr. 150. Deze wetten zijn vervallen verklaard bij resolutie van 17 juni 2003. Zie ook Wet Herziening Huwelijksrecht 1973, G.B. 1973, nr. 140, die in werking is getreden op 26 juni 2003, S.B. 2003, nr. 47.

    • 72 Art. 134 b SBW, dat ingevoerd is middels de Wet Herziening Huwelijksrecht 1973, G.B. 1973, nr. 140, in werking getreden op 26 juni 2003, S.B. 2003, nr. 47.

    • 73 www.krindenki.com/?p=3720; www.dbsuriname.com/archief/nat/2011/jul11/11-07-11/Nat_Wintireligie%20kent%20voor%20het%20eerst%20wettige%20huwelijksambtenaren.asp; www.apintie.sr/vidi.php?vid=2670, laatst bezocht op 28 augustus 2011.

    • 74 Adhin 1996, p. 105.

    • 75 Zie HR 10 september 1996, DD 97004.

    • 76 E. Kessler, Liefdevol opvoeden, een kunst. Op een zinvolle manier grenzen stellen en daarbij je goede humeur bewaren, Amersfoort 2009, p. 91.

    • 77 Tijdens de grote manifestatie in 2003 zijn de drie lessen die van belang zijn voor de opvoeding van kinderen benadrukt: (1) it takes rights to raise a child: kinderen moeten met rechten opgevoed worden; (2) it takes a village to raise a child: waarmee gepleit wordt voor meer samenwerking bij de opvoeding; (3) it takes best practices to raise a child: hier gaat het om de beste hulp voor kind en opvoeders. Zie G.C.A.M. Ruitenberg, ‘Kindermishandeling: morgen niet meer’, Rechtshulp, maandblad voor de sociale praktijk 2003-1, p. 5.

    • 78 Een symbool is een teken waarbij geen natuurlijke relatie bestaat tussen de representatie van het teken en de betekenis die ermee wordt uitgedrukt. Volgens van Dale duidt het op ‘een werkelijkheid die samenvalt met een andere werkelijkheid en deze zichtbaar voorstelt’.


Print dit artikel