Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Geestelijke verzorging in de gevangenis

Trefwoorden geestelijke verzorging, gevangeniswezen, scheiding kerk en staat, pastoraal
Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Nelleke van Zessen en Ben Koolen, 'Geestelijke verzorging in de gevangenis', TvRRB 2013-1, p. 29-43

Dit artikel wordt geciteerd in

    • De geestelijke verzorging in penitentiaire inrichtingen is een markante vorm van samenwerking tussen overheid en levensbeschouwelijke instituties. De geestelijk verzorgers van onderscheiden denominaties bieden de gedetineerden een vertrouwelijke omgeving om hun zorgen te delen. De toenemende individualisering van levensovertuigingen en ook aangescherpte politieke tegenstellingen vergen op korte termijn aanpassingen van het bestaande systeem. Vooral de denominatieve werkstructuur staat ter discussie.

    • Vooral sinds de tweede helft van de vorige eeuw is de positie van de religies in ons land aan verandering onderhevig. Geïndividualiseerde opvattingen over levensbeschouwing met de daaraan verbonden andere houdingen van individuen ten opzichte van hun religieuze gemeenschappen, en ontzuiling van het Nederlandse middenveld werken ook door binnen de gevangenismuren. In dit artikel stellen we de ontwikkeling van de houding van gedetineerden ten opzichte van levensbeschouwing en verbondenheid met levensbeschouwelijke structuren aan de orde.
      Ook in het overheidsbeleid doen zich aanzienlijke verschuivingen voor. Zij trekt haar handen steeds meer af van terreinen die net zo goed of des te beter aan het maatschappelijk engagement kunnen worden toevertrouwd, nog versterkt door de noodzaak tot rigoureuze herordening van de overheidsfinanciën.
      In deze bijdrage liggen twee vragen ten grondslag. Heeft de ontwikkeling van de houding van gedetineerden ten opzichte van godsdienst en levensovertuiging en van hun binding met religieuze instituties consequenties voor het aanbod van geestelijke verzorging? En in welke mate heeft de heroriëntatie van overheden op het verschijnsel religie effect op de relatie tussen kerk en staat in het licht van de bedoelde geestelijke verzorging?

    • De Penitentiaire beginselenwet

      De geestelijke verzorging van gedetineerden wordt sinds 1886 geregeld in de Penitentiaire beginselenwet. De desbetreffende artikelen luiden sinds 1998:

      Artikel 41 lid 1. De gedetineerde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.
      2. De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden, beschikbaar is.
      3. De directeur stelt de gedetineerde in de gelegenheid op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:

      1. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting is verbonden;

      2. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorgers volgens artikel 38 [betreft huisregels inzake contacten met externen];

      3. in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen. Artikel 23 [betreft uitsluiting van deelname aan een activiteit]is van overeenkomstige toepassing.

      4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en op de aanstelling van geestelijke verzorgers bij een inrichting.
      (…)
      Artikel 44 lid 3. De directeur draagt zorg dat bij de verstrekking van voeding zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden.

      De in 1951 van kracht geworden wettekst ging er nog van uit dat de bevordering van het godsdienstig leven in de gestichten een taak van de overheid was. Hij schreef in het verlengde daarvan een bereidverklaring van elke gedetineerde voor met betrekking tot het bijwonen van godsdienstoefeningen, mét de bijbehorende verplichting daar dan ook bij aanwezig te zijn (art. 39). Ook het in die wet voorziene facultatieve godsdienstonderwijs (art. 40) is later geschrapt.1xVgl. Commissie van Advies, Overheid Godsdienst en Levensovertuiging, eindrapport, ’Den Haag 1988, p. 97-98. Zie ook: S.C. den Dekker-van Bijsterveld, De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle 1988, p. 175-178, 184-186, 200-201.
      Deze wet heeft betrekking op een breed scala van instellingen die zij samenvat onder de term ‘justitiële inrichtingen’. Er zijn huizen van bewaring, gesloten gevangenissen, beperkte en zeer beperkte gevangenissen, penitentiaire psychiatrische centra, extra-zorgvoorzieningen, inrichtingen voor beheersproblematische gedetineerden en extramurale voorzieningen, waarvan elektronische detentie deel uitmaakt. De instellingen hebben een capaciteit van in totaal 12.698 plaatsen, met in 2011 een instroom van 39.866 en een uitstroom van 40.589 personen.2xP. Linckens & J. de Looff, Gevangeniswezen in getal, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie 2012, p. 15 en 19. Van de gevangenispopulatie is 5,7% vrouw. De telling dateert van 2011. In deze bijdrage richten wij ons in het bijzonder op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in gevangenissen en jeugdinrichtingen.

    • De geestelijk verzorger

      De taak van de geestelijk verzorger komt hierop neer: het organiseren en leiden van de gemeenschappelijke bijeenkomsten, individuele advisering en begeleiding, groepsgewijze activiteiten en onderricht van de geloofsleer.3xDit is een samenvatting van de formele zeven taken van de geestelijk verzorger: intake, ambulante beschikbaarheid binnen de instelling, het individuele gesprek, het groepsgesprek, de kerk-, gebedsdienst of bezinningsbijeenkomst, bijstand in crisissituaties en bijzondere bijeenkomsten naar aanleiding van een calamiteit, in het kader van een breder thema of bij een feestelijke viering.
      Vanzelfsprekend worden de geestelijk verzorgers begeleid vanuit hun eigen gemeenschap, die ook toeziet op de uitvoering van hun taak. Aan de directie Geestelijke Verzorging van het ministerie van Veiligheid en Justitie is per denominatie een afgevaardigde toegevoegd die als hoofd van de geestelijke verzorging professionele leiding geeft aan de geestelijk verzorgers van zijn categorie. Deze afgevaardigden zijn lid van het managementteam onder de directeur geestelijke verzorging. Als beroepsgroep kunnen geestelijk verzorgers voor professionele erkenning, beroepsontwikkeling en ondersteuning ook terugvallen op de stichting Kwaliteitsregister Geestelijke Verzorgers.
      Dat het leefklimaat in penitentiaire inrichtingen door geestelijke verzorging positief beïnvloed wordt, is van meet af aan door de overheid erkend. Ook de ingeslotenen zijn over het algemeen positief over geestelijke verzorging. De geestelijk verzorger benadert de gevangene niet als misdadiger, maar treedt hem in medemenselijk contact tegemoet en houdt de verbinding met het ‘leven in vrijheid’ in stand.
      Daarbij valt op dat gedetineerden vooral het vieren van religieuze feestdagen en groepsgesprekken ervaren als ankerpunten in een vervreemdende omgeving. ‘Zulke bijeenkomsten leggen een verbinding met hun vroegere familiale leven. De behoefte van ingeslotenen aan zingeving is dan ook niet los te zien van hun coping strategie: de emotionele aanpassing aan de omstandigheden binnen de inrichtingsmuren. Zingeving zou steun en vrede geven, waardoor de ingeslotenen beter kunnen omgaan met detentiestress. Zingeving helpt bij detentiestress.’4xL. Oliemeulen e.a., Geestelijke verzorging in detentie. Visie van ingeslotenen op behoefte en aanbod, Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen & WODC 2010, p. 26.
      Doordat de geestelijk verzorger geen rol speelt in de periodieke beoordeling van de delinquent door de gevangenisdirectie en haar staf, kan hij de ingeslotene een veilige omgeving aanbieden voor een gesprek, voor het meevieren van gebruiken en tradities en voor steun in crisissituaties. De keerzijde hiervan is dat de geestelijk verzorger vanuit zijn soms intensieve contacten met gedetineerden geen inbreng heeft in de beoordeling door de directie.

    • De zendende instantie

      Penitentiaire inrichtingen kennen een sterk vlottende bevolkingssamenstelling, zowel qua aantal als wat ieders individuele achtergrond aangaat. Overeenkomstig lid 4 van artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet dient de overheid regels te stellen voor de verlening van geestelijke verzorging door verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, voor de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en de aanstelling van geestelijk verzorgers bij een inrichting. Om de omvang van de nodige faciliteiten inzake geestelijke verzorging vast te stellen inventariseert de overheid, in casu de directeur van een penitentiaire inrichting, periodiek de wensen van de gedetineerden.
      Op grond hiervan zal per inrichting de daaraan beantwoordende personele behoefte worden vastgesteld. Geaggregeerd naar het landelijke niveau is deze inventarisatie voorwerp van overleg met de autoriteiten van de ‘gewenste’ stromingen. Binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie is de directie Geestelijke Verzorging belast met de beleidsvoorbereiding en -uitvoering.
      Omdat de kandidaat-geestelijk verzorgers slechts kunnen functioneren met een ‘kerkelijk’ mandaat, dient de minister de leiding van de verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging te betrekken bij zijn benoemingenbeleid inzake geestelijke verzorging. Die mandatering onttrekt zich immers aan de beoordeling door de minister. Daartoe heeft de overheid zich van gesprekspartners voorzien die de levensbeschouwelijke hoofdstromingen vertegenwoordigen. Met de term ‘zendende instantie’ 5xToegepast op de kerk is deze term een theologische interpretatie van Joh. 20, 21: ‘Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik u.’ worden de rechtspersonen bedoeld die bevoegd zijn om kandidaten voor de geestelijke verzorging voor te dragen. Formeel is zo’n zendende instantie een kerkgenootschap of daarmee vergelijkbare rechtspersoon die leergezag uitoefent ten aanzien van zijn leden.
      Thans worden zeven zendende instanties door de minister van Veiligheid en Justitie bij het benoemingenbeleid betrokken:

      • het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap (RKK);

      • de Commissie Interkerkelijk Contact in Overheidszaken-Justitie (CIO-J) namens de protestantse kerken;

      • het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, het Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap en het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom;

      • het Humanistisch Verbond;

      • het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO);

      • de Hindoeraad Nederland (HRN);

      • de Boeddhistische Unie Nederland (BUN).

      We omschreven een zendende instantie in formele zin als een rechtspersoon met leergezag ten aanzien van zijn leden, derhalve als disciplinaire autoriteit inzake de interne leerstellige en leefregels. De rooms-katholieke kerk en de joodse denominaties beantwoorden daaraan in directe zin, de HRN en de CIO-J door hun mandatering via de priesterraden respectievelijk de desbetreffende synodes in afgeleide zin. Het Humanistisch Verbond, het CMO en de BUN zijn in formele zin geen instituties met leerstellig gezag, maar samenwerkingsorganisaties met een primair maatschappelijke functie. De soennitische islam en het boeddhisme kennen geen intern leerstellige structuur op bovenlokaal niveau. Het CMO representeert voorts niet alle islamitische stromingen en heeft als tegenhanger de Contactgroep Islam, waarvan onder meer een van de Ahmadiyya-bewegingen deel uitmaakt. Ook de BUN verenigt niet alle boeddhistische strekkingen.
      Eind 2010 werd op basis van steekproeven en een schriftelijke enquête onderzoek verricht naar de behoeften aan geestelijke verzorging in diverse justitiële inrichtingen. Tabel 1 geeft een overzicht van de geregistreerde levensovertuiging en de gepeilde voorkeur voor geestelijke verzorging in de justitiële jeugdinstellingen en het gevangeniswezen: Onderverdeeld naar de justitiële jeugdinstellingen en de gevangenissen toont de tabel achtereenvolgens de door de geënquêteerden opgegeven levensovertuiging en de gebleken voorkeur voor geestelijke verzorging.

      Tabel 1Voorkeurspeiling geestelijke verzorging 20106xI. Henneken-Hordijk & G. Mol, Voorkeurspeiling Geestelijke verzorging, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie 2010, p. 32-33 (Jeugdinstellingen), 22-23 (Gevangeniswezen), 21 (Gemiddelde voorkeur). in percenten
      Justitiële jeugdinstellingenGevangeniswezen
      Geregistreerde levens-overtuigingGepeilde voorkeurGeregistreerde levens-overtuigingGepeilde voorkeur Gemiddelde voorkeur
      Rooms-katholiek13,219,823,224,122,3
      Protestants-christelijk11,717,213,516,317,0
      Grieks-/Russisch-orthodox0,00,31,01,41,6
      Joods 0,00,50,81,51,4
      Islamitisch25,527,320,719,021,0
      Humanistisch 0,01,10,911,49,6
      Hindoeïstisch 1,81,42,12,62,6
      Boeddhistisch0,00,90,41,82,0
      Anders0,54,40,32,63,3
      Geen behoefte31,826,931,119,619,2
      Onbekend 15,76,0

      De minister stelt periodiek op basis van de wensen van gedetineerden inzake geestelijke verzorging een verdeelsleutel vast voor de voordrachten van de zendende instanties. Daarbij geldt als verdeelsleutel één geestelijk verzorger per negentig cliënten.
      Met deze zendende instanties wordt overlegd over de mate van het aanbod van geestelijke verzorging en elk van hen wordt gevraagd gekwalificeerde kandidaten voor de geestelijke verzorging voor te dragen. Op zijn beurt toetst het ministerie deze kandidaten aan zijn professionele bekwaamheidseisen. In het positieve geval benoemt de minister (staatssecretaris) van Veiligheid en Justitie de geestelijk verzorgers en bepaalt hij hun ambtelijke status en honorering.
      Thans zijn de aandelen (van in totaal 160,6 fte) van de onderscheiden denominaties voor geestelijke verzorging in de penitentiaire inrichtingen als volgt verdeeld:

      • 46,83 fte door de rooms-katholieke kerk;

      • 36,09 fte door de CIO-J (protestantse kerken);

      • 3,21 fte door de joodse genootschappen;

      • 19,8 fte door het Humanistisch Verbond;

      • 43,43 fte door het CMO (islamitische gemeenschappen);

      • 6,42 fte door de HRN (hindoeïstisch);

      • 4,82 fte door de BUN (boeddhistisch).7xFormatieverdeling veldformatie per 1 januari 2011. 5,5 fte is nog onverdeeld.

    • Staat versus levensovertuiging

      In de markante samenwerkingsvorm van staat en levensbeschouwelijke instituties met betrekking tot de geestelijke verzorging in penitentiaire inrichtingen is zowel de grondwetsbepaling inzake vrijheid van godsdienst en levensovertuiging als het beginsel van scheiding tussen kerk en staat in het geding. Om de invloed daarvan op de geestelijke verzorging te schetsen beginnen we met een algemene toelichting op elk van beide elementen.

      Scheiding tussen kerk en staat

      Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat is in de Grondwet noch in enige andere wet vastgelegd. Tot 1988 was dat anders. De in dat jaar ingetrokken Wet tot Regeling van het Toezicht op de Kerkgenootschappen (1853) legde een wezenlijk kenmerk van die scheiding vast: ‘Aan alle Kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd, alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft, te regelen’ (art. 1). Met andere woorden: de staat zal zich niet bemoeien met de interne beslissingen omtrent theorie en praktijk van de levensovertuiging van een kerkgenootschap; het kerkgenootschap dient zich daarbij overigens wel te conformeren aan bestaande wet- en regelgeving. Daarbij gaat het dus om elke leerstellige, organisatorische en disciplinaire aangelegenheid van zo’n organisatie.
      Bovendien, de staat heeft geen oordeel over wat godsdienst of (andere) levensovertuiging in leerstellige zin eigenlijk is. De staat kan derhalve over religieuze uitingen niet inhoudelijk oordelen; hij heeft als enige maatstaf het algemene welzijn van de samenleving. Terecht onthoudt de Nederlandse ‘staat’ zich in algemene zin van een oordeel over organisatievormen van levensbeschouwelijke aard, anders dan veel andere ‘staten’, die zich het recht voorbehouden zo’n organisatievorm al dan niet te ‘erkennen’ en daaraan een zekere voorkeursbehandeling te verbinden.

      Vrijheid inzake godsdienst en levensovertuiging

      De Grondwet van 1983 garandeert in artikel 6 de vrije uitoefening van het recht van godsdienst en levensovertuiging, niet alleen op individueel niveau, maar ook ‘in gemeenschap met anderen’. Hiermee verdween de term ‘kerk(genootschap)’ uit de Grondwet. De formulering van dit artikel breidt het levensbeschouwelijke zelfbeschikkingsrecht van elke ingezetene uit tot diens vrije keuze van een levensovertuiging, ongeacht of zij gerelateerd is aan een bovenwereldlijke dan wel een binnenwereldlijke werkelijkheid. De in het Burgerlijk Wetboek (Boek 2, art. 2) gehandhaafde rechtspersoon ‘kerkgenootschap’ heeft daardoor zijn belang verloren. Wel zo belangrijk is de gedachte dat de Grondwet het collectivum ‘kerk’ als gemeenschap van gelijkgezinden afhankelijk stelt van de vrije wil van wie daarvan deel uitmaakt.
      Impliciet biedt de Grondwet overigens ook een basis voor scheiding tussen kerk en staat door de combinatie van artikel 6 lid 1 (over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging), artikel 7 lid 1 en 3 (vrijheid van meningsuiting), artikel 8 (het recht tot vereniging), artikel 9 (het recht tot vergadering) en artikel 1 (het recht tot gelijke behandeling, discriminatieverbod), mits begrepen in een ‘in gemeenschap met anderen’ genoten religievrijheid.
      Welke ruimte biedt de Grondwet met betrekking tot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Daar is allereerst de keuzevrijheid van iedere ingezetene. Dit blijft niet beperkt tot een individuele keuze, maar evenzeer tot een keuze ‘in gemeenschap met anderen’ en dus een beleving ervan in organisatorische vorm. Een tweede facet is ieders vrijheid om onbelemmerd van overtuiging te veranderen, zijn geloofsgemeenschap te verlaten en eventueel in te ruilen voor een andere. Ten derde hebben iedere ingezetene en elke levensbeschouwelijke organisatie van gelijkgezinden het recht om de eigen levensovertuiging in de openbaarheid uit te dragen. Dit houdt tevens het recht in om andersdenkenden te confronteren met en te winnen voor de eigen overtuiging.
      Maar ook de overheden zijn in het geding; die hebben immers de positieve8xZie Raad van State, advies d.d. 26 januari 2010 inzake het wetsvoorstel-Van der Ham c.s. inzake het schrappen van de Strafwet art. 147 en 147a over godslastering, zaaknr.W03.0473/H. plicht om het volle vrijheidsrecht van de ingezetenen te respecteren en te garanderen en eventuele belemmeringen bij de uitoefening van de individuele en georganiseerde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging weg te nemen.
      De Grondwet van 1983 biedt de overheden de ruimte om de uitoefening van dit recht te beperken. In het publieke domein – dus ‘buiten gebouwen en besloten plaatsen’9xDe gevangenis is geen ‘gebouw of besloten plaats’ in de zin van dit grondwetsartikel. − mogen overheden beperkende regelingen treffen, maar alleen ‘ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ (art. 6 lid 2).

      De levensbeschouwelijke vrijheid van ingeslotenen

      In het gevangeniswezen doet zich de specifieke situatie voor dat de bewegingsvrijheid van de ingeslotene sterk belemmerd is.10xDit geldt mutatis mutandis ook voor personen in dienst van de krijgsmacht en voor wie opgenomen is in een zorginstelling. Hij (of zij) wordt van overheidswege dusdanig beperkt dat hij niet in volle vrijheid zijn grondwettelijk gegarandeerd recht op godsdienst en levensovertuiging kan genieten.11xCommissie van Advies 1988, p. 185. Hierbij moet principieel onderstreept worden dat het niet de zendende instanties zijn die het exclusieve recht toekomt om geestelijke verzorging aan te bieden. In beginsel is elke individuele gedetineerde de rechthebbende: hij heeft een claim op de overheid om de beschikking te hebben over geestelijke verzorging naar zijn behoefte.
      Hierbij geldt overigens wel de restrictie van artikel 15 lid 4 van de Grondwet: ‘Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van zijn grondrechten voorzover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.’ Dit ‘kan’-artikel vindt zijn beperking in de zinsnede ‘voorzover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt’: ‘een te ver gaande subjectiviteit bij het beperken van grondrechten wordt uitgesloten’.12xA.W. Heringa & T. Zwart, De Nederlandse Grondwet, Zwolle 1991, p. 74.
      De positieve plicht van de overheden om voor al het overige alles weg te nemen wat de vrije uitoefening van godsdienst en levensovertuiging hindert, heeft hierbij een bijzondere betekenis. Uitgangspunt is dat de staat niet alleen het zelfbeschikkingsrecht van de levensbeschouwelijke organisatie dient te erkennen, maar ook en bovenal dat van het individu. Tegenover de macht van het getal staat enerzijds de individuele keuzevrijheid en anderzijds de achterstandspositie van nieuwe levensbeschouwelijke initiatieven. Ook deze hebben alle ruimte om hun opvattingen uit te dragen. De scheiding tussen kerk en staat sluit een voorkeursbeleid van de zijde van de overheden ten opzichte van enige religieuze vorm uit, ongeacht de voorgeschiedenis, omvang of maatschappelijke functie daarvan.
      Hierbij dient de fundamentele uitzondering gerespecteerd te worden waarop het rapport over de criteria voor steunverlening van overheidswege aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag indringend heeft gewezen.13xCommissie van Advies 1988, p. 53-54, 69-73, 80. De Commissie van Advies wees op de intrede van migrantengroepen uit de Molukken, de zogeheten wervingslanden en Suriname, en stelde vast dat deze groepen structureel beperkt worden in de beleving van hun eigen levensbeschouwingen. De overheden hebben in antwoord op deze constatering een aantal belangrijke structurele verbeteringen aangebracht, onder meer door geestelijke verzorging op boeddhistische, hindoeïstische en islamitische grondslag aan te bieden.
      Dat de beperking van de bewegingsvrijheid van personen en groepen, zoals bij vrijheidsstraffen, geen betrekking mag hebben op het recht op manifestatie van de persoonlijk respectievelijk groepsgewijs beleefde levensbeschouwelijke overtuiging, is een belangrijk criterium voor het overheidshandelen met betrekking tot gedetineerden en personen in dienst van de krijgsmacht. Geen aspect van de individuele en groepsgewijze vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kan anders dan met toepassing van de drie elementen, genoemd in het lid 2 van artikel 6 van de Grondwet, beperkt worden met een rechterlijk vonnis of bij bestuurlijke maatregel.
      Dit is in het bijzonder relevant voor veroordeelden in halfopen instellingen en personen die hun straf thuis uitzitten met een enkelband. Behalve bij de in artikel 6 lid 2 genoemde omstandigheden dient hun onbelemmerde religievrijheid ook ‘in gemeenschap met anderen’ gegarandeerd te blijven. Officieren van justitie en directeuren van een instelling doen er verstandig aan zelf te informeren naar de behoeften van de delinquent ter zake.
      De overheid is binnen de grenzen van het feitelijk mogelijke gehouden elke gedetineerde de mogelijkheid te bieden om zijn leven in te richten volgens zijn levensovertuiging, ook binnen de muren van een gevangenis, zowel als individu als in gemeenschap met gelijkgezinden. Met het aanbieden van intramurale geestelijke verzorging compenseert de overheid het tekort aan bewegingsvrijheid.14xVgl. W. van der Burg, Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur, Den Haag: BJu 2009, p. 32-34.
      Recentelijk manifesteren veel migranten en asielzoekers uit bijvoorbeeld Midden-Afrikaanse landen zich met specifieke behoeften met structurele achterstanden. Hun economische spanwijdte, sociale acceptatie en organisatorisch vermogen belemmeren hen om volwaardig aan het maatschappelijke verkeer deel te nemen. De positieve overheidsplicht om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te waarborgen is bij deze zeer gedepriveerde groepen van specifiek belang.
      In gevangenissen is meer dan de helft van de gedetineerden te rekenen tot de allochtonen; in de justitiële jeugdinstellingen geldt dat voor bijna de helft van de populatie.15xPercentages hebben betrekking op de onderzoeksperiode 2009-2010: Oliemeulen e.a. 2010, p. 36. Nieuwe vormen van religiositeit dienen zich aan. Voor wat het waard is geven we hier een caleidoscoop van zelfdeterminaties van gedetineerden binnen een schriftelijke enquête over geestelijke verzorging: adventist, aleviet, anglicaans, baptist, evangelische broedergemeente, Jehova’s getuige, gothic, hare krisjna, mormoon, oudkatholiek, pinkstergemeente, rastafari, Roemeens-orthodox, satanist, scientology, shintoïst, sikh, sjamanist, voodoo, winti, yezidi.16xHenneken-Hordijk & Mol 2010, p. 43-49. Zij herkennen zich vaak niet in de diensten die de geestelijk verzorgers plegen aan te bieden.
      Mede gezien hun sociaaleconomische positie is een tegemoetkomende houding van overheden geboden omwille van de waarborging van hun recht op een vrije en onbelemmerde beleving van hun religies. Dit is van toenemend belang bij het groeiende aantal gedetineerden uit Afrikaanse landen. Onbekendheid met de verschijningsvormen van deze nieuwe vormen van religiositeit ontslaat de minister niet van diens compenserende plicht. Zulke gedetineerden dient van tijd tot tijd gelegenheid geboden te worden om hun geestelijke leidslieden te ontmoeten.

    • Uitdagingen voor de geestelijke verzorging

      De gevestigde orde van de geestelijke verzorging ondervindt de druk van ingrijpende maatschappelijke en economische veranderingen. Die manifesteren zich zowel in de religieuze keuzes van individuele personen als in de politieke waardering van levensbeschouwing in onze samenleving. Enkele aspecten hiervan lichten we in deze paragraaf toe.

      Denominatieve benoeming

      De toewijzing van formatieplaatsen geschiedt op basis van een aanstelling van geestelijke verzorging per levensbeschouwelijke denominatie. Bij het aanbod van geestelijke verzorging doet zich het probleem voor dat dit geënt is op traditionele inzichten. De katholieke, protestantse, humanistische en joodse denominaties zijn vertrouwd voor iedereen die bij de beslissingen rond geestelijke verzorging betrokken is. Bij de nieuw daaraan toegevoegde richtingen kan men zich ook nog een globaal beeld vormen.
      Maar de bevolkingssamenstelling van de penitentiaire inrichtingen komt in toenemende mate daardoor in verwarring. Veel gedetineerden met een niet-Europese achtergrond zijn niet vertrouwd met de in Nederland van oudsher bestaande kerkelijke structuren. Zij kennen het onderscheid niet tussen ‘katholiek’, ‘protestants’, ‘humanistisch’ en ‘joods’, laat staan de betekenis van de andere strekkingen. Uit Midden-Afrikaanse landen afkomstige gedetineerden zijn niet zelden lidmaat van christelijke opwekkingsbewegingen (‘evangelicals’) en ervaren geen relatie met geestelijke verzorging op protestantse grondslag.

      Individualisering

      Een verdere complicatie vormt de toenemende afstand tussen de denominaties en de zelfbeschikking van de burger. ‘De uitwaaiering van zingevingsstijlen en de levensbeschouwelijke individualisering zijn zo ver voortgeschreden dat nog maar weinig cliënten behoefte hebben aan geestelijke begeleiding op basis van één omvattend zingevingskader.’17xH. Kunneman, ‘Horizontale transcendentie en normatieve professionalisering: de casus geestelijke verzorging’, in: W.B.H.J. van de Donk e.a., Geloven in het publiek domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2006, p. 371. De levensbeschouwelijke organisaties worden in toenemende mate geconfronteerd met lidmaten die hun eigen zingeving ontwerpen en regelmatig bijstellen, en evenzeer met een lidmaat die mentaal of formeel afstand heeft genomen van zijn band met de traditionele geloofsgemeenschap.
      Van de respondenten van de eerder vermelde voorkeurspeiling laat ruim 31% weten geen behoefte te hebben aan geestelijke verzorging. In welke mate is dit te interpreteren als nihilisme, in hoeverre als afwijzing van het bestaande aanbod? Uit een in 2010 verricht onderzoek blijkt van deze categorie een vijfde in een god te geloven, werd bij twee derde de wens geuit om religieuze hoogtijdagen mee te vieren en werd bij een kwart contact met een geestelijk verzorger geregistreerd.18xOliemeulen e.a. 2010, p. 46. Het aanbod spreekt deze groep kennelijk niet aan.
      Naast de velen die trouw blijven aan de traditioneel overgedragen structuren treden steeds meer mensen voor het voetlicht die meer dan vroeger hun keuzes meervoudig invullen en tussen levensbeschouwingen naar eigen inzicht ‘shoppen’. Op zoek naar de meest passende spiritualisering van zijn leven neemt menigeen meer dan ooit de vrijheid om op de ‘reli-markt’ die ‘waren’ te kiezen die hem aanstaan. Daarmee construeert men zijn eigen levensbeschouwing en past die in de loop der tijd naar eigen believen aan.
      Wat op individuele basis daaraan als inhoud wordt gegeven, wijkt niet zelden af van wat de godsdienstwetenschappelijke tekstboeken aan heersende opvatting debiteren. Dat kan gaan van een orthodox volgen van een traditionele religie tot een individuele spiritualiteit van min of meer samenhangende elementen uit velerlei bronnen of van eigen maaksel.19xVgl. S.C. van Bijsterveld, ‘Godsdienst: what’s in a name’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012-1, p. 3-4.
      Ook binnen de gevangenismuren manifesteert zich dit individualistische syncretisme. Gedetineerden voelen zich in toenemende mate ongemakkelijk bij het traditionele aanbod. Er zijn er die zich niet bij voorbaat willen vastleggen op een van de geboden opties, of die afwijken van hun aanvankelijke keuze om een beroep te doen op de bijstand van een geestelijk verzorger van een andere denominatie. Niet zelden kiezen zij die richtingen die hen vreemd zijn en die zij om die reden de moeite waard vinden om geëxploreerd te worden, misschien wel, of op zijn minst ten dele, veroorzaakt door de uitbreiding van het aantal denominaties. Dat blijkt in het bijzonder uit een opmerkelijke toename van de boeddhistische richting.
      In het ‘voordeel’ van de laatstgenoemde strekking werkt de aanwezigheid van veelal autochtone geestelijk verzorgers, die tradities uit verschillende landen (o.a. Tibet, Japan, Thailand) plaatsen in de Europese omgeving van humanistische en christelijke waarden. Onder humanistische geestelijk verzorgers blijken velen affiniteit en ervaring te hebben met boeddhistische meditatie. Pastores en dominees (her)ontdekken christelijke meditatietradities en blijken steeds meer naar eigen goeddunken bepaalde denkbeelden uit de eigen traditie los te laten en andere tradities over te nemen.20xF. Flierman, Geestelijke verzorging in het werkveld van justitie. Een empirische studie, Delft 2012, p. 214. Dus ook onder geestelijk verzorgers binnen de gevangenismuren is religieuze bricolage geen onbekend fenomeen, en de scheidslijnen tussen hen zijn niet altijd zo helder als ze lijken.

      Professionalisering

      Door het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt een beleid gevoerd om aan de kandidaten voor geestelijke verzorging specifieke opleidingseisen te stellen. De vroom meelevende dorpspastoor van Ars is niet meer goed genoeg, de geestelijk verzorgers dienen een opleiding op academisch niveau te hebben afgerond, met specialisaties inzake geestelijke verzorging. Van oudsher bestaan in Nederland hiervoor de pastorale opleidingen van protestantse en katholieke theologische hbo- en universitaire studies. Daarnaast leidt de Universiteit van Humanistiek ook al enige decennia op tot humanistisch raadsman en -vrouw en geeft daarmee de humanisten de competenties tot het uitoefenen van geestelijke verzorging.
      Met de uitbreiding van de Dienst Geestelijke Verzorging met islamitische, hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging is aan deze nieuwe stromingen ook de eis gesteld om een bijbehorende beroepsopleiding op academisch niveau te ontwikkelen. Inmiddels is aan verschillende universiteiten de masteropleiding islamitische geestelijke verzorging tot stand gekomen, en sinds september 2012 worden nu ook masteropleidingen hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging aangeboden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
      Gelet op de delicate rolverdeling vanwege scheiding tussen kerk en staat is er een spanning tussen de beroepseisen van de overheid en de autonomie van de zendende instantie. Die zendende instanties dienen met zulke beroepseisen in te stemmen als ze niet contrair zijn aan de beroepseisen die zijzelf hanteren.
      Terzijde zij opgemerkt dat het opschroeven van professionele kwalificaties een onterechte belemmering kan vormen voor geestelijke verzorging van gedetineerden die behoren tot ‘nieuwe’ religieuze minderheden waarvan de aan de Nederlandse situatie aangepaste organisatievorm nog in ontwikkeling is. Wellicht niet ten overvloede herinneren wij aan ons uitgangspunt dat het recht op geestelijke verzorging primair toekomt aan de individuele gedetineerde, niet aan de levensbeschouwelijke organisatie.
      De vraag van de cliënt bepaalt het aanbod van geestelijke verzorging. Vanzelfsprekend kan geestelijke verzorging niet gewaarborgd worden zonder een zekere mate van institutionalisering en reglementering. Die moet ruimte bieden om aan de specifieke behoeften van ingeslotenen tegemoet te komen.

      Ongebonden geestelijk verzorgers

      Tegelijkertijd met maar tegengesteld aan de denominatieve ontwikkeling van de geestelijke verzorging loopt het aanbod van de masteropleiding algemene geestelijke verzorging aan de universiteiten van Nijmegen, Groningen en Utrecht. De algemene geestelijke verzorging is gestoeld op de idee dat de band van mensen met een specifieke religieuze traditie steeds losser is geworden en dat geestelijke verzorging daarom ook niet meer langs de lijnen van de verzuiling zou moeten worden aangeboden.
      Deze studie leidt geestelijk verzorgers op die ook niet meer vanzelfsprekend door een van de kerkgenootschappen of zendende instanties erkend worden en met hen een ambtelijke binding aangaan. Zo ontstaan ongebonden (of algemeen) geestelijk verzorgers. Sommigen onder hen achten zichzelf wellicht nog wel gebonden aan een geloofstraditie, maar willen zich niet meer als zodanig profileren. Anderen afficheren zich juist met de levensbeschouwing ‘ongebonden spirituelen’ om er expliciet te zijn voor mensen die zichzelf wel spiritueel noemen, maar zich niet tot een bepaalde kerk of andere religieuze of levensbeschouwelijke organisatie rekenen en die zich niet gebonden voelen aan een geestelijk leider. Ongebonden kan er ook nog op wijzen dat zij niet in een zorginstelling in dienst zijn, maar zelfstandig een beroepspraktijk voeren.
      Er vindt in het beroepsveld van de geestelijke verzorging al geruime tijd een discussie plaats over de (on)wenselijkheid van de ambtelijke binding. Daaraan gepaard is de kwestie van toelating van geestelijk verzorgers zonder ambtelijke binding tot het Kwaliteitsregister Geestelijke Verzorging. Dit register bood tot voor kort alleen onderdak aan de beroepsgroep geestelijk verzorgers met een ambtelijke binding die werkzaam zijn in zorginstellingen, veelal aangesloten bij de beroepsvereniging VGVZ (Vereniging van Geestelijke Verzorgers in Zorginstellingen). Ongebonden geestelijk verzorgers kunnen terecht bij de Vereniging van Geestelijk Verzorgers ‘Albert Camus’.
      De verzuilde organisatie van de geestelijke verzorging in penitentiaire inrichtingen verhindert tot nu toe de inzet van ongebonden geestelijk verzorgers. Hun aanbod behoort niet tot de keuzemogelijkheden van ingeslotenen. De houdbaarheid van deze structurele beperking is relatief. Duidelijk moge zijn dat de beroepsgroep geestelijk verzorgers met zichzelf in conclaaf is over de beroepskwalificaties die zij passend acht in het levensbeschouwelijke landschap van de 21ste eeuw.

      Politiek

      Ook de politieke werkelijkheid is aan verandering onderhevig. De inclusief genoemde scheiding tussen kerk en staat wordt stap voor stap exclusief.21xDe terminologie is ontleend aan de inaugurele rede van W. van den Burg, Het ideaal van de neutrale staat, Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur. Den Haag: BJu 2009, p. 30-32. De bijval die wetsvoorstellen met betrekking tot godslastering en de zondagsrust ondervinden, is een aanwijzing voor een voortschrijdende gereserveerdheid van de (nationale) democratie met betrekking tot religiositeit als dragend element van de rechtsstaat.
      Een rigoureuze wijzing van de Penitentiaire beginselenwet ligt weliswaar niet in de lijn der verwachting. De staatsrechtelijke ruimte van artikel 6 van de Grondwet dient geëerbiedigd te worden. Maar de budgettaire problematiek zou voor de op haar kerntaken terugtredende overheid wel eens aanleiding kunnen worden om de huidige verdeelsleutel fors op te rekken en de handelingsruimte van geestelijk verzorgers in te perken. Dat ook voorzieningen met betrekking tot geestelijke verzorging voor personen die door toedoen van de overheid in hun bewegingsvrijheid worden beperkt tot een kerntaak van diezelfde overheid behoren, mag daarbij niet worden veronachtzaamd.

    • Denominatief of interdenominatief?

      De toebedeling van functionarissen voor geestelijke verzorging per denominatie is weliswaar uit oogpunt van management een voor de hand liggende methode, maar zij begint in het moderne landschap van levensovertuigingen steeds meer te wringen. De gevangenisbevolking is niet meer zo eenduidig als door het huidige stelsel wordt verondersteld. De ervaring van alledag leert dat het aantal gevangenen dat zich niet tot één bepaalde richting wil bekennen toeneemt: zij willen met meer levensbeschouwelijke visies in gesprek raken of hebben voorkeuren die buiten het huidige organisatorische spectrum liggen.
      Eén model om daaraan tegemoet te komen is om bij de inventarisatieronde de mogelijkheid van een meervoudige keuze open te stellen. De uitkomst van zulke ‘verkiezingen’ is zonder veel problemen te verwerken in een verdeelschema.
      Aan zo’n systeemwijziging kleeft echter een groot bezwaar. Voor de meeste, maar niet alle, zendende instanties zijn de counseling (het individuele resp. groepsgesprek, crisisbegeleiding) en het rituele aspect van de geestelijke verzorging geen aparte maar integendeel nauw met elkaar verweven activiteiten. Zal een gedetineerde een partiële geestelijke verzorging willen ‘afnemen’, dan zullen deze beide elementen op de agenda van de geestelijk verzorger blijven. Dat beantwoordt wellicht weer niet aan het verwachtingspatroon van de kiezende persoon.
      Daar staat dan weer tegenover dat een toenemend aantal geestelijk verzorgers van de ‘grotere’ denominaties zelf geen formeel ambtsdrager van hun kerkgemeenschap zijn. Velen van hen – bijvoorbeeld optredend namens de katholieke kerk – hebben weliswaar een formeel kerkelijke zending, maar zijn niet bevoegd voor te gaan in de eredienst. Hier doet zich een discrepantie voor, enerzijds met de gebleken voorkeur van veel gedetineerden voor religieuze vieringen, anderzijds met de identiteit van de desbetreffende geloofsgemeenschap.
      In de intramurale gezondheidszorg, waar de regie op instellingsniveau gelegen is, is een interdenominatieve werkwijze inmiddels ingeburgerd. De geestelijke verzorging is er georganiseerd met teams van geestelijk verzorgers van diverse levensbeschouwelijke achtergrond aan wie bepaalde afdelingen zijn toegewezen. Elk lid van zo’n territoriaal team, van welke levensovertuiging ook, is erop getraind om iedere patiënt in de geest van diens geloofsovertuiging te begeleiden en te wijzen op het hem passende rituele aanbod. Ook dit methodische model brengt problemen met zich mee. Wij noemen er drie.
      In de eerste plaats en meer principieel wekt dit model bij de patiënt de schijn dat levensbeschouwingen onderling uitwisselbaar, dus ‘één pot nat’ zijn. Op een zeer basaal niveau mag dat inderdaad getolereerd worden, maar de waarheidspretentie van elke wereldbeschouwing staat zo’n werkwijze al spoedig in de weg.
      Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat de (zeven) denominaties getalsmatig niet op gelijke voet staan. Een overheersing van de ‘grotere’ levensbeschouwelijke richtingen in zulke territoriale teams vraagt om een groot onderling vertrouwen dat ook de belangen van de ‘kleinere’ richtingen naar behoren worden behartigd.
      Ten slotte, deze werkwijze veronderstelt een gedegen opleiding in de theologie, de ethiek en de religieuze tradities en gebruiken van elk van de desbetreffende wereldreligies in brede zin én een grote professionele flexibiliteit. Maar die prijs is niet te hoog als daar een grotere tevredenheid en herkenbaarheid van de cliënt over het aanbod tegenover staan.
      Ook in de justitiële inrichtingen wordt over de gewenste organisatie- en/of werkvorm gedebatteerd. Binnen de directie Geestelijke Verzorging van het ministerie is het interdenominatieve model afgewezen. Wel is men bereid te aanvaarden dat, indien de gedetineerde uitdrukkelijk met meer levensbeschouwelijke bronnen in contact wenst te komen, daaraan omwille van zijn belang tegemoet zal worden gekomen. Voor de denominaties met een substantiële samenhang van counseling en eredienst zijn sluitende afspraken in algemene zin geboden over de wijze van omgang met gedetineerden door een ‘buitenstaande’ collega.
      Aan de tegemoetkoming aan individuele wensen van ingeslotenen is op managementniveau wel de voorwaarde verbonden dat daarover vooraf binnen het instellingsteam van geestelijk verzorgers overleg plaatsvindt. In feite houdt deze informatieplicht in dat de vertegenwoordigers van de betrokken denominaties een ‘inmenging’ van een collega mogen blokkeren. Die meldingsplicht kan toch zeker niet zonder voorafgaande instemming van de cliënt; anders is sprake van inbreuk op diens persoonlijke levenssfeer.

    • Concluderend

      Elke ingezetene heeft de volstrekte vrijheid om zijn wereldbeschouwing individueel en desgewenst in gemeenschap met anderen vorm te geven. Het gaat hier om een machtig grondrecht; ook in detentie kan deze vrijheid niet gelimiteerd worden, tenzij omwille van de gezondheid, het verkeer of ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden.22xEen interessant casus is in welke omstandigheden een gevangenisdirectie ‘ter voorkoming van wanordelijkheden’ bekeringsinitiatieven onder gevangenen mag verbieden. Ook binnen de strafrechtelijke beperking van de bewegingsvrijheid dient de overheid deze vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te respecteren en te garanderen. Geestelijke verzorging binnen de gevangenismuren is een grondwettelijk geboden faciliteit en dus een fundamenteel recht van elke gedetineerde. De feitelijke fragmentering van ‘levensovertuiging’ staat dit vrijheidsrecht niet in de weg.
      Het bestaande aanbod van geestelijke verzorging via van bovenaf gepresenteerde denominaties beantwoordt in toenemende mate niet meer aan de feitelijke ontwikkelingen op het vlak van godsdienst en levensovertuiging. Dat gedetineerden één digitale keuze uit de zeven opties moeten maken, zal bij velen van hen niet aansluiten op hun belevingswereld. Dat maakt ook dat de uitkomsten van de voorkeurspeiling voor diverse uitleg vatbaar zijn.
      In zoverre blijkt het ministerie oog te hebben voor de toenemende verscheidenheid aan voorkeuren van delinquenten, dat het er zich niet tegen verzet dat een gevangene naast de ‘gekozen’ geestelijk verzorger ook een collega van een andere denominatie wenst te ontmoeten. De afspraak dat in die gevallen voorafgaand collegiaal overleg dient plaats te vinden, strijdt overigens met de keuzevrijheid van de gevangenen en is een inbreuk op diens privacy, uitgezonderd wanneer de persoon in volle vrijheid met zo’n mededeling vooraf heeft ingestemd.
      Hoewel de gevangenisdirectie buiten de zeven denominaties om de bijstand van een geestelijk verzorger kan inhuren, wordt deze mogelijkheid in de voorkeurspeiling niet aangeboden. Dit is een ernstige omissie. Elke gedetineerde moet weten dat het hem vrijstaat om bijstand te vragen van een geestelijk verzorger die aan zijn (eventueel rituele) behoefte tegemoetkomt.
      Het hedendaagse profiel van geestelijk verzorger past niet meer in het traditionele model. Diens ambtelijke binding aan zijn denominatie is in de toenemende levensbeschouwelijke verbrokkeling minder functioneel aan het worden. In de praktijk van alledag kiest menig geestelijk verzorger voor een benadering van zijn cliënt die eerder (ortho)praktisch dan orthodox te duiden is. Daardoor ontstaat licht tussen wat van hogerhand is opgelegd en wat de cliënt van hem ontvangt.
      Los hiervan staat de geestelijke verzorging voor de opgave haar positie in vergelijking met de psycholoog, de mediator of de maatschappelijk werker duidelijk te maken. Het fenomeen van de ongebonden geestelijk verzorger is hierbij een teken aan de wand. Dat ambt en functionaliteit uit elkaar groeien is een sluipende bedreiging van de legitimiteit van geestelijke verzorging. In hoeverre biedt het identiteitsgebonden aanbod van geestelijk verzorgers die meerwaarde als de cliënt zijn identiteit op individuele wijze vormgeeft?

    Noten

    • 1 Vgl. Commissie van Advies, Overheid Godsdienst en Levensovertuiging, eindrapport, ’Den Haag 1988, p. 97-98. Zie ook: S.C. den Dekker-van Bijsterveld, De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle 1988, p. 175-178, 184-186, 200-201.

    • 2 P. Linckens & J. de Looff, Gevangeniswezen in getal, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie 2012, p. 15 en 19. Van de gevangenispopulatie is 5,7% vrouw. De telling dateert van 2011.

    • 3 Dit is een samenvatting van de formele zeven taken van de geestelijk verzorger: intake, ambulante beschikbaarheid binnen de instelling, het individuele gesprek, het groepsgesprek, de kerk-, gebedsdienst of bezinningsbijeenkomst, bijstand in crisissituaties en bijzondere bijeenkomsten naar aanleiding van een calamiteit, in het kader van een breder thema of bij een feestelijke viering.

    • 4 L. Oliemeulen e.a., Geestelijke verzorging in detentie. Visie van ingeslotenen op behoefte en aanbod, Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen & WODC 2010, p. 26.

    • 5 Toegepast op de kerk is deze term een theologische interpretatie van Joh. 20, 21: ‘Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik u.’

    • 6 I. Henneken-Hordijk & G. Mol, Voorkeurspeiling Geestelijke verzorging, Den Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie 2010, p. 32-33 (Jeugdinstellingen), 22-23 (Gevangeniswezen), 21 (Gemiddelde voorkeur).

    • 7 Formatieverdeling veldformatie per 1 januari 2011. 5,5 fte is nog onverdeeld.

    • 8 Zie Raad van State, advies d.d. 26 januari 2010 inzake het wetsvoorstel-Van der Ham c.s. inzake het schrappen van de Strafwet art. 147 en 147a over godslastering, zaaknr.W03.0473/H.

    • 9 De gevangenis is geen ‘gebouw of besloten plaats’ in de zin van dit grondwetsartikel.

    • 10 Dit geldt mutatis mutandis ook voor personen in dienst van de krijgsmacht en voor wie opgenomen is in een zorginstelling.

    • 11 Commissie van Advies 1988, p. 185.

    • 12 A.W. Heringa & T. Zwart, De Nederlandse Grondwet, Zwolle 1991, p. 74.

    • 13 Commissie van Advies 1988, p. 53-54, 69-73, 80.

    • 14 Vgl. W. van der Burg, Het ideaal van de neutrale staat. Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur, Den Haag: BJu 2009, p. 32-34.

    • 15 Percentages hebben betrekking op de onderzoeksperiode 2009-2010: Oliemeulen e.a. 2010, p. 36.

    • 16 Henneken-Hordijk & Mol 2010, p. 43-49.

    • 17 H. Kunneman, ‘Horizontale transcendentie en normatieve professionalisering: de casus geestelijke verzorging’, in: W.B.H.J. van de Donk e.a., Geloven in het publiek domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2006, p. 371.

    • 18 Oliemeulen e.a. 2010, p. 46.

    • 19 Vgl. S.C. van Bijsterveld, ‘Godsdienst: what’s in a name’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012-1, p. 3-4.

    • 20 F. Flierman, Geestelijke verzorging in het werkveld van justitie. Een empirische studie, Delft 2012, p. 214.

    • 21 De terminologie is ontleend aan de inaugurele rede van W. van den Burg, Het ideaal van de neutrale staat, Inclusieve, exclusieve en compenserende visies op godsdienst en cultuur. Den Haag: BJu 2009, p. 30-32.

    • 22 Een interessant casus is in welke omstandigheden een gevangenisdirectie ‘ter voorkoming van wanordelijkheden’ bekeringsinitiatieven onder gevangenen mag verbieden.


Print dit artikel