Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Islam en gedrag: naar een serieuze onderzoeksagenda voor een serieus vraagstuk?

Trefwoorden Islam, female circumcision, terrorism, academic research
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Marnix Croes, 'Islam en gedrag: naar een serieuze onderzoeksagenda voor een serieus vraagstuk?', TvRRB 2011-3, p. 72-93

Dit artikel wordt geciteerd in

      Wanneer wordt afgegaan op wat bestuurders beweren over zaken als vrouwenbesnijdenis en terrorisme, dan speelt de islam hierbij geen rol. Die bestuurders staan hierin niet alleen, zij weten zich in hun opvatting gesteund door het werk van vele wetenschappers. Een dwarsdoorsnede van de Nederlandstalige wetenschappelijke literatuur over vrouwenbesnijdenis en terrorisme wordt hier besproken. De conclusie is dat er over vrouwenbesnijdenis veel onjuistheden worden gedebiteerd en dat het vraagstuk van de door islamieten gepleegde terreur eenzijdig en ongenuanceerd wordt behandeld. Ter afsluiting wordt voor het onderzoek naar het islamitisch terrorisme een alternatieve onderzoeksagenda voorgesteld die ertoe zal bijdragen dat in bestaande kennislacunes wordt voorzien.

    • 1 Inleiding

      Nederlandse bestuurders beweren geregeld dat ongewenst gedrag van mensen die zichzelf als islamiet zien, en/of door anderen voor islamiet worden gehouden, ‘niets met de islam’ te maken heeft. Dit geldt niet in de laatste plaats voor vrouwenbesnijdenis1xZie A. Lewnes (red.), Changing a harmful social convention: female genital mutilation/cutting, Florence 2008, p. 1-2 voor de verschillende vormen van vrouwenbesnijdenis die de VN onderscheiden. Hier is dit onderscheid minder relevant omdat van het besnijden van vrouwen als zodanig, dus ongeacht de variant, wordt beweerd dat het niets met de islam van doen zou hebben. en terrorisme, de twee vormen van gedrag die in dit artikel centraal staan. Dergelijke bestuurders staan in deze mening niet alleen, want er zijn vele wetenschappers die hetzelfde beweren. Baseren zij zich echter wel op de feiten? Aangezien er in de publieke discussie geregeld een verband tussen islam en gedrag wordt gelegd, is er reden genoeg om deze vraag te stellen.
      Hierna zal eerst voor vrouwenbesnijdenis en vervolgens voor terrorisme een aantal uitspraken van bestuurders worden gepresenteerd waarin het verband tussen islam en het bewuste gedrag wordt ontkent of gebagatelliseerd. Vervolgens zal een dwarsdoorsnede van recente Nederlandstalige wetenschappelijke literatuur over deze onderwerpen kritisch worden besproken. Bij de selectie van deze literatuur is gekozen voor publicaties waarvan het aannemelijk is dat deze door bestuurders worden gelezen: artikelen in wetenschappelijke tijdschriften en wetenschappelijke onderzoeksrapporten die in opdracht van ministeries werden geschreven.

    • 2 Vrouwenbesnijdenis

      Op de vraag of het in de strijd tegen het besnijden van vrouwen dienstig zou zijn als alle imams in Nederland zich hiertegen zouden uitspreken, antwoordde de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid Jet Bussemaker begin 2009 weifelend: ‘Ik hoop dat dat zou helpen. Want het heeft niets met de islam of de Koran van doen.’2xDe Volkskrant 28 januari 2009. Bij het aansnijden van deze kwestie kan het begrip ‘islam’ op twee manieren worden begrepen: er kan mee worden gedoeld op dat wat islamieten doen, of er kan mee worden verwezen naar de (gecodificeerde) islamitische doctrines, regels die al dan niet worden nageleefd.3xIn de literatuur worden deze interpretaties soms met elkaar verward. J.F. Nijboer, N.M.D. van der Aa & T.M.D. Buruma, Strafrechtelijke opsporing en vervolging van vrouwelijke genitale verminking. De Franse praktijk, Den Haag 2010, p. 74 menen bijvoorbeeld uit het feit dat sommige maar niet alle christenen, joden en moslims vrouwenbesnijdenis praktiseren af te kunnen leiden dat deze religies vrouwenbesnijdenis niet voorschrijven. Een in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verschenen rapport over strategieën ter voorkoming van vrouwenbesnijdenis4xA. van der Kwaak, E. Bartels, F. de Vries e.a., Strategieën ter voorkoming van besnijdenis bij meisjes. Inventarisatie en aanbevelingen, Amsterdam 2003. hanteerde het eerste perspectief. Aangezien vrouwenbesnijdenis in veel islamitische landen niet voorkomt, kan het volgens de auteurs niet als een islamitisch gebruik worden gezien.5xVan der Kwaak, Bartels & De Vries e.a. 2003, p. 16. Daarnaast, zo stelden zij, bestaat vrouwenbesnijdenis langer dan de islam, waardoor het niet als een islamitische innovatie kan worden beschouwd – reden temeer om het niet als een islamitisch gebruik te zien.

      2.1 Islamitisch gebruik

      Een probleem voor deze redenering vormen de landen waar de islamisering gepaard ging met de invoering van vrouwenbesnijdenis, zoals in Indonesië het geval was.6xA. Feillard & L. Marcoes, ‘Female Circumcision in Indonesia: To “Islamize” in Ceremony or Secrecy,’ Archipel 1998-56, p. 337-367; M. Budiharsana, L. Amaliah, B. Utomo e.a., Female circumcision in Indonesia. Extent, implications and possible interventions to uphold women’s health rights, Jakarta 2003. De praktijk bestaat – in een variant zonder de veelvoorkomende excisie van de clitoris – ook onder moslims in de Filippijnen, waar het gebruik door religieuze leiders met een beroep op de Koran wordt gerechtvaardigd. Zie S.A. Calsalin, Female circumcision among Yakan in Basilan, Philippines (research paper), Zamboanga City 2008. Soortgelijk is de situatie in Maleisië (A.R. Isa, R. Shuib & M.S. Othman, ‘The Practice of female circumcision among Muslims in Kelantan, Malaysia’, Reproductive Health Matters 1999-7, p. 137-144. Van deze landen kan moeilijk worden gezegd dat vrouwenbesnijdenis een pre-islamitisch traditie is. Is er in dit geval dan wel sprake van een islamitische gewoonte? Niet volgens de auteurs: ‘Verspreiding van meisjesbesnijdenis kan wel plaatsvinden onder verwijzing naar de islam maar’, zo benadrukken zij, ‘dat maakt het niet tot een islamitisch gebruik.’7xVan der Kwaak, Bartels, De Vries e.a. 2003, p. 16. Wanneer de scheidslijn tussen islamitische en (weliswaar in naam van de islam verspreide, maar desalniettemin) niet-islamitische gebruiken echter op deze wijze wordt getrokken, rijst al snel de vraag welke gebruiken van islamieten nog wel ‘islamitisch’ kunnen worden genoemd.8xIn de wetenschappelijke literatuur wordt deze redernering soms ook gehanteerd en wordt de islam vanwege de vele basiselementen die islamieten voor hun godsdienst van christenen kopieerden soms de zusterreligie van het christendom genoemd (B. Lewis, The crisis of islam. Holy war and unholy terror, New York 2003, p. 5) of zelfs als een christelijke ketterij beschouwd (H. Belloc, The great heresies, Charlotte 2009 [1938]). En kan het predikaat ‘islamitisch’ aan vrouwenbesnijdenis wel worden ontzegd wanneer islamieten er zelf van overtuigd zijn dan het een islamitisch gebruik is?9xT. von der Osten-Sacken & T. Uwer, ‘Is female genital mutilation an islamic problem?’, The Middle-East Quarterly 2007-4, p. 29-36.
      Een voorbeeld hiervan zijn de Koerden in Noord-Irak. Een recent onderzoek van de Duitse mensenrechtenorganisatie WADI onder 1408 vrouwen van 14 jaar en ouder wees uit dat 72,4% van hen besneden was.10xS. Abdulrahman, A. Mollenhauer & A. Vormann, Female genital mutilation in Iraqi-Kurdistan. An empirical study, Frankfurt/Main 2010, p. 5. Gevraagd naar het waarom van de besnijdenis gaf het grootste deel van de respondenten ofwel ‘islam’ ofwel ‘traditie’ als reden op. ‘Traditie’ wil in dit verband nog niet zeggen dat de Koerden een ‘culturele’ in plaats van een ‘religieuze’ reden hebben om hun vrouwen te besnijden. In de eerste plaats omdat in het geval van vrouwenbesnijdenis het onderscheid tussen ‘traditie’ en ‘islam’ voor de Koerden niet zo duidelijk is aangezien voor zover bekend deze traditie met hun islamisering ingang vond. In de tweede plaats omdat de auteurs aanwijzingen vonden dat de ‘traditie’ door de respondenten als verklaring werd aangevoerd in een vertoog dat de besnijdenis moest verontschuldigen, terwijl ‘islam’ als rechtvaardigingsgrond onderdeel vormde van een besnijdenispromotend vertoog.11xAbdulrahman, Mollenhauer & Vormann 2010, p. 18-21. De op de ‘traditie’ wijzende vrouwen bedoelden dus mogelijk dat zij niet zo trots waren op hun verminkte schaamdelen, en niet dat hun besnijdenis niets met ‘islam’ te maken had.
      Deze gedachte wordt ondersteund door het feit dat de Koerdische vrouwen die hun eerste dochter hadden laten besnijden en aangaven dat ook met de volgende dochter te zullen doen, in 71,9% van de gevallen als reden hiervoor ‘islam’ opgaven, terwijl ‘traditie’ maar in 6,3% van de gevallen werd genoemd. Dat in de regio’s waar ‘islam’ vaker dan ‘traditie’ als reden voor vrouwenbesnijdenis werd aangevoerd het percentage vrouwen dat aangaf besneden te zijn hoger was en de soort besnijdenis ernstiger (niet alleen excisie van de clitoris, maar ook verwijdering van de schaamlippen), ondersteunt deze gedachte eveneens. Naarmate de Koerdische vrouwen trotser waren op hun verminkte schaamdelen, erkenden zij vaker dat zij waren besneden en dat deze besnijdenis een islamitisch gebruik was.

      2.2 Islamitische doctrine

      De tweede interpretatie van wat ‘islam’ is, namelijk religieuze doctrines, figureert in de ontkenning van het verband tussen islam en vrouwenbesnijdenis in twee recent verschenen wetenschappelijke studies. De eerste studie is van Els Leye. Zij promoveerde in 2008 aan de Universiteit van Gent op een onderzoek naar de omgang met vrouwenbesnijdenis in een aantal Europese landen.12xE. Leye, Female genital mutilation. A study of health services and legislation in some countries of the European Union, Gent 2008. Hoe verklaart Leye het (voort)bestaan van deze praktijk? Ze erkent dat verschillende etnische groepen in Afrika vasthouden aan de gedachte dat het besnijden van vrouwen (female genital mutilation, FGM) een islamitische regel is. Volgens haar is dat echter een misverstand: ‘at present there is a general understanding that FGM is not recommended in any religious text’.13xLeye 2008, p. 25. Dat er wereldwijd toch tot zo’n 140 miljoen besneden vrouwen rondlopen,14xwww.who.int/mediacentre/factsheets/fs241/en/, geraadpleegd 2 januari 2011. voornamelijk in islamitische landen, heeft volgens Leye twee oorzaken: ‘The persistence of the practice, especially among Muslim women, is partly because many women do not have access to religious texts or because they are illiterate, and partly because many religious leaders do not openly oppose all forms of FGM.’15xLeye 2008, p. 25. De vraag is dan wat die religieuze leiders bezielt om dit volgens Leye onislamitische gedrag te tolereren, maar hierop gaat ze helaas niet in.
      De tweede studie is van Maurits Berger.16xM. Berger, Klassieke sharia en vernieuwing, Amsterdam 2006. Is Leye van mening dat vrouwenbesnijdenis in geen enkele religieuze tekst wordt aanbevolen, Berger beweert dat het klassieke islamitische recht zoals dat in de eerste eeuwen na Mohammed werd vastgelegd vrouwenbesnijdenis überhaupt niet zou toestaan: ‘Praktijken als bijvoorbeeld vrouwenbesnijdenis (Egypte, Soedan en Somalië (...)) zijn vaak strijdig met de nationale wetten, maar zijn vaak zó gangbaar dat de overheid ze gedoogt. Volgens de (klassieke) sharia zijn deze praktijken niet toegestaan, maar vaak zijn zij zodanig verweven met het gewoonterecht dat de mensen ze zelf sharia noemen.’17xBerger 2006, p. 81.
      Leye18xLeye 2008, p. 25. noch Berger19xBerger 2006, p. 81. heeft het echter bij het rechte eind. Deze kwestie spitst zich toe op de sharia, de islamitische religieuze wet (plichtenleer) die met haar ge- en verboden niet alleen de religieuze activiteiten van moslims bestrijkt, maar ook hun sociale, politieke en economische leven. De sharia bevat immers niet alleen voorschriften omtrent de belangrijke religieuze plichten van moslims – zoals de gebeden, de rituele wassing, het dieet, het vasten, de armenzorg, de bedevaart (hadj) en de begrafenis – maar ook over financiën en handel, over huwelijk, echtscheiding, seksuele relaties en seksueel gedrag, over reinheid en persoonlijke hygiëne, over de vergelding van misdrijven, en over het voeren van oorlog. Door moslims wordt de sharia als heilig beschouwd.
      De sharia is in de eerste plaats gebaseerd op de Koran en de soenna, de uitspraken, daden en gewoonten van Mohammed. Deze soenna werden aanvankelijk mondeling overgeleverd, waarbij eenieder die Mohammed iets had zien doen, iets had horen zeggen of anderen daarnaar had horen verwijzen, zijn bijdrage kon leveren. In de achtste en negende eeuw, dus geruime tijd na de dood van Mohammed in 632, werden deze vertellingen (ahadith, enkelvoud: hadith) over Mohammed vervolgens systematisch verzameld en in ahadith-encyclopedieën ondergebracht. Omdat het verzamelen van de ahadith een wildgroei aan overleveringen en ‘overleveringen’ had opgeleverd, hebben de diverse verzamelaars hun verzamelde overleveringen destijds ingedeeld op basis van de veronderstelde betrouwbaarheid van zowel de aanbrenger van de overlevering als de overdrachtsketen. Niet elke overlevering in hun verzamelingen is bijgevolg even betrouwbaar: er kan een schakel in de keten ontbroken hebben, de hadith kan maar door één enkele aanbrenger zijn gemeld, de aanbrenger kan onbetrouwbaar zijn geweest, enzovoort. In de soennitische islam worden zes verschillende ahadith-encyclopedieën betrouwbaar geacht, waarvan die van Bukhari20xwww.usc.edu/schools/college/crcc/engagement/resources/texts/muslim/hadith/bukhari/, geraadpleegd 2 januari 2011. en Muslim21xwww.usc.edu/schools/college/crcc/engagement/resources/texts/muslim/hadith/muslim/, geraadpleegd 2 januari 2011. het meeste aanzien genieten. De sjiieten gebruiken een drietal eigen ahadith-verzamelingen.
      Naast de Koran en de ahadith maken moslims voor de sharia ook gebruik van de fiqh of jurisprudentie. Deze fiqh bestaat uit de ge- en verboden die (naar analogie en op basis van consensus onder de schriftgeleerden) uit de Koran en ahadith zijn afgeleid. Binnen de soennitische islam bestaan vier verschillende fiqh-scholen (hanafieten, malikieten, sjafieten en hanbalieten), die op onderdelen hun eigen interpretatie van de godsdienstige wetten kennen. Zij verschillen onderling echter niet op de hoofdzaken: zo verbiedt geen van de vier fiqh-scholen de besnijdenis van vrouwen, in weerwil van wat Berger22xBerger 2006, p. 81. beweert. Integendeel: islamitische geleerden die voorstander van vrouwenbesnijdenis zijn, voeren verschillende, aan de ahadith ontleende argumenten aan om hun standpunt te onderbouwen.23xM. Durie, The third choice. Islam, dhimmitude and freedom, z.p., Deror Books 2010, p. 77 e.v.; S.A. Aldeeb Abu-Sahlieh, ‘To mutilate in the name of Jehovah or Allah: legitimization of male and female circumcission’, Medicine and law 1994-7/8, p. 575-622. Aangezien deze voorstanders menen dat de vrouwenbesnijdenis onderdeel van de sharia vormt, betekent dit dat ook Leye24xLeye 2008, p. 25. het bij het verkeerde eind heeft.
      De islamitische tegenstanders van vrouwenbesnijdenis, want die zijn er ook,25xZie bijv. www.aligomaa.net/fatwacollection.html, geraadpleegd 2 januari 2011. proberen tegenwoordig de argumenten van de voorstanders uitgebreid te weerleggen, met name door erop te wijzen dat sommige van de ahadith waarop de voorstanders hun argumenten baseren onbetrouwbaar zouden zijn en dat de betrouwbare ahadith door hen verkeerd zouden worden geïnterpreteerd.26xI.L.A.M. Sheikh Abdi, De-linking female genital mutilation/cutting from islam, Washington D.C.2008. Zie ook www.docstoc.com/docs/45704080/Female-Circumcision-From-Islamic-Perspective, geraadpleegd 2 januari 2011. Dit heeft er weliswaar toe bijgedragen dat het Egyptische parlement in 2008 een wet heeft aangenomen die vrouwenbesnijdenis verbiedt, maar dit betekent nog niet dat de tegenstanders erin zijn geslaagd de discussie in hun voordeel te beslechten.27xhttp://web.archive.org/web/20090609211324/http://www.alarabiya.net/articles/2008/06/07/51143.html, geraadpleegd 2 januari 2011. De fiqh-scholen staan nog steeds niet afwijzend tegenover vrouwenbesnijdenis. Geleerden van de sjafi’i fiqh-school gaan hierin het verst en leren nog immer dat vrouwenbesnijdenis verplicht is.28xAnders dan de Engelse vertaling van het uit de veertiende eeuw stammende sjafi’i fiqh-handboek Umdat al salik wa Uddat al-Nasik vermeldt (N.H.M. Keller, Reliance of the traveller, Beltsville 1994, p. 59), gaat het bij de vrouwenbesnijdenis die de sjafieten verplicht achten niet om de verwijdering van de voorhuid van de clitoris, maar om de verwijdering van de clitoris zelf (Durie 2010, p. 64). Het zal dan ook niet verbazen dat het besnijden van vrouwen juist in die landen wordt gepraktiseerd waar de sjafi’i fiqh-school veel aanhangers telt, zoals in Somalië, Indonesië, het Koerdische deel van Irak en Egypte. Een onderzoek in dat laatste land uit het jaar 2000 meldde dat meer dan 97% van de gehuwde vrouwen besneden was. Recenter onderzoek liet zien dat van de meisjes in het basis- en voortgezet onderwijs reeds de helft besneden is.29xM.A. Tag-Eldin, M.A. Gadallah, M.N. Al Tayeb e.a., ‘Prevalence of female genital cutting among Egyptian girls’, Bulletin of the World Health Organization 2008-4, p. 269-274.
      Volgens de voormalige minister van Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders is het van groot belang dat traditionele en religieuze leiders bijdragen aan een mentaliteitsverandering omtrent FGM. Tijdens de internationale conferentie over het tegengaan van meisjesbesnijdenis op 25 november 2009 stelde hij dat ‘if they condemn harmful traditional practices, the community listens to them’. Hij liet dit volgen door een aanbeveling: ‘it is important that they tell the community that the Koran does not require female circumcision at all’.30xB. Koenders, Uniting Europe and Africa to fight female genital mutilation (FGM) and circumcision, toespraak 25 november 2009. De vraag is of deze aanbeveling wel hout snijdt. Vrouwenbesnijdenis wordt door de voorstanders ervan niet zozeer met een beroep op de Koran als wel met een beroep op de ahadith beargumenteerd. Het aanhalen van de Koran, voor moslims een geschrift met de hoogste autoriteit, heeft dan alleen zin wanneer dat boek vrouwenbesnijdenis verbiedt. Aangezien dat niet het geval is, rijst de vraag waarom Koenders de Koran opvoerde. Zou hij soms door het werk van wetenschappers als Leye31xLeye 2008, p. 25. en Berger32xBerger 2006, p. 81. op het verkeerde been zijn gezet?

    • 3 Terrorisme

      De voormalige Britse minister van Binnenlandse Zaken Jacqui Smith haalde in januari 2008 de internationale pers met de stelling dat terreurdaden van moslims niets met islamitische doctrines te maken hebben en zelfs als ‘anti-islamitisch geweld’ zouden moeten worden gekwalificeerd: ‘As so many Muslims in the UK and across the world have pointed out, there is nothing Islamic about the wish to terrorise, nothing Islamic about plotting murder, pain and grief. Indeed, if anything, these actions are “anti-Islamic”.’33xhttp://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Waarom islamieten desondanks vergelijkenderwijs zoveel terreurdaden plegen34xM. Croes & F. Leeuw, ‘De WRR negeert het islamitisch terrorisme’, Trouw 2 juni 2006. is dan de vraag. Volgens Smith speelt een tweetal zaken hierbij een rol. In de eerste plaats dat ‘Muslim communities have been more at risk from the propagandists of violent extremism than anyone else’.35xhttp://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011. In de tweede plaats zou er sprake zijn van ‘that misreading of Islam’: islamitische terroristen die zich beroepen op islamitische doctrines, zouden hun eigen religie niet goed hebben begrepen.36xhttp://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.
      Amerikaanse bestuurders menen net als Smith dat islamitische doctrines niets met het terrorisme van islamieten te maken hebben, maar geven voor dit geweld een andere verklaring dan propaganda en misverstanden. In een toespraak op 26 mei 2010 voor het Center for Strategic and International Studies (CSIS) maakte John Brennan, Deputy National Security Adviser for Homeland Security and Counterterrorism en voormalig hoofd van het National Counterterrorism Center, duidelijk hoe de vork in de steel zou zitten. Volgens Brennan zou de Amerikaanse regering zich sinds de aanslagen op 11 september 2001 geconfronteerd zien met twee uitdagingen. De eerste uitdaging is de uitschakeling van Al Qaida en zijn extremistische geaffilieerden; de tweede is ‘the longer-term challenge of confronting violent extremism generally, including the political, economic and social forces that can sometimes put individuals on the path toward militancy’.37xhttp://csis.org/files/attachments/100526_csis-brennan.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011. Waar dit ‘violent extremism’ vandaan zou zijn gekomen, had Brennan het CSIS reeds op 6 augustus 2009 uitgelegd: ‘There is no denying that when children have no hope for an education, when young people have no hope for a job and feel disconnected from the modern world, when governments fail to provide for the basic needs of their people, then people become more susceptible to ideologies of violence and death. Extremist violence and terrorist attacks are therefore, often the final, murderous manifestations of a long process rooted in helplessness, humiliation and hatred.’38xhttp://csis.org/files/attachments/090806_brennan_transcript.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011. De islam had hier volgens Brennan niets mee te maken: ‘There is nothing holy or legitimate or Islamic about murdering innocent men, women and children (…) individuals like Anwar Awlaki39xEen geestelijk leider van en werver voor Al Qaida, ook wel de ‘Bin Laden van het internet’ genoemd. Awlaki werd op 30 september 2011 in Jemen gedood bij een aanval door een Amerikaans onbemand vliegtuig. (…) demonstrated that his rhetoric is anything but peaceful. It’s anything but Islamic. It is dedicated to murder and lashing out.’40xhttp://csis.org/files/attachments/100526_csis-brennan.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011.
      Anders dan in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten is er in Nederlandse regeringskringen wanneer het om het vraagstuk van de islam gaat, nauwelijks aandacht voor islamitische doctrines. De invalshoek is hier ‘islam-is-wat-(de meeste)-islamieten-doen’. Uitlatingen van de voormalige Nederlandse premier Jan Pieter Balkenende uit 2006 onderstrepen dat. Tijdens een bezoek aan Indonesië – een land waar volgens mensenrechtenorganisaties de intolerantie jegens niet-moslims de laatste jaren toeneemt,41xUnited States Commission on International Religious Freedom (USCIRF), Annual report 2009 – The Commission’s watch list: Indonesia, Washington 2009. onder meer als gevolg van de invoering van de sharia in Atjeh en de proliferatie van op de sharia gebaseerde lokale en regionale wetgeving in de helft van de Indonesische provincies sinds een wetswijziging in 2000 meer regionale autonomie mogelijk maakte42xwww.compassdirect.org/english/country/indonesia/1949/, geraadpleegd 2 januari 2011. – beweerde Balkenende dat ‘godsdienst [niet] gaat (…) over angst, maar over bemoediging. Niet over mensen uitsluiten, maar over mensen welkom heten. Niet over geweld en dwang, maar over overtuigingskracht en dialoog.’43xTrouw 8 april 2006. Balkenende was blijkbaar niet bekend met een studie als B. Hoffman, ‘Holy terror’. The implications of terrorism motivated by a religious imperative, Santa Monica 1993. Uit het vervolg van de toespraak blijkt dat het voorgaande niet was bedoeld om de Indonesische toehoorders over de groeiende islamitische intolerantie de les te lezen: ‘Daarom doet het me pijn als een religie, zoals de islam, door mensen wordt gezien als een bedreiging. De islam is geen bedreiging. Mensen die de islam misbruiken om terreur te zaaien zijn een bedreiging.’44xTrouw 8 april 2006. Aangezien de meeste islamieten geen terreur zaaien, bestaat er volgens Balkenende geen verband tussen islam en terrorisme en misbruiken terroristen die dat verband wel leggen de islam.
      De voormalige minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin zag het niet anders. In antwoord op de in de context van het islamitisch terrorisme gestelde vraag of de islam niet een zeker gevaar voor de Nederlandse samenleving herbergde, antwoordde Hirsch Ballin ontkennend: ‘Nee. De islam is, net als trouwens het christendom en het jodendom, zeer divers in ontwikkeling en verandering.’45xDe Telegraaf 12 juli 2008. Hij voegde daar de aanvechtbare stelling aan toe dat eerlijk geloven helemaal niet tot extremisme kan leiden omdat het altijd een element van twijfel, van aanvaarding, van onvolkomenheid in zich zou dragen. Aangezien dat niet geldt voor de Koran, de ahadith en de fiqh, moet Hirsch Ballin wel het gedrag van islamieten hebben bedoeld. Alleen de fanatici onder hen vormden volgens Hirsch Ballin een risico, maar omdat zij een miniem percentage van de in Europa levende moslims zouden uitmaken, zou er volgens hem weinig reden tot zorg zijn.46xE.M.H. Hirsch Ballin, Mijlpalen van het verleden, wegwijzers voor de toekomst. De vrijheid van godsdienst in Nederland van de Unie van Utrecht tot nu, toespraak 25 januari 2010.
      De publieke uitlatingen van Smith, Brennan, Balkenende en Hirsch Ballin klinken geruststellend en worden bovendien ondersteund door een recent in Nederland verschenen aantal wetenschappelijke publicaties over radicalisering en terrorisme. Hierna zal echter worden beargumenteerd dat bij deze publicaties de nodige kanttekeningen moeten worden geplaatst.

      3.1 Tijdschrift voor Criminologie

      De eerste publicatie is een themanummer van het Tijdschrift voor Criminologie met de titel Radicalisering en radicale groepen. Het eerste artikel hieruit vormt de inleiding op de overige bijdragen en vat samen wat het themanummer te bieden heeft.47xB. de Graaff, C. de Poot & E. Kleemans, ‘Radicalisering en radicale groepen in vogelvlucht’, Tijdschrift voor criminologie 2009-4, p. 331-344. Hoewel dit artikel begint met de aanslagen die islamitische terroristen in 2001 in de Verenigde Staten, in 2004 in Nederland en Spanje en in 2005 in het Verenigd Koninkrijk pleegden, is de aandacht voor het opmerkelijke feit dat het bij de daders telkens om moslims ging na de eerste bladzijde bijkans verdwenen. Bij de vraag ‘radicalisering: waardoor gebeurt het?’ wordt op van alles ingegaan, maar niet op de religieuze identiteit van de terroristen. In plaats daarvan wordt opgesomd wat de root causes van radicalisering en home grown terrorisme zouden zijn (absolute en relatieve deprivatie, discriminatie en buitensluiting, vernedering, het heersende politieke regime, gebrekkig integratie, globalisering enz.); daarnaast de sociaalpsychologische factoren die tot een verandering in waarden en opvattingen zouden kunnen leiden (onder andere het zoeken van een isolement, het leggen van contact met gelijkgestemden, interne discussies of het gezamenlijk bekijken van jihadistische video’s); de in een geweldspiraal eindigende relatie tussen groeperingen en de overheid; het publieke debat; polarisatie; en buitenlandse of transnationale invloeden.48xDe Graaff, De Poot & Kleemans 2009, p. 335-336. Onder die laatste twee factoren wordt ook de Saoedische financiering en zending begrepen die aan de salafistische variant van radicalisering van islamieten zou hebben bijgedragen, maar meer dan deze tip wordt van de sluier die de religieuze identiteit van de terroristen bedekt niet gelicht.
      Dat zien we ook terug bij de bespreking van anti- en deradicalisering. De auteurs stellen dat de belangstelling van West-Europese politici en beleidsmakers voor deradicaliseringsprogramma’s in landen als Saoedi-Arabië, Jemen of Singapore niet zoveel zin heeft. Dit omdat er ‘in deze landen een “dialoog” van de overheid op religieus of theologisch terrein plaats[vindt] die niet past binnen de West-Europese verhoudingen’.49xDe Graaff, De Poot & Kleemans 2009, p. 338. Wat daarmee precies wordt bedoeld is niet helder, maar het op deze wijze buiten de orde plaatsen van aandacht voor religieuze en theologische achtergronden van deradicaliseringsprocessen heeft in ieder geval als consequentie dat de auteurs niet alsnog worden gedwongen om bij hun behandeling van radicaliseringsprocessen aan deze achtergronden aandacht te besteden. De lezer blijft vervolgens zitten met de vraag of het bestaan van dergelijke deradicaliseringsprogramma’s er niet juist op wijst dat de niet behandelde religieuze en theologische achtergronden van radicalisering er ook toe doen.

      3.2 Achtergronden en determinanten van radicalisering en terrorisme

      De tweede hier behandelde publicatie is van Van der Pligt en Koomen.50xJ. van der Pligt & W. Koomen, Achtergronden en determinanten van radicalisering en terrorisme, Amsterdam 2009. In hun studie trachtten de auteurs te komen tot ‘een systematisch overzicht waarin de meeste mogelijke determinanten en achtergronden van radicalisering en terrorisme die in verschillende onderzoeksgebieden worden genoemd, zijn opgenomen (…) Verder hebben we gepoogd relevante verbanden zoveel mogelijk te specificeren en uit te werken, waarbij sociaal-wetenschappelijke en vooral sociaal-psychologische kennis is gebruikt.’51xVan der Pligt & Koomen 2009, p. 2-3. Op deze wijze komen de auteurs tot een model dat volgens hen een algemene verklaring voor radicalisering en terrorisme vormt, ook al hebben zij zich in de gegeven illustraties grotendeels beperkt tot wat ze ‘islamitisch radicalisme’ noemen.52xVan der Pligt & Koomen 2009, p. 69. De algemene pretentie van hun model illustreren Van der Pligt en Koomen met een toepassing ervan op Scandinavische (ex-)neonazi’s. De conclusie is dat ideologie bij deze neonazi’s slechts een bescheiden rol speelt, met als gevolg dat ‘radicalisering en terrorisme minder kans maken. Er is minder een richtinggevend perspectief en de optredende cognities en emoties verliezen kracht en inhoud.’53xVan der Pligt & Koomen 2009, p. 70.
      Wie op basis van deze conclusie had verwacht dat Van der Pligt en Koomen aandacht zouden besteden aan de rol die het islamitisch gedachtegoed speelt bij de radicalisering en het terrorisme van islamieten, komt bedrogen uit. Zonder die rol serieus te bespreken, gaan zij direct over tot de relativering ervan. Ze beroepen zich daarbij onder meer op Silke,54xA. Silke, ‘Holy warriors: exploring the psychological processes of jihadi radicalization’, European Journal of Criminology 2008-1, p. 99-124. die een samenvatting geeft van de bestaande sociaalpsychologische literatuur over de radicalisering van islamieten. ‘Silke bevestigt dat het streven van moslim terrorisme bestaat uit het verdrijven van het “kwaad” en het herscheppen van een groot, glorieus islamitisch rijk, maar geeft ook aan dat slechts een kleine minderheid van de terroristen islamitisch onderwijs achter de rug heeft. De idee dat leerlingen op deze scholen gehersenspoeld worden, en zo klaargestoomd voor het terrorisme, wordt dus niet ondersteund door de feiten.’55xVan der Pligt & Koomen 2009, p. 47. Deze passage is cruciaal. De auteurs beginnen met feitelijk te stellen dat Silke56xSilke 2008. bevestigt dat islamitische terroristen in hoge mate worden gedreven door wat islamitische motieven kunnen worden genoemd: het verdrijven van wat als het ‘kwaad’ wordt gezien en het scheppen van een groot, glorieus islamitisch rijk.57xE. Karsh, Islamic imperialism. A history, New Haven/Londen 2006. Zij tekenen hierbij aan dat slechts een kleine minderheid van de islamitische terroristen islamitisch onderwijs genoten zou hebben. De relevantie van deze kanttekening is echter onduidelijk, omdat het ontberen van islamitisch onderwijs niet hoeft te betekenen dat islamitische terroristen niet door islamitische motieven worden gedreven. Tot slot presenteren zij de drogreden dat uit het feit dat slechts een minderheid van de islamitische terroristen islamitisch onderwijs heeft genoten, volgt dat islamitische scholen leerlingen niet hersenspoelen of klaarstomen voor het terrorisme.58xDe gouverneur van het Afghaanse Helmand had in februari 2009 over de islamitische scholen in Pakistan het volgende te melden: ‘Pakistani madrasas brainwash students and teach them religious extremism, armed Jihad and hatred against the government in Afghanistan and the West.’ Voormalige studenten beamen dat. www.irinnews.org/Report.aspx?ReportId=82963, geraadpleegd 2 januari 2011.
      Wanneer wordt nageslagen wat Silke precies heeft beweerd, valt nog een aantal andere zaken op. In de eerste plaats dat de jeugd van 45% van de terroristen door hun familie en leeftijdgenoten als vroom werd omschreven: blijkbaar was islamitisch onderwijs voor deze jeugdige vroomheid geen noodzakelijke voorwaarde. In de tweede plaats dat maar liefst 99 procent van de terroristen die lid waren van Al Qaida vlak voor hun toetreding zeer vroom was geworden. En in de derde plaats dat ‘Muslims are more likely than any other religious groupings to rate their faith as their primary identity’ en dat ‘individuals who rate their Islamic identity as being more important than their national or ethnic identity express more positive views on topics such as jihad and martyrdom’.59xSilke 2008, p. 109-110. Duidelijke aanwijzingen voor de islam als motiverende factor voor terrorisme, zou je zeggen. Dat rekruten van islamitische terreurorganisaties ‘consistently report that, prior to joining, they perceived they had a very strong connection to other Muslims across the globe’,60xSilke 2008, p. 109. suggereert bovendien dat afgezien van een religieuze motivatie de islam islamitische terroristen ook een (niet noodzakelijkerwijs religieuze) op de eigen groep gerichte ideologische motivatie kan bieden. Samenvattend onderstreept Silke dus juist het belang van de islam voor islamitische terroristen in plaats van het te relativeren.
      De eenzijdigheid die Van der Pligt en Koomen tentoonspreiden bij de weergave van Silke is helaas geen incident: het geldt ook voor de weergave van de stand van de wetenschappelijke literatuur over geweldpleging. Dit onderzoek naar wat geweldplegers drijft, is niet voorbehouden aan de onderzoekers van terrorisme. In verschillende andere disciplines staat dit onderwerp ook op de agenda. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Holocaust- en genocidestudies. Hoe dicht dit vakgebied aanligt tegen dat van de terrorismestudies lijken Van der Pligt en Koomen te beseffen, want het begrip ‘genocide’ valt in hun studie verschillende malen.61xBijv. in hun stelling dat ‘zodra de media een rol gaan spelen in de dehumanisering van een bepaalde bevolkingsgroep (...) het risico van genocide groter [wordt]’ (Van der Pligt & Koomen 2009, p. 63). Deze stelling is gebaseerd op de dehumanisering van de Tutsi’s in Rwanda voorafgaand aan de genocide van 1994. Opgemerkt dient dat er niet veel aanwijzingen bestaan dat het rechtstreekse verband tussen dehumanisering in de media en genocide de richting heeft die Van der Pligt en Koomen lijken te veronderstellen. Het onderzoek naar de invloed van de media op de Rwandese genocide leidt tot de conclusie dat het bestaan van dehumaniserende mediacampagnes een aanwijzing vormt voor het georchestreerde karakter van de genocide en veel minder een impuls vormde voor het plaatsvinden ervan (S. Straus, ‘What is the relationship between hate radio and violence? Rethinking Rwanda’s “Radio Machete”’, Politics and Society 2007-4, p. 609-637). De genocide in Rwanda was immers alles behalve ‘spontaan’. Zij was door de overheid tot in de puntjes voorbereid en werd planmatig uitgevoerd (S. Straus, The order of genocide. Race power, and war in Rwanda, New York 2006). Zij vergelijken daarnaast hoe in de literatuur met nazileiders en terroristen wordt omgegaan. In het licht van de Holocaust werd van deze nazileiders aanvankelijk gedacht dat zij psychopaten waren, gewelddadig, gevoelloos en hongerend naar macht. Later onderzoek kwam echter tot de conclusie dat het om gewone, stabiele en geestelijk gezonde personen ging. Datzelfde zou volgens Van der Pligt en Koomen gelden voor terroristen: hoewel aanvankelijk over hen net als over de nazileiders werd gedacht, bleken zij ‘psychologisch niet abnormaal (…), en bovendien psychologisch gezonder en meer stabiel dan andere gewelddadige criminelen’.62xVan der Pligt & Koomen 2009, p. 36. De auteurs verzuimen er echter op te wijzen dat het recente onderzoek naar de beter met terroristen vergelijkbare daadwerkelijk genocideplegende nazi’s tot de conclusie leidt dat deze toch niet zo ‘normaal’ waren als wel wordt gedacht. Mann63xM. Mann, ‘Where the perpetrators of genocide “ordinary men” or “real Nazi’s”? Results from fifteen hundred biographies’, Holocaust and Genocide Studies 2000-3, p. 331-366. deed op basis van 1581 biografieën van deelnemers aan de Holocaust onderzoek naar wat hen dreef. Ging het bij deze lieden om ‘ordinary Germans’ of om ‘real Nazi’s’? Wanneer werd afgezien van de vrouwen en Sudeten-Duitsers in zijn steekproef, had ‘most of the remaining 90% of the sample (…) some Nazi record, rising to a large majority in the upper ranks’.64xMann 2000, p. 356. Mann trok hieruit de conclusie dat zij in meerderheid ideologisch gemotiveerd waren, een belangrijk resultaat met het oog op de vergelijking met islamitische terroristen.
      Dat Van der Pligt en Koomen Manns studie niet opmerkten, is geen incident. Gebrek aan aandacht voor wat geweldplegers – of minder algemeen: islamitische terroristen – drijft, welke doelen zij nastreven en welke middelen zij bereid zijn hiervoor in te zetten, vormt een rode draad in hun werk. Dat is opvallend, want deze vragen prijken toch zeker sinds het werk van sociologen als Helen Fein en psychologen als Ervin Staub op de wetenschappelijke agenda.
      Volgens Fein65xH. Fein, Accounting for genocide: national responses and Jewish victimization during the Holocaust, New York 1979. is het voor de daders van massaal geweld noodzakelijk om de beoogde slachtoffers eerst buiten de groep van mensen te sluiten tegenover wie zij menen verplichtingen te hebben (universe of obligation). Zij wijst erop dat in het Ottomaanse Rijk de uitsluiting van de christelijke Armeniërs reeds lang voor hun uiteindelijke uitroeiing in 1915 plaatsvond. Na de verovering van hun land door de islamitische Turken werden de Armeniërs daar weliswaar als ongelovigen ‘getolereerd’, maar alleen zolang zij hun positie als tweederangs mensen accepteerden en zich neerlegden bij tal van discriminerende en vernederende maatregelen. Voor de moslims maakten de Armeniërs geen onderdeel uit van hun morele universum en dat betekende dat er altijd rechtvaardigingen konden worden gevonden voor (massaal) geweld. De slachting van 1915 was dan ook bepaald niet de eerste keer dat de Armeniërs daarmee te maken kregen.66xA. Ter-Ghevondian, ‘The Armenian rebellion of 703 against the caliphate’, in: A. Bostom (red.), The legacy of jihad. Islamic holy war and the fate of non-muslims, New York 2005, p. 405-418.
      Aangezien de buitensluiting van de Armeniërs volgens Fein op basis van koranitische geboden plaatsvond,67xFein 1979, p. 30. is de vraag relevant welke rol de islam bij hedendaagse uitsluitingen uit het morele universum speelt. Dit geldt niet alleen voor de (ook hedendaagse)68xwww.compassdirect.org/, geraadpleegd 2 januari 2011; www.hrcbm.org/, geraadpleegd 2 januari 2011. intolerantie jegens niet-islamitische minderheden in de islamitische wereld,69xM.A. Khan, Islamic jihad: a legacy of forced conversion, imperialism and slavery, z.p., iUniverse.com 2006; Bostom 2005; Bat Ye’or, The decline of Eastern Christianity under Islam: from jihad to dhimmitude. Seventh-twentieth century, Madison 1996. maar ook voor het islamitisch terrorisme. Aangezien deze vraag tenminste sinds het verschijnen van Feins werk in 1979 op de onderzoeksagenda prijkt, konden Van der Pligt en Koomen er, gegeven de doelen die zij zich hadden gesteld, eigenlijk niet omheen deze te behandelen. Maar zij lieten dat toch na.
      Iets soortgelijks geldt voor het werk van Staub. In een artikel uit 1985 schetste deze de psychologische achtergronden van groepsgeweld: ‘First, psychological bases of mistreatment that are frequently present include differentiation between ingroup and outgroup (us and them) and devaluation of the latter; scapegoating, the blaming of the outgroup for problems or difficulties of life; and ideologies that propagate new (and “higher”) ideals and promise a better way of life while also identifying a group as a hindrance to the fulfillment of the ideology. Second, difficult, stressful life conditions that a society faces frequently give rise to psychological reactions that are potential bases of antagonism toward and mistreatment of outgroups. The nature and degree of the life difficulties will, of course, vary. Third, elements of a culture will make it more or less likely that modes of dealing with difficult life conditions arise that lead to mistreatment of a group. A number of elements represent preconditions for mistreatment; devaluation of and discrimination against a group; the nature of cultural self-concept; and others.’70xE. Staub, ‘The psychology of perpetrators and bystanders’, Political psychology 1985-1, p. 61-85, alhier p. 63. Het gaat in dit lange citaat om twee zaken die bij Van der Pligt en Koomen71xVan der Pligt & Koomen 2009. ontbreken. In de eerste plaats is dat de rol van ideologieën die ‘hogere’ idealen propageren, een beter leven beloven en aanwijzen welke groepen voor de realisering hiervan een sta-in-de-weg vormen. Deze ideologieën kanaliseren en richten de ‘onrust’ of onvrede waarmee individuen om welke reden dan ook worstelen. In de tweede plaats is dat de rol van culturele factoren die het gebruik van geweld normaler maken en bijdragen aan de ontwaarding en discriminatie van andere groepen. Het is moeilijk voorstelbaar dat een studie naar de achtergronden en determinanten van terrorisme en radicalisering aan dergelijke zaken voorbijgaat, niet in de laatste plaats omdat er antropologen zijn die menen dat islamieten een gedeelde culturele achtergrond hebben die een rol speelt bij uitsluiting, ontwaarding en geweld.72xP. Salzman, Culture and conflict in the Middle East, New York 2008. Salzman spreekt van ‘balanced opposition’, het op verschillende niveaus (gezin, familie, clan, stam, islamitische gemeenschap) met naasten samenwerken tegen anderen. Maar Van der Pligt en Koomen deden dat toch.

      3.3 Jihadistisch terrorisme

      De derde en laatste hier besproken studie is van De Poot, Sonnenschein, Soudijn en anderen en handelt over het jihadistisch terrorisme in Nederland.73xC. de Poot, A. Sonnenschein, A. Soudijn e.a., Jihadistisch terrorisme in Nederland. Een beschrijving op basis van afgesloten opsporingsonderzoeken, Den Haag 2009. Een van de onderzoeksvragen die deze studie op basis van een dozijn afgeronde opsporingsonderzoeken beoogde te beantwoorden, was of er uitgaande van gemeenschappelijke achtergronden en motieven verschillende typen actoren te onderscheiden waren. De islam is zo’n gemeenschappelijke achtergrond, en wellicht ook een motief? Volgens de auteurs ligt dat genuanceerder: niet de islam maar de ‘betrokkenheid bij een manifestatie van internationaal salafistisch jihadisme is de grootste gemeenschappelijke noemer voor álle relevante actoren’.74xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 30. Wat zij daarmee bedoelen, behandelen de auteurs in hun tweede hoofdstuk, waar zij de ‘internationale en ideologische context van het jihadistisch terrorisme’ schetsen en een ‘beknopt overzicht van de opkomst, de ontwikkeling en de mondiale verspreiding van het hedendaagse jihadisme’75xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 20. geven.
      De Poot c.s. vangen hun schets aan met de betekenis van het begrip jihad. ‘Jihad betekent van oorsprong een streven naar het goede en een strijd tegen het kwade in algemene zin’,76xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 25. stellen zij. In een voetnoot voegen ze hieraan toe: ‘Islamitische theologen onderscheiden een “grote jihad” en een “kleine jihad”. De grote jihad is de innerlijke strijd van de mens tegen het kwaad in zichzelf. De kleine jihad is de strijd tegen de ongelovigen en tegen de vijanden van de islam.’77xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009. Dit is op zich niet onjuist, maar de lezer krijgt geen gevoel voor de juiste verhoudingen zolang hij niet weet dat islamieten met jihad meestal de kleine jihad bedoelen: slechts 3% van de ahadith over jihad in Bukhari’s verzameling hebben betrekking op de grote jihad.78xCenter for the study of political islam (CSPI), The political traditions of Mohammed. The hadith for the unbelievers, z.p., CSPI Publishing 2006, p. 9. Het begrip ‘greater jihad’ komt in de Engelse vertaling van het sjafi’i fiqh-handboek Umdat al salik wa Uddat al-Nasik slechts twee maal voor. Eén maal in een aan Mohammed toegeschreven uitspraak, en één maal om duidelijk te maken dat die ‘greater jihad’ iets heel anders is dan ‘jihad’. Een opmerking als ‘tegenwoordig wordt deze term in het Westen echter door zowel moslims als niet-moslims vaak gebruikt om te verwijzen naar de “heilige oorlog”: de strijd tegen de vijanden van de islam, ter verdediging en verbreiding van het geloof’79xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 25. wekt daarbij de indruk dat er ‘tegenwoordig’ een andere invulling aan het begrip ‘jihad’ wordt gegeven dan in het verleden. Dat is echter niet het geval. De vertaling van het uit de veertiende eeuw stammende sjafi’i fiqh-handboek Umdat al salik wa Uddat al-Nasik bijvoorbeeld, omschrijft ‘jihad’ als ‘to war against non-Muslims’.80xKeller 1994, p. 599. Het boek merkt terloops op dat dit de ‘lesser jihad’ is en debiteert vervolgens pagina’s lang voorschriften over die gewapende strijd tegen de niet-moslims. Ook de uit 1885 stammende Dictionary of islam laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: jihad is ‘a religious war with those who are unbelievers in the mission of Muhammad. It is an incumbent religious duty, established in the Qur’an and in the Traditions as a divine institution, and enjoined specially for the purpose of advancing Islam and of repelling evil from Muslims.’81xT.P. Hughes, A dictionary of islam, New York/London 2001, p. 243.
      Bij de schets van de ontwikkeling van het hedendaagse islamitisch terrorisme, volgens De Poot c.s. ‘een betrekkelijk recente ideologische innovatie van een traditioneler jihadistisch gedachtegoed’82xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 36. dat op de moslimlanden zelf was gericht, gaan de auteurs terug tot het jaar 1928. De reden hiervoor is dat volgens hen ‘de kraamkamer van veel eigentijdse jihadistische ideologieën en groepen (…) zich in 1928 in Egypte [bevond] met de oprichting van de – toen nog – anti-imperialistische83xHiermee wordt, zo mag worden aangenomen, gedoeld op het imperialisme van westerse mogendheden en niet op het – historisch gezien niet minder succesvolle – imperialisme van islamitische mogendheden. Moslimbroederschap’.84xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 37. Het gedachtegoed van de moslimbroederschap zou in combinatie met het orthodox-islamitische salafisme, volgens de auteurs in wezen vrijwel identiek aan het uit de achttiende eeuw stammende wahhabisme,85xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 39. zijn samengesmolten tot ‘internationaal (georiënteerd) salafistisch jihadisme’.86xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 36. Het salafisme, door de auteurs neergezet als ‘een eigentijdse sociale beweging, die zich richt op het bewaken van de identiteit en integriteit van de eigen groep in een wereld vol verleiding en onderdrukking’,87xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009. zou niet intrinsiek gewelddadig zijn geweest en om dat alsnog te worden de extra impuls van het van de moslimbroederschapgedachtegoed nodig hebben gehad. Dat de auteurs voorbijgaan aan het feit dat hun stelling over de niet intrinsiek gewelddadige aard van het salafisme niet onomstreden is,88xO.a. Bostom 2005; Center for the study of political islam (CSPI), Mohammed and the unbelievers. A political life, z.p., CSPI Publishing 2006; Center for the study of political islam (CSPI), A simple koran. Readable and understandable, z.p., CSPI Publishing 2006; Karsh 2006; R. Spencer, The truth about Muhammad: Founder of the world’s most intolerant religion, Washington 2006. is hier minder belangrijk. Waar het hier om gaat, is dat De Poot c.s. met hun bewering dat het jihadisme een soort salafisme-plus is, het islamitisch terrorisme reduceren tot een aangelegenheid van de soennitische islam of preciezer gezegd: van de in Saoedi-Arabië dominante hanbalitische fiqh-school waaruit het salafisme (en ook het wahhabisme) is voortgekomen.89xAIVD, Radicale dawa in verandering. De opkomst van islamitisch neoradicalisme in Nederland, Den Haag 2007, p. 12, p. 37, p. 89 e.v.
      Het zijn echter niet alleen soennieten die zich aan islamitisch terrorisme schuldig maken, sjiieten doen dat eveneens. Daarvoor hoeft men niet terug naar de middeleeuwse hashshashins of assassins;90xD. Rapoport, ‘Fear and trembling: terrorism in three religious traditions’, American Political Science Review 1984-3, p. 658-677. er bestaan ook hedendaagse voorbeelden. Zoals de Libanese terreurorganisatie Hezbollah (Hizb Allah), die in de jaren tachtig van de vorige eeuw het gebruik van zelfopofferingaanslagen91xDeze term dekt de lading beter dan het doorgaans gebruikte ‘zelfmoordaanslagen’. populariseerde.92xD. Helmer, ‘Hezbollah’s employment of suicide bombing during the 1980’s: the theological, political and operational development of a new tactic’, Militairy review juli-augustus 2006, p. 71-82. Tegenwoordig staat Hezbollah in de belangstelling van de Duitse Verfassungsschutz. De 900 leden die Duitsland telt vormen er de op één na grootste concentratie islamitische extremisten van Arabische komaf.93xBundesministerium des Innern, Verfassungsschutzbericht 2009. Vorabfassung, Berlijn 2010, p. 215-216. Zij zouden zich onder meer bezighouden met de handel in drugs, waarvan de opbrengst naar Beirut wordt doorgesluisd.94xwww.spiegel.de/politik/ausland/0,1518,670987,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.
      Raadpleging van de World Incidents Tracking System (WITS)-database maakt inzichtelijk voor welk deel van de door het National Counterterrorism Center geregistreerde islamitische terreuraanslagen over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 sjiieten verantwoordelijk zijn.95xWaarschijnlijkheidsniveau: ‘likely’ of ‘plausible’. Zie http://wits.nctc.gov/, geraadpleegd 2 januari 2011, voor de methodologie. NB: ‘The data provided in WITS consists of incidents in which subnational or clandestine groups or individuals deliberately or recklessly attacked civilians or noncombatants (including military personnel and assets outside war zones and war-like settings).’ Aanslagen op militairen in oorlogszones of oorlogssituaties zitten dus niet in deze database. In totaal pleegden islamieten over deze periode 9563 terreuraanslagen (met 29.315 doden, 67.539 gewonden en 9435 gijzelaars als resultaat). Hiervan werden 419 aanslagen (4,4%) gepleegd door sjiieten (met 1181 doden, 3729 gewonden en 382 gijzelaars als gevolg): geen verwaarloosbaar aantal.
      Verder dient opgemerkt dat onder de soennieten de hanbalieten bepaald geen monopolie op terrorisme hebben. De talrijkere hanafieten, die geregeld als meer liberaal worden gekenschetst, hebben hun eigen gewelddadige traditie. De hanafitische fiqh-school stond aan de wieg van de uit 1867 stammende Deobandi-beweging in Noord-India, waaruit later de Taliban voortkwam,96xH. Haqqani, ‘The Ideologies of South Asian Jihadi Groups’, in: H. Fradkin, H. Haqqani & E. Brown (red.), Current trends in islamist ideology. Volume 1, Washington 2005, p. 12-26. een groepering die volgens de WITS-database van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 maar liefst 7629 terreuraanslagen pleegde (met 11.264 doden, 5061 gewonden en 23.954 gijzelaars als gevolg). Naast de hanafitische fiqh-school heeft ook de sjafi’i fiqh-school terroristen voortgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld voor de terroristen in het zuiden van Thailand,97xInternational Crisis Group, Recruiting militants in southern Thailand. Asia report no. 170 – 22 June 2009, Bangkok/Brussel 2009. voor groepen als Darul Islam – en de met name vanaf de jaren negentig onder Arabische invloed gekomen offshoots Dewan Dakwah Islamiyah Indonesia en Jemaah Islamiyah – in Indonesië,98xM. van Bruinessen, ‘Arabisering van de Indonesische islam?’, ZemZem, Tijdschrift over het Midden-Oosten, Noord-Afrika en islam 2006-1, p. 73-84. en voor groepen als het Moro National Liberation Front en het Moro Islamic Liberation Front in de Filippijnen.
      De Poot c.s. zagen niet alleen de islamitische terroristen die uit niet-salafistische tradities stammen over het hoofd, ook poneerden zij de aanvechtbare stelling dat het jihadisme in de eerste plaats anti-westers zou zijn.99xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 38-40. ‘Het einde van het bipolaire tijdperk na de val van de Sovjet-Unie, de voortdurende bezetting van Palestijns gebied door Israël, de door de VS aangevoerde interventies in Irak en Somalië, én de stationering van Amerikaanse troepen in Saoedi-Arabië, het geboorteland van de islam, maakten de enige overgebleven supermacht en haar bondgenoten tot mikpunt van deze geëvolueerde ideologie.’100xDe Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 40. Dat blijkt echter niet uit de aantallen gepleegde islamitische terreurdaden: van het eerdergenoemde, in de WITS-database geregistreerde aantal van 9563 aanslagen van islamieten over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 werden er ‘slechts’ 4 gepleegd in Noord-Amerika en 11 in Europa (met 258 doden en 2613 gewonden als gevolg). Zelfs wanneer rekening zou worden gehouden met de aantallen door westerse veiligheidsdiensten voorkomen aanslagen, lijkt het Westen niet hét mikpunt van het jihadisme te zijn. De meeste aanslagen van islamitische terroristen vonden over de genoemde periode elders plaats: Afghanistan (3110 aanslagen), Irak (2094 aanslagen), Pakistan (819 aanslagen), Somalië (636 aanslagen), Gaza (463 aanslagen) en India (380 aanslagen) en nog wat landen meer. Deze aanslagen waren daar over het algemeen niet tegen westerse doelen gericht, dus ook het oogmerk van de aanslag kan niet tot de conclusie leiden dat het Westen hét mikpunt is. Van de westerse landen zou alleen Israël de titel van mikpunt waardig kunnen zijn: dit land kreeg over de genoemde periode te maken met 1256 terreuraanslagen (187 doden, 2669 gewonden en 6 gijzelaars), maar anders dan in de eerdergenoemde landen ging het meestal om raketbeschietingen (1097 van de 1256 aanslagen), waarbij het aantal slachtoffers relatief gering bleef (79 doden, 1883 gewonden en 3 gijzelaars). Ook dit land kwalificeert zich dus niet als mikpunt.
      Toegegeven, De Poot c.s. versmalden hun definitie van jihadisme tot salafistisch jihadisme, maar zelfs als deze gedachtegang zou worden gevolgd, is het Westen nog steeds niet hét mikpunt. Alleen al van de vanuit Pakistan opererende wahhabitische terreurorganisatie Lashkar e Taiba, een van de vele terreurorganisaties die actief zijn tegen India, pleegde in dat land in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2009 91 terreuraanslagen (met 721 doden, 2138 gewonden en 30 gijzelaars als gevolg): een veelvoud van alle aanslagen in West-Europa en Noord-Amerika. De Filippijnen krijgen in dezelfde periode te maken met meer dan duizend terreuraanslagen, waarvan er 102 worden toegeschreven aan de wahhabitische terreurorganisatie Abu Sayyaf (met 224 doden, 362 gewonden en 69 gijzelaars als resultaat). Klaarblijkelijk hebben islamitische terroristen lang niet alleen westerse doelen in het vizier.
      Concluderend kan worden gesteld dat het beeld dat De Poot c.s. schetsen van het wereldwijde jihadisme eenzijdig en ongenuanceerd is. Als achtergrond om de resultaten van hun empirisch onderzoek naar het jihadisme in Nederland in een bredere context te plaatsen, schiet het tekort. Het lijkt de indruk te willen wekken dat het islamitisch terrorisme een nieuw verschijnsel is waarmee een getalsmatig kleine en sektarische groepering zich onledig houdt. Dat is echter een aanvechtbare (en in de wetenschappelijke literatuur aangevochten) stelling.

    • 4 Naar een nieuwe onderzoeksagenda

      De voorgaande pagina’s dienden om duidelijk te maken dat bestuurders meningen over de islam koesteren waarvan het maar de vraag is of die wel een relatie vertonen met de empirische werkelijkheid. Zij delen deze opvattingen met wetenschappers die, wanneer de vraag naar de invloed van de islam op het gedrag van islamieten rijst, op drie verschillende manieren reageren:

      1. met het consequent vermijden van de vraag naar de invloed van de islam op dit gedrag (bijvoorbeeld waar het gaat om radicalisering);

      2. met de simpele ontkenning dat de islam bepaalde doctrines kent die als opdracht tot het vertonen van bepaalde vormen van gedrag kunnen worden gezien (bijvoorbeeld waar het gaat om vrouwenbesnijdenis);

      3. met het kleiner en sektarischer voorstellen van de groepen islamieten die bepaalde vormen van gedrag vertonen (bijvoorbeeld terrorisme).

      Dat deze drie manieren niet alleen voorkomen in de hiervoor behandelde studies, maar in Nederland een algemenere trend vormen, maakt de literatuurstudie van Fermin duidelijk.101xA. Fermin, Islamitische en extreem-rechtse radicalisering in Nederland. Een vergelijkend literatuuronderzoek, Rotterdam 2009. Deze studie naar extremisme in Nederland laat zien dat de wijze waarop hier onderzoek naar extreemrechts wordt gedaan, opvallend contrasteert met de werkwijze bij onderzoek naar islamitisch extremisme. Terwijl ‘in de literatuur over extreemrechts (…) altijd aandacht voor ideologische kwesties [bestaat], alleen al omdat dit vereist is om de formaties te definiëren als zijnde extreemrechts’, blijkt uit Fermins weergave van het onderzoek naar de islam in het algemeen en extremistische stromingen als het salafisme in het bijzonder dat aandacht voor ideologische kwesties daarin ontbreekt. Dit is des te opvallender wanneer wordt bedacht dat ‘ideologie over het algemeen een grotere rol [lijkt] te spelen in het leven van salafisten dan in het leven van extreemrechtse activisten’.102xFermin 2009, p. 104. In plaats van op de ideologie is bij islam/salafisme de aandacht gericht op sociaaleconomische, politieke en psychologische (omgevings)factoren die het meer of minder waarschijnlijk zouden maken dat islamieten zouden radicaliseren.103xFermin 2009, p. 21-59. Opmerkelijk, niet alleen omdat extremistische islamieten die hun gedrag toeschrijven aan wat de islam ge- en verbiedt104xBijv. de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed Bouyeri, die tijdens zijn proces verklaarde: ‘Ik heb gehandeld uit geloof’ (www.sociosite.org/mohammed_b_laatste_woord.php, geraadpleegd 2 januari 2011), zie ook R. Peters, De ideologische en religieuze ontwikkeling van Mohammed B. Deskundigenrapport in de strafzaak tegen Mohammed B. in opdracht van het openbaar ministerie opgesteld voor de arrondissementsrechtbank, Amsterdam 2005. op deze wijze bij voorbaat niet serieus worden genomen,105xBijv. I. Buruma, Murder in Amsterdam: The death of Theo van Gogh and the limits of tolerance, New York 2006, p. 193 e.v. over diezelfde Mohammed Bouyeri. maar ook in vergelijkend perspectief omdat ‘in de hedendaagse Nederlandse literatuur (…) weinig aandacht [bestaat] voor de rol van de sociale, culturele, politieke en economische omstandigheden als een mogelijke voedingsbodem voor extreemrechts activisme en radicalisering’.106xFermin 2009, p. 86.
      Een dreigende consequentie van de onjuistheid, eenzijdigheid en ongenuanceerdheid die het wetenschappelijk onderzoek naar de islam plagen, is dat bestuurders gesterkt worden in opvattingen die incorrect zijn. Hirsch Ballin wees hier indirect op toen hij stelde dat ‘criminologen (…) vaak het idee [hebben] dat hun bevindingen niet of nauwelijks doorwerken in het strafrechtelijk beleid. Dat ze die indruk hebben, is begrijpelijk maar niet correct (…) onderzoek [werkt] weliswaar niet linea recta door (…) in beleid maar wel indirect. Onderzoek reikt immers begrippen aan waarmee we zinvol over het probleem in kwestie en een oplossing kunnen denken en beslissen.’107xE. Hirsch Ballin, Criminologie van de 21ste eeuw, toespraak 16 april 2010. De keerzijde is dat onderzoek zoals hiervoor behandeld het zinvol denken over problemen en beslissen over oplossingen ook moeilijker kan maken.
      PvdA-leider Job Cohen stelde op 14 oktober 2009 bij de opening van LUCIS, het Leids Universitair Centrum voor de studie van Islam en Samenleving, de vraag of de islam een gewelddadige religie is.108xJ. Cohen, toespraak op de conferentie Islam, Wetenschap en Beleid, openingsconferentie van het LUCIS, 14 oktober 2009. Dat is met het oog op het islamitisch terrorisme een belangrijke vraag die, zoveel zal het voorgaande duidelijk hebben gemaakt, de Nederlandse wetenschap vooralsnog niet afdoende heeft willen of kunnen beantwoorden.
      Dat Cohen nog altijd op antwoord wacht, is niet omdat zijn vraag zo moeilijk te beantwoorden zou zijn. Er zijn immers serieuze initiatieven die kunnen worden nagevolgd, zoals de aanpak van Bowen en Payne.109xD. Bowen & J. Payne, How Religious is ‘Islamic’ Religious Terrorism?, conferentiepaper 2009, http://citation.allacademic.com/meta/p_mla_apa_research_citation/3/1/1/4/8/p311480_index. html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zij stellen een zevental kenmerken voor op elk waarvan terroristische groeperingen kunnen worden gescoord naar de mate (hoog, gemiddeld of laag) waarin zij zich op religieuze waarden of doctrines beroepen. De totaalscore is de som van de scores op de kenmerken en geeft een indruk van het belang dat religie voor de groepering vormt. Bij de kenmerken gaat het om: (1) de ultieme einddoelen van de groep; (2) de instrumentele doelen die (als stepping stones op weg naar de realisering van de einddoelen) concreet in het hier en nu worden nagestreefd; (3) de identiteit van de groepsleden; (4) de aard van het expliciete beroep (communiqués en dergelijke) op de achterban; (5) de aard van het impliciete beroep (door het gebruik van symbolen en dergelijke) op de achterban; (6) het gebruik van en de rechtvaardiging voor zelfopofferingsaanslagen (indien toegepast); en (7) de aard van de derden op wie ter legitimatie van het gepleegde terrorisme een beroep (om goedkeuring van of instemming met) wordt gedaan.
      Het gaat in deze classificatie louter om de mate van het gebruik van religie door terroristen; de inhoud en herkomst van de religieuze waarden of doctrines die zij als verklaring voor hun gedrag aanvoeren, worden zo niet belicht. Het is echter van belang hierop ook meer grip te krijgen. Niet alleen omdat het argument dat bepaalde gedragingen ‘niets’ met de islam van doen hebben – zoals we hiervoor hebben gezien – geregeld wordt gebezigd en daarom toetsing verdient, maar ook omdat er wetenschappers zijn die hier genuanceerder over denken.110xO.a. Lewis 2003; Spencer 2006; Khan 2006.
      Dat geldt ook voor vele moslims. Twee voorbeelden van islamitische denkers die hun opvattingen met verwijzingen naar de Koran en ahadith staven, volstaan hier. De eerste is wijlen ayatollah Khomeini, een sjiiet. Khomeini stelde dat ‘Islam makes it incumbent on all adult males, provided they are not disabled or incapacitated, to prepare themselves for the conquest of [other] countries so that the writ of Islam is obeyed in every country in the world’. Hij tekende daarbij aan dat ‘those who know nothing of Islam pretend that Islam counsels against war. Those [who say this] are witless. Islam says: Kill all the unbelievers just as they would kill you all! (…) Islam says: Whatever good there is exists thanks to the sword and in the shadow of the sword! People cannot be made obedient except with the sword! The sword is the key to Paradise, which can be opened only for the Holy Warriors! There are hundreds of other [Qur’anic] psalms and Hadiths [sayings of the Prophet] urging Muslims to value war and to fight. Does all this mean that Islam is a religion that prevents men from waging war? I spit upon those foolish souls who make such a claim.’111xA. Taheri, Holy terror. The inside story of islamic terrorism, Londen 1987, p. 241-243. De vierkante haken zijn van Taheri.
      Het tweede voorbeeld is van soennitische huize. Het betreft het boek The quranic concept of war van de Pakistaanse brigadegeneraal S.K. Malik.112xS.K. Malik, The quranic concept of war, Delhi 1992 [1979]. In dit onder auspiciën van de toenmalige president Zia Ul Haq in 1979 verschenen standaardwerk zette Malik op een rij wat de Koran te melden heeft over de wijze waarop oorlog dient te worden gevoerd. De brigadegeneraal beklaagde zich daarbij over het gebrek aan objectief onderzoek naar dit militaire gedachtegoed in de Koran. Het gevolg hiervan was, volgens hem, dat critici van de islam de jihad bagatelliseerden en versleten voor expansionisme, avonturisme en fanatisme, terwijl de aanhangers van de islam zich louter concentreerden op de metafysische en bovennatuurlijke aspecten van hun religie. Beide benaderingen ‘prevented us from seeing the Quranic militairy thought in its true light and perspective’.113xMalik 1992, p. 2.
      Malik benadrukte in dit verband dat jihad, oftewel ‘fighting in the Cause of Allah’, meer is dan gewapende strijd. ‘Jehad is a continuous and never-ending struggle waged on all fronts including political, economic, social, psychological, domestic, moral and spiritual to attain the object of policy. It aims at the overall mission assigned to the Islamic State.’114xMalik 1992, p. 54. Deze missie is ‘to obtain conditions of peace, justice, and faith’,115xMalik 1992, p. 35. iets wat gegeven de islamitische opvattingen over deze zaken gelijkstaat aan de dominantie van de islam op onze planeet. Voor het bereiken hiervan konden militaire of andere middelen worden ingezet, zoals terrorisme. De door de Koran bepleitte wijze om de strijd te beslechten was volgens Malik ‘to strike terror into the hearts of the enemies (…) while guarding ourselves from being terror-stricken by the enemy’.116xMalik 1992, p. 58. De Koran zou immers leren dat de overwinningen van de islamieten in de begintijd van de islam te danken waren geweest aan Allah die de moslims een hart onder de riem had gestoken en hen rust en eendracht had gegeven terwijl hij angst had gezaaid in de harten van de ongelovigen.117xMalik 1992, p. 56-57. ‘Terror struck into the hearts of the enemies is not only a means, it is the end in itself’, vervolgde Malik. ‘Once a condition of terror into the opponent’s heart is obtained, hardly anything is left to be achieved. It is the point where the means and the end meet and merge. Terror is not a means of imposing decision upon the enemy, it is the decision we wish to impose upon him.’118xMalik 1992, p. 59. Cursivering in origineel. De islam zou daartoe bij uitstek geschikt zijn: ‘An invincible Faith is immune to terror. A weak Faith offers inroads to terror. The Faith conferred upon us by the Holy Quran has the inherent strength to ward off terror from us and to enable us to strike terror into the enemy.’119xMalik 1992, p. 60.
      Nu staan religieuze gedragsvoorschriften zoals begrepen door Khomeini en Malik nog niet gelijk aan het gedrag van gelovigen, maar zij kunnen in dit gedrag wel een rol spelen. Wanneer aandacht wordt besteed aan de invloed van religieuze doctrines op het gedrag van islamitische terroristen, zal daarom met twee perspectieven rekening moeten worden gehouden.120xZie ook Fermin 2009, p. 102. Niet alleen met de legitimerende functie van de religieuze doctrines waarop Bowen en Payne121xBowen & Payne 2009. al wezen,122xVoorbeelden van bronnen hiervoor zijn W. McCants, Militant ideology atlas. Research compendium, West Point 2006, en D. Aaron, In their own words. Voices of jihad. Compilation and commentary, Santa Monica 2008. Een voorbeeld van een systematische analyse van de legitimerende functie geeft S.C. Coughlin, ‘To our great detriment’: ignoring what extremists say about jihad (MA-scriptie National Defense Intelligence College), 2007. maar ook met de motiverende functie van de religieuze doctrines, de rol die de doctrines spelen in de gedragskeuze van de volgelingen.123xBijv. www.jpost.com/MiddleEast/Article.aspx?id=170181; www.telegraph.co.uk/news/worldnews/middleeast/israel/1465009/I-only-ever-wanted-to-kill-Jews.html; www.guardian.co.uk/commentisfree/2007/jul/01/comment.religion1; www.telegraph.co.uk/news/worldnews/northamerica/usa/6526030/Fort-Hood-gunman-had-told-US-military-colleagues-that-infidels-should-have-their-throats-cut.html; www.israelnationalnews.com/SendMail.aspx?print=print&type=0&item=132160; alle geraadpleegd 2 januari 2011. Dat bij de laatste benadering moet worden gecontroleerd voor de mogelijke effecten van psychische, politieke en sociaaleconomische factoren, spreekt vanzelf. Maar anders dan geregeld het geval is,124xFermin 2009. zouden deze factoren alleen op basis van de onderzoeksresultaten in conclusies over de determinanten van het gedrag een rol moeten kunnen spelen en niet a priori als verklaring moeten worden aangemerkt.
      De noodzaak van deze nieuwe onderzoeksagenda over de relatie tussen islam en gedrag lijkt helder: bestuurders koesteren opvattingen over de relatie tussen islam en gedrag waarvan duidelijk is dat deze feitelijk onjuist zijn (wanneer het gaat om vrouwenbesnijdenis) of op zijn minst ongenuanceerd en onvolledig zijn (wanneer het gaat om terrorisme). Als beleid op vooroordelen wordt gebaseerd, is dat vragen om ongelukken. Het is ook aan de Nederlandse wetenschap om dat te helpen voorkomen.

    Noten

    • * Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.
    • 1 Zie A. Lewnes (red.), Changing a harmful social convention: female genital mutilation/cutting, Florence 2008, p. 1-2 voor de verschillende vormen van vrouwenbesnijdenis die de VN onderscheiden. Hier is dit onderscheid minder relevant omdat van het besnijden van vrouwen als zodanig, dus ongeacht de variant, wordt beweerd dat het niets met de islam van doen zou hebben.

    • 2 De Volkskrant 28 januari 2009.

    • 3 In de literatuur worden deze interpretaties soms met elkaar verward. J.F. Nijboer, N.M.D. van der Aa & T.M.D. Buruma, Strafrechtelijke opsporing en vervolging van vrouwelijke genitale verminking. De Franse praktijk, Den Haag 2010, p. 74 menen bijvoorbeeld uit het feit dat sommige maar niet alle christenen, joden en moslims vrouwenbesnijdenis praktiseren af te kunnen leiden dat deze religies vrouwenbesnijdenis niet voorschrijven.

    • 4 A. van der Kwaak, E. Bartels, F. de Vries e.a., Strategieën ter voorkoming van besnijdenis bij meisjes. Inventarisatie en aanbevelingen, Amsterdam 2003.

    • 5 Van der Kwaak, Bartels & De Vries e.a. 2003, p. 16.

    • 6 A. Feillard & L. Marcoes, ‘Female Circumcision in Indonesia: To “Islamize” in Ceremony or Secrecy,’ Archipel 1998-56, p. 337-367; M. Budiharsana, L. Amaliah, B. Utomo e.a., Female circumcision in Indonesia. Extent, implications and possible interventions to uphold women’s health rights, Jakarta 2003. De praktijk bestaat – in een variant zonder de veelvoorkomende excisie van de clitoris – ook onder moslims in de Filippijnen, waar het gebruik door religieuze leiders met een beroep op de Koran wordt gerechtvaardigd. Zie S.A. Calsalin, Female circumcision among Yakan in Basilan, Philippines (research paper), Zamboanga City 2008. Soortgelijk is de situatie in Maleisië (A.R. Isa, R. Shuib & M.S. Othman, ‘The Practice of female circumcision among Muslims in Kelantan, Malaysia’, Reproductive Health Matters 1999-7, p. 137-144.

    • 7 Van der Kwaak, Bartels, De Vries e.a. 2003, p. 16.

    • 8 In de wetenschappelijke literatuur wordt deze redernering soms ook gehanteerd en wordt de islam vanwege de vele basiselementen die islamieten voor hun godsdienst van christenen kopieerden soms de zusterreligie van het christendom genoemd (B. Lewis, The crisis of islam. Holy war and unholy terror, New York 2003, p. 5) of zelfs als een christelijke ketterij beschouwd (H. Belloc, The great heresies, Charlotte 2009 [1938]).

    • 9 T. von der Osten-Sacken & T. Uwer, ‘Is female genital mutilation an islamic problem?’, The Middle-East Quarterly 2007-4, p. 29-36.

    • 10 S. Abdulrahman, A. Mollenhauer & A. Vormann, Female genital mutilation in Iraqi-Kurdistan. An empirical study, Frankfurt/Main 2010, p. 5.

    • 11 Abdulrahman, Mollenhauer & Vormann 2010, p. 18-21.

    • 12 E. Leye, Female genital mutilation. A study of health services and legislation in some countries of the European Union, Gent 2008.

    • 13 Leye 2008, p. 25.

    • 14 www.who.int/mediacentre/factsheets/fs241/en/, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 15 Leye 2008, p. 25.

    • 16 M. Berger, Klassieke sharia en vernieuwing, Amsterdam 2006.

    • 17 Berger 2006, p. 81.

    • 18 Leye 2008, p. 25.

    • 19 Berger 2006, p. 81.

    • 20 www.usc.edu/schools/college/crcc/engagement/resources/texts/muslim/hadith/bukhari/, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 21 www.usc.edu/schools/college/crcc/engagement/resources/texts/muslim/hadith/muslim/, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 22 Berger 2006, p. 81.

    • 23 M. Durie, The third choice. Islam, dhimmitude and freedom, z.p., Deror Books 2010, p. 77 e.v.; S.A. Aldeeb Abu-Sahlieh, ‘To mutilate in the name of Jehovah or Allah: legitimization of male and female circumcission’, Medicine and law 1994-7/8, p. 575-622.

    • 24 Leye 2008, p. 25.

    • 25 Zie bijv. www.aligomaa.net/fatwacollection.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 26 I.L.A.M. Sheikh Abdi, De-linking female genital mutilation/cutting from islam, Washington D.C.2008. Zie ook www.docstoc.com/docs/45704080/Female-Circumcision-From-Islamic-Perspective, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 27 http://web.archive.org/web/20090609211324/http://www.alarabiya.net/articles/2008/06/07/51143.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 28 Anders dan de Engelse vertaling van het uit de veertiende eeuw stammende sjafi’i fiqh-handboek Umdat al salik wa Uddat al-Nasik vermeldt (N.H.M. Keller, Reliance of the traveller, Beltsville 1994, p. 59), gaat het bij de vrouwenbesnijdenis die de sjafieten verplicht achten niet om de verwijdering van de voorhuid van de clitoris, maar om de verwijdering van de clitoris zelf (Durie 2010, p. 64).

    • 29 M.A. Tag-Eldin, M.A. Gadallah, M.N. Al Tayeb e.a., ‘Prevalence of female genital cutting among Egyptian girls’, Bulletin of the World Health Organization 2008-4, p. 269-274.

    • 30 B. Koenders, Uniting Europe and Africa to fight female genital mutilation (FGM) and circumcision, toespraak 25 november 2009.

    • 31 Leye 2008, p. 25.

    • 32 Berger 2006, p. 81.

    • 33 http://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 34 M. Croes & F. Leeuw, ‘De WRR negeert het islamitisch terrorisme’, Trouw 2 juni 2006.

    • 35 http://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 36 http://web.archive.org/web/20090109190531/http://www.newagebd.com/2008/jan/26/oped.html, geraadpleegd 2 januari 2011. Zie ook www.spiegel.de/international/europe/0,1518,607801,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 37 http://csis.org/files/attachments/100526_csis-brennan.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 38 http://csis.org/files/attachments/090806_brennan_transcript.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 39 Een geestelijk leider van en werver voor Al Qaida, ook wel de ‘Bin Laden van het internet’ genoemd. Awlaki werd op 30 september 2011 in Jemen gedood bij een aanval door een Amerikaans onbemand vliegtuig.

    • 40 http://csis.org/files/attachments/100526_csis-brennan.pdf, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 41 United States Commission on International Religious Freedom (USCIRF), Annual report 2009 – The Commission’s watch list: Indonesia, Washington 2009.

    • 42 www.compassdirect.org/english/country/indonesia/1949/, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 43 Trouw 8 april 2006. Balkenende was blijkbaar niet bekend met een studie als B. Hoffman, ‘Holy terror’. The implications of terrorism motivated by a religious imperative, Santa Monica 1993.

    • 44 Trouw 8 april 2006.

    • 45 De Telegraaf 12 juli 2008. Hij voegde daar de aanvechtbare stelling aan toe dat eerlijk geloven helemaal niet tot extremisme kan leiden omdat het altijd een element van twijfel, van aanvaarding, van onvolkomenheid in zich zou dragen.

    • 46 E.M.H. Hirsch Ballin, Mijlpalen van het verleden, wegwijzers voor de toekomst. De vrijheid van godsdienst in Nederland van de Unie van Utrecht tot nu, toespraak 25 januari 2010.

    • 47 B. de Graaff, C. de Poot & E. Kleemans, ‘Radicalisering en radicale groepen in vogelvlucht’, Tijdschrift voor criminologie 2009-4, p. 331-344.

    • 48 De Graaff, De Poot & Kleemans 2009, p. 335-336.

    • 49 De Graaff, De Poot & Kleemans 2009, p. 338.

    • 50 J. van der Pligt & W. Koomen, Achtergronden en determinanten van radicalisering en terrorisme, Amsterdam 2009.

    • 51 Van der Pligt & Koomen 2009, p. 2-3.

    • 52 Van der Pligt & Koomen 2009, p. 69.

    • 53 Van der Pligt & Koomen 2009, p. 70.

    • 54 A. Silke, ‘Holy warriors: exploring the psychological processes of jihadi radicalization’, European Journal of Criminology 2008-1, p. 99-124.

    • 55 Van der Pligt & Koomen 2009, p. 47.

    • 56 Silke 2008.

    • 57 E. Karsh, Islamic imperialism. A history, New Haven/Londen 2006.

    • 58 De gouverneur van het Afghaanse Helmand had in februari 2009 over de islamitische scholen in Pakistan het volgende te melden: ‘Pakistani madrasas brainwash students and teach them religious extremism, armed Jihad and hatred against the government in Afghanistan and the West.’ Voormalige studenten beamen dat. www.irinnews.org/Report.aspx?ReportId=82963, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 59 Silke 2008, p. 109-110.

    • 60 Silke 2008, p. 109.

    • 61 Bijv. in hun stelling dat ‘zodra de media een rol gaan spelen in de dehumanisering van een bepaalde bevolkingsgroep (...) het risico van genocide groter [wordt]’ (Van der Pligt & Koomen 2009, p. 63). Deze stelling is gebaseerd op de dehumanisering van de Tutsi’s in Rwanda voorafgaand aan de genocide van 1994. Opgemerkt dient dat er niet veel aanwijzingen bestaan dat het rechtstreekse verband tussen dehumanisering in de media en genocide de richting heeft die Van der Pligt en Koomen lijken te veronderstellen. Het onderzoek naar de invloed van de media op de Rwandese genocide leidt tot de conclusie dat het bestaan van dehumaniserende mediacampagnes een aanwijzing vormt voor het georchestreerde karakter van de genocide en veel minder een impuls vormde voor het plaatsvinden ervan (S. Straus, ‘What is the relationship between hate radio and violence? Rethinking Rwanda’s “Radio Machete”’, Politics and Society 2007-4, p. 609-637). De genocide in Rwanda was immers alles behalve ‘spontaan’. Zij was door de overheid tot in de puntjes voorbereid en werd planmatig uitgevoerd (S. Straus, The order of genocide. Race power, and war in Rwanda, New York 2006).

    • 62 Van der Pligt & Koomen 2009, p. 36.

    • 63 M. Mann, ‘Where the perpetrators of genocide “ordinary men” or “real Nazi’s”? Results from fifteen hundred biographies’, Holocaust and Genocide Studies 2000-3, p. 331-366.

    • 64 Mann 2000, p. 356.

    • 65 H. Fein, Accounting for genocide: national responses and Jewish victimization during the Holocaust, New York 1979.

    • 66 A. Ter-Ghevondian, ‘The Armenian rebellion of 703 against the caliphate’, in: A. Bostom (red.), The legacy of jihad. Islamic holy war and the fate of non-muslims, New York 2005, p. 405-418.

    • 67 Fein 1979, p. 30.

    • 68 www.compassdirect.org/, geraadpleegd 2 januari 2011; www.hrcbm.org/, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 69 M.A. Khan, Islamic jihad: a legacy of forced conversion, imperialism and slavery, z.p., iUniverse.com 2006; Bostom 2005; Bat Ye’or, The decline of Eastern Christianity under Islam: from jihad to dhimmitude. Seventh-twentieth century, Madison 1996.

    • 70 E. Staub, ‘The psychology of perpetrators and bystanders’, Political psychology 1985-1, p. 61-85, alhier p. 63.

    • 71 Van der Pligt & Koomen 2009.

    • 72 P. Salzman, Culture and conflict in the Middle East, New York 2008. Salzman spreekt van ‘balanced opposition’, het op verschillende niveaus (gezin, familie, clan, stam, islamitische gemeenschap) met naasten samenwerken tegen anderen.

    • 73 C. de Poot, A. Sonnenschein, A. Soudijn e.a., Jihadistisch terrorisme in Nederland. Een beschrijving op basis van afgesloten opsporingsonderzoeken, Den Haag 2009.

    • 74 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 30.

    • 75 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 20.

    • 76 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 25.

    • 77 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009.

    • 78 Center for the study of political islam (CSPI), The political traditions of Mohammed. The hadith for the unbelievers, z.p., CSPI Publishing 2006, p. 9. Het begrip ‘greater jihad’ komt in de Engelse vertaling van het sjafi’i fiqh-handboek Umdat al salik wa Uddat al-Nasik slechts twee maal voor. Eén maal in een aan Mohammed toegeschreven uitspraak, en één maal om duidelijk te maken dat die ‘greater jihad’ iets heel anders is dan ‘jihad’.

    • 79 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 25.

    • 80 Keller 1994, p. 599.

    • 81 T.P. Hughes, A dictionary of islam, New York/London 2001, p. 243.

    • 82 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 36.

    • 83 Hiermee wordt, zo mag worden aangenomen, gedoeld op het imperialisme van westerse mogendheden en niet op het – historisch gezien niet minder succesvolle – imperialisme van islamitische mogendheden.

    • 84 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 37.

    • 85 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 39.

    • 86 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 36.

    • 87 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009.

    • 88 O.a. Bostom 2005; Center for the study of political islam (CSPI), Mohammed and the unbelievers. A political life, z.p., CSPI Publishing 2006; Center for the study of political islam (CSPI), A simple koran. Readable and understandable, z.p., CSPI Publishing 2006; Karsh 2006; R. Spencer, The truth about Muhammad: Founder of the world’s most intolerant religion, Washington 2006.

    • 89 AIVD, Radicale dawa in verandering. De opkomst van islamitisch neoradicalisme in Nederland, Den Haag 2007, p. 12, p. 37, p. 89 e.v.

    • 90 D. Rapoport, ‘Fear and trembling: terrorism in three religious traditions’, American Political Science Review 1984-3, p. 658-677.

    • 91 Deze term dekt de lading beter dan het doorgaans gebruikte ‘zelfmoordaanslagen’.

    • 92 D. Helmer, ‘Hezbollah’s employment of suicide bombing during the 1980’s: the theological, political and operational development of a new tactic’, Militairy review juli-augustus 2006, p. 71-82.

    • 93 Bundesministerium des Innern, Verfassungsschutzbericht 2009. Vorabfassung, Berlijn 2010, p. 215-216.

    • 94 www.spiegel.de/politik/ausland/0,1518,670987,00.html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 95 Waarschijnlijkheidsniveau: ‘likely’ of ‘plausible’. Zie http://wits.nctc.gov/, geraadpleegd 2 januari 2011, voor de methodologie. NB: ‘The data provided in WITS consists of incidents in which subnational or clandestine groups or individuals deliberately or recklessly attacked civilians or noncombatants (including military personnel and assets outside war zones and war-like settings).’ Aanslagen op militairen in oorlogszones of oorlogssituaties zitten dus niet in deze database.

    • 96 H. Haqqani, ‘The Ideologies of South Asian Jihadi Groups’, in: H. Fradkin, H. Haqqani & E. Brown (red.), Current trends in islamist ideology. Volume 1, Washington 2005, p. 12-26.

    • 97 International Crisis Group, Recruiting militants in southern Thailand. Asia report no. 170 – 22 June 2009, Bangkok/Brussel 2009.

    • 98 M. van Bruinessen, ‘Arabisering van de Indonesische islam?’, ZemZem, Tijdschrift over het Midden-Oosten, Noord-Afrika en islam 2006-1, p. 73-84.

    • 99 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 38-40.

    • 100 De Poot, Sonnenschein, Soudijn e.a. 2009, p. 40.

    • 101 A. Fermin, Islamitische en extreem-rechtse radicalisering in Nederland. Een vergelijkend literatuuronderzoek, Rotterdam 2009.

    • 102 Fermin 2009, p. 104.

    • 103 Fermin 2009, p. 21-59.

    • 104 Bijv. de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed Bouyeri, die tijdens zijn proces verklaarde: ‘Ik heb gehandeld uit geloof’ (www.sociosite.org/mohammed_b_laatste_woord.php, geraadpleegd 2 januari 2011), zie ook R. Peters, De ideologische en religieuze ontwikkeling van Mohammed B. Deskundigenrapport in de strafzaak tegen Mohammed B. in opdracht van het openbaar ministerie opgesteld voor de arrondissementsrechtbank, Amsterdam 2005.

    • 105 Bijv. I. Buruma, Murder in Amsterdam: The death of Theo van Gogh and the limits of tolerance, New York 2006, p. 193 e.v. over diezelfde Mohammed Bouyeri.

    • 106 Fermin 2009, p. 86.

    • 107 E. Hirsch Ballin, Criminologie van de 21ste eeuw, toespraak 16 april 2010.

    • 108 J. Cohen, toespraak op de conferentie Islam, Wetenschap en Beleid, openingsconferentie van het LUCIS, 14 oktober 2009.

    • 109 D. Bowen & J. Payne, How Religious is ‘Islamic’ Religious Terrorism?, conferentiepaper 2009, http://citation.allacademic.com/meta/p_mla_apa_research_citation/3/1/1/4/8/p311480_index. html, geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 110 O.a. Lewis 2003; Spencer 2006; Khan 2006.

    • 111 A. Taheri, Holy terror. The inside story of islamic terrorism, Londen 1987, p. 241-243. De vierkante haken zijn van Taheri.

    • 112 S.K. Malik, The quranic concept of war, Delhi 1992 [1979].

    • 113 Malik 1992, p. 2.

    • 114 Malik 1992, p. 54.

    • 115 Malik 1992, p. 35.

    • 116 Malik 1992, p. 58.

    • 117 Malik 1992, p. 56-57.

    • 118 Malik 1992, p. 59. Cursivering in origineel.

    • 119 Malik 1992, p. 60.

    • 120 Zie ook Fermin 2009, p. 102.

    • 121 Bowen & Payne 2009.

    • 122 Voorbeelden van bronnen hiervoor zijn W. McCants, Militant ideology atlas. Research compendium, West Point 2006, en D. Aaron, In their own words. Voices of jihad. Compilation and commentary, Santa Monica 2008. Een voorbeeld van een systematische analyse van de legitimerende functie geeft S.C. Coughlin, ‘To our great detriment’: ignoring what extremists say about jihad (MA-scriptie National Defense Intelligence College), 2007.

    • 123 Bijv. www.jpost.com/MiddleEast/Article.aspx?id=170181; www.telegraph.co.uk/news/worldnews/middleeast/israel/1465009/I-only-ever-wanted-to-kill-Jews.html; www.guardian.co.uk/commentisfree/2007/jul/01/comment.religion1; www.telegraph.co.uk/news/worldnews/northamerica/usa/6526030/Fort-Hood-gunman-had-told-US-military-colleagues-that-infidels-should-have-their-throats-cut.html; www.israelnationalnews.com/SendMail.aspx?print=print&type=0&item=132160; alle geraadpleegd 2 januari 2011.

    • 124 Fermin 2009.

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Print dit artikel