Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

De levensbeschouwelijke wortels van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Trefwoorden Dutch Industrial Organisation, religious and philosophical roots
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
René Guldenmund, 'De levensbeschouwelijke wortels van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie', TvRRB 2012-2, p. 73-86

Dit artikel wordt geciteerd in

    • De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) is een stelsel van productschappen en bedrijfschappen die voor de bedrijven waarvoor zij zijn opgericht, algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) kunnen vaststellen en heffingen kunnen opleggen. In december 2011 nam de Tweede Kamer een motie aan met de strekking dit stelsel af te schaffen. Dit artikel gaat in op de lange voorgeschiedenis en de socialistische, protestantse en rooms-katholieke wortels van dit stelsel. Opmerkelijk is dat in de eerste helft van de twintigste eeuw in de publieke ruimte, in het bijzonder bij de beleidsvorming op de departementen en bij het wetgevingsproces in het parlement, vrijelijk en onbevangen vanuit deze levensbeschouwelijke en religieuze visies gedebatteerd kon worden. De geschiedenis van de PBO laat zien hoe het christendom een vruchtbare bijdrage heeft geleverd aan de vormgeving van onze sociaaleconomische orde.

    • Op 20 december 2011 werd in de Tweede Kamer met 90 stemmen de motie-Aptroot c.s. aangenomen,1xKamerstukken II 2011/12, 33 000 XV, nr. 14. De motie is ondertekend door de leden Aptroot (VVD), Van den Besselaar (PVV), Ulenbelt (SP) en Verhoeven (D66). die de strekking heeft de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) af te schaffen. Bij de inzending van dit artikel was nog niet bekend hoe het kabinet op deze motie zal reageren. Maar áls de motie wordt uitgevoerd zoals zij bedoeld is, zou dit kunnen betekenen dat het stelsel van product- en bedrijfschappen zoals wij dat nu kennen, binnen enkele jaren verdwenen zal zijn. Vanaf 1954, toen het eerste bedrijfschap (het Landbouwschap) werd opgericht,2xHet Landbouwschap is in 2001 opgeheven. hebben de product- en bedrijfschappen bijna zestig jaar lang de skyline van de sociaaleconomische orde in Nederland bepaald. Overigens wordt die skyline ook door andere wetten gemarkeerd, zoals de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en de vele sociale wetten, maar die blijven in het korte bestek van dit artikel buiten beschouwing.
      Het mogelijk verdwijnen van de nu 11 productschappen en 6 bedrijfschappen zou een radicale ingreep in ons sociaaleconomische polderlandschap zijn. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog, ruim 60 jaar geleden, werden de grondslagen gelegd voor onze huidige sociaaleconomische orde. Wel, de PBO bestaat nu bijna zestig jaar, maar de beleidsvorming die daaraan voorafging omvat eveneens een periode van ongeveer zestig jaar en vangt aan in 1891.
      Nu er opnieuw moet worden nagedacht over de herinrichting van onze sociaaleconomische orde, is het goed nog eens terug te kijken naar de lange en bewogen historie van dit instituut en naar de levensbeschouwelijke visies die bij de totstandkoming daarvan een rol hebben gespeeld. Hierbij moet worden bedacht dat pragmatische overwegingen de hoofdrol hebben gespeeld. Nederland moest na vijf jaar bezetting opnieuw worden opgebouwd. Begrijpelijk dat men de vitale sectoren in onze economie de ruimte wilde geven om hun specifieke kennis en organisatievermogen in te zetten bij de wederopbouw van ons land. Dat neemt niet weg dat in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie drie levensbeschouwelijke visies samenkomen: de ‘functionele decentralisatie’ van de socialisten, de ‘soevereiniteit in eigen kring’ van de protestanten en het ‘subsidiariteitsbeginsel’ van de rooms-katholieken. Hoe is het allemaal begonnen? En wat is toch die publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie?

    • Wat is de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie?

      Om met de tweede vraag te beginnen: de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie is een vorm van overlegeconomie op sectorniveau.3xTh. Quené, ‘Voorwoord’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p. I. Theo Quené was toen voorzitter van de SER. Het is een stelsel van openbare lichamen, bedrijfslichamen genoemd, die voor bepaalde, nauw omschreven productiekolommen of sectoren van het bedrijfsleven zijn opgericht en met overheidsgezag zijn bekleed. Het zijn intermediaire organisaties tussen overheid en bedrijfsleven. De PBO kent een verticale en een horizontale structuur. Voor de productiekolommen zijn er productschappen. Zo vallen onder het Productschap Tuinbouw alle bedrijven van de productiekolom in de tuinbouw, van zaadveredeling tot de keurig verpakte Hollandse tomaat in de schappen van supermarkten over de hele wereld: telers, veilingen, fabrikanten, importeurs en exporteurs en de groot- en detailhandel in tuinbouwproducten. Voor de bedrijfstakken zijn er de bedrijfschappen; dit is de horizontale structuur. Zo vallen onder het Hoofdbedrijfschap Ambachten meer dan 30 ambachten, zoals kappers, slagers, goudsmeden, schoenherstellers en fietsspecialisten. Product- en bedrijfschappen zijn kort gezegd bevoegd om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen en heffingen op te leggen, uiteraard alleen voor de bedrijven waarvoor zij zijn opgericht. Productschappen en bedrijfschappen zijn geen verenigingen waarvan bedrijven vrijwillig lid kunnen worden. Net zoals voor de regionale decentralisatie de woonplaats bepalend is of men tot een bepaalde gemeente of provincie behoort en daaraan ook belasting moet betalen, zo geldt voor de ‘functionele decentralisatie’ dat de uitoefening van een bepaalde economische activiteit bepalend is of een persoon of bedrijf onder de werkingssfeer van een product- of bedrijfschap valt en daaraan heffingen moet betalen. Door de verplichte heffing wordt zwartrijdersgedrag (wel profiteren maar niet meebetalen) voorkomen.
      Productschappen zijn voornamelijk tot stand gekomen voor het landbouwbedrijfsleven, met het Productschap Dranken als enige uitzondering. Bedrijfschappen daarentegen zijn er voor een veelheid aan sectoren van onze economie. Op dit moment zijn er 11 productschappen en 6 bedrijfschappen. Enkele voorbeelden van productschappen: het Hoofdproductschap Akkerbouw, het Productschap Tuinbouw, het Productschap Pluimvee en Eieren en het Productschap Zuivel. En van bedrijfschappen: het Hoofdbedrijfschap Ambachten, het Hoofdbedrijfschap Detailhandel en het Bedrijfschap Horeca en Catering. In totaal zijn er nu 17 bedrijfslichamen. Overigens bestonden er in het verleden veel meer. Begin jaren zestig van de vorige eeuw waren het er 56, in 1995 nog 38. Tussen 1968 en 2008 zijn er 9 productschappen en 42 bedrijfschappen opgeheven en werden er ook weer nieuwe ingesteld. In vrijwel alle gevallen werden de taken van opgeheven bedrijfslichamen overgenomen door andere, of werden product- of bedrijfschappen samengevoegd. In totaal hebben er, kortere of langere tijd, 68 bedrijfslichamen bestaan, waarvan 20 productschappen en 48 bedrijfschappen.4xEen kort overzicht van de geschiedenis van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en van de nu geldende wet- en regelgeving is te vinden in een recente publicatie van de Sociaal-Economische Raad, Wet op de bedrijfsorganisatie en andere regelgeving voor de PBO, Den Haag 2010. Een schat aan informatie is te vinden op de website van de SER (www.SER.nl), met links naar de websites van alle product- en bedrijfschappen.
      Product- en bedrijfschappen worden opgericht bij algemene maatregel van bestuur, het zogenoemde instellingsbesluit, waarbij de werkingssfeer van elk bedrijfslichaam wordt afgebakend. Zowel de instelling als de opheffing van een bedrijfslichaam geschiedt op verzoek van het georganiseerde bedrijfsleven, namelijk de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties. Het bestuur wordt gevormd door vertegenwoordigers van deze werkgevers- en werknemersorganisaties, de zogenoemde ‘dragende organisaties’. De voorzitters worden benoemd bij koninklijk besluit. Het toezicht op de product- en bedrijfschappen is belegd bij de Toezichtkamer van de Sociaal-Economische Raad (SER) en bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
      De taken die de product- en bedrijfschappen verrichten zijn buitengewoon divers en kunnen worden ingedeeld in activiteiten in het kader van hun monitorfunctie, zoals registratie van ondernemingen en marktontwikkelingen, verder activiteiten gericht op afzetmarkten, ketenbeheer, kwaliteitszorg en gezondheidszorg, modernisering van de bedrijfsvoering, sociale aangelegenheden en activiteiten gericht op de arbeidsmarkt.5xH.A.A. Scholz, ‘Structuur, werkingssfeer en functie van bedrijfslichamen’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p. 74. Bij een breed publiek het meest bekend zijn natuurlijk de branchegerichte promotiecampagnes en evenementen, zoals de tienjaarlijkse Floriade en de schoolfruitcampagne, beide van het Productschap Tuinbouw, ‘Ei Love You’ van het Productschap Pluimvee en Eieren, en ‘Hé, jij daar met dat rare haar!’ van de kappersbranche van het Hoofdbedrijfschap Ambachten. Andere specifieke taken variëren van opleiding en scholing, voorlichting en informatie tot veiligheid en arbeidsomstandigheden, milieu, preventie van plant- en dierziekten en dierenwelzijn. De productschappen voeren naast hun autonome taken ook omvangrijke taken voor de rijksoverheid uit, met name op het gebied van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals het vaststellen van exportrestituties, verwerkingssteun voor bijvoorbeeld aardappelzetmeel en het afgeven van invoer- en uitvoercertificaten voor producten die onder een contingenteringsregeling vallen. Dat is het zogenoemde ‘medebewind’.
      Het juridisch kader van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie is vrij gecompliceerd. Het wordt in de eerste plaats gevormd door artikel 134 van de Grondwet, door de Wet op de bedrijfsorganisatie en door de instellingsbesluiten en het Besluit aanwijzing principes goed bestuur bedrijfslichamen. Daarnaast zijn er diverse andere wetten die specifieke taken aan bedrijfslichamen opdragen of aan een minister de bevoegdheid toekennen bepaalde wettelijke taken in medebewind aan bedrijfslichamen te delegeren, bijvoorbeeld artikel 23 lid 1 van de Landbouwwet. De feitelijke delegatie van medebewindstaken geschiedt vervolgens bij ministeriële regeling, zoals de Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, waarbij de uitvoering van een groot deel van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is overgedragen aan zes productschappen. Ten slotte zijn er nog besluiten en verordeningen van de SER die voor de bedrijfslichamen bepaalde verplichtingen inhouden, zoals de Verordening representativiteit organisaties.
      Tegenstanders van de PBO duiden het stelsel nog wel eens aan als ‘corporatistisch’ of ‘neocorporatistisch’. Deze termen worden ten algemene soms gebruikt om een maatschappelijk verschijnsel of bepaalde organisaties negatief te duiden of te etiketteren in de betekenis van ondemocratisch of marktverstorend. Als een organisatie eenmaal dit etiket heeft, is verdere discussie overbodig, zo lijkt men te denken. Een vorm van negatieve framing dus. In de wetenschappelijke literatuur wordt de term ‘neocorporatisme’ gebruikt in de neutrale betekenis van min of meer gestructureerde, duurzame beleidsorganisaties met een bevoegdheid tot zelfsturing en zelfregulering, waardoor de maatschappelijke uitvoering en acceptatie van beleid kan worden verbeterd.6xG.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer, ‘Bedrijf- en productschappen: intermediair tussen overheid en bedrijfsleven’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p 2-3 en J.C.N. Raadschelders, ‘Vrije mededinging of monopolie; publieke regulering van private belangen vóór 1945’, in dezelfde bundel, p. 22-24. Er is dus geen bezwaar tegen om de Nederlandse overlegeconomie in deze neutrale betekenis aan te duiden als een vorm van neocorporatisme, ook wel genoemd ‘maatschappelijk corporatisme’ of ‘mesocorporatisme’. De ondemocratische variant die voorkwam in het Italië en Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw, wordt gewoonlijk aangeduid met de term ‘staatscorporatisme’.7xRaadschelders 1995, p. 22. De Nederlandse overlegeconomie vertoont hiermee niet de minste gelijkenis.

    • Voorgeschiedenis: de sociale kwestie

      De negentiende eeuw bracht ons de industriële revolutie en een gecorrumpeerd kapitalisme, een snelgroeiend arbeidersproletariaat, de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, de opkomst van het communisme. Louis Paul Boon geeft in zijn historische roman Pieter Daens een bijtend relaas van de sociale verhoudingen in het België aan het eind van de negentiende eeuw. Zijn aanklacht geldt onder meer het zwijgen van de rooms-katholieke kerk. Dat de kerk op het punt van de sociale politiek toen nog zweeg is waar, maar zij zag en luisterde goed. Aan het hoofd van de rooms-katholieke kerk stond toen paus Leo XIII, Gioacchino Pecci, die als jong priester apostolisch nuntius (ambassadeur van de Heilige Stoel) in België was geweest en de politieke situatie in België dus goed kende. Hij was zeer begaan met het lot van de arbeiders.
      Het is in die roerige jaren dat de eerste oproep tot een nieuwe sociaaleconomische orde klinkt. Met zijn beroemde encycliek Rerum Novarum (Naar nieuwe toestanden), die op 15 mei 1891 werd uitgebracht, slaat de rooms-katholieke kerk onder Leo XIII een nieuwe weg in en reikt de seculiere maatschappij een sociaaleconomische ethiek aan.8xIn België wordt Rerum Novarum beschouwd als het handvest van de katholieke vakbeweging, wat jaarlijks op 15 mei of op Hemelvaartsdag wordt gevierd. Daarmee werd de ‘sociale quaestie’ uitgetild boven het niveau van de klassenstrijd en werd het een vast thema in het parlementaire debat. Rerum Novarum kan beschouwd worden als het eerste hoofdstuk in de totstandkoming van de katholieke sociale leer, waaraan de huidige paus Benedictus XVI in 2009 de jongste bijdrage heeft geleverd met zijn encycliek Caritas in Veritate.
      Rerum Novarum gaat over de ‘toestand der arbeiders’ in de negentiende eeuw. Hierin maakt Leo XIII duidelijk aan welke kant hij staat en leest hij (katholieke) industriëlen, speculanten en politici in ongekend harde bewoordingen de les: ‘(…) duidelijk zien Wij dat spoedig en afdoende moet gezorgd worden voor het proletariaat daar een zeer groot deel onverdiend in een ellendige en jammerlijke toestand verkeert. Want toen in de vorige eeuw de vroegere gilden waren afgeschaft (…) vielen de arbeiders, niet verenigd en onverdedigd als zij waren, langzamerhand ten prooi aan onmenselijke praktijken van hun meesters en aan een bandeloze concurrentie-zucht.’ En hij vervolgt: ‘De ellende werd nog vergroot door een alles-verslindende woeker, die (…) door hebzuchtige speculanten wordt bedreven. Hierbij komt het feit, dat enkele weinigen nagenoeg de gehele heerschappij verkregen over de arbeidsmarkt en over heel de handel, zodat een zeer klein aantal machtige geldmagnaten een bijna-slavenjuk hebben opgelegd aan de onafzienbare menigte proletariërs.’
      De uitgangspunten voor een rechtvaardige sociaaleconomische orde zoals Leo XIII die zag, zijn: arbeid is geen koopwaar, eendracht tussen kapitaal en arbeid, wederzijdse verplichtingen tussen werkgevers en werknemers, geen ondraaglijke arbeid en geen kinderarbeid, rechtvaardig loon dat toereikend is voor het levensonderhoud van de arbeider en zijn gezin, sociale voorzieningen voor weduwen en wezen, en een voorziening voor de oude dag. Het conflictmodel wijst hij af. Kapitaal en arbeid moeten samenwerken. Zonder arbeid geen kapitaal, zonder kapitaal geen arbeid. Hiermee is een eerste model aangereikt voor een menswaardige sociaaleconomische orde.

    • De socialistische visie

      De socialistische leider Troelstra, woordvoerder van de SDAP, pakte in 1898 de handschoen op en greep de algemene beschouwingen aan om zijn sociaaleconomische visie uiteen te zetten. De ellende van de arbeidersbevolking schilderde hij breeduit, aangevuld met treffende cijfers. Hij pleitte om te beginnen voor de invoering van een algemeen kiesrecht, wat hij als de belangrijkste voorwaarde zag om sociaaleconomische hervormingen tot stand te brengen. Op de vraag of hij de klassenstrijd nu in het parlement wilde brengen, antwoordde hij dat die klassenstrijd niet door de socialisten was bedacht, maar dat die hen door de kapitalisten werd opgedrongen.
      Hij liet zich overigens toen nog niet verleiden om een beeld te schetsen van de maatschappij die hij voor ogen had. Wel dacht hij dat de invloed van de staat geleidelijk zou kunnen afnemen en dat bepaalde taken door economische organisaties zouden worden overgenomen. Daarin zouden met name ook arbeiders een stem moeten hebben.9xHagen 2010, p. 257-258. Deze gedachte werkte Troelstra later uit. Daarbij dacht hij aan publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties en een soort economisch parlement. Hij noemde dat ‘socialistisch bedrijfsbeheer’.10xHagen 2010, p. 622.
      In socialistische kring werd de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie aangeduid als een vorm van functionele decentralisatie.11xW. Rip, Landbouw en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, Wageningen 1952, p. 133. Deze gedachte bleek in brede kring aan te slaan, omdat men dit zag als een oplossing voor de sterk toegenomen omvang van de wet- en regelgeving door de centrale overheid aan het begin van de twintigste eeuw.12xW.J. van Eijkern & G.J. Balkenstein, De Wet op de bedrijfsorganisatie, Alphen aan den Rijn 1950, p. 4.
      In het socialistische perspectief speelt de staat een sterke rol. Ook in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zoals Troelstra die zag, zou de staat een prominente positie innemen. In zijn Troelstra-biografie wijst Hagen erop dat Troelstra hiermee dicht in de buurt kwam van het staatscorporatisme zoals zich dat in de jaren dertig van de vorige eeuw in Italië en Duitsland zou ontwikkelen.13xHagen 2010, p. 715-716. Hierbij moet worden bedacht dat Troelstra de sociaaldemocratische staat zag als een voorbijgaande overgangsvorm naar een klasseloze maatschappij.

    • De protestantse visie

      Het concept van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waarbij aan bedrijfsorganen publiekrechtelijke bevoegdheden werden verleend, gaf ook in protestantse kring aanleiding tot een levendige gedachtewisseling. Dat gebeurde mede naar aanleiding van de pauselijke encycliek Rerum Novarum, hoe vreemd dit ook mag schijnen. Maar het is een vaststaand feit dat Rerum Novarum een van de weinige encyclieken is die ook door niet-katholieken worden gelezen, ook door protestanten en socialisten. Prof. P.A. Diepenhorst, de antirevolutionaire, protestantse econoom die niet bekendstond om zijn roomse sympathieën maar wel om zijn eruditie en humor, citeert in zijn standaardwerk De eigendom veelvuldig uit deze encycliek en verdedigt dit door te verklaren dat protestanten helaas niet over zulke gezaghebbende documenten beschikken. Deze onbevangen aanbeveling uit protestantse hoek mag beslist ook voor andere pauselijke encyclieken ter harte worden genomen, zeker voor die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw verschenen zijn en die nadrukkelijk gericht zijn tot de mensen van deze tijd.
      In het protestantse discours werd het debat over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie gevoerd in de sleutel van het begrip ‘soevereiniteit in eigen kring’, dat teruggaat op ideeën van Althusius (1557-1638) en verder is ontwikkeld en toegepast door Abraham Kuyper (1837-1920). Het werd later een centraal wijsgerig beginsel in het denken van de calvinistische rechtsfilosoof Herman Dooyeweerd (1894-1977). Volgens deze filosofie staan in de maatschappij verschillende kringen of samenlevingsverbanden naast elkaar, die elk hun eigen autonome rechtssfeer hebben, zoals gezin, staat en kerk,14xH. Post, ‘Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011-3, p. 53. en verder rechtspraak, onderwijs, arbeid en bedrijfsleven. Tot deze laatste twee samenlevingsverbanden behoort de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Dooyeweerd voelde overigens weinig voor de uitoefening van overheidstaken door het bedrijfsleven, omdat dit het bedrijfsleven in een soort dienstverhouding tot de overheid zou brengen.15xRip 1952, p. 132. In de protestantse visie op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie heeft de staat bij voorkeur helemaal geen rol.
      Het duurde echter tot het begin van de twintigste eeuw voordat een begin kon worden gemaakt met de eerste blauwdrukken van een nieuwe sociaaleconomische orde. Op 1 augustus 1901 trad het confessionele kabinet-Kuyper aan, een protestants-katholieke coalitie, waarmee een einde kwam aan de macht van conservatieven en liberalen, die het politieke toneel vanaf 1848 hadden beheerst. Vanaf dat moment waren de hoofdrolspelers op het politieke toneel Abraham Kuyper, de voorman van de protestantse antirevolutionaire fractie, en de invloedrijke en scherpzinnige priester-dichter-staatsman dr. Herman Schaepman, de leider van de katholieke fractie, gewoonlijk aangeduid als ‘de Doctor’, zowel in de Tweede Kamer als in de literaire kritiek. Politieke commentatoren spraken van de ‘tandem Kuyper-Schaepman’. Op een cartoon uit die tijd wordt het tweetal afgebeeld op een tandem, op weg naar het ‘christelijk luilekkerland’.
      Onder dit politiek gesternte kon het model van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie geleidelijk uitkristalliseren in de eerste schetsen voor een nieuwe sociaaleconomische orde, die na 1918 onder de kabinetten-Ruijs de Beerenbrouck concreet vorm kregen in de ‘Beginselen der Economische Bedrijfsorganisatie’ uit 1921 van de hand van de Delftse hoogleraar arbeidsrecht prof. J.A. Veraart.16xVeraart heeft deze beginselen later te boek gesteld in: J.A. Veraart, Beginselen der Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, Bussum 1947, p. 170-189. In 1922 werd aan de Grondwet artikel 134 (toen art. 194) toegevoegd, dat de grondslag legt voor het latere PBO-stelsel, de mogelijkheid om openbare lichamen voor beroep en bedrijf op te richten.

    • De rooms-katholieke visie

      Veertig jaar na Rerum Novarum, in 1931, bracht paus Pius XI een jubileumencycliek uit, Quadragesimo Anno (In het veertigste jaar), een nieuwe sociale encycliek waarin de ideeën van Leo XIII verder worden uitgewerkt en de moderne sociaaleconomische structuren duidelijker zichtbaar worden.17xBij deze jubileumencycliek zou het niet blijven. Ook ter gelegenheid van het zeventigste, tachtigste, negentigste en honderdste jaar na het verschijnen van Rerum Novarum bracht de Heilige Stoel een jubileumdocument uit. Zie hierna onder ‘Besluit en blik op de toekomst’. Het model van Quadragesimo Anno adviseert de oprichting van verenigingen van arbeiders, verenigingen van werkgevers en daarbij nog iets geheel nieuws: ‘bedrijf- en beroepschappen’. Hierbij moet worden opgemerkt dat encyclieken, letterlijk ‘rondzendbrieven’, in het Latijn worden uitgebracht, ook nu nog, waarbij het aan de plaatselijke bisdommen wordt overgelaten om de encycliek desgewenst in de volkstalen te vertalen. Dat gebeurde in elk geval wel met Rerum Novarum en Quadragesimo Anno, wat het belang van deze encyclieken onderstreept en hun grote invloed verklaart. In de Latijnse tekst wordt de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie als volgt aangeduid: ‘concors ordinum mutua conspiratio’. Op zoek naar een Nederlands equivalent voor deze prachtige Latijnse term heeft de vertaler van het aartsbisdom Utrecht zich laten inspireren door de tekst van de Grondwet en de eerdergenoemde schets van Veraart uit 1921. Aldus kwam in de Nederlandse vertaling de volgende tekst te staan: ‘Het voornaamste doel van de Staat en alle invloedrijke burgers moet daarop gericht zijn de strijd der tegenover elkaar staande “klassen” te doen eindigen, en een eendrachtige samenwerking in “bedrijf- en beroepschappen” tot stand te brengen en te bevorderen.’18x‘Id autem in primis spectare, in id intendere et respublica et optimus quisque civis debent, ut “classium” oppositarum disceptatione superata, concors “ordinum” mutua conspiratio excitetur et prohevatur’, Quadragesimo Anno, nr. 81. Opmerkelijk is dat de term ‘openbare lichamen’ hierbij wordt vermeden. Want wat Pius XI voor ogen had was een in hoofdzaak privaatrechtelijk instituut met zo min mogelijk overheidsbemoeienis, dus nadrukkelijk geen staatscorporatisme. Het was een tweezijdig model, gebaseerd op wederzijdse samenwerking (mutua conspiratio) tussen werkgevers en werknemers. Alleen als de sociale partners er niet uit zouden komen, was het de taak van de overheid om in te grijpen.19xQuadragesimo Anno, nrs. 93 en 94.
      Dat deze bedrijfslichamen een deel van het staatsgezag zouden kunnen uitvoeren, is in deze visie geen probleem; integendeel, het sluit juist uitstekend aan bij het subsidiariteitsbeginsel, zoals dat in de theologie van H. Thomas van Aquino (1225-1274) is ontwikkeld.20xVeraart 1947, p. 155. Het subsidiariteitsbeginsel heeft twee aspecten, die in de theologische literatuur worden aangeduid als het positieve en het negatieve aspect, maar het lijkt mij beter om te spreken van een actief en een passief aspect. Het positieve of actieve aspect is, zoals hiervoor weergegeven: de staat grijpt in als de lagere gemeenschappen tekortschieten; het negatieve of passieve aspect betekent dat de staat zich moet onthouden van taken die aan lagere gemeenschappen kunnen worden overgelaten.21xG.M. Plattel O.P., ‘Subsidiariteitsbeginsel’, in: H. Brink O.P. (red.), Theologisch woordenboek (deel III), Roermond/Maaseik 1958, p. 4442. In Quadragesimo Anno ligt de nadruk op dit tweede, passieve aspect: ‘Daarom moet het Staatsgezag de aangelegenheden en zaken van minder belang, die het bovendien al te zeer in beslag zouden nemen, overlaten aan lichamen van lagere rang; dan zal het ook vrijer, krachtdadiger, en met meer succes al die zaken kunnen behartigen, waarvoor alleen het staatsgezag competent is, wijl niemand anders ze behartigen kan: door leiding te geven, toezicht te houden, door stimulerend of beperkend op te treden, al naargelang de omstandigheden het meebrengen en de noodzakelijkheid het eist.’22xQuadragesimo Anno, nr. 80. In het licht van hedendaagse opvattingen, die ervan uit lijken te gaan dat religie als zodanig achterhaald is, niet meer passend in een moderne maatschappij en volledig naar de privésfeer teruggedrongen moet worden,23xB. Vermeulen, ‘Gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid in een neutrale staat’, in: F.T. Oldenhuis (red.), Een neutrale staat: kreet of credo, Heerenveen 2009, p. 94. is het opmerkelijk dat deze thomistische redenering ook is terug te vinden in het Voorlopig verslag van de Tweede Kamer.24xKamerstukken 1947/48, 873, bijlage Handelingen II, p. 46.
      Hoe men dit beginsel wettelijk vorm wil geven, is niet van wezenlijk belang. Men kan naar believen een bepaalde vorm kiezen, mits rekening wordt gehouden met de eisen van de rechtvaardigheid en het algemeen belang.25xQuadragesimo Anno, nr. 86. Wel kent Pius XI bij de vormgeving van dit stelsel een belangrijke rol toe aan wat wij nu noemen de ‘dragende organisaties’: ‘Wij hopen echter, dat de vrije verenigingen, die reeds een bloeiend bestaan leiden, en op heerlijke resultaten kunnen wijzen, zich ten doel zullen stellen, en naar vermogen dit doel zullen helpen bereiken, om, in de geest der christelijke sociologie, de weg te bereiden voor die voortreffelijker organisaties, waarvan Wij boven gewag maakten, nl. de “bedrijf- en beroepschappen”.’26xQuadragesimo Anno, nr. 87.
      Het passieve aspect van het subsidiariteitsbeginsel was lange tijd in de Nederlandse PBO verankerd in het zogenoemde ‘terugtredingsbeginsel’. Dit hield in dat waar de rijksoverheid en de PBO concurrerende bevoegdheden hadden, bijvoorbeeld op het gebied van kwaliteitsvoorschriften voor landbouwproducten, de centrale wetgever terugtrad als een bedrijfslichaam een bepaalde materie had geregeld. Dit ging zo ver dat, als voor een bepaald product een landbouwkwaliteitsbesluit op grond van de Landbouwkwaliteitswet van kracht was en een bedrijfslichaam besloot om dezelfde materie bij verordening te regelen, de centrale wetgever dan verplicht was het desbetreffende landbouwkwaliteitsbesluit in te trekken.27xLandbouwkwaliteitswet, art. 2 lid 5 (oud), vanaf 1 januari 1997 art. 2 lid 4 (oud). Deze bepaling werd ingetrokken bij de wet van 3 april 1999 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten, Stb. 1999, 253, waarmee het zogenoemde ‘primaat van de politiek’ weer de overhand kreeg.
      Opvallend in deze encycliek is ook de verzoenende toon ten opzichte van het ‘gematigde socialisme’, dat door Leo XIII nog streng was veroordeeld: ‘Het heeft de schijn, alsof het socialisme, terugschrikkend voor zijn eigen beginselen en voor de consequenties door het communisme eruit getrokken, een neiging, een zekere toenadering vertoont tot die waarheden, die de christelijke traditie steeds gehuldigd heeft: het valt immers niet te ontkennen, dat hun wensen de rechtmatige eisen der christelijke maatschappij-hervormers somtijds sterk nabijkomen.’28xQuadragesimo Anno, nr. 113. Proef de milde humor in deze laatste zin!29x‘(…) negari enim nequit ad ea quae christiani societatis reformatores iure postulant, horum placita interdum valde appropinquare.’ Hiermee werd de deur opengezet voor de ‘rooms-rode’ coalities die na de Tweede Wereldoorlog gedurende langere tijd het aanzien van de Nederlandse politiek bepaalden, met name het eerste kabinet-Drees, waaronder de Wet op de bedrijfsorganisatie in 1950 tot stand kwam.

    • Besluit en blik op de toekomst

      Uit het voorafgaande blijkt dat de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zoals wij die nu kennen, onder invloed van drie levensbeschouwelijke visies tot stand gekomen is. Dat zijn, in volgorde van toenemende staatsbemoeienis: de soevereiniteit in eigen kring van de protestanten, de subsidiariteit van de rooms-katholieken en de functionele decentralisatie van de socialisten, waarbij de katholieke visie, die een middenpositie inneemt, het duidelijkst aanwezig is. Feitelijk kan worden vastgesteld dat de encycliek Quadragesimo Anno van paus Pius XI de filosofische en levensbeschouwelijke grondslagen bevat van de Nederlandse overlegeconomie. Opmerkelijk is dat bij de Kamerbehandeling van de Grondwetswijziging van 1922 en van de Wet op de bedrijfsorganisatie eind jaren veertig van de vorige eeuw vrijelijk vanuit deze filosofische, levensbeschouwelijke oriëntaties gesproken werd.30xIn Quadragesimo Anno (nr. 21) wordt dit ook expliciet en met enige trots vermeld: ‘(…) en mogen Wij er trots op gaan, dat de eeuwige waarheden, die onze Voorganger, r.g. zo luide verkondigd had, niet slechts in niet-katholieke dagbladen en boeken, maar ook in parlementen en in de gerechtshoven herhaaldelijk werden aangehaald en verdedigd.’ Hierbij moet bedacht worden dat deze Kamerdebatten, evenals nu het geval is, door ambtenaren werden voorbereid, dat de publicaties van Herman Dooyeweerd en de pauselijke encycliek Rerum Novarum – en in de jaren veertig ook Quadragesimo Anno – op de bureaus van de betrokken ministeries lagen en dat daarover op deze ministeries ook vrijelijk kon worden gediscussieerd. Anders dan heden ten dage kwam toen niemand op het idee om daar met een beroep op het beginsel van de scheiding van kerk en staat vraagtekens bij te plaatsen. Dat zou ook ten onrechte zijn geweest, want het beginsel van scheiding van kerk en staat heeft immers geenszins de strekking om de beleidsvorming tegen religieuze en levensbeschouwelijke invloeden te behoeden.31xZie in dit verband S.C. van Bijsterveld, ‘Scheiding van kerk en staat: terug naar de bron voor een visie op de toekomst’, in: F.T. Oldehuis (red.), Een neutrale staat: kreet of credo?, Heerenveen 2009, p. 9-22, i.h.b. p. 14, waar zij stelt dat ‘scheiding van kerk en staat’ tegenwoordig vaak gebruikt wordt als een ‘conversation stopper’. De totstandkoming van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie laat duidelijk zien hoe creatief, vruchtbaar, conceptueel en inspirerend de rol van religies in het publieke domein kan zijn.
      Hoe nu verder? De PBO verkeert in een diepe politieke crisis. Is dit het einde? Of is een vlucht naar voren denkbaar? De wereld van nu wordt gekenmerkt door internationalisering, transnationale samenwerkingsvormen en globalisering en lijkt daarmee in niets meer op de wereld van zestig jaar geleden waarin de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in Nederland ontstond. Is een transnationale PBO mogelijk? Het antwoord is ja, maar dan zou de politiek het contact met de levensbeschouwelijke voedingsbodem van onze cultuur en met Europa weer moeten hervinden.
      Om te beginnen met Europa. Terwijl nu in Nederland de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie dreigt te worden afgeschaft, vindt in de Europese Unie een tegenbeweging plaats die steeds meer in de richting van een transnationale bedrijfsorganisatie gaat. Zo bevat de nieuwe unitaire wetgeving voor de Gemeenschappelijke Marktordening, de Integrale GMO-Verordening,32xVerordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’), Pb L 299/1, i.h.b. art. 122 t/m 127. regels voor producentenorganisatie, organisaties van marktdeelnemers, brancheorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen en transnationale producentenorganisaties. Deze organisaties mogen onder bepaalde voorwaarden heffingen vaststellen, die ook kunnen worden opgelegd aan marktdeelnemers die niet bij de desbetreffende organisatie zijn aangesloten. Verder kunnen zij, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, voorschriften vaststellen die ook voor niet aangesloten marktdeelnemers bindend zijn. Dit komt heel dicht in de buurt van de bevoegdheden die de product- en bedrijfschappen hebben. In dit licht is het niet verwonderlijk dat ambtenaren van de Europese Commissie andere lidstaten soms wijzen op het bestaan en de meerwaarde van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in Nederland.33xI. Thomassen, ‘Schappen op de schop’, Verenigingsmanagement 2011, september, p. 79. Kortom, wat de Tweede Kamer via een motie denkt af te schaffen, wordt langs de weg van Brusselse wetgeving in iets andere vorm geleidelijk weer ingevoerd.
      Maar ook in de hiervoor besproken levensbeschouwelijke visies – de socialistische, de protestantse en de rooms-katholieke – hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die in dit verband van bijzonder belang zijn. Uit het feit dat rooms-katholieken en protestanten elkaar vonden in de PBO mag niet worden afgeleid dat de beginselen van ‘subsidiariteit’ en ‘soevereiniteit in eigen kring’ onderling uitwisselbaar zijn. Onder deze twee beginselen gaan diepgaande verschillen tussen de rooms-katholieke en de neocalvinistische visie, een van de verschillende protestantse maatschappijvisies, schuil. Binnen het CDA, waarin deze uiteenlopende visies samenkomen, zijn pogingen gedaan de verschillende visies met elkaar te verzoenen, voor het eerst in 1990 in het lijvige rapport Publieke gerechtigheid van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.34xWetenschappelijk Instituut voor het CDA, Publieke gerechtigheid. Een christen-democratische visie op de rol van de overheid in de samenleving (rapport), Houten 1990, i.h.b. in hoofdstuk III (Protestantse staats- en maatschappijbeschouwing), IV (De katholieke staats- en maatschappijbeschouwing) en V (Een christen-democratische mens-, maatschappij- en staatsbeschouwing). Daarin wordt onder meer gewezen naar de omwenteling in het denken van de rooms-katholieke kerk over de verhouding tussen kerk en staat die door het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) op gang is gekomen, waardoor de christendemocratische verwantschap van katholieken en protestanten ook institutioneel haar vertaling kon krijgen via de vorming van een christendemocratische partij.35xWetenschappelijk Instituut voor het CDA 1990, p. 105. In een analyse van dit rapport in Zicht, het kwartaalblad van de Guido de Brès-Stichting (het wetenschappelijk instituut van de SGP), wordt geconstateerd dat door de grotere aandacht voor het individu en de waardering voor de zelfstandigheid van katholieke organisaties in de postconciliaire periode iets van de ‘alles-overvleugelende en dirigerende positie’ van de rooms-katholieke kerk verdwenen is, waardoor een fusie van beide beginselen mogelijk wordt.36xH.F. Massink, ‘De christen-democratische visie op de overheidstaak’, Zicht 1991-5, p. 159. In deze gematigde vorm lijkt het subsidiariteitsbeginsel voor protestanten daarmee aanvaardbaar. In het rapport De burger en Europa van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA uit 1998 wordt het subsidiariteitsbeginsel volledig onderschreven.37xWetenschappelijk Instituut voor het CDA, De burger en Europa. Een christendemocratische visie op de waardengemeenschap EU, Den Haag 2008, p. 96-108. Ook in het Beginselmanifest van de Partij van de Arbeid uit 2005 vinden we het onder deze naam terug38xBeginselmanifest Partij van de Arbeid, vastgesteld door het congres van de Partij van de Arbeid, 29 januari 2005, p. 7 onder punt 3.1.5: Europese integratie. en geen woord meer over ‘functionele decentralisatie’. Via het Verdrag van Maastricht is het subsidiariteitsbeginsel opgenomen in artikel 5 van het EG-Verdrag, nu artikel 5 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: ‘Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt (…)’
      Uit het voorafgaande kan worden opgemaakt dat van de drie genoemde levensbeschouwelijke beginselen het subsidiariteitsbeginsel het meest flexibel en levenskrachtig is en zich het beste leent voor toepassing op supranationaal niveau. Dat het subsidiariteitsbeginsel is opgenomen in het Verdrag betreffende de Europese Unie is niet verwonderlijk als men bedenkt dat dit beginsel ontstaan is in de theologie van de rooms-katholieke kerk, die naar zijn aard internationaal is, en dat ook de Europese Unie geworteld is in een rooms-katholiek denkkader.39xOver de rooms-katholieke wortels van de Europese Unie is een proefschrift in voorbereiding bij de Universiteit Leiden door Margriet Krijtenburg, met als titel Schuman’s Europe. His frame of reference. Promotor is prof. dr. P.B. Cliteur. Om deze redenen is het zinvol nu de aandacht te richten op de ontwikkeling in de rooms-katholieke sociale leer sinds Quadragesimo Anno (1931), omdat hierin aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor een transnationale toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.
      En deze leer is zeker niet alleen bedoeld voor katholieken. Het is een visie op de mens en de wereld die geschikt is als levensbeschouwelijke basis voor een volkomen seculiere maatschappij. Daarvoor moeten wij kijken naar de ontwikkeling van de katholieke sociale leer sinds Quadragesimo Anno (1931). Die ontwikkeling loopt sinds de jaren zestig van de vorige eeuw langs twee sporen.
      Het eerste spoor is een verdere verdieping en uitbreiding van de economische en sociale ethiek in de lijn van Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. In 1961, zeventig jaar na Rerum Novarum, verscheen de encycliek Mater et Magistra (Moeder en lerares) van paus Johannes XXIII, waarin het subsidiariteitsbeginsel in stelling wordt gebracht tegen een te grote macht van de staat in staatsbedrijven en -ondernemingen.40xMater et Magistra, nr. 116 en 117.
      Tien jaar later, ter gelegenheid van het tachtigste jaar na het verschijnen van Rerum Novarum, bracht paus Paulus VI in 1971 de apostolische brief Octogesima Adveniens uit, met aandacht voor nieuwe problemen als urbanisering, emigratie en immigratie en de sociale communicatiemiddelen, het natuurlijke milieu en kanttekeningen bij de liberale ideologie. De op 1 mei 2011 zalig verklaarde paus Johannes Paulus II zette deze traditie voort, in 1981 met de encycliek Laborem Exercens, negentig jaar na Rerum Novarum, die elementen aanreikt voor een ethiek en spiritualiteit van de arbeid. En in 1991 met de encycliek Centesimus Annus, ter gelegenheid van het eeuwfeest van Rerum Novarum, waarin hij waarschuwt dat het marxisme weliswaar is overwonnen, maar dat de liberale welvaarts- of consumptiemaatschappij daar niet wezenlijk van verschilt.
      Maar ook het tweede spoor is buitengewoon intrigerend. Met de encycliek Populorum Progressio (De ontwikkeling van de volkeren, 1967) had paus Paulus VI de ethiek van Rerum Novarum naar het internationale plan getild. De concepten, programma’s en instrumenten van een ontwikkelingspolitiek op nationale basis, die in 1967 nog wel werkten, hadden hun werkzaamheid door de globalisering verloren. Denk bijvoorbeeld aan hoge minimumlonen en verplichte werkgeversbijdragen aan socialezekerheidsfondsen, die ten doel hebben de sociale positie van arbeiders te verbeteren, maar die grote bedrijven ertoe brengen de meer arbeidsintensieve onderdelen van hun productie te verplaatsen naar lagelonenlanden. De gevolgen van de globalisering spelen een grote rol in de jongste encycliek van paus Benedictus XVI, Caritas in Veritate (Liefde in waarheid). Zo stelt Benedictus XVI vast dat door de globalisering de rechten van arbeiders, de fundamentele mensenrechten en de solidariteit, gerealiseerd in traditionele vormen van de verzorgingsstaat, ernstig in gevaar worden gebracht.41xCaritas in Veritate, nr. 25. Deze encycliek had als jubileumencycliek moeten verschijnen in 2007, veertig jaar na Populorum Progressio, maar mede als gevolg van de economische crisis vond Benedictus XVI het noodzakelijk de oorspronkelijke versie ingrijpend te herschrijven, waardoor hij pas in 2009 kon worden uitgebracht.
      In Caritas in Veritate wordt het thomistische subsidiariteitsbeginsel, dat mede ten grondslag lag aan de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, op transnationaal niveau gebracht en verder uitgewerkt: ‘Een bijzonder teken van liefde en een leidend criterium voor de broederlijke samenwerking van gelovigen en niet-gelovigen is ongetwijfeld het subsidiariteitsbeginsel, uitdrukking van de onvervreemdbare vrijheid van de mens. Subsidiariteit is bovenal een vorm van hulp voor de persoon middels de autonomie van middengroepen en -verbanden.’42xCaritas in Veritate, nr. 57. En daarbij gaat het niet alleen om middengroepen en -verbanden op lokaal niveau, maar ook om die op globaal niveau: ‘Het gaat dus om een beginsel dat bijzonder geschikt is om de globalisering te sturen en die te richten op een echt menselijke ontwikkeling. Om geen gevaarlijke, universele tirannie in het leven te roepen, moet het sturen van de globalisering subsidiair van aard zijn, en wel in meerdere lagen en op verschillende niveaus.’43xCaritas in Veritate, nr. 57.
      De encycliek bevat geen technische uitwerking van deze visie, net zomin als Quadragesimo Anno een model aanreikte voor de Wet op de bedrijfsorganisatie. Dat is ook niet de taak van de kerk. ‘De sociale leer van de Kerk reikt beginselen aan tot bezinning; ze brengt criteria voor een juist oordeel naar voren; ze geeft richtlijnen voor het handelen.’44xKatechismus van de Katholieke Kerk, Brussel/Utrecht 1995, nr. 2423. Een transnationale toepassing van het subsidiariteitsbeginsel hoeft vooralsnog niet EU-breed gerealiseerd te worden. Het zou al op het niveau van twee of drie naburige lidstaten kunnen. Op het gebied van de structuurfondsen kent het afgeleide unitaire recht al een model voor territoriale samenwerking tussen overheden van naburige lidstaten in de vorm van de ‘Europese groepering voor territoriale samenwerking’ (EGTS).45xVerordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), Pb L 210/9. Daarmee ligt een transnationale PBO nog niet binnen handbereik. Het unitaire recht en de katholieke sociale leer lopen in deze ontwikkelingen voorop en laten ons zien hoe fictief nationale grenzen zijn. Het nationale recht van de lidstaten is nog niet zo ver. Het initiatief zal moeten liggen bij werkgevers en werknemers van Nederland en naburige lidstaten in bepaalde economische sectoren om te zoeken naar wegen om zich over de grenzen heen te organiseren, zoals ook Pius XI in 1931 al aangaf dat de verenigingen van werkgevers en van werknemers de wegbereiders zouden zijn voor een stelsel van bedrijfslichamen.
      Nu er opnieuw moet worden nagedacht over de inrichting van onze sociaaleconomische orde zou het wenselijk zijn om daarbij opnieuw te putten uit de rijke levensbeschouwelijke bronnen die onze samenleving, ook op transnationaal niveau, blijven voeden. Dat zou het publieke debat weer de diepgang kunnen geven die bij de meer recente discussies over de opheffing van de PBO zo pijnlijk ontbrak.

    Noten

    • * Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. De auteur is dank verschuldigd aan de volgende personen voor hun deskundig commentaar en voorstellen voor verbetering: drs. I. Thomassen, mr. E.R. Kleijwegt, mr. J.J.M. van der Sijs, mr. drs. H.D. Bonthuis, mr. drs. I.J.A. Paulissen, mr. drs. Ing. T.A. Dijkstra en drs. H.F. Massink.
    • 1 Kamerstukken II 2011/12, 33 000 XV, nr. 14. De motie is ondertekend door de leden Aptroot (VVD), Van den Besselaar (PVV), Ulenbelt (SP) en Verhoeven (D66).

    • 2 Het Landbouwschap is in 2001 opgeheven.

    • 3 Th. Quené, ‘Voorwoord’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p. I. Theo Quené was toen voorzitter van de SER.

    • 4 Een kort overzicht van de geschiedenis van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en van de nu geldende wet- en regelgeving is te vinden in een recente publicatie van de Sociaal-Economische Raad, Wet op de bedrijfsorganisatie en andere regelgeving voor de PBO, Den Haag 2010. Een schat aan informatie is te vinden op de website van de SER (www.SER.nl), met links naar de websites van alle product- en bedrijfschappen.

    • 5 H.A.A. Scholz, ‘Structuur, werkingssfeer en functie van bedrijfslichamen’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p. 74.

    • 6 G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer, ‘Bedrijf- en productschappen: intermediair tussen overheid en bedrijfsleven’, in: G.S.A. Dijkstra, F.M. van der Meer & J.W. van der Meer (red.), Productschappen en Bedrijfschappen onderzocht. Het functioneren van bedrijfslichamen als intermediair bestuur, Alphen aan den Rijn 1995, p 2-3 en J.C.N. Raadschelders, ‘Vrije mededinging of monopolie; publieke regulering van private belangen vóór 1945’, in dezelfde bundel, p. 22-24.

    • 7 Raadschelders 1995, p. 22.

    • 8 In België wordt Rerum Novarum beschouwd als het handvest van de katholieke vakbeweging, wat jaarlijks op 15 mei of op Hemelvaartsdag wordt gevierd.

    • 9 Hagen 2010, p. 257-258.

    • 10 Hagen 2010, p. 622.

    • 11 W. Rip, Landbouw en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, Wageningen 1952, p. 133.

    • 12 W.J. van Eijkern & G.J. Balkenstein, De Wet op de bedrijfsorganisatie, Alphen aan den Rijn 1950, p. 4.

    • 13 Hagen 2010, p. 715-716.

    • 14 H. Post, ‘Soevereiniteit in eigen kring plooit pluriforme samenleving’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011-3, p. 53.

    • 15 Rip 1952, p. 132.

    • 16 Veraart heeft deze beginselen later te boek gesteld in: J.A. Veraart, Beginselen der Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, Bussum 1947, p. 170-189.

    • 17 Bij deze jubileumencycliek zou het niet blijven. Ook ter gelegenheid van het zeventigste, tachtigste, negentigste en honderdste jaar na het verschijnen van Rerum Novarum bracht de Heilige Stoel een jubileumdocument uit. Zie hierna onder ‘Besluit en blik op de toekomst’.

    • 18 ‘Id autem in primis spectare, in id intendere et respublica et optimus quisque civis debent, ut “classium” oppositarum disceptatione superata, concors “ordinum” mutua conspiratio excitetur et prohevatur’, Quadragesimo Anno, nr. 81.

    • 19 Quadragesimo Anno, nrs. 93 en 94.

    • 20 Veraart 1947, p. 155.

    • 21 G.M. Plattel O.P., ‘Subsidiariteitsbeginsel’, in: H. Brink O.P. (red.), Theologisch woordenboek (deel III), Roermond/Maaseik 1958, p. 4442.

    • 22 Quadragesimo Anno, nr. 80.

    • 23 B. Vermeulen, ‘Gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid in een neutrale staat’, in: F.T. Oldenhuis (red.), Een neutrale staat: kreet of credo, Heerenveen 2009, p. 94.

    • 24 Kamerstukken 1947/48, 873, bijlage Handelingen II, p. 46.

    • 25 Quadragesimo Anno, nr. 86.

    • 26 Quadragesimo Anno, nr. 87.

    • 27 Landbouwkwaliteitswet, art. 2 lid 5 (oud), vanaf 1 januari 1997 art. 2 lid 4 (oud). Deze bepaling werd ingetrokken bij de wet van 3 april 1999 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten, Stb. 1999, 253, waarmee het zogenoemde ‘primaat van de politiek’ weer de overhand kreeg.

    • 28 Quadragesimo Anno, nr. 113.

    • 29 ‘(…) negari enim nequit ad ea quae christiani societatis reformatores iure postulant, horum placita interdum valde appropinquare.’

    • 30 In Quadragesimo Anno (nr. 21) wordt dit ook expliciet en met enige trots vermeld: ‘(…) en mogen Wij er trots op gaan, dat de eeuwige waarheden, die onze Voorganger, r.g. zo luide verkondigd had, niet slechts in niet-katholieke dagbladen en boeken, maar ook in parlementen en in de gerechtshoven herhaaldelijk werden aangehaald en verdedigd.’

    • 31 Zie in dit verband S.C. van Bijsterveld, ‘Scheiding van kerk en staat: terug naar de bron voor een visie op de toekomst’, in: F.T. Oldehuis (red.), Een neutrale staat: kreet of credo?, Heerenveen 2009, p. 9-22, i.h.b. p. 14, waar zij stelt dat ‘scheiding van kerk en staat’ tegenwoordig vaak gebruikt wordt als een ‘conversation stopper’.

    • 32 Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’), Pb L 299/1, i.h.b. art. 122 t/m 127.

    • 33 I. Thomassen, ‘Schappen op de schop’, Verenigingsmanagement 2011, september, p. 79.

    • 34 Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, Publieke gerechtigheid. Een christen-democratische visie op de rol van de overheid in de samenleving (rapport), Houten 1990, i.h.b. in hoofdstuk III (Protestantse staats- en maatschappijbeschouwing), IV (De katholieke staats- en maatschappijbeschouwing) en V (Een christen-democratische mens-, maatschappij- en staatsbeschouwing).

    • 35 Wetenschappelijk Instituut voor het CDA 1990, p. 105.

    • 36 H.F. Massink, ‘De christen-democratische visie op de overheidstaak’, Zicht 1991-5, p. 159.

    • 37 Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, De burger en Europa. Een christendemocratische visie op de waardengemeenschap EU, Den Haag 2008, p. 96-108.

    • 38 Beginselmanifest Partij van de Arbeid, vastgesteld door het congres van de Partij van de Arbeid, 29 januari 2005, p. 7 onder punt 3.1.5: Europese integratie.

    • 39 Over de rooms-katholieke wortels van de Europese Unie is een proefschrift in voorbereiding bij de Universiteit Leiden door Margriet Krijtenburg, met als titel Schuman’s Europe. His frame of reference. Promotor is prof. dr. P.B. Cliteur.

    • 40 Mater et Magistra, nr. 116 en 117.

    • 41 Caritas in Veritate, nr. 25.

    • 42 Caritas in Veritate, nr. 57.

    • 43 Caritas in Veritate, nr. 57.

    • 44 Katechismus van de Katholieke Kerk, Brussel/Utrecht 1995, nr. 2423.

    • 45 Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), Pb L 210/9.

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. De auteur is dank verschuldigd aan de volgende personen voor hun deskundig commentaar en voorstellen voor verbetering: drs. I. Thomassen, mr. E.R. Kleijwegt, mr. J.J.M. van der Sijs, mr. drs. H.D. Bonthuis, mr. drs. I.J.A. Paulissen, mr. drs. Ing. T.A. Dijkstra en drs. H.F. Massink.

Print dit artikel