DOI: 10.5553/TvRRB/187977842013004003002

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger

Trefwoorden spiritualiteit,, geestelijke verzorging, gezondheidszorg, ambtelijke binding
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze Citaties (1)
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Jurn de Vries, 'De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger', TvRRB 2013-3, p. 6-15

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Geestelijke verzorging aan mensen die in een instelling verblijven, was vanouds een taak van kerken, religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen. In de intramurale gezondheidszorg zijn steeds meer geestelijk verzorgers werkzaam wier positie enkel berust op een aanstelling door de directie en niet tevens op een opdracht van een zendende instantie. Dit wordt als probleem ervaren, omdat er geen toezicht is op de kwaliteiten van deze verzorgers. Daarom heeft een commissie onlangs voorgesteld een Raad voor onafhankelijke spiritualiteit in het leven te roepen, die de bevoegdheid en bekwaamheid van ongebonden geestelijk verzorgers toetst en op hun werk toeziet.

    • Op 12 april 2013 presenteerde Eimert van Middelkoop het rapport Toekomstig bestel geestelijke verzorging.1xDe tekst van het rapport is te vinden op www.vgvz.nl/userfiles/files/nieuws/2013/Regiegroep_Eindnota_april_2013.pdf, geraadpleegd op 15 augustus 2013. Het beoogt de afronding te zijn van een discussie die bijna dertig jaar geduurd heeft en cirkelde om de vraag: is er plaats voor geestelijk verzorgers die niet zijn uitgezonden door een religieus of levensbeschouwelijk genootschap? Omdat in de sector van de gezondheidszorg deze categorie niet-gebonden geestelijk verzorgers al in groten getale actief is, zou de vraag ook zo geformuleerd kunnen worden: hoe regelen we de positie van geestelijk verzorgers zonder een ambtelijke binding?
      In dit artikel zal eerst de aard van de problematiek worden beschreven en vervolgens de oorzaken ervan, zowel aan de aanbod- als aan de vraagkant. Daarna zullen verschillende voorgestelde oplossingen de revue passeren, waarna besloten wordt met een evaluatie van de gekozen oplossing.
      Geestelijk verzorgers die geen binding willen of kunnen aangaan met een specifieke levensbeschouwelijke stroming, kunnen nu nergens terecht voor een bevoegdheidsverklaring. Er bestaat geen orgaan dat hun levensbeschouwelijke competentie – onontbeerlijk voor dit werk − toetst. Om daarin verandering in te brengen dient volgens het rapport een Raad voor onafhankelijke spiritualiteit2xDeze naam is bedoeld als werktitel. te worden opgericht, die na toetsing van de levensbeschouwelijke identiteit en competentie van een kandidaat beslist over zijn toelating tot het werk van geestelijk verzorger.
      Patiënten, cliënten en bewoners van zorginstellingen kunnen er dan zeker van zijn dat de geestelijk verzorgers met wie zij in aanraking komen, goed zijn opgeleid en ook zijn getoetst op hun levensbeschouwelijke competentie. Werkgevers kunnen ervan uitgaan dat de geestelijk verzorgers die zij aannemen, bekwaam zijn en dat door middel van verplichte nascholing ook blijven. Ook weten zij dat er voor alle geestelijk verzorgers een orgaan is dat toeziet op hun levensbeschouwelijke competentie en waaraan zij verantwoording afleggen.
      Dit rapport was opgesteld door een commissie (Regiegroep genoemd) die op verzoek van de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) was gevormd door het CIO (Interkerkelijk Contact in Overheidszaken), het Humanistisch Verbond (HV), de Protestantse Kerk Nederland, de rooms-katholieke kerk, de VGVZ zelf, de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers (SKGV) en de Vereniging van Geestelijk Verzorgers Albert Camus. Al deze instanties waren met twee leden in de Regiegroep vertegenwoordigd. Van Middelkoop fungeerde als onafhankelijk voorzitter. Op één na hebben ze zich ook met het resultaat verenigd. Alleen de bisschoppen van de rooms-katholieke kerk wil eraan vasthouden dat alle geestelijk verzorgers een zending moeten bezitten of lid moeten zijn van een levensbeschouwelijke organisatie.3xBrief van de bisschoppenconferentie aan de voorzitter van de Regiegroep d.d. 21 juni 2013.

    • Wat is het probleem?

      Uit publieke middelen bekostigde geestelijke verzorging is beschikbaar waar mensen onvrijwillig niet in de gelegenheid zijn om aan normale geestelijke activiteiten deel te nemen, zoals de krijgsmacht, de penitentiaire inrichtingen en de intramurale gezondheidszorg. Het rapport Overheid, godsdienst en levensovertuiging van de commissie-Hirsch Ballin (1988) betoogt dat deze verplichting van de overheid voortvloeit uit artikel 6 van de Grondwet, dat de vrijheid van belijden van godsdienst en levensovertuiging, ‘individueel of in gemeenschap met anderen’, waarborgt.4xOverheid, godsdienst en levensovertuiging, eindrapport van de Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere gemeenschappen op geestelijke grondslag, Den Haag 1988, p. 86 e.v. Zonder geestelijke verzorging in zulke openbare instellingen zouden burgers die van deze instellingen afhankelijk zijn, dit grondrecht niet of in te beperkte mate kunnen uitoefenen. Met het aanbieden van geestelijke verzorging wordt het tekort aan bewegingsvrijheid als gevolg van intramurale verpleging gecompenseerd.
      Voor de gezondheidszorg is dit vastgelegd in artikel 3 van de Kwaliteitswet zorginstellingen: ‘Voor zover het betreft zorgverlening die verblijf van de patiënt of cliënt in de instelling gedurende tenminste het etmaal met zich brengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de instelling geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten.’
      De commissie-Hirsch Ballin ging er nog als vanzelfsprekend van uit dat geestelijk verzorgers hun ambt5xOnder ‘ambt’ verstaan we een functie-uitoefening krachtens mandaat van een bevoegd gezag met een zeker continu karakter (P.T. Pel, Geestelijken in het recht – De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Meppel 2013, p. 279, noot 54) en dus niet per definitie een ambt volgens het kerkrecht van een kerkgenootschap. uitoefenen krachtens een binding met een zendende instantie (een religieus of levensbeschouwelijk genootschap). Bij de krijgsmacht en de justitiële inrichtingen6xOver de geestelijke verzorging in justitiële inrichtingen zie N. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 29-43. is dit tot vandaag ook het geval. De rijksoverheid benoemt alleen geestelijk verzorgers die door een zendende instantie zijn voorgedragen. In de sector van de gezondheidszorg was de situatie bij de verschijning van dat rapport echter al anders. Steeds vaker stelden ziekenhuis- of verpleeghuisdirecties geestelijk verzorgers aan die op eigen houtje hadden gesolliciteerd.
      De oorzaken van deze ontwikkeling zijn complex. Een oorzaak ligt in het aanbod van opleidingen tot geestelijk verzorger buiten de kerkelijke ambtsopleidingen om, zowel op wo- als op hbo-niveau.7xVan Zessen & Koolen 2013, p. 40. Met een hbo-opleiding kan men in de meeste kerken geen predikant worden. Anderen zouden wel kerkelijk ambtsdrager willen worden, maar kunnen dat niet omdat hun kerk geen vrouwen en/of geen gehuwde mannen in het ambt toelaat. Weer anderen menen dat ze het werk van geestelijk verzorger het beste in onafhankelijkheid kunnen uitvoeren, of voelen zich in religieus of levensbeschouwelijk opzicht met geen enkel bestaand genootschap verbonden.8xH. Kunneman, ‘Horizontale transcendentie en normatieve professionalisering: de casus geestelijke verzorging’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 381. Ambtelijke Binding (VGVZ-cahiers 4), Nijmegen 2010, p. 66.
      De directies konden hen benoemen omdat over de vereisten voor dit beroep wettelijk niets bepaald is. Het was financieel ook aantrekkelijk een hbo’er te benoemen in plaats van een universitair geschoolde. Intussen ontbrak hierdoor – afgezien van het diploma van de opleiding − elke vorm van toetsing of toezicht. Daar hadden de ambtelijk aangestelde geestelijk verzorgers moeite mee. Deze collega’s waren dan ook niet zonder meer welkom in de beroepsvereniging. Immers, wat is hun levensbeschouwelijke identiteit?
      Een geestelijk verzorger begeleidt patiënten in situaties waarin zij worden geconfronteerd met hun kwetsbaarheid of eindigheid, en ondersteunt hen in het emotioneel omgaan daarmee door gesprekken en eventueel door rituelen. Dat vereist dat men zelf vanuit zijn geloof of levensovertuiging daar zinvolle dingen over kan zeggen. Daarnaast dient men ook kennis te hebben van levensbeschouwingen, religies en spiritualiteit van anderen, omdat de zorg niet enkel aan geloofsgenoten wordt verleend. Dat werken vanuit een levensbeschouwelijke identiteit is nu juist het eigene van een geestelijk verzorger in vergelijking met bijvoorbeeld een psycholoog.9xAmbtelijke Binding, p. 36.
      Ook wanneer men zorg biedt aan een andersdenkende, behoort men zelf helderheid te hebben over zijn eigen levensbeschouwing en daarover in de richting van de patiënt helder te zijn.10xAmbtelijke Binding, p. 31: ‘De identiteit van de geestelijk verzorger maakt hem of haar herkenbaar voor de cliënten (…) Cliënten weten zo met wie ze van doen hebben.’ Idem, p. 33: ‘De geestelijk verzorger maakt in het gesprek zijn levensbeschouwelijke identiteit zichtbaar, die hem herkenbaar maakt voor de cliënt en hem gesprekspartner doet zijn.’ Weliswaar is in het gesprek de levensoriëntatie van de cliënt leidend, maar dat neemt niet weg ‘dat de geestelijk verzorger zichzelf en de eigen levensbeschouwing meebrengt en in het contact soms ook uitdrukkelijk inbrengt’.11xAmbtelijke Binding, p. 67. Een open houding naar andere levensbeschouwingen kan bij uitstek worden geboden als men zelf in een specifieke traditie is geworteld.12xAmbtelijke Binding, p. 122. Het domein van de geestelijke verzorging is nooit neutraal en vraagt altijd om een positiebepaling van de geestelijk verzorger.13xAmbtelijke Binding, p. 99.
      Met het oog hierop hebben de geestelijk verzorgers een onafhankelijke positie binnen de instelling (de ‘vrijplaats’) en een verschoningsrecht. Zij mogen op grond van hun eigen beweegredenen de patiënten buiten de gangbare verwijzingen benaderen en zorg aan hen verlenen.14xH. Schilderman, ‘Religie en zorg in het publieke domein’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 406. Voor de inhoud van hun werk zijn ze geen verantwoording schuldig aan de leiding van de instelling. Ze geven deze wel adviezen op medisch-ethisch gebied, maar nemen niet deel aan diagnosegesprekken over patiënten. Een geestelijk verzorger zonder zending vanuit een godsdienstig of levensbeschouwelijk genootschap komt echter al snel in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de zorginstelling.15xAmbtelijke Binding, p. 39. Het rapport van de Regiegroep zegt hierover:

      ‘Ook met het oog op de toepassing en gelding van vrijplaats en verschoningsrecht is het belangrijk dat de levensbeschouwelijke competentie van de ongebonden geestelijk verzorgers blijvend wordt geborgd. De geestelijk verzorger dient binnen de zorginstelling “een tegenover”/”een ander geluid” te kunnen laten horen naast de hoofdstroom van de vaak in de zorg gebruikelijke technologische, economische en pragmatisch georiënteerde paradigma’s. Om die rol geloofwaardig te kunnen vervullen dient men een autoriteit achter zich te weten. Die kracht, die positie, die zich o.a. uit in de vrijplaats en in het verschoningsrecht, is voor het beroepsprofiel van cruciale betekenis, in de eerste plaats voor de patiënten.’

      Van hun kant hadden de zendende instanties er moeite mee dat de geestelijke verzorging niet meer hun exclusieve domein was. Hoe kunnen mensen met een onbekende of onduidelijke levensbeschouwelijke identiteit, ook al zijn ze vakmatig geschoold, aan patiënten iets bieden dat gelijkwaardig is aan de ambtelijke geestelijke verzorging?
      Hier wringt dan ook vooral de schoen. Voor hen die zich wel met een geloofsgemeenschap verbonden voelen, maar om kerkrechtelijke redenen geen kerkelijk ambtsdrager kunnen worden, zou met goede wil een oplossing mogelijk moeten zijn. Veel kerken kennen al de figuur van kerkelijk of pastoraal werker met een hbo-opleiding die geen kerkelijk ambtsdrager is, maar wel kerkelijk werk doet.16xDe Nederlandse bisschoppenconferentie heeft in de nota ‘Meewerken in het pastoraat’ (1999) ruimte gemaakt voor professionele pastorale medewerkers zonder priesterstatus, maar wel met een officiële kerkelijke taakstelling, op basis van een pastoraal-theologische opleiding (Pel 2013, p. 274 e.v.). Zo iemand zou ook uitgezonden kunnen worden voor de geestelijke verzorging in een zorginstelling, eventueel met minder bevoegdheden inzake sacramentele handelingen. Ook zonder kerkelijk ambt is er dan wel sprake van een ambtelijke binding. Dit te regelen is een verantwoordelijkheid van de diverse kerken binnen de mogelijkheden van hun kerkrecht.
      Maar kunnen ook ‘ongebonden spirituelen’ worden ingepast in dit bestel, en zo ja, hoe? Die term ‘ongebonden spirituelen’ is afkomstig uit het rapport Geloven in het publieke domein van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2006). Gerrit Kronjee signaleert daarin een religieuze transformatie, waarin een eerdere kerkgebonden zingeving verdwijnt. Er ontstaat een ongebonden spiritualiteit als leefstijl naast niet-religieuze vormen.17xG. Kronjee, ‘De religieuze transformatie en de sociale cohesie’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 69. Volgens Kronjee maakt een kwart van de bevolking deel uit van een ongebonden spirituele groep, die men in de sfeer van de new age kan plaatsen. Hun levensbeschouwing kenmerkt zich door een transcendente, spirituele oriëntatie, die zich niet conformeert aan doctrines.18xG. Kronjee & M. Lampert, ‘Leefstijlen in zingeving’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p.184. ‘Met het ontstaan van deze groep is de religie gedeeltelijk onzichtbaar geworden, er is geen duidelijke binding meer aan een bepaald instituut. Het is dan moeilijk om vat te krijgen op de religie die onzichtbaar is, zeker in vergelijking met de materiële aanwezigheid van de religie in kerkgebouwen.’19xKronjee 2006, p. 83.

    • Veranderde vraag

      Dit is niet alleen een ontwikkeling onder hen die het beroep van geestelijk verzorger ambiëren. De afgenomen institutionele religiositeit heeft ook tot gevolg dat veel minder patiënten hechten aan een gesprek met een geestelijk verzorger van hun eigen richting. In het WRR-rapport Geloven in het publieke domein (2006) becijferen Kronjee en Lampert dat nog slechts 28% van de bevolking als religieus gebonden kan worden beschouwd, terwijl 12% als expliciet humanistisch kan worden aangemerkt. Slechts 40% kan dus beschikken over ambtelijk gebonden geestelijke verzorging die aansluit bij hun godsdienst of levensovertuiging – voor zover in hun instelling aanwezig.
      De overige 60% van de bevolking wordt getypeerd als ongebonden spirituelen (26%), gematigde humanisten (16%) en ‘nihilisten’ (18%). Dezen behoren nadrukkelijk niet tot een geloofsgemeenschap of georganiseerde levensbeschouwing, maar moeten worden beschouwd als levensbeschouwelijke ‘bricoleurs’, die hun eigen zingevingsstijl uit wisselende stukken en brokken in elkaar knutselen.20xKronjee & Lampert 2006, p. 176. Zij associëren religie minder met gezag, instituties, openbaring en transcendente ordeningen en meer met het innerlijk van het subject, losse netwerken, individuele ervaringen en immanentie.21xC. Taylor, Een seculiere tijd, Rotterdam 2009, p. 674-676; Geloof in de samenleving, Christendemocratische reflecties op religie en levensbeschouwing in het publieke domein, Den Haag: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA/Centre for European Studies (CES) 2012, p. 45.
      Mensen met deze vorm van religiositeit hebben niet zozeer behoefte aan ‘een vertegenwoordiger van geloofswaarheden ontleend aan een specifieke levensbeschouwelijke traditie, als wel [aan] een betrokken, breed geïnformeerde gesprekspartner, die in staat is met hen mee te denken over fundamentele zingevingsvragen vanuit eigen ervaringen en persoonlijk verantwoorde inspiratiebronnen. De herkomst daarvan uit deze of gene traditie is daarbij van secundair belang. De doorslag geeft of de geestelijk verzorger als authentiek wordt ervaren en de eigen inspiratiebronnen en overtuigingen op basis van gelijkwaardigheid in het gesprek kan laten doorschijnen.’22xKunneman 2006, p. 375.
      De organisatie van de geestelijke verzorging in de instellingen is er ook niet meer op afgestemd dat geestelijk verzorgers primair patiënten van het eigen geloof of de eigen levensovertuiging bedienen. Wanneer aan een instelling meer dan één geestelijk verzorger verbonden is, is het werk territoriaal verdeeld, dat wil zeggen: elke geestelijk verzorger heeft een aantal etages of afdelingen onder zijn hoede en spreekt daar met alle patiënten die zo’n gesprek op prijs stellen.23xKunneman 2006, p. 375; Ambtelijke Binding, p. 85. Alleen als een patiënt nadrukkelijk vraagt om een geestelijk verzorger van zijn eigen overtuiging, wordt daarin zo mogelijk voorzien en op deze wijze meent men toch te voldoen aan de bepaling in artikel 3 van de Kwaliteitswet zorginstellingen, dat het aanbod zo veel mogelijk moet aansluiten bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten. Als het erop aankomt, dient de vraag van de patiënt leidend te zijn. Deze territoriale werkwijze moge praktische voordelen hebben, inhoudelijk zijn er wel bedenkingen tegen aan te voeren.24xVan Zessen & Koolen 2013, p. 42.
      Op grond van de typering die Kronjee en Lampert geven van nihilisten, mensen die niet nadenken over zingevingsvragen, zouden dezen niet in aanmerking komen voor het beroep van geestelijk verzorger. Zij hebben hun medemensen die met zulke vragen worstelen, niets te bieden. De levensbeschouwelijke dimensie is voor dit werk nu eenmaal onmisbaar. Onder de geestelijk verzorgers zonder ambtelijke binding zijn er echter velen die als ongebonden spirituelen zouden kunnen worden aangeduid. Wat men daar verder van denken moge, dit sluit wel aan bij een deel van de patiëntenpopulatie en zeker bij hen die in de loop van hun leven juist een afkeer hebben gekregen van alles wat kerk en pastoor of dominee is.25xVan Zessen & Koolen 2013, p. 43) geven aan dat ook onder de gevangenispopulatie het aanbod van geestelijke verzorging niet aansluit bij de behoefte: ‘Het hedendaagse profiel van geestelijk verzorger past niet meer in het traditionele model. Diens ambtelijke binding aan zijn denominatie is in de toenemende levensbeschouwelijke verbrokkeling minder functioneel aan het worden.’

    • Oplossingen

      Op dit moment kunnen zulke ongebonden spirituelen als geestelijk verzorger in zorginstellingen benoemd worden enkel op basis van hun diploma. Daarmee is hun levensbeschouwelijke legitimatie echter nog niet gewaarborgd. Er is daarom behoefte aan een duidelijke, door alle partijen erkende regeling waarin de bevoegdheid en de bekwaamheid van geestelijk verzorgers zijn vastgelegd. Als stap in die richting werd enige jaren geleden het Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers in het leven geroepen. Inschrijving in dit register zou de kwaliteit moeten waarborgen. Maar de vraag bleef: wie oordeelt over de inschrijving?
      In de discussies hierover is wel geopperd een genootschap voor ongebonden of onafhankelijke spiritualiteit op te richten, dat dan als zendende instantie voor deze groep zou fungeren. Maar men kan moeilijk een geestelijk genootschap oprichten voor anderen, en van de groep zelf is het vanuit de aard van hun strikt persoonlijke levensbeschouwing niet te verwachten dat daar enig animo voor is. Kenmerk van deze groep, zo stelt het rapport van de Regiegroep, ‘is nu juist dat men “bricoleert”, d.w.z. men put uit diverse tradities en bronnen, en niet kiest voor een institutionele inbedding’. Er is ook geen gemeenschappelijke waardegemeenschap aan te wijzen.
      Een andere suggestie was dat alle aankomende geestelijk verzorgers een ambtseed zouden afleggen ten overstaan van de beroepsvereniging of een door deze in het leven geroepen orgaan. Maar van kerkelijke zijde was er ernstig bezwaar tegen dat een orgaan buiten hen om zou beslissen over toelating van hun ambtsdragers. De uitwerking van zo’n stelsel heeft trouwens ook nog heel wat voeten in de aarde.26xAmbtelijke binding, p. 93.
      Zo is de Regiegroep uitgekomen op een duaal stelsel. Voor de ambtelijk gebonden geestelijk verzorgers verandert er in principe niets. Wel wordt ook van hen verwacht dat zij zich laten inschrijven bij het Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Dit toetst met het oog daarop de bekwaamheid (een diploma van een erkende opleiding), de bevoegdheid (een kerkelijke aanstelling) en het lidmaatschap van een beroepsvereniging met bijbehorende binding aan een beroepsstandaard. Inschrijving in het register verplicht tot geregelde bij- en nascholing.
      Voor niet-gebonden geestelijk verzorgers gelden dezelfde vereisten. Maar zij moeten hun bevoegdheid verkrijgen van een nog op te richten Raad voor onafhankelijke spiritualiteit. Deze toetst in een gesprek met de kandidaat of hij een doordachte levensbeschouwing heeft, die hij goed kan verwoorden, en kan omgaan met de levensbeschouwing van anderen. Dat kan namelijk niet direct worden afgelezen uit het diploma. Een opleiding toetst wel kennis, maar niet of iemand over een doordachte levensbeschouwing beschikt. Bij positieve uitkomst verleent de raad hem een legitimatie.
      In het rapport van de Regiegroep staat daarover het volgende:

      ‘De Regiegroep stelt daarom voor dat voor de groep ongebonden geestelijk verzorgers een alternatief orgaan met “bevoegdheidsmacht” in het leven wordt geroepen, dat de levensbeschouwelijke competentie borgt en bij gebleken geschiktheid legitimatie verleent.
      Wij noemen dit orgaan de “Raad voor onafhankelijke spiritualiteit”. Wie bij deze Raad bevoegdheid aanvraagt om als geestelijk verzorger in de zorg te mogen werken, moet kunnen aantonen over een eigen spiritualiteit te beschikken, die men helder en coherent moet kunnen verwoorden. Wij noemen dit de levensbeschouwelijke competentie. Omdat de raad geen specifieke traditie vertegenwoordigt, wordt een formele definitie van levensbeschouwing gehanteerd, i.c.: een levensbeschouwing is een meer of minder bewust doordachte, maar voor alle domeinen van het leven relevante godsdienstige dan wel seculiere visie op het bestaan als geheel. De levensbeschouwing bevat een beeld van de wereld en de kosmos, een mensbeeld, een waardenkader, levensperspectieven en leefregels, met behulp waarvan we samenhang brengen in onze ervaringen en richting geven aan ons doen en laten. De zorghouding van geestelijk verzorgers en hun persoonlijke doelstellingen om een specifieke bijdrage te leveren aan het welzijn van mensen dient door de Raad (blijvend) te worden bevraagd. Duidelijk moet zijn hoe geestelijk verzorgers hun vak zien en met welke instelling en levensvisie zij met patiënten in contact treden. Ook moeten zij kunnen verwoorden, welke meer- of eigenwaarde zij meebrengen ten bate van patiënten t.o.v. andere beroepsgroepen.
      Daarnaast onderzoekt de Raad de beroepshouding, de zorgethische attitude die nodig is om in de zorg te kunnen werken gelijk hierboven omschreven bij de zendende instanties. De vereiste beroepshouding dient overeen te stemmen met de eigen spiritualiteit.
      Verkrijgt men de verklaring van bevoegdheid van de Raad (eventueel bekrachtigd met een eed), dan wordt de betrokken geestelijk verzorger geacht de Raad in het vervolg te erkennen als de instantie die gaat over de bevoegdheid van de algemeen geestelijk verzorgers, ten overstaan waarvan men in voorkomende gevallen inhoudelijke verantwoording dient af te leggen. Dit ter bescherming van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. De Raad draagt dus een zekere verantwoordelijkheid voor degenen die door hem worden gelegitimeerd. De relatie tussen Raad en geestelijk verzorger is niet vrijblijvend. Dit impliceert ook dat de Raad een zekere tuchtrechtelijke relatie onderhoudt met de door hem bevoegd verklaarde geestelijk verzorgers. Dit naar analogie van de kerken en het HV.27xDe beroepsvereniging heeft een eigen tuchtrecht voor haar leden in het geval zij zich niet houden aan de beroepsstandaard. Over zaken die de Raad, het HV of een denominatie aangaan, heeft de beroepsvereniging geen zeggenschap. Dat is aan de denominaties, het HV en de Raad. (voetnoot van het rapport) Een betrokken, kritische dialoog met de Raad moet uiteraard altijd mogelijk zijn. Na bevoegd te zijn verklaard door de Raad kan men voor de uitoefening van het werk een beroep doen op het verschoningsrecht. Door de raad als bevoegd erkende geestelijk verzorgers zijn geen kerkelijk ambtsdrager of levensbeschouwelijk (HV) ambtsdrager, d.w.z. zij representeren geen erkend kerkelijk of levensbeschouwelijk genootschap.’

      De Regiegroep heeft het overigens niet als haar taak gezien zelf zo’n raad in het leven te roepen. Ze heeft daarvoor een beroep gedaan op de beroepsverenigingen van ongebonden geestelijk verzorgers, zoals Albert Camus, om hiertoe het initiatief te nemen. Het zal dus nog wel enige tijd duren voordat dit stelsel gerealiseerd is.
      Daarmee is het doel overigens nog niet bereikt. Daarvoor is nodig dat er een convenant tot stand komt met de overkoepelende organisatie(s) van zorginstellingen om geen andere geestelijk verzorgers aan te stellen dan die over een bevoegdheidsverklaring beschikken. De brede steun van bijna alle ‘stakeholders’ voor het voorgestelde bestel kan daartoe bijdragen. Uiteindelijk zou een wettelijke titelbescherming van het beroep van geestelijk verzorger de beste waarborg bieden.

    • Evaluatie

      Op deze wijze meent de Regiegroep een compromis te hebben gevonden dat het meeste recht doet aan alle relevante belangen. Weliswaar blijft de situatie bestaan dat een ongebonden geestelijk verzorger alleen voor zichzelf spreekt en geen aanwijsbare waardegemeenschap vertegenwoordigt. Anderzijds zullen deze ongebonden geestelijk verzorgers zich wel aan regels en toezicht moeten binden.
      De taak van een Raad voor onafhankelijke spiritualiteit zal niet altijd gemakkelijk zijn. Is het voldoende als een kandidaat in een samenhangend betoog zijn spiritualiteit uiteen kan zetten, of zal toch een marginale inhoudelijke toetsing nodig zijn? Hij heeft daarvoor weinig formeel houvast.
      De Nederlandse wetgever heeft zich er nimmer aan gewaagd begrippen als godsdienst, kerkgenootschap of levensovertuiging te definiëren.28xS.C. den Dekker-van Bijsterveld, De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle 1988, p. 237-239. Dat heeft af en toe geleid tot misbruik. In de jaren tachtig van de vorige eeuw presenteerde zich een satanskerk oftewel Kloosterorde der Zusters van Sint Walburga, die in feite een bordeel was.29xPel 2013, p. 55, 95, 104. Recente voorbeelden zijn een rokerskerk, die met beroep op de vrijheid van godsdienst het rookverbod in besloten ruimten wil omzeilen,30xwww.rokerskerk.nl/overdekerk/, geraadpleegd op 11 september 2013. De pretentie van deze ‘kerk’ is nog niet juridisch getoetst. Wel is een café dat zich tot de rokerskerk rekende, door de Voedsel en Waren Autoriteit beboet; deze boete is betaald (www.nu.nl/algemeen/1694329/rokerskerk-krijgt-eerste-boete.html). en het in Zweden als religie erkende kopimisme, dat opkomt voor de vrijheid om gegevens uit te wisselen.31xS.C. van Bijsterveld, ‘Godsdienst: what ’s in a name?’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012-3, p. 3-4. Het wordt in ons land aan de rechter overgelaten kennelijk misbruik van deze begrippen en de daaraan door de Grondwet en de wet verbonden rechten tegen te houden. Een Raad voor onafhankelijke spiritualiteit zal echter niet altijd op de rechter kunnen wachten en zo nodig zelf een oordeel moeten vormen.
      Nu is niet direct te verwachten dat iemand met dergelijke motieven de functie van geestelijk verzorger in een zorginstelling zal ambiëren. Toch kan de raad wel voor inhoudelijke vragen komen te staan. Kan iemand wiens spiritualiteit kan worden gekenschetst als nihilisme32xOnder nihilisme versta ik hier het in religie en wereldbeschouwing loochenen of betwijfelen van hogere waarden, normen en zin van wereld, leven en menselijk zijn. Zie Kronjee & Lampert 2006, p. 178, 180 e.v., tot de geestelijke verzorging worden toegelaten? De op te stellen statuten zullen hierin moeten voorzien, waarbij het adagium van A. Kuyper ten aanzien van de gewetensvrijheid, ‘voor zover die het vermoeden van achtbaarheid niet mist’33xArt. 4 van het door hem opgestelde Program van Beginselen van de Anti-Revolutionaire Partij., als richtsnoer kan dienen. Een belangrijke overweging daarbij zal moeten zijn dat deze geestelijk verzorgers, zoals ook van de ambtelijk gebondenen verwacht wordt, in staat moeten zijn aan alle patiënten, ook die met een uitgesproken religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging, passende geestelijke zorg te bieden. Hoe vager iemands eigen spiritualiteit is, hoe lastiger dat zal zijn. Maar voor een raad waarvan de leden zelf niet door een gemeenschappelijke overtuiging verbonden worden, zal zo’n toetsing ook lastig zijn.
      De gekozen oplossing is dan ook niet ideaal en zeker niet voor de kerkelijke zendende instanties. Zij hadden echter te maken met het feitelijke gegeven van de opkomst van de ongebonden geestelijke verzorging. Die realiteit valt niet of nauwelijks meer terug te draaien en kan daarom beter ordelijk geregeld worden. Daarnaast kunnen ook zij niet ontkennen dat het aanbod van enkel ambtelijk gebonden geestelijke verzorging niet meer aansluit bij de samenstelling van de patiëntenpopulatie. Dat maakt het vasthouden aan een monopolie – ook al moet dat worden gedeeld met humanisten, moslims en hindoes – moeilijk verdedigbaar.
      Wel dienen de klassieke zendende instanties waakzaam en actief te blijven dat hun geestelijk verzorgers een plek behouden in de zorgsector. Daarvoor is nodig dat de directies in de intramurale gezondheidszorg de waarde blijven inzien – zij het dan niet exclusief – van de ambtelijk gebonden geestelijke verzorging. Ook over die kant van de zaak zouden afspraken moeten worden gemaakt in een toekomstig convenant. Want het zou een ernstige verschraling zijn als er op den duur in zorginstellingen enkel nog ongebonden geestelijke verzorging zou worden aangeboden.

    Noten

    • * Dr. J.P. de Vries maakte namens het interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) deel uit van de Regiegroep Toekomstig bestel geestelijke verzorging.
    • 1 De tekst van het rapport is te vinden op www.vgvz.nl/userfiles/files/nieuws/2013/Regiegroep_Eindnota_april_2013.pdf, geraadpleegd op 15 augustus 2013.

    • 2 Deze naam is bedoeld als werktitel.

    • 3 Brief van de bisschoppenconferentie aan de voorzitter van de Regiegroep d.d. 21 juni 2013.

    • 4 Overheid, godsdienst en levensovertuiging, eindrapport van de Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere gemeenschappen op geestelijke grondslag, Den Haag 1988, p. 86 e.v.

    • 5 Onder ‘ambt’ verstaan we een functie-uitoefening krachtens mandaat van een bevoegd gezag met een zeker continu karakter (P.T. Pel, Geestelijken in het recht – De rechtspositie van geestelijke functionarissen in het licht van het eigen recht van kerken en religieuze gemeenschappen in de Nederlandse rechtsorde, Meppel 2013, p. 279, noot 54) en dus niet per definitie een ambt volgens het kerkrecht van een kerkgenootschap.

    • 6 Over de geestelijke verzorging in justitiële inrichtingen zie N. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 29-43.

    • 7 Van Zessen & Koolen 2013, p. 40.

    • 8 H. Kunneman, ‘Horizontale transcendentie en normatieve professionalisering: de casus geestelijke verzorging’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 381. Ambtelijke Binding (VGVZ-cahiers 4), Nijmegen 2010, p. 66.

    • 9 Ambtelijke Binding, p. 36.

    • 10 Ambtelijke Binding, p. 31: ‘De identiteit van de geestelijk verzorger maakt hem of haar herkenbaar voor de cliënten (…) Cliënten weten zo met wie ze van doen hebben.’ Idem, p. 33: ‘De geestelijk verzorger maakt in het gesprek zijn levensbeschouwelijke identiteit zichtbaar, die hem herkenbaar maakt voor de cliënt en hem gesprekspartner doet zijn.’

    • 11 Ambtelijke Binding, p. 67.

    • 12 Ambtelijke Binding, p. 122.

    • 13 Ambtelijke Binding, p. 99.

    • 14 H. Schilderman, ‘Religie en zorg in het publieke domein’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 406.

    • 15 Ambtelijke Binding, p. 39.

    • 16 De Nederlandse bisschoppenconferentie heeft in de nota ‘Meewerken in het pastoraat’ (1999) ruimte gemaakt voor professionele pastorale medewerkers zonder priesterstatus, maar wel met een officiële kerkelijke taakstelling, op basis van een pastoraal-theologische opleiding (Pel 2013, p. 274 e.v.).

    • 17 G. Kronjee, ‘De religieuze transformatie en de sociale cohesie’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p. 69.

    • 18 G. Kronjee & M. Lampert, ‘Leefstijlen in zingeving’, in: W.B.H.J. van de Donk, A.P. Jonkers, G.J. Kronjee & R.J.J.M. Plum, Geloven in het publieke domein – verkenningen van een dubbele transformatie (rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), Den Haag/Amsterdam 2006, p.184.

    • 19 Kronjee 2006, p. 83.

    • 20 Kronjee & Lampert 2006, p. 176.

    • 21 C. Taylor, Een seculiere tijd, Rotterdam 2009, p. 674-676; Geloof in de samenleving, Christendemocratische reflecties op religie en levensbeschouwing in het publieke domein, Den Haag: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA/Centre for European Studies (CES) 2012, p. 45.

    • 22 Kunneman 2006, p. 375.

    • 23 Kunneman 2006, p. 375; Ambtelijke Binding, p. 85.

    • 24 Van Zessen & Koolen 2013, p. 42.

    • 25 Van Zessen & Koolen 2013, p. 43) geven aan dat ook onder de gevangenispopulatie het aanbod van geestelijke verzorging niet aansluit bij de behoefte: ‘Het hedendaagse profiel van geestelijk verzorger past niet meer in het traditionele model. Diens ambtelijke binding aan zijn denominatie is in de toenemende levensbeschouwelijke verbrokkeling minder functioneel aan het worden.’

    • 26 Ambtelijke binding, p. 93.

    • 27 De beroepsvereniging heeft een eigen tuchtrecht voor haar leden in het geval zij zich niet houden aan de beroepsstandaard. Over zaken die de Raad, het HV of een denominatie aangaan, heeft de beroepsvereniging geen zeggenschap. Dat is aan de denominaties, het HV en de Raad. (voetnoot van het rapport)

    • 28 S.C. den Dekker-van Bijsterveld, De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle 1988, p. 237-239.

    • 29 Pel 2013, p. 55, 95, 104.

    • 30 www.rokerskerk.nl/overdekerk/, geraadpleegd op 11 september 2013. De pretentie van deze ‘kerk’ is nog niet juridisch getoetst. Wel is een café dat zich tot de rokerskerk rekende, door de Voedsel en Waren Autoriteit beboet; deze boete is betaald (www.nu.nl/algemeen/1694329/rokerskerk-krijgt-eerste-boete.html).

    • 31 S.C. van Bijsterveld, ‘Godsdienst: what ’s in a name?’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2012-3, p. 3-4.

    • 32 Onder nihilisme versta ik hier het in religie en wereldbeschouwing loochenen of betwijfelen van hogere waarden, normen en zin van wereld, leven en menselijk zijn. Zie Kronjee & Lampert 2006, p. 178, 180 e.v.

    • 33 Art. 4 van het door hem opgestelde Program van Beginselen van de Anti-Revolutionaire Partij.

Dr. J.P. de Vries maakte namens het interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) deel uit van de Regiegroep Toekomstig bestel geestelijke verzorging.

Print dit artikel