Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Religie in het publieke omroepbestel: van preken voor eigen parochie naar integratie en dialoog

Trefwoorden religie, media, levensbeschouwelijke omroepen
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze Citaties (1)
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Peter de Goede, 'Religie in het publieke omroepbestel: van preken voor eigen parochie naar integratie en dialoog', TvRRB 2012-1, p. 56-64

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Het publieke omroepbestel moet drastisch bezuinigen en staat aan de vooravond van een reeks fusies. De vraag ‘wie gaat met wie?’ staat centraal op de politieke agenda in Den Haag en op de Hilversumse relatiemarkt. De zogenaamde 2.42-zendgemachtigden doen ook mee met de stoelendans. Het huidige kabinet wil dat de kleine levensbeschouwelijke omroepen zich aansluiten bij de grote omroeporganisaties of de NTR (de taakomroep waarin NPS, Teleac en RVU zijn opgegaan). Dat is een gemiste kans: maak van de (bezuinigings)nood in Hilversum een deugd en vorm één taakomroep voor ‘het hogere’.

    • De actuele positie van de kleine levensbeschouwelijke omroepen

      Het publieke omroepbestel wordt momenteel geconfronteerd met omvangrijke bezuinigingen en ingrijpende reorganisaties die de kleine omroepen die zich richten op ‘het hogere’ niet ongemoeid laten. Wat is de huidige positie van de levensbeschouwelijke zendgemachtigden in het publieke omroepbestel?

      Mediawet, artikel 2.42

      Op basis van artikel 2.42 van de Mediawet wijst het Commissariaat voor de Media om de vijf jaar voor een periode van vijf jaar zendtijd toe aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, dan wel aan rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken. De Mediawet en de daarop gebaseerde beleidsregels van het Commissariaat voor de Media (een zelfstandig bestuursorgaan) zijn erop gericht een zo groot mogelijke pluriformiteit in het aanbod van kerkelijke en geestelijke programma’s op de publieke radio en televisie te bewerkstelligen. Artikel 2.42 verschaft een podium aan geloofsstromingen, ‘niet aanvullend op overige aanbieders, maar als zelfstandig gepositioneerde zendgemachtigden’.1xBrief minister Plasterk, 13 oktober 2008, Kamerstukken II 2008/09, 31 356, nr. 44. Op basis van dit artikel is voor de periode 2010-2015 aan de volgende kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag zendtijd toegewezen:

      1. Het Rooms Katholiek Kerkgenootschap (RKK). Het RKK laat de toegewezen zendtijd verzorgen door de KRO. De zendtijd wordt aangeduid als KRO-RKK.

      2. De Stichting Verzorging Kerkelijke Zendtijd (VKZ). Onder de paraplu van de VKZ wordt de zendtijd verdeeld over de IKON (Interkerkelijke Omroep Nederland) en de ZVK (Zendtijd Voor Kerken):

        1. De IKON verzorgt zendtijd namens de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelische Broedergemeente Nederland, de Protestantse Kerk in Nederland, het Leger des Heils, de Molukse Evangelische Kerk, de Oud-Katholieke kerk van Nederland en de Remonstrantse Broederschap.

        2. De ZVK zendt met name kerkdiensten uit namens een aantal orthodox-protestantse kerken: Christelijk-Gereformeerde Kerken, Nederlands-Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland, Landelijk Platform van de Pinkster- en Volle Evangelie Gemeenten en een aantal zelfstandige evangelische gemeenten die verenigd zijn in de stichting Zendtijd Evangelische Gemeenten.

      3. Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK, Joodse Omroep).

      4. De Humanistische Omroep Stichting (HOS, Human).

      5. De Boeddhistische Unie Nederland (BOS, Boeddhistische Omroep Stichting).

      6. De Stichting Organisatie voor Hindoe Media (OHM).

      7. Het Commissariaat voor de Media heeft in augustus 2010 de licentie voor de Stichting Moslim Omroep Nederland (SMON) ingetrokken. De keuze voor de SMON was met name ingegeven door de voorgenomen samenwerking met de Academica Islamica. Deze samenwerking zou het mogelijk maken om ook tweede- en derdegeneratiemoslims bij de moslimomroep te betrekken. De samenwerking tussen SMON en Academica Islamica is echter beëindigd; om die reden heeft het Commissariaat de licentie ingetrokken. Eerder afgewezen aanvragers kregen vervolgens in een hernieuwde procedure een herkansing, maar geen enkele gegadigde voldeed aan de eisen van het Commissariaat. Deze procedure leidde dus niet tot een licentie voor een moslimomroep. Het budget voor media-aanbod ten behoeve van de islam werd daarna ter beschikking gesteld van de NPS (inmiddels opgegaan in de NTR).

      Criteria bij zendtijdtoewijzing

      Het Commissariaat voor de Media is een zelfstandig bestuursorgaan en hanteert eigen beleidsregels bij de aanwijzing van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.2xCommissariaat voor de Media, Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015. Deze beleidsregels zijn mede gebaseerd op jurisprudentie die in de loop van de tijd is opgebouwd, met name wat betreft de afbakening van het begrip ‘hoofdstroming’ en de vraag waaruit representativiteit voor een hoofdstroming blijkt.
      Uitgangspunt is dat slechts zendtijd wordt toegewezen ten behoeve van de religieuze en geestelijke hoofdstromingen in ons land. De vraag is vervolgens wat onder een religieuze dan wel geestelijke hoofdstroming wordt verstaan. Volgens het Commissariaat is dat een stroming ‘die door kwantiteit van haar aanhang en/of de historie van haar aanwezigheid in de Nederlandse samenleving constituerend is voor de hedendaagse Nederlandse pluriforme religieuze en geestelijke cultuur’. De historische worteling in de Nederlandse samenleving speelde een rol bij de toewijzing van zendtijd aan de Joodse Omroep. Het boeddhisme is de laatste hoofdstroming waaraan in 2000 zendtijd is toegewezen.
      Zendtijd wordt alleen toegewezen aan een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag, dan wel een samenwerkingsverband van twee of meer van dergelijke genootschappen. Het Commissariaat hanteert geen strak omlijnde definitie van het begrip ‘kerkgenootschap’.3xOok het Burgerlijk Wetboek geeft geen definitie van deze term, terwijl het wel in de wet staat vermeld (Boek 2, artikel 2). Als kenmerkend element spreekt de toelichting bij de beleidsregels over ‘gemeenschappelijke Godsverering of religieuze/geestelijke bezinning’. Bij het begrip ‘genootschap op geestelijke grondslag’ geldt dat de centrale doelstelling moet zijn gelegen in ‘het belijden van een gemeenschappelijke levensovertuiging’.
      Per religieuze of geestelijke hoofdstroming wordt zendtijd toegewezen aan slechts één representatieve organisatie of instelling. Deze beleidsregel levert dus bij de zendtijd voor moslims grote problemen op vanwege de onderlinge verdeeldheid (zie vorige paragraaf). De genootschappen kunnen de verzorging van hun programma’s opdragen aan een ‘grote’ omroepvereniging (zoals het RKK aan de KRO) of aan een door hen in het leven te roepen orgaan (zoals de ZVK voor een aantal protestants-christelijke kerkgenootschappen).
      Het Commissariaat verplicht met andere woorden tot samenwerking wanneer er sprake is van verschillende organisaties of substromingen binnen één hoofdstroming (bijv. vanwege etnische scheidslijnen binnen dezelfde religie). Wanneer ten behoeve van één hoofdstroming meerdere aanvragen worden ingediend, en samenwerking of samengaan uitblijft, kent het Commissariaat gewicht toe aan de grootte van de achterban, maar kan onder omstandigheden van dit uitgangspunt afwijken.
      Als aanvragers niet bereid of in staat zijn tot samenwerking, kan de consequentie daarvan zijn dat voor een bepaalde hoofdstroming helemaal geen zendtijd wordt toegewezen (eind jaren tachtig, begin jaren negentig was dit ook het geval voor de hindoeïstische stroming). De recente gang van zaken rond de moslimomroep leert dat dit uitgangspunt er ook toe kan leiden dat reeds toegewezen zendtijd wordt ingetrokken (wanneer aan de samenwerking binnen een stroming een einde is gekomen).
      De aanvrager moet ten genoegen van het Commissariaat aantonen dat hij representatief is voor een hoofdstroming (en eventueel meer representatief dan de andere aanvrager(s)). Representativiteit kan blijken uit kwantitatieve gegevens over de omvang van de directe achterban. Uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State maken volgens het Commissariaat duidelijk dat alleen diegenen waarvan vaststaat dat zij daadwerkelijk affiniteit hebben met het godsdienstige of geestelijke gedachtegoed van een stroming, tot de achterban gerekend mogen worden.4xCommissariaat voor de Media, Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015, p. 5. Representativiteit kan echter ook blijken uit adhesiebetuigingen van relevante organisaties. Dit is met name van belang voor minder hecht georganiseerde stromingen (dit heeft een rol gespeeld bij de toewijzing van zendtijd aan het Humanistisch Verbond, met leden die een zekere aversie tegen organisatievorming koesteren).

      Criteria bij zendtijdverdeling

      De huidige praktijk is dat de minister de totale hoeveelheid uren vaststelt die beschikbaar is voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. Het Commissariaat verdeelt vervolgens deze uren over de betrokken organisaties. Bij de verdeling van de zendtijd speelt de doelstelling van pluriformiteit in het aanbod in twee opzichten een rol: pluriformiteit in de zin van openheid en pluriformiteit in de zin van afspiegeling. De openheid leidt tot een gelijke verdeling van 25% van de totaal beschikbare zendtijd volgens een ‘systeem van vaste voeten’. De afspiegeling leidt tot een verdeling van de resterende 75% op basis van de omvang van de aanhang. Het Commissariaat hanteert drie grootteklassen:

      • een aanhang van 2.000.000 personen of meer (A);

      • een aanhang van minder dan 2.000.000 en meer dan 500.000 personen (B);

      • een aanhang van minder dan 500.000 personen (C).

      Er vindt dus een zekere differentiatie plaats naar rato van de omvang van een stroming.
      De zendtijd voor A : B : C staat in verhouding tot 20 : 13 : 3. Het Commissariaat voor de Media heeft in het kader van de zendtijdtoewijzing de zeven hoofdstromingen als volgt ingedeeld: A (katholicisme en protestantisme); B (islam, humanisme); C (boeddhisme, hindoeïsme, jodendom).
      Voor de periode 2010-2015 is de zendtijd aldus verdeeld over de hoofdstromingen:

      • het katholicisme (83 uur televisie- en 249 uur radiozendtijd);

      • het protestantisme (83 uur televisie- en 249 uur radiozendtijd);

      • het humanisme (58 uur televisie- en 175 uur radiozendtijd);

      • het jodendom (23 uur televisie- en 70 uur radiozendtijd);

      • het boeddhisme (23 uur televisie- en 70 uur radiozendtijd);

      • het hindoeïsme (23 uur televisie- en 70 uur radiozendtijd);

      • de islam (58 uur televisie- en 175 uur radiozendtijd, ondergebracht bij de NTR).

    • De plannen van het kabinet-Rutte

      Het huidige kabinet wil de publieke omroep reorganiseren. Het wil een einde maken aan de versnippering in Hilversum en tevens drastisch bezuinigen op de landelijke publieke omroep. De grote omroepverenigingen waren daarom de afgelopen tijd driftig op zoek naar een samenwerkings- of fusiepartner. Dat zorgde voor veel commotie op de ‘Hilversumse relatiemarkt’.5xDe Volkskrant 26 januari 2011. Binnen de randvoorwaarden van het kabinet heeft de raad van bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep inmiddels een ‘vrijwillig fusiemodel’ ontwikkeld dat invulling geeft aan de gewenste terugbrenging van het aantal omroeporganisaties. De grote omroepen kiezen voor het zogenaamde ’3-3-2’-model. Het voorziet in drie fusies per 2016 (AVRO en TROS, KRO en NCRV, VARA en BNN), drie omroepen (VPRO, EO en MAX) blijven zelfstandig, evenals de twee taakomroepen (NOS en NTR).6xBrief aan omroepbestuurders van de raad van bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep, 31 oktober 2011.
      Wat wil het kabinet met de levensbeschouwelijke zendgemachtigden? De omroepactiviteiten van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag wil het kabinet onderbrengen bij de bestaande omroeporganisaties. Het kabinet is bovendien van mening dat de ’2.42-omroepen’ zich strikt moeten beperken tot specifiek levensbeschouwelijke programmering. Volgens minister Van Bijsterveldt (OCW) hebben zij ‘te algemeen’ geprogrammeerd. Om deze reden worden zij extra gekort bovenop hun reguliere aandeel in de bezuinigingstaakstelling. Het totale budget voor de levensbeschouwelijke omroepen bedroeg – vóór de aangekondigde bezuinigingen – ongeveer 27 miljoen euro per jaar (op een totaal van driekwart miljard voor de gehele publieke omroep).
      In de huidige concessieperiode (2010-2015) moeten de genootschappen zich aansluiten bij een verwante omroepvereniging. Voor wie geen ‘natuurlijke partner’ heeft, geldt dat aansluiting bij de NTR verplicht is (de NTR is de taakomroep waarin NPS, Teleac en RVU onlangs zijn samengegaan). ‘Dit betekent dat de omroepactiviteiten opgenomen worden in de organisatie van de omroep of de NTR. De genootschappen houden hun redactionele onafhankelijkheid. Deze kan bijvoorbeeld geborgd worden door een onafhankelijke programmaraad en een redactiestatuut.’7xBrief aan de Tweede Kamer van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), 17 juni 2011, p. 19. Uitsluitend genootschappen die nu beschikken over een aanwijzing, en die in 2016 zich hebben aangesloten bij een verwante omroepvereniging of de NTR, komen in 2016 in aanmerking voor een hernieuwde aanwijzing.
      De plannen van het kabinet sluiten aan bij onderzoek dat is verricht door een ambtelijke projectgroep.8xMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Partners in levensbeschouwing, Den Haag 2010. Dat onderzoek was gericht op het schetsen van opties om de taken van de kleine levensbeschouwelijke omroepen efficiënter te organiseren. Slechts één optie werd ‘haalbaar’ genoemd: lichte samenwerking met een verwante ‘grote omroep’, waarbij overigens niet alleen de programmatische, maar ook de bestuurlijke autonomie van deze omroepen in tact zou blijven.
      Verdergaande varianten, waarbij de zelfstandigheid van de levensbeschouwelijke omroepen wél verdwijnt, werden ‘een brug te ver’ en ‘weinig realistisch’ genoemd. Het gaat dan om schaalvergroting door bestuurlijke integratie in een grotere omroep of bundeling van alle kleine omroepen in één rechtspersoon. De onderzoekers baseerden hun conclusies over de haalbaarheid van de verschillende opties op het draagvlak daarvoor onder de omroepen zélf. Die lijken – als het dan toch moet – het meest te voelen voor lichte vormen van samenwerking met een grote ledenomroep. Al zijn ze wel bang voor het risico opgeslokt te worden door de grotere partner (zeker wanneer ook die grotere ledenomroepen met elkaar gaan fuseren). Maar moet een toekomstbestendige benadering niet ook rekening houden met langetermijntransformaties in het medialandschap én de gewijzigde maatschappelijke betekenis van religie?

    • Religie en media: dubbele transformatie

      Eerste transformatie: religieus landschap

      Allereerst de transformatie van het religieuze. Die is op het meest fundamentele niveau geworteld in sociale veranderingen in de late moderniteit.9xS.M. Hoover, Religion in the Media Age, New York 2006, p. 50-56. Trefwoorden waarmee deze veranderingen onder woorden worden gebracht zijn ‘reflexieve modernisering’, ‘individualisering’ en ‘posttraditionele samenleving’. Sociale veranderingen hebben geleid tot een ‘focus on the self’. De vervolmaking van het zelf is hét project van de moderne tijd, een project waarvoor het individu zelf verantwoordelijkheid draagt. Daarbij zijn overgeleverde waarden en normen of toegewezen identiteiten en rollen als bronnen van betekenisverlening van ondergeschikt belang. Individualisering is in essentie een vorm van ‘onttraditionalisering’.
      Individualisering als ‘moment’ van reflexieve modernisering10xU. Beck, Der eigene Gott. Von der Friedensfähigkeit und dem Gewaltpotential der Religionen, Frankfurt am Main/Leipzig 2008, p. 111. maakt het individu meer dan in het verleden ook verantwoordelijk voor de eigen religieuze beleving. Het individu laat zich bij de vervolmaking van het religieuze ‘zelf’ niet leiden door overgeleverde verklaringen en autoriteiten, maar zoekt zelfbewust en autonoom een eigen religieuze identiteit. Alleen het religieuze zelf beslist daarover.11x‘Religious identity becomes less ascribed, and more of a voluntary, subjective, and achieved phenomenon’. W.C. Roof, A Generation of Seekers. The Spiritual Journeys of the Baby Boom Generation, Sydney 1993.
      Het kader van reflexieve modernisering maakt duidelijk dat het bij deze omwenteling naar het individuele en subjectieve12xCh. Taylor, Bronnen van het zelf. De ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit, Rotterdam 2007. niet gaat om een toevallig of willekeurig fenomeen, maar om een diepgewortelde, fundamentele maatschappelijke ontwikkeling, die in het religieuze domein tot uitdrukking komt in de tegenstelling tussen religie en spiritualiteit. Religie staat dan voor een beleving overeenkomstig traditionele rollen en verplichtingen; spiritualiteit duidt dan op een beleving overeenkomstig het eigen unieke zelf, buiten opgelegde rollen.
      Het subjectieve perspectief manifesteert zich niet alleen in een ‘spirituele revolutie’13xP. Heelas & L. Woodhead, The Spiritual Revolution. Why religion is giving way to spirituality, Oxford 2005. buiten de gevestigde collectieve religies, maar ook daarbinnen. Religieuze opvattingen van mensen binnen de christelijke kerken zijn bijvoorbeeld ingrijpend veranderd, waarbij men kerkelijke regels gemakkelijk naast zich neerlegt en het eigen diepere zelf beschouwt als bron van religiositeit. Overigens is religie zélf ook een belangrijke bron van individualisering, voor zover het berust op de individuele beslissing om te geloven (en daarmee dus uiteindelijk berust op individuele vrijheid).14xBeck 2008, p. 107-110.
      De ontkerkelijking gaf aanleiding tot de onder sociologen populaire seculariseringsthese. Vormen van meer individualistische en minder hecht georganiseerde spiritualiteit doen denken aan een ‘comeback’ van de religie of een ‘postseculiere’ samenleving.15xWetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2006. De opkomst van de islam als gevolg van migratiebewegingen draagt bij aan de transformatie van het religieuze landschap. Ook binnen de wereld van de islam lijkt het traditionele geloof op zijn retour en laat het individu zich in zijn of haar gewone leven steeds minder door de geestelijkheid bepalen. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de demografische revolutie die zich momenteel in alle islamitische landen voltrekt16xY. Courbage & E. Todd, De onstuitbare revolutie. Hoe moderne ontwikkelingen de islamitische wereld veranderen, Rijswijk 2008. en in het fenomeen van een Europese islam.17xT. Ramadan, Een jihad van vertrouwen, Amsterdam, 2008; O. Roy, De globalisering van de islam, Amsterdam 2003.
      In vergelijking met de hoogtijdagen van de verzuiling is het Nederlandse patroon van cultureel-religieuze pluriformiteit drastisch ‘ontzuild’. Denk aan de opkomst van de islam in meer en minder orthodoxe varianten; de opkomst van diffuse ‘zoekende’ spiritualiteit, die zowel in oppervlakkige als serieuze vormen tot uitdrukking komt; de toename van het aantal mensen dat zich atheïstisch of agnostisch noemt; de afgenomen betekenis van traditionele centra van religieus gezag, hoewel kleinere, orthodoxe centra van gedisciplineerde overgave aan externe religieuze autoriteit blijven voortbestaan; en ten slotte de toename van oecumenisch besef binnen mainstream katholicisme en protestantisme, waardoor de oude breuklijn tussen Rome en Reformatie nauwelijks nog actief is. Dat alles maakt dat er weinig meer over is van de vroegere bestendigheid en overzichtelijkheid. Van een stabiel gesegmenteerd en geïnstitutionaliseerd pluralisme (semper idem) bewegen we ons in de richting van een meer individueel gefundeerd en meer fluïde pluralisme (panta rhei). Religie is een moeilijk grijpbaar, ‘liquid’ fenomeen geworden.18xRoof 1993; Z. Bauman, Liquid Life, Cambridge 2005.

      Tweede transformatie: medialandschap

      De tweede fundamentele transformatie is die van het medialandschap. Die is door nieuwe informatie- en communicatietechnologie ook totaal van aanzien veranderd.19xWetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Focus op functies. Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid, Den Haag 2005. Kort samengevat gaat het om de volgende transformaties:

      • van schaarste naar overvloed;

      • van analoog naar digitaal;

      • van lineair naar non-lineair mediagebruik (de kijker bestelt op afroep programma’s en kijkt op een door hem zelf gekozen tijdstip);

      • van gescheiden distributiekanalen (pers, radio, televisie, internet) naar cross- en multimedialiteit;

      • van publiek naar privaat (commercialisering, duaal omroepbestel);

      • van massamediaal eenrichtingsverkeer (‘one to many’) naar interactie in kleinere virtuele netwerken (user generated sociale media).

      Door nieuwe informatie- en communicatietechnologie heeft analoge schaarste plaatsgemaakt voor digitale overvloed. Voorheen gescheiden distributiekanalen (omroep, pers) zijn uitgebreid met internet en allerlei persoonlijke en sociale media (die bovendien allemaal nauw met elkaar vervlochten zijn).

    • Conclusie: één intern-pluriforme taakomroep met nadruk op ontmoetingsfunctie

      Samen nopen beide transformaties tot een andere kijk op de functies die de levensbeschouwelijke omroepen – in ruil voor publieke financiering – geacht worden te vervullen. Hun functie voor de eigen achterban, het ‘preken voor eigen parochie’ (bijv. het uitzenden van een kerkdienst), kan door de toegenomen uitingsmogelijkheden steeds meer ook buiten het publieke omroepbestel door de levensbeschouwelijke genootschappen zelf worden verzorgd. Bijvoorbeeld in het private domein van ons duale omroepbestel of op internet. Het aantal websites met informatie over religie (religion online) en met ruimte voor deelname aan godsdienstoefening (online religion) is al bijzonder groot. Die ‘eigen parochie’ is overigens door levensbeschouwelijke individualisering steeds meer fluïde en nog maar losjes gebonden aan de traditionele instituties (hetgeen leidt tot lastige representativiteitsvragen waar het Commissariaat voor de Media bij de periodieke toewijzing van zendtijd duchtig mee worstelt).
      De ontmoetingsfunctie van dit type omroep wordt echter steeds belangrijker. Religieuze verschillen zijn namelijk potentieel explosief, vooral wanneer die zich verknopen met andere sociaaleconomische en politieke conflicten. In het enorm uitgedijde medialandschap zijn wereldwijd ontmoetingen met de religieuze of niet-religieuze ‘ander’ mogelijk en tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Dat draagt bij aan het eclectisch ‘knutselen’ van ‘nieuwe spirituelen’. Maar op internet zijn er ook plekken waar (religieuze) groepen zich afsluiten van andersdenkenden in zogenaamde ‘informatiecocons’ en ‘echokamers’. Dat gaat soms gepaard met onverdraagzaam ‘heilig vuur’ en verabsolutering van de eigen religieuze identiteit.20xA. Sen, Identity and Violence. The Illusion of Destiny, New York/Londen 2006.
      Toekomstbestendig mediabeleid moet daarom niet uitsluitend oog hebben voor het belang van de uitingsvrijheid, maar ook voor sociale samenhang als waarde. Aandacht voor gemeenschappelijkheid en vreedzaam omgaan met levensbeschouwelijke verschillen behoedt voor gevaarlijke vormen van polarisatie en sociaal autisme.
      Eén – intern-pluriforme – organisatie voor het geestelijke omroepaanbod is de aangewezen structuur waarmee de dialoog tussen levensbeschouwingen kan worden vormgegeven in de werkwijze en programmering van de publieke omroep. Dan is – voorzien van een herkenbaar label (Spirit?) – meer nadruk mogelijk op het breed informeren van de samenleving over levensbeschouwelijke thema’s. Bundeling schept ook ruimte voor kleinere stromingen, die nu niet aan bod komen, waaronder zwak geïnstitutionaliseerde. Ten slotte gaat deze optie – méér dan lichte vormen van samenwerking met verwante ledenomroepen – de bestuurlijke drukte en daarmee samenhangende inefficiëntie te lijf.
      De mediatechnologische en cultureel-religieuze dynamiek vraagt niet om verbanning van religie uit het publieke omroepbestel. Uitzendingen die op een specifieke parochie zijn gericht, zijn natuurlijk ook niet taboe. Wel is in onze multireligieuze samenleving veel meer nadruk op wederzijdse kennismaking en – soms pijnlijke – dialoog over de grenzen heen gewenst. Daarom is mijn devies voor de levensbeschouwelijke vrijers op de Hilversumse relatiemarkt: maak van de (bezuinigings)nood een deugd en werk toe naar één overkoepelende organisatie voor het levensbeschouwelijke omroepaanbod.

    Noten

    • 1 Brief minister Plasterk, 13 oktober 2008, Kamerstukken II 2008/09, 31 356, nr. 44.

    • 2 Commissariaat voor de Media, Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015.

    • 3 Ook het Burgerlijk Wetboek geeft geen definitie van deze term, terwijl het wel in de wet staat vermeld (Boek 2, artikel 2).

    • 4 Commissariaat voor de Media, Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015, p. 5.

    • 5 De Volkskrant 26 januari 2011.

    • 6 Brief aan omroepbestuurders van de raad van bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep, 31 oktober 2011.

    • 7 Brief aan de Tweede Kamer van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), 17 juni 2011, p. 19.

    • 8 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Partners in levensbeschouwing, Den Haag 2010.

    • 9 S.M. Hoover, Religion in the Media Age, New York 2006, p. 50-56.

    • 10 U. Beck, Der eigene Gott. Von der Friedensfähigkeit und dem Gewaltpotential der Religionen, Frankfurt am Main/Leipzig 2008, p. 111.

    • 11 ‘Religious identity becomes less ascribed, and more of a voluntary, subjective, and achieved phenomenon’. W.C. Roof, A Generation of Seekers. The Spiritual Journeys of the Baby Boom Generation, Sydney 1993.

    • 12 Ch. Taylor, Bronnen van het zelf. De ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit, Rotterdam 2007.

    • 13 P. Heelas & L. Woodhead, The Spiritual Revolution. Why religion is giving way to spirituality, Oxford 2005.

    • 14 Beck 2008, p. 107-110.

    • 15 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2006.

    • 16 Y. Courbage & E. Todd, De onstuitbare revolutie. Hoe moderne ontwikkelingen de islamitische wereld veranderen, Rijswijk 2008.

    • 17 T. Ramadan, Een jihad van vertrouwen, Amsterdam, 2008; O. Roy, De globalisering van de islam, Amsterdam 2003.

    • 18 Roof 1993; Z. Bauman, Liquid Life, Cambridge 2005.

    • 19 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Focus op functies. Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid, Den Haag 2005.

    • 20 A. Sen, Identity and Violence. The Illusion of Destiny, New York/Londen 2006.


Print dit artikel