DOI: 10.5553/TvRRB/187977842014005002002

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Constitutionele antwoorden op toenemend pluralistische samenlevingen

Religieuze diversiteit in Frankrijk, Italië en Canada

Trefwoorden religieuze diversiteit, religieuze symbolen, secularisme, boerkaverbod, ‘reasonable accommodation’
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dr. Carla Zoethout, 'Constitutionele antwoorden op toenemend pluralistische samenlevingen', TvRRB 2014-2, p.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Gedurende de afgelopen decennia zijn westerse samenlevingen in toenemende mate geconfronteerd met immigratie. Als gevolg van internationale conflicten, de wereldwijde economische crisis en Europees beleid is het aantal nationaliteiten in de westerse samenlevingen aanzienlijk toegenomen. Samenlevingen die veel nieuwkomers hebben ontvangen, zijn geleidelijk aan meer pluralistisch geworden voor zover het gaat om de achtergrond, cultuur en religies van hun inwoners. Dit pluralistische karakter van de samenleving maakt het belang om in elk geval een minimum aan constitutionele uitgangspunten te delen des te groter, ook met het oog op de toekomstige – mogelijk nog meer diverse – samenleving. In dit artikel wil ik constitutionele initiatieven in Frankrijk, Italië en Québec bespreken met het oog op de toenemende diversiteit van deze samenlevingen en gelet op vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland. In hoeverre moet worden tegemoetgekomen aan het behoud van de eigen cultuur en in hoeverre is een revitalisering van gemeenschappelijke waarden noodzakelijk? 1x Zie hiervoor ook: M. Berger, ‘The Third Wave: Islamization of Europe, or Europeanization of Islam?’, Journal of Muslims in Europe 2013, 2, p. 115-136.

      In navolging van het uitgangspunt dat het in steeds pluralistischer wordende samenlevingen noodzakelijk is om een minimum aan constitutionele uitgangspunten te delen, zijn verschillende landen de afgelopen tijd tot een herijking van hun constitutionele waarden gekomen. Maar vooral als het gaat om religie en religieuze vraagstukken in hedendaagse samenlevingen heeft dit vaak aanleiding gegeven tot controverses. Zo is in Frankrijk in 2010 wetgeving aangenomen waarin het verbergen van het gezicht in het openbaar verboden werd verklaard. 2x Loi nr. 2010-1192 du 11 oct. 2010 interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public, Journal Officiel (JORF) 12 oktober 2010. Meer regelgeving in: Circulaire du 2 mars 2011 relative à la mise en oeuvre de la loi nr. 2010-1192 du 11 oct. 2010 interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public, JORF 3 maart 2011. www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000022911670&dateTexte=&categorieLien=id. Het Franse parlement wilde met dit verbod de gelijke participatie van burgers in de samenleving stimuleren en de gelijke behandeling naar geslacht waarborgen. In Italië heeft het juridische en politieke debat over het plaatsen van crucifixen in openbare scholen uiteindelijk geleid tot een herbevestiging van de traditionele dominantie van het katholicisme. Een opvallende ontwikkeling in dit opzicht aan de andere kant van de oceaan, is het Québec Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between men and women (hierna: het Charter), een initiatief dat in het voorjaar van 2014 is besproken in de nationale vergadering van Québec. 3x Quebec National Assembly, Fortieth Legislature, Bill 60, ‘Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between men and women’, introduced by Mr. Bernard Drainville, Minister Responsible for Democratic Institutions and Active Citizenship’, ingediend op 7 november 2013.
      Terwijl in Frankrijk de wet op gezichtsbedekkende kleding expliciet werd gepresenteerd in reactie op multiculturalistisch gedachtegoed 4x De term ‘multiculturalisme’ heeft minstens twee verschillende betekenissen: (a) de term wordt vaak gehanteerd in een descriptieve zin om daarmee de pluralistische samenleving aan te duiden, en (b) ‘multiculturalisme’ is ook een ideologie die groepen boven het individu plaatst en waarin cultuur wordt gezien als een verschijnsel dat bijzondere bescherming verdient. en als een versterking van de waarden van de Franse Republiek, werd de geprivilegieerde positie van de traditionele religie in Italië versterkt door rechters met expliciete verwijzing naar de Italiaanse identiteit. Het nieuwe wetgevingsinitiatief in Québec is weer een ander antwoord op de problemen waarmee de multiculturele samenleving wordt geconfronteerd. De belangrijkste gedachte van het Charter is het versterken van de neutraliteit van de staat ten aanzien van religie, onder meer door het verbieden van religieuze kleding in de overheidsdienst. Tot op zekere hoogte kunnen al deze initiatieven worden beschouwd als pogingen om de constitutionele identiteit van de staat te herdefiniëren, tegen de achtergrond van een in toenemende mate pluralistische cultuur. De vraag die zich aandient is: welk van deze benaderingen is het meest verdedigbaar met het oog op de huidige en toekomstige pluralistische samenleving?

    • DE WAARDEN VAN DE FRANSE REPUBLIEK, HET VERBOD OP GEZICHTSBEDEKKENDE KLEDING EN DE AFWIJZING VAN HET MULTICULTURALISME

      De constitutionele achtergrond van de controverse

      Een van de meest omstreden initiatieven ter versterking van de constitutionele waarden in Frankrijk is ongetwijfeld het verbod op gezichtsbedekkende kleding in openbare ruimtes dat in 2010 werd geïntroduceerd. Aan dit verbod was een ander initiatief voorafgegaan. Zo was in 2004 een ‘commissie van onderzoek’ onder voorzitterschap van de toenmalige ombudsman van Frankrijk, Bernard Stasi, in het leven geroepen om zich te buigen over de toepassing van het principe van secularisme (‘laïcité’). 5x Zoals opgenomen in de grondwet van de Vijfde Franse Republiek. Commission de réflexion sur l’application du principe de la laïcité dans la République, Laïcité et République, Rapport au Président de la République, 2004, www.ladocumentationfrancaise.fr/var/storage/rapports-publics/034000725/0000.pdf; P. Weil, ‘Why the French Laïcité is Liberal’, Cardozo Law Review 2009), 30(6), p. 2699-2714. De commissie-Stasi interviewde voor haar rapport vertegenwoordigers van verschillende groeperingen in Frankrijk: politieke en religieuze leiders, schoolbesturen en organisaties op het gebied van mensenrechten. De data die werden verzameld door de commissie waren zonder meer onthutsend te noemen. Het rapport onthulde dat de laatste twee tot drie jaar (misschien in reactie op de aanslagen van 11 september 2001) op die scholen waar sommige meisjes een hoofddoek droegen, moslimmeisjes die dat niet deden onder grote druk kwamen te staan. De commissie-Stasi ontving getuigenissen van leraren en schoolbesturen die onvoldoende in staat waren de situatie op school te beheersen. Ook moslimouders gaven aan dat zij soms hun dochters naar katholieke privéscholen stuurden waar zij niet onder druk stonden om een hoofddoek te dragen. 6x Voor een samenvatting waarin de belangrijkste onderdelen van het rapport worden weergegeven, zie: R. O’Brien, W.S. Hein & Co, Inc., The Stasi Report, The Report of the Committee of Reflection on the Application of the Principle of Secularism in the Republic, Buffalo, New York 2005; Weil 2009, p. 2707. Een nationale regeling leek het meest geschikt om met dit delicate probleem om te gaan. Het rapport resulteerde uiteindelijk in de aanvaarding van een wet waarin het dragen van religieuze kleding op scholen werd verboden. 7x Loi nr. 2004-228 du 15 mars 2004 encadrant, en application du principe de laicité, le port de signes ou de tenues manifestant une appearance religieuse dans les écoles, collèges et lycées publics (Wet van 15 maart 2004 (nr. 2004-228) waarin met toepassing van het principe van het secularisme (‘laïcité’) het dragen van tekenen of kleding waarin religieuze affiliaties opzichtig worden uitgedragen, in openbare basisscholen, middelbare scholen en hogescholen wordt gereguleerd), JORF (Official Organ of the French Republic) 17 maart 2004, nr. 64, p. 5190, www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000000417977&dateTexte=&categorieLien=id. Artikel 1 van de wet stelt:

      ‘In openbare basis-, middelbare en hogescholen, wordt het dragen van tekenen of kleding waardoor de religieuze opvatting van de leerling opzichtig wordt uitgedragen, verboden. Disciplinaire procedures om deze regel te implementeren zullen worden voorafgegaan door een gesprek met de betreffende leerling.’ 8x Aangehaald in Weil 2009, p. 2699.


      De wet was bedoeld om ervoor te zorgen dat kinderen op school zich vrijelijk kunnen ontwikkelen, zonder (religieuze en) sociale dwang van buitenaf. 9x Zoals blijkt uit de ‘Circulaire’ die naar aanleiding van de wet is uitgevaardigd: www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000000252465&dateTexte=. Juist op school moeten principes als de gelijkheid van alle mensen en de gelijkheid van man en vrouw uitdrukking kunnen vinden, en de mogelijkheid voor iemand om zijn eigen leven te leiden moet kunnen worden gerealiseerd, aldus de regering. Zoals neergelegd in de memorie van toelichting op de wet, wordt de Franse staat gezien als de beschermer van het individuele en collectieve geweten. De missie van openbare scholen is om open te staan voor iedere leerling, onafhankelijk van zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen. Deze wet probeert aan die missie bij te dragen. Met de aanvaarding van de wet gaf de toenmalige Franse president Nicholas Sarkozy opnieuw uitdrukking aan het principe van het secularisme (‘laïcité’), zoals neergelegd in de constitutie. 10x Art. 1 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek stelt: ‘Frankrijk is een ondeelbare, seculiere, democratische en sociale Republiek. Zij verzekert de gelijkheid van alle burgers voor de wet, zonder onderscheid naar afkomst, ras of religie. Zij respecteert alle geloofsovertuigingen. Zij is georganiseerd op decentrale basis.’ Het zijn de neutraliteit van de staat en de bescherming van de vrijheid van geweten die tezamen het principe van het secularisme vormen. 11x Zie ook: P. van Sasse van IJsselt, ‘Over het verbod op het dragen van de gezichtssluier en van andere gelaatsbedekkende kleding’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010-3, p. 5-28, en voor jurisprudentie over het verbod op het dragen van opvallende religieuze symbolen op openbare scholen in Frankrijk de bijdrage van C. Zoethout in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010-2, p. 76-80.
      Maar de wet uit 2010 waarin het dragen van gezichtsbedekkende kleding werd verboden, had andere doeleinden. De Franse regering gaf aan gezichtsbedekkende kleding te beschouwen als onverenigbaar met bepaalde uitgangspunten van de Franse staat. Het dragen van dergelijke kleding was in de visie van de regering: (a) een afwijzing van de waarden van de Franse Republiek, (b) contrair aan de fundamentele eisen van ‘vivre ensemble’ (samenleven) in de Franse maatschappij, (c) een aanval op de waardigheid van de persoon in kwestie, (d) een afwijzing van de gelijkheid van man en vrouw, en (e) een gevaar voor de openbare veiligheid. 12x ‘Exposé des motifs’ of law nr. 2520, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp. De officiële memorie van toelichting op de wet verwijst evenwel (anders dan de wet uit 2004) niet naar het constitutionele principe van secularisme. De regering benadrukt vooral de noodzaak van samen leven in de maatschappij, van het visuele contact met de ander om communicatie mogelijk te maken. Artikel 1 van de wet verklaart:

      ‘Niemand mag, in enige openbare ruimte, kleding dragen die bedoeld is het gezicht te bedekken.’

      Sectie 3 stelt vervolgens dat het niet voldoen aan het verbod een boete oplevert van 150 euro, die kan worden opgelegd in combinatie met het bevel een burgerschapscursus te volgen. Opvallend is ook sectie 4, waarin degene die een ander dwingt het gezicht te bedekken wordt bedreigd met gevangenisstraf van een jaar of een boete van 30.000 euro. De wet is aanvaard door een meerderheid in de Assemblée Nationale en de Sénat. 13x Om precies te zijn, in the Assemblée Nationale stemden 335 van de 339 gedeputeerden voor de wet. In de Sénat brachten 246 sénateurs van de 247 hun stem uit. Een aanzienlijk aantal gedeputeerden van links besloot geen stem uit te brengen – van de 204 socialistische gedeputeerden waren er slechts 18 present en stemden voor de wet. Van de 116 socialistische senatoren waren er 46 present en stemden voor. In plaats van unanimiteit zou men daarom beter van een ‘quasi-unanimiteit’ van gedeputeerden en senatoren kunnen spreken, stelt Languille 2012, p. 87-97, p. 88, noot 3. De Conseil Constitutionnel (de Franse Constitutionele Raad) heeft het wetsvoorstel vervolgens getoetst in het licht van de constitutie 14x Zie Constitutional Council, Decision nr. 2010 - 613 DC, 7 oktober 2010, www.conseil-constitutionnel.fr/conseil-constitutionnel/root/bank_mm/anglais/en2010_613dc.pdf. en een opvallend kort oordeel uitgevaardigd. De Conseil Constitutionnel verklaarde (meer dan hij beargumenteerde) dat de wet niet onconstitutioneel is. Daarmee legitimeerde deze Conseil in zekere zin de aanvaarding van de wet. 15x Deze vorm van toetsing vindt plaats onder art. 61 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek, hetgeen betekent dat het een vorm van abstracte toetsing is (zonder dat hieraan een geschil ten grondslag ligt). Deze vorm van toetsing wordt soms gezien als een vorm van politieke toetsing omdat de Conseil, door te verklaren dat de wet in overeenstemming is met de constitutie, in feite de regering steunt. Daarmee speelt tevens mee dat de Conseil deels is samengesteld uit oud-politici en ook de overige leden niet per definitie juristen zijn. Zie Languille 2012, p. 88. Sinds oktober 2010 is de constitutionele raad ook bevoegd wetten te toetsen naar aanleiding van individuele verzoekschriften (art. 61-1 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek).
      In de juridische literatuur (vooral in tijdschriften over mensenrechten en constitutionele vraagstukken) is het verbod uitgebreid besproken. De meeste auteurs zijn geneigd het verbod te zien vanuit het perspectief van de vrijheid van godsdienst en beschouwen het verbod op gezichtsbedekkende kleding als een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van het individu. 16x Van de vele internationale publicaties over dit onderwerp noem ik: G. van der Schyff & A.J. Overbeeke, ‘Exercising religious freedom in the public space: A comparative and European convention analysis of general burqa bans’, European Constitutional Law Review 2011, 7(3), p. 424; M. Hunter-Henin, ‘Why the French Don’t Like the Burqa: Laïcité, National Identity and Religious Freedom’, International and Comparative Quarterly 2012, 61(3), p. 613-640. Inmiddels heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich eveneens uitgesproken over de verenigbaarheid van de wet met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). 17x S.A.S./France, appl.nr. 43835/11, 1 juli 2014. Een korte bespreking van de zaak volgt hierna.
      In dit artikel wil ik mij concentreren op de onderliggende motieven en argumenten voor de wet. Het wetsvoorstel is uitgebreid besproken in het Franse parlement. Het is juist het finale debat in de Sénat (het instituut dat de regio’s vertegenwoordigt) waarop ik in het bijzonder wil ingaan. De belangrijkste argumenten die voor en tegen de aanvaarding van de wet zijn ingebracht worden hierna belicht.

      Analyse van het parlementaire debat

      Ook in het parlementaire debat wordt besproken in hoeverre het wetsvoorstel in overeenstemming is met de Franse grondwet en het EVRM. Daarbij wordt meermalen verwezen naar de Conseil d’État (de Franse Raad van State), een instituut dat (anders dan de Conseil Constitutionnel) tamelijk kritisch over het wetsvoorstel was. Het rapport van de Conseil d’État richt zich op vier hoofdpunten: de vrijheid van religie, de notie van de publieke orde, de vraag of de staat een bepaalde conceptie van de samenleving mag afdwingen, en het algemene karakter van het verbod, dat onvoldoende gemotiveerd is. 18x Conseil d’ État, Etude relative aux possibilities juridiques d’interdiction du port du voile integral, 25 maart 2010, p. 26-27. Al deze argumenten komen ook aan de orde in het debat in de Sénat en zullen hierna worden besproken.

      Afwijzing van de waarden van de Franse Republiek

      De eerste reden die door de regering naar voren is gebracht ter ondersteuning van het wetsvoorstel is dat het verbergen van het gezicht in het openbaar wordt beschouwd als een verwerping van de waarden van republiek (van vrijheid, gelijkheid en broederschap) – de waarden die worden gezien als de basis van het sociaal contract (‘le socle de notre pacte social’), het fundament van de menselijke waardigheid en de gelijkheid van man en vrouw. Het verbergen van het gezicht in het openbaar wordt beschouwd als uitdrukking van ‘symbolisch en onmenselijk geweld’. 19x ‘(…) la dissimulation du visage dans l’espace public est porteuse d’une violence symbolique et déshumanisante, qui heurte le corps social’, ‘Exposé des motifs’ of law nr. 2520, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp. Om deze redenen meent de regering dat een verbod dat is beperkt tot bepaalde locaties, onvoldoende antwoord is op deze problemen. 20x Nr. 2520, ‘Project de loi interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public’, Exposé des motifs, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp.

      Contrair aan de fundamentele uitgangspunten van ‘samen leven’ in de Franse samenleving

      Een tweede argument is dat de vrijwillige en systematische bedekking van het gezicht wordt beschouwd als contrair aan de eisen van samenleven (‘vivre ensemble’) in de Franse samenleving. Het dragen van gezichtsbedekkende kleding voldoet niet aan de ‘minimumeisen van beschaving die noodzakelijk zijn in een samenleving’ – het kan worden beschouwd als een soort ‘publiek kluizenaarschap’.
      In het debat in de Sénat waren vooral de communisten gekant tegen het wetsvoorstel. In een verklaring waarom zij niet aan de stemming deelnamen, verwezen zij naar het kritische rapport van de Conseil d’État over het verbod. In hun visie verdeelt de regering met het wetsvoorstel de Franse samenleving in vreemdelingen en Franse burgers. Het wetsvoorstel zou tot vrees onder de bevolking leiden en tot extremisme, terwijl het aantal vrouwen dat gezichtsbedekkende kleding draagt in Frankrijk beperkt is tot 2000. 21x Mme N. Borvo Cohen-Seat, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6737-6738. Voor een senator van de regeringspartij UMP is dat geen argument. Hij verwijst hiervoor naar een uitspraak van Montesquieu: ‘Une injustice faite à un seul est une menace à tous.’ 22x M. J.-P. Alduy, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6749. Een andere senator citeert de Franse filosoof Emanuel Levinas over de noodzaak om in een samenleving zijn gezicht te laten zien: ‘Het gezicht is niet het geheel van een neus, een voorhoofd, ogen, enzovoort (…) Door het gezicht, wordt een wezen niet alleen omgeven door een vorm (…) hij is open.’ 23x Mme M.-Th. Hermange, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6753. Anders gezegd, het dragen van gezichtsbedekkende kleding verhindert een persoon om deel te nemen aan de samenleving en moet daarom worden verboden, aldus de Franse regering.

      De menselijke waardigheid en het verwerpen van de gelijkheid van man en vrouw

      Het bedekken van het gezicht wordt ook gezien als een verwerping van de gelijkheid van man en vrouw. De ‘parlementaires Verts’ benadrukken echter in het debat dat deze reden in vele verschillende opzichten oneigenlijk is. De ongelijke behandeling van mannen en vrouwen is inderdaad een feit en maakt dat de regering iets aan dit onderscheid zou moeten doen. Het zou bijvoorbeeld verdragen moeten opzeggen met die landen die vrouwen discrimineren. Ook deze parlementariërs weigeren daarom aan de stemming deel te nemen. 24x Mme A. Boumediene-Tiery, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6747-6748.

      Een gevaar voor de publieke veiligheid 25x Exposé des motifs.

      Het argument dat het bedekken van het gezicht in het openbaar een gevaar voor de openbare veiligheid kan opleveren, is minder omstreden. De socialisten stellen voor om het verbod te beperken tot openbare ruimtes (met het oog op de vrijheid van religie en het algemene karakter van het verbod), maar dit voorstel vindt geen steun bij de meerderheid in de Sénat. 26x De socialisten verklaren vóór de wet te zijn, maar stellen een amendement voor dat het voorstel beperkt tot openbare diensten en plaatsen en tot die openbare plaatsen waarin de veiligheid een directe aanleiding vormt voor toepassing van de wet (p. 6741). Het amendement wordt echter niet door een meerderheid in de Sénat gesteund. In het debat onderstreept de regering nogmaals dat de wet zich richt op de bescherming van de waarden van de Franse Republiek en dat het niet primair de vrijheid van religie op het oog heeft. 27x De vraag of het dragen van een boerka een religieuze verplichting is, blijft gedurende het debat onduidelijk. Volgens de minister van Justitie heeft de president van de Conseil Français du Culte Musulman (CFCM) gesteld dat er geen verband bestaat tussen de Koran en het dragen van gezichtsbedekkende kleding. Het werkelijke punt waar het om gaat is het multiculturalisme (‘communautarianisme’): met dit voorstel distantieert de Franse regering zich van deze ideologie. In de multiculturalistische benadering, zo stelt de minister, ‘(…) zijn specifieke regels van toepassing op bepaalde categorieën van de samenleving en deze regels kunnen in bepaalde situaties tegen de algemene norm ingaan. (…) Het multiculturalisme wordt – zo stelt de regering – in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten erkend. Maar de Britse en Amerikaanse constitutionele cultuur zijn anders dan de Franse. In de Franse constitutionele cultuur wordt voorrang gegeven aan het beginsel van gelijkheid voor de wet, zonder fragmentatie in de samenleving.’ 28x Mme M. Alliot-Marie, Ministre de l’État, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6754. De minister herhaalt opnieuw dat:

      ‘(…) de wil om samen te leven hangt, zoals wij allen weten, af van de mogelijkheden ons te verenigen rond gemeenschappelijk gedragen waarden en van de wil om een gemeenschappelijk doel te delen.’ 29x ‘(…) la volonté de vivre ensemble dépend, nous le savons tous, de notre capacité à nous rassembler autour des valuers communes et de la volonté de partager un destin commun’, Sénat, Journal Officiel de la Répubique Française, 2e session extraordinaire de 2009-2010, Compte Rendu Intégral, Séance du mardi 14 septembre 2010, p. 6731.De invloed van de Franse filosoof Ernest Renan (1823-1892) is duidelijk in dit citaat, vooral zijn essay ‘Quest-ce qu’une nation?’, oorspronkelijk een lezing aan de Sorbonne in 1882. http://fr.wikisource.org/wiki/Qu%E2%80%99est-ce_qu%E2%80%99une_nation_%3F.

      Secularisme in the Franse Republiek

      De zojuist beschreven discussie in Frankrijk was voorafgegaan door een complex advies van de Conseil Constitutionnel over het dragen van hoofddoekjes op scholen. In dit advies poogde de Conseil Constitutionnel het principe van secularisme te verenigen met de vrijheid van religie en geweten. 30x Weil 2009, p. 2699. Daarmee werd de kwestie in feite overgelaten aan de schoolautoriteiten, zonder een duidelijk normatief kader.
      Met de voornoemde wetten hebben de politieke instituties zich uitgesproken over een aantal fundamentele constitutionele principes van de Franse staat. Met name het verbod van het dragen van opzichtige religieuze tekenen kan worden beschouwd als een herbevestiging van het principe van de laïcité, of secularisme, het overkoepelende constitutionele principe dat aan de ene kant de neutraliteit van de staat en aan de andere kant de vrijheid van geweten van de burger benadrukt. 31x Laïcité et République 2004, p. 22. Met het oog op de relatie tussen staat en religie is het Franse model dus het model van de religieuze neutraliteit. Het is het tweede model van de vijf modellen die worden onderscheiden in de constitutionele literatuur: (1) politiek atheïsme, (2) de religieus neutrale of seculiere staat, (3) het multiculturalisme, (4) de staatskerk, en (5) de theocratie. 32x Zie hierover: P. Cliteur, ‘State and religion against the backdrop of religious radicalism’, International Journal of Constitutional Law 2012, 10(1), p. 127-152, en meer in het algemeen over de scheiding van kerk en staat: A.J. Nieuwenhuis, ‘State and religion, a multidimensional relationship, Some comparative law remarks’, International Journal of Constitutional Law 2012, 10(1), p. 153-174. Met het verbod op gezichtsbedekkende kleding hebben de Franse politieke instituties uitdrukkelijk de keuze gemaakt voor het opnieuw uitdragen van de waarden van de Franse samenleving, voor gelijkheid van allen voor de wet, voor de noodzaak om samen te leven in de maatschappij, en tegen het multiculturalisme als model voor de samenleving.
      Op 1 juli 2014 sprak het EHRM zich uit ten faveure van het verbod in de zaak S.A.S./France. Het Hof beoordeelt de zaak in het licht van de privacy en de vrijheid van godsdienst en hecht in het bijzonder veel waarde aan de overwegingen van de Franse regering dat het dragen van gezichtsbedekkende kleding niet verenigbaar is met de eisen van samen leven (‘vivre ensemble’) in de Franse maatschappij. 33x S.A.S./France, appl.nr. 43835/11, 1 juli 2014, r.o. 141-142. De Franse staat geniet hierin een zekere mate van beleidsvrijheid (‘margin of appreciation’) – het gaat hier om een vraagstuk waarover binnen de landen van de Raad van Europa geen consensus bestaat. Met het verbod probeert de Franse staat de interactie tussen individuen te beschermen, maar ook de noodzakelijke ‘tolerance and broadmindedness without which there is no democratic society’. Daarom kan worden gesteld, aldus het Hof in rechtsoverweging 153, dat de vraag of het dragen van gezichtsbedekkende kleding al dan niet moet worden toegestaan, een keuze van de samenleving is. In dergelijke situaties past het Hof een zekere mate van terughoudendheid, zo menen vijftien van de zeventien rechters.
      In de volgende paragraaf wordt een majeure controverse over religie in Italië behandeld. Het uiteindelijke resultaat van deze controverse was dat de traditionele religie opnieuw een belangrijke positie toebedeeld heeft gekregen. Het model van het secularisme werd daarmee verworpen en dat van de staatskerk in zekere zin hersteld.

    • HET DEBAT OVER HET KRUISBEELD IN ITALIË EN DE VERSTERKING VAN DE KATHOLIEKE RELIGIE

      Constitutionele achtergrond: het debat over de scheiding van kerk en staat

      Anders dan in Frankrijk, waar de politieke instituties de voorwaarden voor het deelnemen aan de Franse samenleving opnieuw bevestigden, was de versterking van het katholicisme in Italië het resultaat van juridische procedures. Deze procedures zijn vooralsnog de laatste episode in een lang politiek en juridisch debat over de relatie tussen staat en religie in Italië.
      Het belangrijkste onderwerp in het debat over de scheiding van kerk en staat in Italië is de culturele en politieke rol van het katholicisme in het licht van het toenemend pluralistische karakter van de Italiaanse bevolking. 34x A. Pin, ‘Public Schools, the Italian Crucifix, and the European Court of Human Rights: the Italian Separation of Church and State’, Emory International Law Review 2011, 25, p. 95-149. In dat opzicht is de belangrijkste bepaling in de Italiaanse constitutie artikel 7, dat zegt:

      ‘(1) De staat en de katholieke kerk zijn, elk binnen hun eigen domein, onafhankelijk en soeverein.
      (2) De verhouding tussen beide wordt gereguleerd door de Lateraanse pacten. (…)’

      In 1929 ondertekenden de fascistische regering en het Vaticaan deze pacten, die de onafhankelijkheid van het Vaticaan bevestigden en het als een soevereine staat erkenden. Artikel 1 van het Lateraanse Pact stelde dat: ‘Italië erkent en bevestigt het principe (…) volgens welke het katholicisme de enige religie in de staat is.’ 35x C. Panara, ‘Back to the Basics of Fundamental Rights: An Appraisal of the Grand Chamber’s Judgment in Lautsi in light of the ECHR and Italian Constitutional Law’, in: Temperman, The Lautsi Papers, Leiden: Brill 2012, p. 306. Over de positie van het crucifix in Italië (voorafgaand aan de zaken voor het EHRM) zie: S. Mancini, ‘Taking Secularism (not too) Seriously: The Italian “Crucifix Case’”, Religion & Human Rights 2006, 1, p. 179-195. In 1984 werd het Lateraanse Pact volledig herzien – laatstgenoemde bepaling werd geacht niet langer geldig te zijn. 36x Ondanks het feit dat het aantal kerkbezoekers de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, blijft de kerk in sociaal, cultureel, politiek en moreel opzicht zeer van belang, stelt McGoldrick: D. McGoldrick, ‘Religion in the European Public Square and in European Public Life-Crucifixes in the Classroom?, Human Rights Law Review 2011, 11(3), p. 451-502, hier p. 465. 37x Art. 19 van de Italiaanse constitutie erkent de vrijheid van godsdienst: ‘Een ieder is vrij in de belijdenis van zijn godsdienst, individueel of in gemeenschap met anderen, om deze te bevorderen en godsdienstige bijeenkomsten te vieren in het openbaar of privé, op voorwaarde dat deze geen inbreuk make op de publieke moraal.’ Art, 8 stelt: ‘Alle denominaties zijn gelijk voor de wet. Andere dan katholieke denominaties hebben het recht van zich te organiseren, op voorwaarde dat de statuten geen inbreuk maken op het Italiaanse recht. De betrekkingen van deze denominaties met de staat worden gereguleerd door het recht (…).’
      In de discussie over de rol van religie en religie en religieuze uitingen in Italië zijn vooral rechterlijke instanties zeer invloedrijk geweest. Terwijl de herziening van het Lateraanse Pact in 1984 het einde van de dominantie van het katholicisme inluidde, vond een andere belangrijke verandering plaats toen het Italiaanse constitutionele hof in 1989 het principe van de ‘laicità’ 38x P. Cliteur, La visione laica del mondo, Rome: Casa editrice Nessum Dogma 2013 (Italiaanse versie van The Secular Outlook, In Defense of Moral and Political Secularism, Chichester: Wiley-Blackwell 2010). in het Italiaanse recht introduceerde. 39x Corte Costituzionale, 11 april 1989, Decision nr. 203. Volgens dit hof moet het principe van de ‘laicità’ worden beschouwd als een van de belangrijkste fundamentele beginselen van het Italiaanse systeem. Het secularisme vloeit voort uit een combinatie van verschillende constitutionele bepalingen. 40x Art. 2 van de constitutie van de republiek Italië, dat de onaantastbare rechten van de mens formuleert, art. 3 over de gelijkheid van de wet en de voornoemde art. 7, 8 en 19. Mancini 2006, p. 179-195. Het ‘houdt geen onverschilligheid ten aanzien van religie in, maar een plicht van de staat om godsdienstvrijheid te garanderen, in een context van confessioneel en cultureel pluralisme’. 41x Ik ontleen dit citaat aan Pin 2011, p. 121. In de bewuste zaak besloot het EHRM dat het onderwijzen van het katholicisme op openbare scholen volkomen verenigbaar was met het principe van de ‘laicità’. Het Hof maakte duidelijk dat het Italiaanse principe van de ‘laicità’ niet moest worden verward met het Franse ‘laïcité’. Anders dan de Franse ‘ideologische, vijandige benadering’ zou de Italiaanse opvatting van de term meer positief en actief naar alle religies en religieuze gemeenschappen verwijzen. 42x Pin 2011, p. 122; Mancini 2006, p. 181. De implicatie van deze benadering is dat religie niet noodzakelijk uit publieke instituties hoeft te worden geweerd.

      Kruisbeelden in openbare scholen in Italië

      De zaak Lautsi/Italy 43x Zie hierover: C.M. Zoethout, ‘Rethinking Adjudication under the European Convention: The Lautsi Cases as a Prelude to a New Mode of Review by the ECtHR?’, in: J. Temperman (red.), The Lautsi Papers, Leiden: Brill 2012, p. 413-427; C.M. Zoethout, ‘Religious symbols in the Public School Classroom: A New Way to Tackle a Knotty Problem’, Religion and Human Rights 2011, 6, p. 285-290. over het gebod in Italië om kruisbeelden in klaslokalen op te hangen in zowel confessionele als openbare scholen, zou uiteindelijk leiden tot het herstel van de traditionele dominantie van de katholieke kerk in Italië. 44x EHRM 3 november 2009, nr. 30814/06 (Lautsi/Italy, hierna: Lautsi I) en EHRM (Grote Kamer) 18 maart 2011, nr. 30814/06 (Lautsi/Italy, hierna: Lautsi II). De zaak begon met een klacht van mevrouw Soile Lautsi, een moeder van Finse origine. Mevrouw Lautsi vond dat het voorschrift om kruisbeelden in klaslokalen op te hangen 45x Het voorschrift om kruisbeelden in klaslokalen op te hangen dateert van de negentiende eeuw en is gebaseerd op een koninklijk besluit van 1860, dat wil zeggen vóór de eenwording van Italië. Het voorschrift werd opnieuw uitgevaardigd in circulaires door het ministerie van Onderwijs in 1922 en 1926 en in koninklijke besluiten van 1924 en 1928, aangenomen toen Italië een fascistische staat vormde. In 1948 werd huidige republikeinse constitutie aangenomen waarin de katholieke kerk als enige godsdienst uitdrukkelijk wordt genoemd (art. 7 en 8). Niettemin is de positie van de katholieke kerk in de Italiaanse samenleving en politiek gedurende de afgelopen decennia minder dominant geworden, aldus McGoldrick: McGoldrick 2011, p. 464. een inbreuk vormde op haar recht haar kinderen op te voeden overeenkomstig haar levensbeschouwelijke opvattingen, een recht dat is neergelegd in artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Bovendien was zij van mening dat zowel haar recht op vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM) als dat van haar kinderen (die op dat moment 11 en 13 jaar oud waren) werd geschonden. Voor de Italiaanse rechters betoogde mevrouw Lautsi dat de beslissing van het schoolbestuur om de kruisbeelden niet te verwijderen, een inbreuk vormde op de Italiaanse constitutie 46x Art. 3 van de Italiaanse constitutie formuleert het principe van gelijkheid voor de wet, zonder onderscheid op grond van (onder meer) religie. In art. 19 is de vrijheid van godsdienst neergelegd. en de genoemde bepalingen van het EVRM en op het principe van secularisme dat volgens haar onderdeel was van de Italiaanse constitutie. 47x In Lautsi I, par. 24, verwijst het Europese Hof naar beslissingen van het Italiaanse constitutionele hof, dat op zijn beurt verwijst naar het beginsel van het secularisme. Volgens dit hof kan het secularisme worden ontleend aan de bepalingen in de constitutie en het gegeven dat de Italiaanse regering het confessionele karakter van de staat in de jaren tachtig uitdrukkelijk heeft verlaten.
      Het administratieve tribunaal van Veneto wees haar klacht van de hand. De opmerkelijke uitspraak van deze rechterlijke instantie reflecteert de jurisprudentie van de Italiaanse Raad van State. Volgens dit tribunaal is het kruisbeeld een ‘symbool van de Italiaanse geschiedenis en cultuur en van de Italiaanse identiteit. Daarom is het een symbool van de beginselen van gelijkheid, vrijheid en tolerantie en van de seculiere staat’, aldus het tribunaal. 48x Zie Lautsi I, par. 13. In beroep bij de Raad van State wordt haar klacht eveneens afgewezen. Volgens de Raad is het kruisbeeld ‘een van de seculiere waarden van de Italiaanse constitutie geworden’. 49x In zijn beslissing van 13 februari 2006 verklaart de Italiaanse Raad van State: ‘[L]a croix était devenue une des valeurs laïques de la Constitution italienne et représentait les valeurs de la vie civile’ (‘Het kruis is één van de seculiere waarden van de Italiaanse constitutie geworden dat de waarden van het openbare leven vertegenwoordigt’) (par. 15), nr. 556/06 Reg. Dec., nr. 7314 Reg. Ric., anno 2005, www.giustizia-amministrativa.it (onder: Sentenzi). Om het voorschrift om kruisbeelden te plaatsen te verenigen met het principe van het secularisme (‘laicità’) kan de Raad niet anders dan de religieuze betekenis van het symbool relativeren. 50x Panara 2012, p. 310.
      Volgens de Raad brengt het kruisbeeld de waarden van de Italiaanse samenleving tot uitdrukking, namelijk die van: ‘tolerantie, wederzijdse erkenning, de inherente waardigheid van de persoon, bevestiging van diens rechten, gezag, menselijke solidariteit en de afwijzing van elke vorm van discriminatie – waarden die worden geacht de Italiaanse beschaving te karakteriseren’. 51x Panara 2012, p. 308-309. In lijn met deze beslissing stelde de Raad onlangs dat het kruisbeeld in zekere zin ook een historisch en cultureel kenmerk van de Italiaanse samenleving is: ‘It represents a sign of national identification.’ 52x Panara 2012, p. 310.
      Zo hebben de Italiaanse rechters dus eerst de constitutionele bepalingen inzake religie op betrekkelijk neutrale wijze geïnterpreteerd, vervolgens het religieuze karakter van het crucifix gebagatelliseerd en tot slot het educatieve karakter van het kruisbeeld benadrukt. Wat dat laatste betreft, is het oordeel van de Italiaanse Raad van State in een zaak over een verzoek van de Unione degli Atei a Agnostici Razionalisti (Unie van Atheïstische en Rationalistische Agnostici) om kruisbeelden te verwijderen, veelzeggend:

      ‘(…) de Italiaanse openbare school wordt op dit moment bezocht door een groot aantal kinderen van buiten de EU, die moeten worden onderwezen in de beginselen van openheid naar diversiteit en de afwijzing van alle vormen van fundamentalisme (religieus dan wel anderszins) die ons rechtssysteem doordringen. (…) het is essentieel dat we ook symbolisch onze identiteit, die wordt gekenmerkt door de waarden van respect voor ieder mens en van solidariteit, opnieuw bevestigen.’ 53x Citaat uit de opinie van de Raad van State van 15 januari 2006, par. 6, Panara 2012, p. 311.

      Het crucifix voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

      De Kamer – waarom kruisbeelden onverenigbaar zijn met het EVRM

      Mevrouw Lautsi dient vervolgens een klacht in bij het EHRM. Zij stelt dat het kruisbeeld bovenal een religieuze connotatie heeft. 54x Lautsi I, par. 31. Om die reden, stelt zij, geeft het bevoorrechten van een bepaalde religie boven andere (door het ophangen van het kruisbeeld) kinderen het gevoel dat de staat een bepaalde religieuze overtuiging aanhangt. Dat is niet in overeenstemming met de uitgangspunten van de rechtsstaat, waarin geen religie voorrang moet hebben boven een andere. 55x Idem.
      De Italiaanse regering reageerde hierop door opnieuw de verschillende betekenissen van het kruisbeeld te onderstrepen:

      ‘(…) de hedendaagse democratische waarden zijn geworteld in het verleden van de evangelische boodschap. De boodschap van het kruis was daarom een humanistische boodschap die onafhankelijk van zijn religieuze dimensie kon worden geïnterpreteerd en bestond uit een aantal principes en waarden dat het fundament van onze democratieën vormde.’ 56x Idem, par. 35.

      In conclusie stelt de regering dat het kruisbeeld verenigbaar is met de notie van secularisme. Het kruisbeeld zou bovendien de filosofie die ten grondslag ligt aan dit constitutionele principe symboliseren – vandaar dat er geen sprake is van een inbreuk op het EVRM, aldus de regering.
      Het pleidooi van de Italiaanse regering overtuigt de Kamer die in eerste instantie rechtspreekt echter niet. Volgens de regering heeft het crucifix verschillende betekenissen, waarvan de religieuze betekenis de belangrijkste is. In de context van scholen worden crucifixen veelal als een integraal onderdeel van het onderwijs gezien en daarom als ‘powerful external symbols’. 57x Idem, par. 54, met verwijzing naar de beslissing in Dahlab/Switzerland, EHRM 15 februari 2001, nr. 42393/98. Vervolgens stelt de Kamer van het Europese Hof:

      ‘The Court does not see how display in classrooms of public schools of a symbol that it is reasonable to associate with Catholicism (the majority religion in Italy) could serve the educational pluralism that is essential to the preservation of a “democratic society” as conceived by the Convention.’ 58x Lautsi I, par. 56.

      In een unanieme (!) beslissing komt de Kamer vervolgens tot de conclusie dat het ophangen van kruisbeelden inderdaad een beperking van de genoemde rechten vormt en onverenigbaar is met de plicht van de staat om neutraliteit in de publieke gezagsuitoefening te betrachten, met name waar het gaat om het geven van onderwijs. 59x Idem, par. 57.

      De Grote Kamer – waarom kruisbeelden verenigbaar zijn met het EVRM

      Als de zaak uiteindelijk aan de Grote Kamer wordt voorgelegd, staat het Hof onder grote politieke druk. Het oordeel van de Kamer had geleid tot een storm van protest in zowel Italië als andere landen. 60x Zie: S. Mancini, ‘The Crucifix Rage: Supranational Constitutionalism Bumps Against the Counter-Majoritarian Difficulty’, 6 European Constitutional Law Review (2010), p. 6–27. J.H.H. Weiler, ‘Lautsi: Crucifix in the Classroom Redux’ (Editorial), 1 European Journal of International Law 2010, p. 1-5. , 61x Voor reacties op de beslissingen door het Hof, zie: D. Kyritsis & S. Tsakyrakis, ‘Neutrality in the classroom’, International Journal of Constitutional Law2013, 11(1), p. 200-217; L. Zucca, ‘Lautsi: A Commentary on a Decision by the ECtHR Grand Chamber’, The Lautsi Debate-Fin, International Journal of Constitutional Law 2013, 11(1), p. 218-229; J.H.H. Weiler, ‘Lautsi: A Reply’, The Lautsi Debate-Fin, International Journal of Constitutional Law 2013, 11(1), p. 230-233. J. Temperman (red.), The Lautsi Papers, Multidisciplinary Reflections on Religious Symbols in the Public School Classroom, Leiden/Boston: Martinus Nijhoff Publishers 2012 en de special van het tijdschrift Religion & Human Rights 2011, en Mancini 2010, p. 6-27. Van de 47 leden van de Raad van Europa lieten 21 (!) lidstaten zich buitengewoon kritisch uit over het oordeel. Bovendien wilde een ongekend aantal ‘derde partijen’ in het proces voor de Grote Kamer gehoord worden. Van het Europese Parlement gingen 33 leden naar het Hof; mensenrechtenorganisaties zoals het International Committee of Jurists en Human Rights Watch en tien Europese regeringen (waaronder die van Armenië, Bulgarije, de Russische Federatie en Griekenland) mochten hun visie naar voren brengen tijdens de mondelinge verdediging voor de Grote Kamer. 62x McGoldrick 2011, p. 451-502. Maar er waren ook andere geluiden te horen. Ten faveure van de beslissing van de Kamer publiceerden meer dan honderd Italiaanse organisaties een open brief waarin zij verklaarden het eens te zijn met het oordeel en waarin de politieke invloed van de katholieke kerk werd bekritiseerd. 63x Idem, p. 470.
      Op 18 maart 2011 herriep de Grote Kamer de eerdere beslissing. De Grote Kamer oordeelde dat de Italiaanse regering artikel 2 paragraaf 1 van het Eerste Protocol van het EVRM niet had geschonden en dat er geen reden was de klacht nog te behandelen onder artikel 9 EVRM (de vrijheid van godsdienst). Vijftien van de zeventien rechters van de Grote Kamer besloten dat de Italiaanse autoriteiten, door het voorschrift over het ophangen van kruisbeelden op alle scholen, hun beleidsvrijheid te dien aanzien niet hadden overschreden. 64x Het Hof hanteerde in dit geval (zoals zeer vaak) de doctrine van de ‘margin of appreciation’. Deze doctrine wordt met name gehanteerd waar de Convention een belangenafweging mogelijk maakt, bijv. bij de art. 8-11 EVRM (family life, freedom of religion, freedom of expression, freedom of association), die alle in het tweede lid de clausule ‘necessary in a democratic society’ kennen. Volgens de case-law van Straatsburg wordt de ‘margin of appreciation’ vooral gehanteerd als er sprake is van consensus onder de lidstaten. Hiermee wordt aan de staat in kwestie een zekere beleidsvrijheid gelaten. Handyside/United Kingdom, 7 december 1976, Appl.nr. 54933/72, par. 48. Met andere woorden, de Grote Kamer erkent het kruisbeeld als religieus symbool, maar beschouwt met de Italiaanse overheid het ophangen van kruisbeelden in openbare scholen als deel van de historische ontwikkeling in Italië. Het kruisbeeld heeft daarom niet alleen een religieuze connotatie, maar maakt ook deel uit van de Italiaanse identiteit, van de nationale traditie die moet worden voortgezet. Bovendien symboliseert het kruisbeeld de principes en waarden ‘die de basis vormen van de democratie en de westerse beschaving’. 65x Lautsi II, par. 67. Om die reden is de aanwezigheid van kruisbeelden in klaslokalen dan ook gerechtvaardigd, meent het Hof. Over de vraag of deze traditie moet worden voortgezet, bestaat geen consensus tussen de lidstaten. Daarom valt deze beoordeling binnen de ‘margin of appreciation’ van de lidstaat. Anders dan de Kamer, die het kruisbeeld als een ‘powerful external symbol’ ziet, meent de Grote Kamer dat het ‘an essentially passive symbol’ is. 66x De Grote Kamer verklaart dat ‘it cannot be deemed to have influence on pupils comparable to that of didactic speech or participation in religious activities’, Lautsi II, par. 72. Daarmee slaat de Grote Kamer een weg in die weliswaar in overeenstemming is met de Italiaanse benadering, maar veel minder met die van het EVRM en eerdere jurisprudentie waarin de notie van de neutraliteit van de staat ten aanzien van religie en religieuze manifestaties als richtinggevend wordt gezien.

      Nadere overwegingen

      Bij het lezen van de oordelen en uitspraken van de Italiaanse rechters en regering is het moeilijk aan de indruk te ontsnappen dat zij alle op de een of andere manier proberen tegemoet te komen aan de veranderende positie van religie in het hedendaagse Italië. Aan de ene kant willen rechters de rol van religie en religieuze symbolen in de maatschappij niet te veel benadrukken, maar aan de andere kant menen zowel de regering als de rechters dat het kruisbeeld symbool staat voor de Italiaanse identiteit en daarmee voor een aantal belangrijke waarden. Opvallend genoeg zijn deze waarden op zichzelf niet religieus – zij kunnen eerder worden beschouwd als seculiere waarden. De vraag die zich daarom aandient is waarom zo nadrukkelijk deze relatie met de Italiaanse waarden en identiteit wordt gelegd om het plaatsen van kruisbeelden op scholen te rechtvaardigen.
      Door het belang van het kruisbeeld als uitdrukking van de Italiaanse identiteit te benadrukken hebben de Italiaanse autoriteiten eigenlijk het principe van secularisme als mogelijke koers voor de samenleving verworpen en hebben zij het model van de staatskerk in wezen opnieuw omarmd. En dat terwijl zij daarmee zo lange tijd hebben geworsteld. De voor de hand liggende vraag is nu hoe dit model te verenigen is met een samenleving die steeds pluriformer zal worden voor zover het gaat om religie en levensbeschouwelijke overtuigingen, In de laatste paragraaf van dit artikel zal ik opnieuw op deze vraag terugkomen.
      De aanwezigheid van religieuze symbolen in de openbare ruimte heeft eveneens tot een verhit debat geleid in Québec, Canada. Al enige tijd is daar een discussie gaande over de vraag of een kruisbeeld in het parlement van Québec eigenlijk wel een geëigende plaats is. In de volgende paragraaf zullen de ontwikkelingen ten aanzien van de scheiding van kerk en staat in deze Canadese provincie worden belicht.

    • HET HANDVEST VAN STAATSSECULARISME EN RELIGIEUZE NEUTRALITEIT IN QUÉBEC

      Constitutionele achtergrond

      De positie van de provincie Québec binnen Canada is een bijzondere. Het constitutionele debat van de afgelopen tien jaar is vooral gericht geweest op de vraag of de constitutie van Canada Québec zou moeten erkennen als een aparte ‘nation’ of ‘distinct society’ binnen de Canadese federatie. 67x Deze paragraaf over de constitutionele achtergrond van Québec is vooral gebaseerd op D.R. Cameron & J.D. Krikorian, ‘Recognizing Quebec in the Constitution of Canada: Using the Bilateral Constitutional Amendment Process’, University of Toronto Law Journal 2008, 58, p. 389-420. Kenmerkend voor Québec is de Franse taal en cultuur. Al geruime tijd is de belangrijkste vraag in dezen hoe de erkenning en het behoud van de Franse taal en cultuur het best kunnen worden gewaarborgd. Binnen het bestek van dit artikel is het slechts mogelijk enkele van de belangrijkste ontwikkelingen in dit opzicht te belichten. De focus richt zich daarom op het recentelijk geïntroduceerde Charter affirming the values of State secularism, een handvest dat beoogt de neutraliteit van overheidsorganen ten aanzien van religieuze aangelegenheden te waarborgen.
      Het navolgende constitutionele overzicht begint met het jaar 1982, waarin de nationale regering van Ottawa en negen van de tien provinciale regeringen het eens werden over twee belangrijke veranderingen. In de eerste plaats zou een catalogus van rechten (het Canadian Charter of Rights and Freedoms) in de constitutie worden opgenomen. In de tweede plaats werden bepalingen aangenomen waarbij de procedure om de constitutie te veranderen werd gewijzigd. Op die manier zouden de Canadezen zelf en niet de Britse regering de uiteindelijke zeggenschap hebben over de Canadese constitutie. Eén belangrijk probleem bleef echter bestaan: de veranderingen zoals in 1982 ingevoerd, vonden plaats buiten Québec om. En dat terwijl in Québec ongeveer een kwart van de bevolking van het land woont en de provincie de meest fervente voorstander van constitutionele veranderingen was. Een dergelijke situatie was op den duur onhoudbaar. De constitutie van 1982 erkende namelijk expliciet het multiculturele karakter van het land en de rechten van de oorspronkelijke bewoners van Canada, 68x Onder de titel ‘Multicultural heritage’, stelt art. 27 van het Canadian Charter of Rights and Freedoms: ‘This Charter shall be interpreted in a manner consistent with the preservation and enhancement of the multicultural heritage of Canadians.’ P. Monahan, Meech Lake: The Inside Story, Toronto: University of Toronto Press 1991, p. 20, geciteerd in Cameron & Krikorian 2008, p. 391. maar verwijst in geen enkel opzicht naar het bijzondere karakter van Québec.
      Midden jaren tachtig werd opnieuw een constitutionele verandering voorgesteld – het zogenoemde Meech Lake Accord. Als gevolg hiervan zou Québec voortaan worden beschouwd als een ‘distinct society’ binnen Canada. Bovendien werd het bestaan van de Franssprekende Canadezen voor het eerst erkend. Maar opnieuw was er onvoldoende steun voor het initiatief, 69x Cameron & Krikorian 2008, p. 392. een ook niet voor het Charlottetown Accord uit 1992.
      Gedurende de jaren negentig bereikten de debatten over de mogelijkheid via constitutionele weg tegemoet te komen aan het nationalisme van Québec, een dieptepunt dat bijna zou leiden tot het einde van de staat Canada. 70x S. Choudry, ‘Does the world need more Canada? The politics of the Canadian model in constitutional politics and political theory’, International Journal of Constitutional Law 2007, 5(4), p. 606-638. De Parti Québecois (IPQ) stelt in 1994 in het parlement van Québec een wetsontwerp voor over de soevereiniteit van deze provincie. Een jaar later vindt hierover een referendum plaats, dat net niet wordt gehaald; Choudry 2007, p. 625. Zoals Choudry laat zien, was men er in die tijd van overtuigd dat Canada op dat moment werd geconfronteerd met een majeure crisis in zijn bestaan. Maar dan, in 2006, wordt in zekere zin tegemoetgekomen aan de wensen van de ‘Québecois’. In het Lagerhuis van het Canadese parlement wordt een resolutie voorgesteld waarin wordt erkend dat ‘the Québecois form a nation within a united Canada’. De steun voor het initiatief is enorm. Drie dagen later, in een stemming van 107 tegen 0, erkent ook het parlement van Québec de resolutie. 71x Coudry 2007, p. 396.

      ‘Reasonable accommodation’ en het Charter

      Ondertussen vond er ook een andere ontwikkeling plaats die van belang is voor dit artikel. De praktijk van ‘reasonable accommodation’ ten aanzien van culturele verschillen leidt in Québec in toenemende mate tot publieke verontwaardiging. Met ‘reasonable accomodation’ wordt bedoeld de praktijk waarbij de overheid zo veel mogelijk probeert tegemoet te komen aan verzoeken om bijzondere behandeling, met name vanwege godsdienstige overtuigingen. Vooral de wijze waarop met deze verzoeken wordt omgegaan, roept de vraag op naar de plaats van religie in publieke instituties. Vragen als: ‘Moet er worden gezorgd voor gebedsruimtes?’, ‘Moet het dragen van de islamitische hoofddoek worden beperkt?’ en ‘Mag overheidspersoneel religieuze tekenen op het werk dragen?’ leiden tot veel discussie. Een belangrijk adviesrapport dat een overzicht biedt van de praktijk van ‘reasonable accommodation’ in Québec stelt vast dat:

      ‘Abusive recourse to the charters combined with the benevolence of the courts was perceived as the root of a good part of the problem. The Supreme Court in particular, was accused of promoting multiculturalism in Québec.’ 72x G. Bouchard & Ch. Taylor, Building the Future, A Time for Reconciliation, Report Commission de Consultation sur les Pratiques d’Accommodement Reliées aux Differences Culturelles 2008, p. 33, www.accommodements-quebec.ca/documentation/rapports/rapport-final-integral-en.pdf. Voor een overzicht van de ‘accommodation practices’ in Québec en een chronologie van de gebeurtenissen, zie hoofdstuk II-IV.

      In reactie hierop roept de zittende premier Charest in 2007 een Consultation Commission in het leven, met de opdracht aanbevelingen voor de regering te formuleren die ervoor zouden moeten zorgen dat de ‘accommodation practices’ meer in overeenstemming komen met de waarden van Québec als een pluralistische, democratische en egalitaire samenleving. Het uitgebreide rapport van deze commissie gaat over noties als interculturalisme, 73x ‘Interculturalism’ wordt in het rapport gedefinieerd als: ‘A policy or model that advocates harmonious relations between cultures, based on intensive exchanges centred on an integration process that does not seek to eliminate differences while fostering the development of a common identity’, Bouchard & Taylor 2008, p. 287. immigratie en integratie, secularisme en het onderwerp van de identiteit van Québec. 74x Bouchard & Taylor 2008. Van het hele arsenaal aan aanbevelingen is er met name één heel opmerkelijk met het oog op het huidige wetgevingsinitiatief (het Charter) in Québec. Het rapport roept op nieuw beleid te formuleren (althans een statement te maken) met het oog op interculturalisme en secularisme.
      Na een eerder initiatief in 2012 heeft de regering van de provincie Québec onlangs een voorstel ingediend: het ‘Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between women and men, and providing a framework for accommodation requests’. Zoals in de toelichting omschreven, is een van de doeleinden van het voorstel om in het Charter of rights and freedoms aan te geven dat de fundamentele rechten en vrijheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met de waarden van gelijkheid tussen man en vrouw, de belangrijke positie van de Franse taal, de scheiding tussen kerk en staat en het religieus neutrale en seculiere karakter van de staat.
      Volgens het voorstel moeten overheidsinstanties zich neutraal opstellen ten aanzien van religieuze aangelegenheden en het seculiere karakter van de staat uitdragen. Dienovereenkomstig worden verplichtingen geformuleerd voor personeel van overheidsinstanties, waaronder de plicht zich neutraal en terughoudend op te stellen voor zover het gaat om religieuze aangelegenheden en zich te onthouden van het dragen van opzichtige religieuze tekens. Daarnaast wordt van personeel in overheidsdienst gevraagd met onbedekt gezicht publieke diensten te verrichten. Tegelijkertijd dienen ook diegenen voor wie diensten verricht worden het gezicht onbedekt te laten. Deze voorschriften gelden ook voor andere personen, in het bijzonder voor diegenen die rechterlijke functies uitoefenen of werkzaamheden verrichten ten behoeve van leden van het parlement. 75x Memorie van toelichting bij wetsontwerp 60 – the ‘Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between women and men, and providing a framework for accommodation requests’.
      Hoewel er een brede consensus lijkt te bestaan voor een officiële verklaring over de religieus neutrale staat en de noodzaak duidelijker richtlijnen te formuleren voor bijzondere regelingen (‘accommodation’), heeft het voorstel voor een verbod op religieuze tekenen in de publieke dienst veel verzet opgeroepen. De uitkomst van het parlementaire debat moet nog worden afgewacht. In academische tijdschriften wordt het debat soms geplaatst in het licht van de tegenstelling tussen secularisme en multiculturalisme, maar die benadering doet geen recht aan de complexiteit van het vraagstuk. Waar het om gaat is dat een poging wordt ondernomen om tegemoet te komen aan de problemen waarmee de multiculturele samenleving geconfronteerd wordt, om langetermijnoplossingen te vinden voor deze uiterst delicate onderwerpen en die oplossingen niet helemaal over te laten aan private actoren of aan de rechterlijke macht.

    • ENKELE GEDACHTEN OVER DE TOEKOMST VAN PLURALISTISCHE SAMENLEVINGEN

      Ondanks de verschillen tussen Frankrijk, Italië en de provincie Québec proberen alle een pad te vinden tussen de identiteit van de staat en de veranderende maatschappij. Met name in religieuze aangelegenheden blijkt dit een doornig pad te zijn, zoals we hebben gezien. Terwijl het duidelijk is dat een democratische rechtsstaat gelijke afstand van de staat vereist ten aanzien van alle religies, wordt de weg naar een oplossing voor de huidige en toekomstige samenleving op heel verschillende manieren uitgestippeld.
      Frankrijk probeert te komen tot een versterking van de waarden van de Franse Republiek en probeert de noodzaak van open communicatie in een samenleving opnieuw te expliciteren. Daarmee neemt de Franse regering een expliciet standpunt in over het multiculturalisme als model voor de huidige en toekomstige samenleving. Terwijl de maatschappij in feite multicultureel en in toenemende mate divers is, verwerpt de Franse regering het multiculturalisme als ideologie. In Italië, waar de dominante positie van de katholieke kerk nog maar drie decennia geleden beëindigd werd, is de religieuze Leitkultur in zekere zin opnieuw versterkt door de erkenning dat kruisbeelden onderdeel uitmaken van de Italiaanse cultuur en daarom moeten worden getoond, zelfs op openbare scholen. In Québec, waar de praktijk van ‘reasonable accommodation’ bijzonder omstreden is, is een nieuw initiatief gelanceerd met als doel een normatief kader te formuleren voor toekomstige verzoeken om bijzondere behandeling. Daarbij is tevens de positie van overheidsinstanties in deze aangelegenheden geherformuleerd. Terwijl de vrijheid van godsdienst en geweten uiteraard als wezenlijk deel van de democratische rechtsstaat is gewaarborgd, worden religieuze tekenen in de publieke dienst niettemin gezien als onverenigbaar met het principe van de neutraliteit van de staat.
      De vraag die zich nu aandient is welk van de hiervoor genoemde benaderingen het meest houdbaar lijkt met het oog op de toekomstige samenlevingen. Welk ‘model’ is het best te verdedigen in een samenleving die zonder twijfel nog meer divers zal worden voor zover het gaat om religieuze overtuigingen?
      In hun hoofdstuk over de vrijheid van godsdienst in het gezaghebbend The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law bespreken András Sajó en Renáta Uitz verschillende modellen van kerk en staat. In hun visie is de neutraliteit van de staat ten aanzien van religies een leidend principe in hedendaagse democratische rechtsstaten. Zoals zij stellen:

      ‘Hoewel de organisatorische verschillen tussen staten aanzienlijk zijn, wordt de democratische staat in beginsel geacht gelijke afstand te houden ten aanzien van alle religies, door zich te onthouden van een standpunt over religieuze aangelegenheden en door geen enkele religieuze groep of organisatie die voor dergelijke standpunten staat, te bevoordelen ( neutraliteit).’ 76x A. Sajó & R. Uitz, ‘Freedom of Religion’, in: M. Rosenfeld & A. Sajó, The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 909-928, hier p. 925. Veel auteurs hebben dezelfde opvatting, die ook zijn weerslag heeft in case-law van het EHRM.

      Vanuit dit perspectief bezien zal het Italiaanse model, dat de positie van de katholieke kerk in zeker zin herstelt, naar alle waarschijnlijkheid in de nabije toekomst opnieuw ter discussie komen te staan. Als een democratisch systeem inderdaad neutraliteit van de staat ten aanzien van religies vereist, dan is het moeilijk in te zien hoe de speciale positie van de katholieke kerk kan worden verdedigd.
      Het Franse model en het model dat is voorgesteld in Québec lijken wat dat betreft betere vooruitzichten te bieden. Waar het Franse model het voordeel van duidelijkheid heeft in die zin dat het gelijke behandeling van alle religieuze denominaties voorschrijft, zou men zich kunnen afvragen of de huidige regeling niet een te grote inmenging in de samenleving oplevert. Dat is anders wanneer het gaat om publieke instituties – in die situaties is het de staat zelf die zich manifesteert door optreden van zijn instituties en ambtenaren. Daar lijkt het principe van neutraliteit het meest op zijn plaats en het is ook op dat punt dat nadere regulering gewenst is. Ongetwijfeld zal het nog enige tijd duren voordat het Charter van Québec tot verwezenlijking zal komen. Maar als model voor de toekomstige multiculturele samenleving lijkt het Charter een principe te formuleren dat het meest recht doet aan alle burgers van de samenleving – de neutraliteit van de staat zoals weerspiegeld in zijn instituties.

    Noten

    • 1 Zie hiervoor ook: M. Berger, ‘The Third Wave: Islamization of Europe, or Europeanization of Islam?’, Journal of Muslims in Europe 2013, 2, p. 115-136.

    • 2 Loi nr. 2010-1192 du 11 oct. 2010 interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public, Journal Officiel (JORF) 12 oktober 2010. Meer regelgeving in: Circulaire du 2 mars 2011 relative à la mise en oeuvre de la loi nr. 2010-1192 du 11 oct. 2010 interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public, JORF 3 maart 2011. www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000022911670&dateTexte=&categorieLien=id.

    • 3 Quebec National Assembly, Fortieth Legislature, Bill 60, ‘Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between men and women’, introduced by Mr. Bernard Drainville, Minister Responsible for Democratic Institutions and Active Citizenship’, ingediend op 7 november 2013.

    • 4 De term ‘multiculturalisme’ heeft minstens twee verschillende betekenissen: (a) de term wordt vaak gehanteerd in een descriptieve zin om daarmee de pluralistische samenleving aan te duiden, en (b) ‘multiculturalisme’ is ook een ideologie die groepen boven het individu plaatst en waarin cultuur wordt gezien als een verschijnsel dat bijzondere bescherming verdient.

    • 5 Zoals opgenomen in de grondwet van de Vijfde Franse Republiek. Commission de réflexion sur l’application du principe de la laïcité dans la République, Laïcité et République, Rapport au Président de la République, 2004, www.ladocumentationfrancaise.fr/var/storage/rapports-publics/034000725/0000.pdf; P. Weil, ‘Why the French Laïcité is Liberal’, Cardozo Law Review 2009), 30(6), p. 2699-2714.

    • 6 Voor een samenvatting waarin de belangrijkste onderdelen van het rapport worden weergegeven, zie: R. O’Brien, W.S. Hein & Co, Inc., The Stasi Report, The Report of the Committee of Reflection on the Application of the Principle of Secularism in the Republic, Buffalo, New York 2005; Weil 2009, p. 2707.

    • 7 Loi nr. 2004-228 du 15 mars 2004 encadrant, en application du principe de laicité, le port de signes ou de tenues manifestant une appearance religieuse dans les écoles, collèges et lycées publics (Wet van 15 maart 2004 (nr. 2004-228) waarin met toepassing van het principe van het secularisme (‘laïcité’) het dragen van tekenen of kleding waarin religieuze affiliaties opzichtig worden uitgedragen, in openbare basisscholen, middelbare scholen en hogescholen wordt gereguleerd), JORF (Official Organ of the French Republic) 17 maart 2004, nr. 64, p. 5190, www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000000417977&dateTexte=&categorieLien=id.

    • 8 Aangehaald in Weil 2009, p. 2699.

    • 9 Zoals blijkt uit de ‘Circulaire’ die naar aanleiding van de wet is uitgevaardigd: www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000000252465&dateTexte=.

    • 10 Art. 1 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek stelt: ‘Frankrijk is een ondeelbare, seculiere, democratische en sociale Republiek. Zij verzekert de gelijkheid van alle burgers voor de wet, zonder onderscheid naar afkomst, ras of religie. Zij respecteert alle geloofsovertuigingen. Zij is georganiseerd op decentrale basis.’

    • 11 Zie ook: P. van Sasse van IJsselt, ‘Over het verbod op het dragen van de gezichtssluier en van andere gelaatsbedekkende kleding’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010-3, p. 5-28, en voor jurisprudentie over het verbod op het dragen van opvallende religieuze symbolen op openbare scholen in Frankrijk de bijdrage van C. Zoethout in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010-2, p. 76-80.

    • 12 ‘Exposé des motifs’ of law nr. 2520, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp.

    • 13 Om precies te zijn, in the Assemblée Nationale stemden 335 van de 339 gedeputeerden voor de wet. In de Sénat brachten 246 sénateurs van de 247 hun stem uit. Een aanzienlijk aantal gedeputeerden van links besloot geen stem uit te brengen – van de 204 socialistische gedeputeerden waren er slechts 18 present en stemden voor de wet. Van de 116 socialistische senatoren waren er 46 present en stemden voor. In plaats van unanimiteit zou men daarom beter van een ‘quasi-unanimiteit’ van gedeputeerden en senatoren kunnen spreken, stelt Languille 2012, p. 87-97, p. 88, noot 3.

    • 14 Zie Constitutional Council, Decision nr. 2010 - 613 DC, 7 oktober 2010, www.conseil-constitutionnel.fr/conseil-constitutionnel/root/bank_mm/anglais/en2010_613dc.pdf.

    • 15 Deze vorm van toetsing vindt plaats onder art. 61 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek, hetgeen betekent dat het een vorm van abstracte toetsing is (zonder dat hieraan een geschil ten grondslag ligt). Deze vorm van toetsing wordt soms gezien als een vorm van politieke toetsing omdat de Conseil, door te verklaren dat de wet in overeenstemming is met de constitutie, in feite de regering steunt. Daarmee speelt tevens mee dat de Conseil deels is samengesteld uit oud-politici en ook de overige leden niet per definitie juristen zijn. Zie Languille 2012, p. 88. Sinds oktober 2010 is de constitutionele raad ook bevoegd wetten te toetsen naar aanleiding van individuele verzoekschriften (art. 61-1 van de constitutie van de Vijfde Franse Republiek).

    • 16 Van de vele internationale publicaties over dit onderwerp noem ik: G. van der Schyff & A.J. Overbeeke, ‘Exercising religious freedom in the public space: A comparative and European convention analysis of general burqa bans’, European Constitutional Law Review 2011, 7(3), p. 424; M. Hunter-Henin, ‘Why the French Don’t Like the Burqa: Laïcité, National Identity and Religious Freedom’, International and Comparative Quarterly 2012, 61(3), p. 613-640.

    • 17 S.A.S./France, appl.nr. 43835/11, 1 juli 2014. Een korte bespreking van de zaak volgt hierna.

    • 18 Conseil d’ État, Etude relative aux possibilities juridiques d’interdiction du port du voile integral, 25 maart 2010, p. 26-27.

    • 19 ‘(…) la dissimulation du visage dans l’espace public est porteuse d’une violence symbolique et déshumanisante, qui heurte le corps social’, ‘Exposé des motifs’ of law nr. 2520, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp.

    • 20 Nr. 2520, ‘Project de loi interdisant la dissimulation du visage dans l’espace public’, Exposé des motifs, zie: www.assemblee-nationale.fr/13/projets/pl2520.asp.

    • 21 Mme N. Borvo Cohen-Seat, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6737-6738.

    • 22 M. J.-P. Alduy, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6749.

    • 23 Mme M.-Th. Hermange, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6753.

    • 24 Mme A. Boumediene-Tiery, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6747-6748.

    • 25 Exposé des motifs.

    • 26 De socialisten verklaren vóór de wet te zijn, maar stellen een amendement voor dat het voorstel beperkt tot openbare diensten en plaatsen en tot die openbare plaatsen waarin de veiligheid een directe aanleiding vormt voor toepassing van de wet (p. 6741). Het amendement wordt echter niet door een meerderheid in de Sénat gesteund.

    • 27 De vraag of het dragen van een boerka een religieuze verplichting is, blijft gedurende het debat onduidelijk. Volgens de minister van Justitie heeft de president van de Conseil Français du Culte Musulman (CFCM) gesteld dat er geen verband bestaat tussen de Koran en het dragen van gezichtsbedekkende kleding.

    • 28 Mme M. Alliot-Marie, Ministre de l’État, Sénat, Séance du 14 septembre 2010, p. 6754.

    • 29 ‘(…) la volonté de vivre ensemble dépend, nous le savons tous, de notre capacité à nous rassembler autour des valuers communes et de la volonté de partager un destin commun’, Sénat, Journal Officiel de la Répubique Française, 2e session extraordinaire de 2009-2010, Compte Rendu Intégral, Séance du mardi 14 septembre 2010, p. 6731.De invloed van de Franse filosoof Ernest Renan (1823-1892) is duidelijk in dit citaat, vooral zijn essay ‘Quest-ce qu’une nation?’, oorspronkelijk een lezing aan de Sorbonne in 1882. http://fr.wikisource.org/wiki/Qu%E2%80%99est-ce_qu%E2%80%99une_nation_%3F.

    • 30 Weil 2009, p. 2699.

    • 31 Laïcité et République 2004, p. 22.

    • 32 Zie hierover: P. Cliteur, ‘State and religion against the backdrop of religious radicalism’, International Journal of Constitutional Law 2012, 10(1), p. 127-152, en meer in het algemeen over de scheiding van kerk en staat: A.J. Nieuwenhuis, ‘State and religion, a multidimensional relationship, Some comparative law remarks’, International Journal of Constitutional Law 2012, 10(1), p. 153-174.

    • 33 S.A.S./France, appl.nr. 43835/11, 1 juli 2014, r.o. 141-142.

    • 34 A. Pin, ‘Public Schools, the Italian Crucifix, and the European Court of Human Rights: the Italian Separation of Church and State’, Emory International Law Review 2011, 25, p. 95-149.

    • 35 C. Panara, ‘Back to the Basics of Fundamental Rights: An Appraisal of the Grand Chamber’s Judgment in Lautsi in light of the ECHR and Italian Constitutional Law’, in: Temperman, The Lautsi Papers, Leiden: Brill 2012, p. 306. Over de positie van het crucifix in Italië (voorafgaand aan de zaken voor het EHRM) zie: S. Mancini, ‘Taking Secularism (not too) Seriously: The Italian “Crucifix Case’”, Religion & Human Rights 2006, 1, p. 179-195.

    • 36 Ondanks het feit dat het aantal kerkbezoekers de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, blijft de kerk in sociaal, cultureel, politiek en moreel opzicht zeer van belang, stelt McGoldrick: D. McGoldrick, ‘Religion in the European Public Square and in European Public Life-Crucifixes in the Classroom?, Human Rights Law Review 2011, 11(3), p. 451-502, hier p. 465.

    • 37 Art. 19 van de Italiaanse constitutie erkent de vrijheid van godsdienst: ‘Een ieder is vrij in de belijdenis van zijn godsdienst, individueel of in gemeenschap met anderen, om deze te bevorderen en godsdienstige bijeenkomsten te vieren in het openbaar of privé, op voorwaarde dat deze geen inbreuk make op de publieke moraal.’ Art, 8 stelt: ‘Alle denominaties zijn gelijk voor de wet. Andere dan katholieke denominaties hebben het recht van zich te organiseren, op voorwaarde dat de statuten geen inbreuk maken op het Italiaanse recht. De betrekkingen van deze denominaties met de staat worden gereguleerd door het recht (…).’

    • 38 P. Cliteur, La visione laica del mondo, Rome: Casa editrice Nessum Dogma 2013 (Italiaanse versie van The Secular Outlook, In Defense of Moral and Political Secularism, Chichester: Wiley-Blackwell 2010).

    • 39 Corte Costituzionale, 11 april 1989, Decision nr. 203.

    • 40 Art. 2 van de constitutie van de republiek Italië, dat de onaantastbare rechten van de mens formuleert, art. 3 over de gelijkheid van de wet en de voornoemde art. 7, 8 en 19. Mancini 2006, p. 179-195.

    • 41 Ik ontleen dit citaat aan Pin 2011, p. 121.

    • 42 Pin 2011, p. 122; Mancini 2006, p. 181.

    • 43 Zie hierover: C.M. Zoethout, ‘Rethinking Adjudication under the European Convention: The Lautsi Cases as a Prelude to a New Mode of Review by the ECtHR?’, in: J. Temperman (red.), The Lautsi Papers, Leiden: Brill 2012, p. 413-427; C.M. Zoethout, ‘Religious symbols in the Public School Classroom: A New Way to Tackle a Knotty Problem’, Religion and Human Rights 2011, 6, p. 285-290.

    • 44 EHRM 3 november 2009, nr. 30814/06 (Lautsi/Italy, hierna: Lautsi I) en EHRM (Grote Kamer) 18 maart 2011, nr. 30814/06 (Lautsi/Italy, hierna: Lautsi II).

    • 45 Het voorschrift om kruisbeelden in klaslokalen op te hangen dateert van de negentiende eeuw en is gebaseerd op een koninklijk besluit van 1860, dat wil zeggen vóór de eenwording van Italië. Het voorschrift werd opnieuw uitgevaardigd in circulaires door het ministerie van Onderwijs in 1922 en 1926 en in koninklijke besluiten van 1924 en 1928, aangenomen toen Italië een fascistische staat vormde. In 1948 werd huidige republikeinse constitutie aangenomen waarin de katholieke kerk als enige godsdienst uitdrukkelijk wordt genoemd (art. 7 en 8). Niettemin is de positie van de katholieke kerk in de Italiaanse samenleving en politiek gedurende de afgelopen decennia minder dominant geworden, aldus McGoldrick: McGoldrick 2011, p. 464.

    • 46 Art. 3 van de Italiaanse constitutie formuleert het principe van gelijkheid voor de wet, zonder onderscheid op grond van (onder meer) religie. In art. 19 is de vrijheid van godsdienst neergelegd.

    • 47 In Lautsi I, par. 24, verwijst het Europese Hof naar beslissingen van het Italiaanse constitutionele hof, dat op zijn beurt verwijst naar het beginsel van het secularisme. Volgens dit hof kan het secularisme worden ontleend aan de bepalingen in de constitutie en het gegeven dat de Italiaanse regering het confessionele karakter van de staat in de jaren tachtig uitdrukkelijk heeft verlaten.

    • 48 Zie Lautsi I, par. 13.

    • 49 In zijn beslissing van 13 februari 2006 verklaart de Italiaanse Raad van State: ‘[L]a croix était devenue une des valeurs laïques de la Constitution italienne et représentait les valeurs de la vie civile’ (‘Het kruis is één van de seculiere waarden van de Italiaanse constitutie geworden dat de waarden van het openbare leven vertegenwoordigt’) (par. 15), nr. 556/06 Reg. Dec., nr. 7314 Reg. Ric., anno 2005, www.giustizia-amministrativa.it (onder: Sentenzi).

    • 50 Panara 2012, p. 310.

    • 51 Panara 2012, p. 308-309.

    • 52 Panara 2012, p. 310.

    • 53 Citaat uit de opinie van de Raad van State van 15 januari 2006, par. 6, Panara 2012, p. 311.

    • 54 Lautsi I, par. 31.

    • 55 Idem.

    • 56 Idem, par. 35.

    • 57 Idem, par. 54, met verwijzing naar de beslissing in Dahlab/Switzerland, EHRM 15 februari 2001, nr. 42393/98.

    • 58 Lautsi I, par. 56.

    • 59 Idem, par. 57.

    • 60 Zie: S. Mancini, ‘The Crucifix Rage: Supranational Constitutionalism Bumps Against the Counter-Majoritarian Difficulty’, 6 European Constitutional Law Review (2010), p. 6–27. J.H.H. Weiler, ‘Lautsi: Crucifix in the Classroom Redux’ (Editorial), 1 European Journal of International Law 2010, p. 1-5.

    • 61 Voor reacties op de beslissingen door het Hof, zie: D. Kyritsis & S. Tsakyrakis, ‘Neutrality in the classroom’, International Journal of Constitutional Law2013, 11(1), p. 200-217; L. Zucca, ‘Lautsi: A Commentary on a Decision by the ECtHR Grand Chamber’, The Lautsi Debate-Fin, International Journal of Constitutional Law 2013, 11(1), p. 218-229; J.H.H. Weiler, ‘Lautsi: A Reply’, The Lautsi Debate-Fin, International Journal of Constitutional Law 2013, 11(1), p. 230-233. J. Temperman (red.), The Lautsi Papers, Multidisciplinary Reflections on Religious Symbols in the Public School Classroom, Leiden/Boston: Martinus Nijhoff Publishers 2012 en de special van het tijdschrift Religion & Human Rights 2011, en Mancini 2010, p. 6-27.

    • 62 McGoldrick 2011, p. 451-502.

    • 63 Idem, p. 470.

    • 64 Het Hof hanteerde in dit geval (zoals zeer vaak) de doctrine van de ‘margin of appreciation’. Deze doctrine wordt met name gehanteerd waar de Convention een belangenafweging mogelijk maakt, bijv. bij de art. 8-11 EVRM (family life, freedom of religion, freedom of expression, freedom of association), die alle in het tweede lid de clausule ‘necessary in a democratic society’ kennen. Volgens de case-law van Straatsburg wordt de ‘margin of appreciation’ vooral gehanteerd als er sprake is van consensus onder de lidstaten. Hiermee wordt aan de staat in kwestie een zekere beleidsvrijheid gelaten. Handyside/United Kingdom, 7 december 1976, Appl.nr. 54933/72, par. 48.

    • 65 Lautsi II, par. 67.

    • 66 De Grote Kamer verklaart dat ‘it cannot be deemed to have influence on pupils comparable to that of didactic speech or participation in religious activities’, Lautsi II, par. 72.

    • 67 Deze paragraaf over de constitutionele achtergrond van Québec is vooral gebaseerd op D.R. Cameron & J.D. Krikorian, ‘Recognizing Quebec in the Constitution of Canada: Using the Bilateral Constitutional Amendment Process’, University of Toronto Law Journal 2008, 58, p. 389-420.

    • 68 Onder de titel ‘Multicultural heritage’, stelt art. 27 van het Canadian Charter of Rights and Freedoms: ‘This Charter shall be interpreted in a manner consistent with the preservation and enhancement of the multicultural heritage of Canadians.’ P. Monahan, Meech Lake: The Inside Story, Toronto: University of Toronto Press 1991, p. 20, geciteerd in Cameron & Krikorian 2008, p. 391.

    • 69 Cameron & Krikorian 2008, p. 392.

    • 70 S. Choudry, ‘Does the world need more Canada? The politics of the Canadian model in constitutional politics and political theory’, International Journal of Constitutional Law 2007, 5(4), p. 606-638. De Parti Québecois (IPQ) stelt in 1994 in het parlement van Québec een wetsontwerp voor over de soevereiniteit van deze provincie. Een jaar later vindt hierover een referendum plaats, dat net niet wordt gehaald; Choudry 2007, p. 625. Zoals Choudry laat zien, was men er in die tijd van overtuigd dat Canada op dat moment werd geconfronteerd met een majeure crisis in zijn bestaan.

    • 71 Coudry 2007, p. 396.

    • 72 G. Bouchard & Ch. Taylor, Building the Future, A Time for Reconciliation, Report Commission de Consultation sur les Pratiques d’Accommodement Reliées aux Differences Culturelles 2008, p. 33, www.accommodements-quebec.ca/documentation/rapports/rapport-final-integral-en.pdf. Voor een overzicht van de ‘accommodation practices’ in Québec en een chronologie van de gebeurtenissen, zie hoofdstuk II-IV.

    • 73 ‘Interculturalism’ wordt in het rapport gedefinieerd als: ‘A policy or model that advocates harmonious relations between cultures, based on intensive exchanges centred on an integration process that does not seek to eliminate differences while fostering the development of a common identity’, Bouchard & Taylor 2008, p. 287.

    • 74 Bouchard & Taylor 2008.

    • 75 Memorie van toelichting bij wetsontwerp 60 – the ‘Charter affirming the values of State secularism and religious neutrality and of equality between women and men, and providing a framework for accommodation requests’.

    • 76 A. Sajó & R. Uitz, ‘Freedom of Religion’, in: M. Rosenfeld & A. Sajó, The Oxford Handbook of Comparative Constitutional Law, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 909-928, hier p. 925. Veel auteurs hebben dezelfde opvatting, die ook zijn weerslag heeft in case-law van het EHRM.