DOI: 10.5553/TvRRB/187977842014005003006

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Sociale theologie als kritische spiegel voor de Nederlandse christelijk-sociale beweging?

Trefwoorden Christelijk Sociale Beweging, Theologie, Politiek denken, Groot-Brittannië, Maatschappelijke analyse
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. dr. Richard Steenvoorde, 'Sociale theologie als kritische spiegel voor de Nederlandse christelijk-sociale beweging?', TvRRB 2014-3, p.

Dit artikel wordt geciteerd in

      In deze bespreking zullen we allereerst ingaan op de achtergrond van de publicatie Anglican Social Theology 1xM. Brown (red.), Anglican Social Theology, Londen: Church Publishing House 2014, met bijdragen van Jonathan Chaplin, John Hughes, Anna Rowlands en Alan Suggate. in de context van het publieke debat in het Verenigd Koninkrijk en de betekenis van de uitdrukking ‘Anglicaanse Sociale Theologie’. Vervolgens volgt een inhoudelijk overzicht van de verschillende bijdragen. Ten slotte stellen we de vraag naar de mogelijke relevantie van deze studie voor de Nederlandse context.


      In 2016 is het 125 jaar geleden dat in Nederland de christelijk-sociale beweging op gang kwam. Aangespoord door aan de ene kant het door Abraham Kuijper georganiseerde Christelijk Sociaal Congres en aan de andere kant de rondzendbrief Rerum Novarum van paus Leo XIII zochten protestanten en katholieken naar antwoorden en handelingsperspectieven in reactie op de sociale kwesties van hun tijd. In de daaropvolgende eeuw werd er regelmatig stilgestaan bij de nieuwe ontwikkelingen en werd er – eerst afzonderlijk, later steeds meer in nauwere samenwerking tussen katholieken en protestanten – gewerkt aan nieuwe bijdragen en oplossingsrichtingen in het publieke debat over het algemeen welzijn. De laatste grote denkslag werd bijna 25 jaar geleden gemaakt en zou onder andere de opmaat vormen voor de ideologische uitgangspunten en politieke stellingnames van het CDA tijdens de verschillende kabinetten-Balkenende (2002-2010).
      De christelijk-sociale beweging in Nederland, 2xDe meeste thans daartoe behorende organisaties werken samen in het Christelijk-Sociaal Congres, zie www.stichting-csc.nl. en daarmee bedoel ik zowel de katholieke als de protestantse onderdelen, staat nu voor een nieuwe uitdaging. Welke plaats en rol is er weggelegd voor organisaties die vanuit een religieuze motivatie participeren in een geseculariseerd publiek domein? Bovendien een zeer dynamisch domein, waarin deze organisaties – in tegenstelling tot eerdere historische periodes – een minderheid vormen, zelfs wanneer men gezamenlijk optreedt. In de opmaat naar het 125-jarig jubileum zou de christelijk-sociale beweging inspiratie kunnen putten uit een recente studie die in de zomer van 2014 in het Verenigd Koninkrijk verscheen in opdracht van een aantal anglicaanse bisschoppen, met als titel: Anglican Social Theology.

    • Een staatskerk in het publieke domein

      Als staatskerk participeert de anglicaanse kerk op vele manieren in het maatschappelijke en politieke leven in het Verenigd Koninkrijk. Deze participatie kent een historische en constitutionele grondslag, maar wordt zelden structureel onderbouwd vanuit een theologisch perspectief. Hoe komt de maatschappelijke inzet van de kerk voort uit het geloof dat zij belijdt? De vraag wordt des te indringender nu ook de dominante politiek-maatschappelijke opvatting in Engeland lijkt te zijn dat religie achter de voordeur thuishoort. Hoe maak je, onder erkenning van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen, duidelijk waar je voor staat en wat je doet?
      Malcom Brown zet uiteen hoe de anglicaanse bisschoppen, en ook de auteurs, voor het beantwoorden van deze vraag met méér dan een schuin oog hebben gekeken naar de positie, vorm en inhoud van de Katholieke Sociale Leer. Maar is er ook zoiets als een eigen anglicaanse zienswijze die ook recht kan doen aan de pluriformiteit van theologische stromingen binnen de anglicaanse kerk? En, bij gebrek aan een eenduidig leergezag zoals de katholieke sociale traditie deze kent in de persoon van de paus, hoe kan de anglicaanse kerk dan gezaghebbend spreken?
      Een van de manieren waarop de anglicaanse kerk meer van zich heeft laten horen in het publieke debat van de laatste jaren, is in de persoon van de toenmalige aartsbisschop van Canterbury, dr. Rowan Williams (van 2002 tot 2012). Onlangs kwam een bundel van Williams’ denken over de plaats van religie in het publieke domein ook in een Nederlandse vertaling beschikbaar. 3xR. Williams, Geloof in de publieke ruimte, Vught: Skandalon 2013. Hoe weldoordacht ook, de boodschappen van Williams lieten zich niet makkelijk omzetten in concreet maatschappelijk handelen. Met het aantreden van de 105de aartsbisschop van Canterbury, Justin Welby, lijkt de kerk een nieuwe, directere, weg in te slaan, en dit verklaart meteen de behoefte aan de hier besproken publicatie.
      Een andere plaats waarin het anglicaanse denken over maatschappelijke vraagstukken zich sterk manifesteerde, was in de academie bij monde van heel uiteenlopende auteurs zoals John Atherton, Stanley Hauerwas en John Milbank. Het boek Theology and Social Theory: Beyond Secular Reason van laatstgenoemde sloeg in 1990 in als een bom en zou de opmaat vormen van een nieuwe theologische beweging, Radical Orthodoxy genaamd, die met enige regelmaat kritische vragen stelt over de verhouding en plaats van religie in het publieke domein. 4xZie: J. Milbank & C. Pickstock (red.), Radical Orthodoxy: A New Theology, Abingdon: Routledge 1998.
      Het is met deze pluriforme erfenis in het achterhoofd dat de auteurs niet zozeer zoeken naar een eenduidige theologie, maar naar een manier van werken waarbij de verschillende stromingen binnen de kerk een coalitie kunnen vormen met betrekking tot de anglicaanse maatschappelijke inzet. Kenmerkend voor deze sociale theologie, als manier van werken, is dat men ernaar streeft om een brede waaier van activisten, theologen, historici en liturgisten met elkaar in gesprek te brengen. Het hier besproken boek vormt een opmaat voor dat gesprek.

    • Een pluriforme sociale traditie

      Het gezamenlijke ijkpunt voor de meeste auteurs is aartsbisschop William Temple (1881-1944). Alan Suggate gaat in op het leven en werk van Temple, die in 1942 een boek publiceerde met voorstellen voor de wederopbouw van Groot-Brittannië na de Tweede Wereldoorlog. Dit boek, Christianity and Social Order, was het resultaat van een lang en diepgaand denkproces van Temple, wat resulteerde in een dynamische mix van invloeden van onder andere filosofisch idealisme, het natuurrechts-denken van Jacques Maritain, het maatschappelijk pessimisme van Reinhold Niebuhr en de economische theorieën van de Fabian Society en John Maynard Keynes. Het boek wist een ongekende invloed uit te oefenen op de discussie over de opbouw van de welvaartsstaat en de rol van de nationale overheid. Toen de consensus over de rol en houdbaarheid van de welvaartsstaat onder druk kwam te staan tijdens de regeringen-Thatcher (tussen 1979 en 1990), bleek de door Temple beïnvloede traditie in staat om die kritiek te weerleggen door meer radicale elementen uit de bevrijdingstheologie in zich op te nemen, wat resulteerde in een directe confrontatie met het politieke establishment in 1985 met het rapport Faith in the City. Het rapport werd berucht omdat het een causaal verband legde tussen de groeiende spirituele en economische armoede van de Engelse binnensteden en het beleid van premier Margaret Thatcher. Daarna leek de rol van deze traditie uitgespeeld tot het aantreden van aartsbisschop Williams in 2002, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat deze lijn wat geforceerd overkomt. Williams is een denker die zijn inspiratie op vele plaatsen gevonden heeft, waaronder in christelijk-sociale denkers van vóór de Temple-periode, maar ook in de Russisch-orthodoxe traditie (Dostojevski en Sergii Bulgakov), en de rooms-katholieke traditie (waaronder, wederom, Maritain).
      Nauw verwant aan het denken van Rowan Williams is de in Nederland minder bekende stroming van Radical Orthodoxy. Binnen deze stroming lijkt een tweede generatie te ontstaan. Grote inspirator hierbij was de – onlangs te vroeg overleden – theoloog dr. John Mark Hughes (1979-2014), die in 2007 een briljante theologische kritiek op het kapitalisme leverde in het boek The End of Work, waarbij ‘end’ verwijst naar de telos: het doel van werk. In zijn bijdrage in deze bundel beschrijft Hughes waarom de Temple-traditie tekortschiet. De traditie is volgens hem te nauw verbonden met het liberale verlichtingsdenken. Nu het liberale verlichtingsdenken onder vuur ligt, en hij verwijst hiervoor naar Alasdair MacIntyre en Stanley Hauerwas, is het zaak om na te denken over wat deze kritiek betekent voor het sociale denken van de kerk. En de eerste aanzetten hiervoor ziet hij in het werk van Milbank en Oliver O’Donovan. Het door Hughes geschreven hoofdstuk in dit boek geeft, onbedoeld, aan hoe zijn eigen denken op dit terrein zich verder had kunnen ontwikkelen.
      Het was voor de auteur Jonathan Chaplin veel lastiger om mogelijk toekomstige bijdragen te formuleren vanuit evangelicale anglicaanse kringen over de verhouding tussen geloof, kerk, politiek en wereld. Hiervoor geeft hij direct aan het begin van zijn bijdrage vier belangrijke redenen. Ten eerste is het nog maar de vraag wat er met evangelicaal precies bedoeld wordt. Ten tweede is het een beweging die zich door verschillende kerkelijke denominaties heen beweegt. Ten derde zijn tot nu toe de bijdragen door evangelicale anglicanen nauwelijks gepresenteerd als ‘anglicaans’. En, ten slotte, hebben evangelicalen een veel sterkere traditie in sociaal activisme dan in het ontwikkelen van een sociale theologie.
      Er is wel wat aan het veranderen, meent Chaplin. Een van de grote uitdagingen is dat men in deze kringen aan de ene kant wel degelijk Bijbelse noties direct koppelt aan concreet handelen in concrete gevallen, maar aan de andere kant nalaat om de wijdere maatschappelijke en politieke context waarin een probleem ontstaat structureel te analyseren en te willen begrijpen. Concrete initiatieven blijven hierdoor lokaal van aard, wat aan de ene kant een grotere betrokkenheid en flexibiliteit oplevert, maar aan de andere kant erg afhankelijk wordt van de inzet en kracht van een lokale gemeenschap, en daardoor kunnen evangelicale kerken op nationaal niveau minder zichtbaar en effectief opereren.
      Zoals aan het begin gemeld, de zoektocht naar Anglicaanse Sociale Theologie wil zich vooral spiegelen aan het Katholiek Sociaal Denken. De katholieke theologe Anna Rowlands onderzoekt in haar bijdrage of er, binnen de Britse context, sprake is van enige familieverwantschap. Met andere woorden, lijken de tradities op elkaar voor wat betreft inhoud en praktijk? Rowlands laat zien hoe beide tradities op een geheel andere wijze tot stand zijn gekomen: langzaam opgebouwd op basis van gezaghebbende documenten (katholiek) versus meer ad hoc (anglicaans). Bovendien, merkt Rowlands, op dat in de rooms-katholieke sociale traditie de vorming en de rol van leken altijd een belangrijke plaats hebben ingenomen. Dat was, zeker tot nu toe, niet het geval in de anglicaanse traditie.
      Rowlands ziet ook overeenkomsten. Beide tradities zijn erg voorzichtig als het gaat om een confrontatie met de wereld. Is, zo vraagt zij zich af, het evangelie niet veel radicaler? Waarom wordt het evangelie altijd vertaald in een sociale politiek van bemiddeling en niet van oppositie?
      Vervolgens brengt Rowlands een historisch perspectief in. Zij bespreekt twee belangrijke documenten uit de jaren dertig van de vorige eeuw: The Churches Survey Their Task (anglicaans: 1937) en de encycliek Quadragesimo Anno (rooms-katholiek: 1931). Hoe hebben beide kerken de economische en politieke vraagstukken van die tijd geanalyseerd? Wat zijn de overeenkomsten, wat zijn de verschillen? En welke rol hebben de beide documenten gespeeld in het publieke debat? Het valt haar hierbij op dat, terwijl de katholieke bijdrage nog steeds een rol speelt in het huidige katholieke discours, de anglicaanse traditie erg vergeetachtig is over wat zij in het verleden over bepaalde zaken gezegd heeft.
      Ten slotte stelt Rowlands nog een lastige vraag aan beide tradities: waar zijn de vrouwen? Ondanks de enorme bijdrage van katholieke zusters in het onderwijs, de ziekenzorg en het migrantenpastoraat is er bijna niets terug te vinden van hun werk in de officiële documenten van de kerk. En dat terwijl vrouwelijke religieuzen al op deze terreinen actief waren lang voordat het eerste officiële pauselijke document erover verscheen. Maar ook aan anglicaanse zijde is het opvallend stil. De familieovereenkomst is inderdaad broederlijk, maar de tradities doen zichzelf daarin tekort.

    • Relevantie voor de Nederlandse context

      Het boek Anglican Social Theology, zoveel werd uit de titel al duidelijk, is geschreven ter ondersteuning van een staatskerk, de Church of England, binnen de context van de huidige Britse politieke en maatschappelijke omstandigheden. In hoeverre is het boek daarmee relevant voor lezers buiten die specifieke context? Ik meen, op grond van het door Suggate geschreven afsluitende hoofdstuk in het boek, dat er ten minste drie goede redenen zijn waarom het boek ook in de kringen van de Nederlandse protestantse en katholieke sociale bewegingen gelezen zou moeten worden. Zeker in het licht van de vraag naar de relevantie en rol van de christelijk-sociale beweging na 125 jaar in een sterk geseculariseerde samenleving.
      Ten eerste, de kloof tussen het spreken en denken van de kerken aan de ene kant en de heersende politieke en maatschappelijke opvattingen aan de andere kant is gegroeid. Als kerken spreken over ‘bonum commune’, ‘het algemeen welzijn’, ‘sociale gerechtigheid’, hebben ze daarmee niet automatisch toegang tot een breder publiek dat deze kernwaarden zonder meer deelt. Als christelijk-sociale tradities aandacht vragen voor het gezin, is de definitie van het woord ‘gezin’ mogelijk meteen al aanleiding voor een meningsverschil tussen de kerken onderling, maar ook met de rest van de samenleving. Dit boek laat zien hoe je respectvol voor een pluriformiteit aan theologische tradities toch kunt zoeken naar een gezamenlijk publiek spreken van de kerken, en dus ook van de christelijk-maatschappelijke organisaties.
      Ten tweede, ook binnen de Nederlandse christelijk-sociale beweging is er het risico dat men de eigen geschiedenis vergeet. Er worden dan wel de obligate verwijzingen gemaakt naar historische momenten en uitspraken, maar er wordt niet meer gekeken of het huidige standpunt nog echt in een hermeneutische verbinding staat met die traditie. Ook wordt er, mijns inziens, soms veel te makkelijk van uitgegaan dat begrippen uit de verschillende tradities klakkeloos tegen elkaar uitgewisseld kunnen worden: subsidiariteit tegen soevereiniteit in eigen kring, bonum commune tegen sociale gerechtigheid. Of dat de begrippen zelf niet aan verandering onderhevig zijn geweest. Om een concreet voorbeeld te noemen: is de radicale definitie van solidariteit die paus Johannes Paulus II in 1987 formuleerde, dezelfde definitie die de huidige paus Franciscus hanteert? En, indien men geneigd is om ‘ja’ te zeggen, hoe verhoudt zich dat dan met de nadruk die paus Benedictus XVI legde op caritas in plaats van solidariteit?
      Daarnaast wordt er soms gemakkelijk van uitgegaan dat de eigen traditie alle antwoorden heeft, zonder te kijken naar de maatschappelijke en filosofische vragen zoals die vanuit niet-christelijke hoek geformuleerd worden. Daardoor loopt de christelijke traditie het risico om vragen te beantwoorden die niet gesteld worden. En als men al vindt dat die vragen wel gesteld zouden moeten worden, wat heel goed mogelijk is, dan is het niet gelukt om de vragen zo te stellen dat ze begrepen worden door de bredere samenleving.
      Ten slotte, de radicaliteit. De Nederlandse christelijk-sociale beweging behoort van oudsher tot het maatschappelijk middenveld. Sterker nog, zonder de sociale bewegingen van de negentiende eeuw is het nog maar de vraag of er zich een dergelijk sterk maatschappelijk middenveld in ons land had kunnen ontwikkelen. Maar daarmee behoren ze ook tot ‘de gevestigde orde’. Althans, men vindt eigenlijk dat men daarvan, ondanks de sterke secularisering, nog steeds deel behoort uit te maken. Er is, voor de goede verstaander, een sterk gevoel van verontwaardiging te bespeuren als oude, politiek-bestuurlijke kanalen besluiten dat christelijke organisaties niet langer een streepje vóór hebben en soms zelfs een streepje na. Getuigt die verontwaardiging van een helder inzicht in de eigen positie in de huidige maatschappelijke context? Maar, belangrijker nog, moet je die oude positie nog willen bekleden? Op welk moment geeft de radicaliteit van het evangelie de doorslag tegenover de natuurlijke neiging om te willen bemiddelen, om een redelijke middenkoers te willen varen?
      Kort en goed, hoewel geschreven in een compleet andere context en voor een ander publiek, biedt het boek Anglican Social Theology ook voor de Nederlandse christelijk-sociale bewegingen een waardevolle kritische spiegel in het denken over de eigen rol in de opmaat naar het 125-jarig jubileum. Daarnaast is het voor theologen en sociologen een belangrijk werk, dat laat zien hoe christelijk-sociale tradities samen willen denken en handelen in het publieke domein in een context van sterke innerlijke en uiterlijke dynamiek.

    Noten

    • 1 M. Brown (red.), Anglican Social Theology, Londen: Church Publishing House 2014, met bijdragen van Jonathan Chaplin, John Hughes, Anna Rowlands en Alan Suggate.

    • 2 De meeste thans daartoe behorende organisaties werken samen in het Christelijk-Sociaal Congres, zie www.stichting-csc.nl.

    • 3 R. Williams, Geloof in de publieke ruimte, Vught: Skandalon 2013.

    • 4 Zie: J. Milbank & C. Pickstock (red.), Radical Orthodoxy: A New Theology, Abingdon: Routledge 1998.


Print dit artikel