DOI: 10.5553/TvRRB/187977842015006001003

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Nederlanders en de heilige strijd – conclusies

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Maurits Berger, 'Nederlanders en de heilige strijd – conclusies', TvRRB 2015-1, p.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Inleiding

      De vraag die ten grondslag lag aan het drieluik ‘Nederlanders en de heilige strijd’ is of de Nederlandse jihadgangers uniek zijn in hun soort, en of er iets typisch ‘islamitisch’ of ‘allochtoon’ aan hun gedrag ten grondslag ligt, of dat we hun beweegredenen kunnen verklaren als Nederlanders in bijzondere omstandigheden. De vergelijking met de katholieke zoeaven die naar Rome trokken en de communisten die de Internationale Brigade in Spanje versterkten, wijzen sterk op het laatste: het gaat om Nederlanders die, door de combinatie van enerzijds een bepaalde religie of ideologie en anderzijds specifieke omstandigheden van binnen- en buitenlandse aard, werden gegrepen door de sterke drang om deel te nemen aan een ‘heilige strijd’.
      Deze aandrang was overigens niet typisch voor Nederland: het sacrale van de strijdtonelen in Italië, Spanje en Syrië werd wereldwijd gevoeld, getuige het enorm groot aantal nationaliteiten dat er aan deelnam. Dat maakte deze oorlogen ook uniek: het mondiale van deze conflicten was niet gelegen in het feit dat sprake was van een wereldoorlog tussen diverse naties, maar van een enkele, lokale burgeroorlog waar individuele strijders uit de hele wereld aan deelnamen.
      Het bijzondere van die burgeroorlogen was dat zij idealen belichaamden die niet beperkt waren tot de plaats van strijd, maar wereldwijd werden ervaren. Degenen die naar deze plaatsen trokken – Rome, Spanje, Syrië – was het niet zozeer om de oorlog ter plaatse te doen, maar om de grote ideologische strijd die er volgens hen werd gestreden. Naast een symbolische functie hadden deze strijdtonelen ook een spiegelfunctie. De heilige strijd vond fysiek weliswaar plaats buiten Nederland, maar hij beantwoordde aan allerlei emoties, spanningen en overtuigingen die ook in Nederland speelden.
      Om in moderne termen te spreken kunnen we deze conflicten derhalve ‘transnationaal’ noemen: zij overstegen de lokaliteit van het conflict doordat de idealen of ideologieën die in het conflict een rol speelden een wereldwijde weerklank kregen. Het was precies dat transnationale karakter van de idealen zoals die in elk van deze drie periodes door groepen Nederlanders werden gekoesterd, en door veel andere Nederlanders als bedreigend werden ervaren. Immers, lag de loyaliteit van de Nederlanders die ten strijde trokken nu bij de Nederlandse staat en samenleving of bij het katholicisme met zijn centrum in Rome, bij het communisme met zijn centrum in Moskou, of bij de islam met een voorlopig centrum in het kalifaat van ISIS?

    • 1 Achtergrond en motivatie

      Wat bewoog deze jonge mensen – want hun jeugd is de meest uitgesproken en wellicht enige profilering die we al deze strijders kunnen geven – om deel te nemen aan deze ‘heilige’ strijden in verre oorden? Hun motivaties (persoonlijk, politiek, sociaal, ideologisch) waren per individu heel verschillend, maar opvallend is dat de drie groepen op die verschillende momenten in de geschiedenis een aantal gemeenschappelijke kenmerken deelden. Deze kunnen verdeeld worden in enerzijds redenen om zich in Nederland niet gehecht of zelfs buitengesloten te voelen (de push-factoren die hen uit Nederland wegduwden), en anderzijds redenen om zich te identificeren met belangrijke gebeurtenissen in het buitenland (de pull-factoren die hen aantrokken om weg te gaan).

      Push-factoren

      Kenmerkend voor deze jongeren was dat zij zich sterk identificeerden met een ideologie (communisme) of religie (katholicisme, islam) die niet behoorde tot wat in Nederland gangbaar was. Deze specifieke ideologie of religie was bovendien geen private aangelegenheid, maar manifesteerde zich nadrukkelijk ook in de publieke en zelfs politieke ruimte: de katholieken en moslims wilden hun religie kunnen uitdragen middels kleding, processies of gebouwen, en de communisten wilden hun sociale opvattingen verwezenlijken. Dat stuitte op aanzienlijke weerstand.
      De katholieken, communisten en moslims eisten echter het recht op deelname aan zowel het politieke als culturele bestel in Nederland. Men zou kunnen spreken van een emancipatoire strijd. Deze strijd nam uiteenlopende vormen aan die bij elke groep zichtbaar waren: sommigen kozen voor maatschappelijke afzondering in eigen gemeenschappen met eigen instituties, anderen daarentegen voor sociaal of zelfs politiek activisme, dat soms militante vormen aannam. In het laatste geval waren provocaties vast onderdeel van het repertoire.
      Het leidde tot een ongemakkelijke verhouding tussen de Nederlandse meerderheid en deze specifieke groep, waarbij de laatste vaak te lijden had onder discriminatie en uitsluiting. Dat was wellicht onterecht, maar niet geheel onbegrijpelijk. Er was immers sprake van een relatief grote minderheid die met luide stem eiste dat zij anders mocht zijn en daar zelfs politieke middelen voor inzette (er waren bijvoorbeeld katholieke, communistische en islamitische politieke partijen). Het leidde tot maatschappelijke spanningen: enerzijds een meerderheid die vasthield aan wat zij ‘normaal’ achtte, anderzijds een minderheid die zich nadrukkelijk identificeerde als Nederlands, maar wel met behoud van haar eigenheid, en eiste dat de meerderheid van Nederland zich daar naar zou voegen.
      Zowel katholieken als communisten en moslims hebben dus te lijden gehad onder afwijzing door de Nederlandse samenleving. Er is echter wel een duidelijk verschil tussen enerzijds de katholieken en moslims die een plaats in de Nederlandse samenleving opeisten voor hun religieuze anders-zijn, en anderzijds de communisten die vooral een ingrijpende verandering van het Nederlands staatsbestel voor ogen hadden.
      Het is natuurlijk moeilijk aantoonbaar dat de psychologische push-factor van uitsluiting, discriminatie en vervreemding een factor van belang speelde bij het vertrek naar heilige-oorlogstonelen. In het geval van de communisten zijn daar inderdaad geen concrete aanwijzingen voor. Ten aanzien van de katholieken is er wat meer indirect bewijs. Zo is het opvallend dat de meeste zoeaven uit gebieden kwamen met een gemengd katholiek-protestantse bevolking, waar het antikatholicisme (‘antipapisme’) virulent was. Uit de overwegend katholieke provincie Limburg vertrokken daarentegen de minste zoeaven, wat te verklaren is met het feit dat het antipapisme daar logischerwijs afwezig was. Een andere aanwijzing is dat de zoeaven regelmatig spraken over het herstel van de ‘roomse trots’ – klaarblijkelijk was deze zwaar gekrenkt in Nederland. Herstel van de eer, het leven op een plaats zonder onderdrukking of discriminatie en soortgelijke termen worden ook gebruikt door de moslims die afreizen naar Syrië, en vooral naar het ISIS-kalifaat.

      Het laatste duwtje

      De spanningen konden dus zeer oplopen, maar in alle drie gevallen waren het echter bijzondere bijkomende gebeurtenissen die de toch al wankele verhoudingen tussen deze groeperingen en de rest van Nederland op scherp stelden. Daardoor kregen de reeds bestaande irritatie en het wantrouwen naar deze groeperingen een extra duw, die leidde tot de vrees dat deze groepen ook werkelijk bedreigend waren voor de politieke en culturele eigenheid van Nederland. Elk van deze groepen kreeg bij toerbeurt de kwalificaties van zowel on- als anti-Nederlands opgespeld. In het geval van de katholieken en de moslims, meer dan bij de communisten, was vooral ook sprake van een afkeer van een cultuur en religie die Nederland-vreemd en daarom ongewenst werd geacht, en vaak zelfs werd beschouwd als gericht tégen Nederland.
      Het kantelmoment in het geval van de katholieken was het herstel van het bisschoppelijk bestuur in 1853, dat leidde tot een ware oproer van conservatief-protestantse zijde en een ‘apert antipapisme’ dat in katholieke kringen ‘angst en woede’ had gewekt. De katholieken waren al sedert de Republiek der Nederlanden een politiek en sociaal achtergestelde bevolkingsgroep, welke achterstand zij na de scheiding van de staat en de Nederlands-hervormde kerk in 1798 trachtten in te lopen. De wijziging van de Grondwet in 1848 bezorgde hen een werkelijke vrijheid van godsdienst, en hun roep om een herstel van het bisschoppelijk bestuur in Nederland (dat zich hiërarchisch verhield tot het Vaticaan) werd daardoor steeds luider, culminerend in de daadwerkelijke herinvoering van dit bestuur in 1853.
      De communisten bestonden in Nederland al sinds 1880, maar werden meer gewantrouwd na de Russische Revolutie van 1917, met name toen de Communistische Partij Holland zich een jaar later nadrukkelijk committeerde aan de Sovjet-Unie. De financiële en politieke crisis in Europa in de daaropvolgende jaren dreef de vraag op de spits wat het beste systeem was: democratie, communisme of fascisme. De communistische hardliners – ook die in Nederland – hanteerden een dubbele agenda: enerzijds beoogden zij het communistisch systeem voor hun eigen land (waarmee zij veel binnenlands wantrouwen oogstten, niet in de laatste plaats omdat dat gepaard ging met een dogmatisch atheïsme), anderzijds zagen zij in de opkomst van het fascisme het grootste kwaad van dat moment.
      De moslims in Nederland ten slotte, hadden als migranten in de periode 1980-2000 al te lijden onder een toenemende antivreemdelingenstemming in Nederland. De kritiek op gebrekkige integratie van migranten vanwege te grote cultuurverschillen richtte zich in toenemende mate op de islam, met het argument dat islamitische waarden onverenigbaar zouden zijn met de Nederlandse. Het wantrouwen naar moslims en islam escaleerde echter na de terroristische aanslagen van 11 september 2001, zeker toen die werden gevolgd door diverse aanslagen door Europese moslims – vaak met goede opleidingen en getogen in Europese samenlevingen – op burgerdoelen in diverse Europese landen, waaronder de moord op Theo van Gogh in 2004.
      Er zijn nog enkele andere push-factoren die niet zozeer kenmerkend zijn voor deze groepen, maar wel als extra factor van doorslaggevende betekenis kunnen zijn per individueel geval. Het betreft dan factoren als de psychologische gesteldheid van de betrokken personen en hun sociaaleconomische omstandigheden. In het laatste geval speelden bijvoorbeeld de armoede in de late negentiende eeuw, en opnieuw in de jaren dertig van de twintigste eeuw, en de relatief hoge werkloosheid onder moslims in het Nederland in de periode 1990-2014. Dat wil niet zeggen dat alleen arme sloebers afreisden – ofschoon dat een push-factor geweest schijnt te zijn bij de Spanje-gangers –, maar wel dat materiële uitzichtloosheid een rol gespeeld kan hebben.

      Pull-factoren

      Het belangrijkste dat de Nederlandse jonge katholieken, communisten en moslims aantrok, was dat ergens in de wereld een fysieke strijd plaatsvond waarin hun idealen op het spel stonden. Deze idealen hadden te maken met een orde van politiek-maatschappelijke, maar vooral ook van morele en metafysische aard, en deze orde werd dusdanig sterk ervaren dat men bereid was daarvoor te strijden.
      Hier lijkt zich een belangrijk verschil voor te doen tussen zoeaven en communisten enerzijds en moslims anderzijds, namelijk dat de drijfveren van de eerste twee groepen ook breed werden gedeeld door de Nederlandse samenleving in de periode tussen 1860 en 1940, veel breder dan thans met de moslims het geval is. Het nationalisme was bijvoorbeeld ook een sentiment dat de gemoederen enorm in beweging kon brengen en waarvoor men bereid was het leven te geven. Evenzo was de religiositeit veel breder en intenser dan thans in Europa het geval is. Het zou kunnen verklaren dat men indertijd milder – want begripvoller? – omging met de Rome- en Spanje-gangers dan thans het geval is met de Syrië- en ISIS-gangers, die uitsluitend op onbegrip kunnen rekenen.
      Een andere pull-factor was zingeving. Er speelde een onmiskenbare zucht naar avontuur, maar ook de idee dat men zin wilde geven aan een bestaan dat werd ervaren als zin- en doelloos. De wil om te vechten tegen een ‘groter kwaad’ leefde bij alle drie groepen, ofschoon alleen de katholieken en moslims vanuit hun religieuze leerstellingen ook de notie kenden om voor het hogere doel daadwerkelijk het leven te geven. Dat gold wellicht ook voor een aantal communisten, maar daar was martelaarschap geen onderdeel van hun ideologie.
      Ten slotte speelden metafysische en eschatologische factoren een rol. Het betrof dan vooral de idee van een eindstrijd. In het geval van de communisten was dit niet zozeer een ideologisch dogma, maar veeleer het uitgesproken gevoel dat het ‘nu of nooit’ was om het fascisme tegen te houden. Bij de katholieken en moslims is de eindstrijd deel van hun leerstellingen: met de komst van de antichrist (‘djallal’ in de islam) zal de laatste en definitieve, allesvernietigende strijd gestreden moeten worden om het koninkrijk Gods te vestigen op aarde. Bij nader inzien lijkt dit echter niet een doorslaggevend sentiment geweest te zijn bij de zoeaven. Bij hen speelde het immers om het behoud van Vaticaanstad, en daarmee de katholieke zetel in Rome, en niet zozeer de strijd tegen de antichrist. Bij veel Syrië-gangers, en met name bij de ISIS-gangers, daarentegen lijken deze overwegingen van grote invloed te zijn. Dat is wellicht ook de reden dat in het laatste geval het martelaarschap een grotere rol speelt dan in de twee andere conflicten. Natuurlijk, men was bereid om het leven te geven voor het grotere ideaal, maar de bijna blinde hartststocht waarmee veel Syrië- en ISIS-gangers zich in de strijd werpen, is van een andere orde.

    • 2 Reacties van samenleving en overheid

      In het geval van zowel de katholieken als de communisten en moslims was de reactie aan het thuisfront gelijkluidend, en wel op twee manieren: onbegrip en bezorgdheid dat Nederlanders bereid waren te strijden voor idealen die on- of anti-Nederlands werden gevonden, en het straffen van deze personen door hen het Nederlanderschap te ontnemen of anderszins van Nederland uit te sluiten.
      De strafmaatregel was niet zonder problemen. Tot de antiterrorismemaatregelen die getroffen werden na de aanslagen van 11 september 2011 had de Nederlandse overheid weinig anders om op terug te vallen dan ontneming van het Nederlanderschap wegens indiensttreding bij een buitenlandse krijgsmacht. Dat werd bij het leger van het Vaticaan zonder meer geacht het geval te zijn, maar was de Internationale Brigade een ‘buitenlandse krijgsmacht’? En was dat, in het geval van Spanje, niet veeleer het geval met degenen die dienst namen in het leger van Franco (want die personen waren er ook, alleen in minder grote aantallen)? Een soortgelijk dilemma speelt ook bij de Syrië- en ISIS-gangers: meestrijden met groeperingen die op de internationale lijst van terroristische organisaties staan is een strafbaar feit, maar geldt dat dan ook voor degenen die tegen hen vechten vanuit organisaties die eveneens op die lijst staan, zoals de Koerdische PKK?
      In het geval van de katholieken, maar vooral ook bij de communisten, was het ontnemen van het Nederlanderschap zeer problematisch voor de terugkeerders, omdat hen dat feitelijk stateloos maakte. Voor de Nederlandse communisten die terugkeerden werd echter een uitzondering gemaakt: weliswaar bleven zij stateloos, maar zij werden weer tot Nederland toegelaten, waren vrij om werk te zoeken en kwamen ook in aanmerking voor een steunuitkering, maar moesten zich van politieke activiteit onthouden.
      Niettemin werd de duidelijke boodschap verkondigd dat voor degenen die zich schuldig maakten aan dit soort ‘on-Nederlands’ gedrag, ook geen plaats meer was in Nederland. Ze waren niet meer van ‘ons’, en daarmee werd het probleem eigenlijk – vaak letterlijk – buiten Nederland geplaatst.
      Overigens zijn de reacties op de Nederlandse moslims die naar Syrië en het IS-kalifaat afreizen vele malen heftiger en ingrijpender dan het geval was met de katholieken en de communisten. Een verklaring zou kunnen zijn dat het publiek in de 21ste eeuw makkelijk en snel kan beschikken over grote hoeveelheden beeldmateriaal van wat zich ter plaatse afspeelt, en dat op deze wijze met name ook de gruwelijkheden van de strijd dagelijks de huiskamers thuis binnenkomen. Daarmee zijn ook de wreedheden die worden begaan door de organisaties waar de Nederlanders zich bij aansluiten, en soms ook door individuele Nederlands, zichtbaar.
      Een andere verklaring voor het verschil in heftigheid van de reacties in Nederland is dat de Syrië- en ISIS-gangers na hun terugkeer een groter gevaar zouden vormen voor de Nederlandse staatsveiligheid dan werd aangenomen in het geval van de zoeaven en Spanje-gangers. Deze zorg staat weliswaar in omgekeerd evenredige verhouding tot het aantal personen dat afreisde – in totaal reisden 3181 katholieken en 628 communisten af, en op het moment van schrijven dit artikel 180 moslims –, maar in het geval van de jihadistische strijd wordt ‘het Westen’ vaak ook als onderdeel van de vijand gezien. Bovendien is gebleken dat van de jihadistische buitenlandse strijders uit Arabische landen die in het recente verleden hadden deelgenomen aan andere strijdtonelen in landen als Afghanistan en Irak, enkelen bij terugkeer naar hun thuisland ook daar de strijd met militaire middelen voortzetten.
      Het mag duidelijk zijn dat de Nederlandse overheid in alle drie gevallen worstelde met de vraag wat adequaat optreden inhield. Moesten de strijders worden weerhouden van uitreizen, of aangepakt worden op het moment van terugreis? Moesten zij uit Nederland verbannen worden, of juist opgevangen en gere-integreerd worden? Maar de allerbelangrijkste vraag, namelijk waarom dit allemaal zo gebeurde en of er wellicht oorzaken in Nederland waren aan te wijzen – daar werd geen antwoord op gegeven, wellicht ook omdat de vraag nauwelijks werd gesteld.

    • 3 Israël en de Koerden

      De vraag is of we het drieluik niet hadden moeten uitbreiden met een vierde strijd: Nederlandse Joden die gaan vechten voor Israël.1x Aantallen zijn niet bekend, maar wel verhalen van degenen die hebben deelgenomen aan de Israëlische krijgsmacht, evenals Nederlandse instanties die zorgen voor werving; zie bijv. de website van de Stichting SAR-EL Nederland (www.sar-el.nl), die schrijft: ‘SAR-EL Israël is een a-politieke en onafhankelijke organisatie, zonder enige subsidie, die bemiddelt voor buitenlanders die in Israël vrijwilligerswerk willen verrichten in de verzorgende sector of op een militaire basis.’ De vergelijking gaat in eerste instantie zeker op: net als de zoeaven en de communisten trokken de Joden naar Israël om een land te verdedigen tegen een dreigende ondergang. Net als de Syrië- en ISIS-gangers was er sprake van een Joods thuisland, dat met name ook door de streng orthodoxen werd gezien als religieuze heilstaat. En meer nog dan de zoeaven, communisten en Syrië- en ISIS-gangers hadden de Joden in Nederland te kampen met discriminatie en uitsluiting.
      Toch zijn de verschillen groter dan de overeenkomsten. Het doorslaggevende verschil ligt in de relatie tussen Joodse Nederlanders en de staat Israël. De stichting van de staat Israël zou men als het product van de zionistische ideologie kunnen bestempelen, maar die was vooral van praktische aard, namelijk een thuisland voor Joden waar zij vrij van discriminatie en vervolging kunnen leven. Die relatie hadden zoeaven, communisten en Syrië- en ISIS-gangers niet met de landen waar zij gingen vechten: het ging hen om het ideaal, niet het grondgebied.
      Natuurlijk waren er ook Joden die naar Israël trokken omdat zij hoopten op een Joodse heilstaat. Anders dan IS echter, was dat nimmer het doel van de staat Israël. Dat de samenleving zich later steeds meer op religieuze grondslag ging identificeren, had vooral te maken met de combinatie van politiek en de groei van een orthodoxe bevolkingsgroep. Maar de Nederlandse Joden die sedert 1967 op gezette tijden naar Israël zijn gegaan om te vechten, deden dat niet zozeer om te vechten voor een religieus of ideologisch ideaal, maar om het behoud van de staat Israël. Dat is waar de vergelijking met de andere groepen mank gaat, met uitzondering wellicht van de zoeaven, die ook vochten voor het behoud van het pauselijk grondgebied.
      Een andere reden waarom de vergelijking niet opgaat is van emotionele aard: de publieke opinie in Nederland heeft Israël lange tijd hartstochtelijk gesteund, en ook de Nederlandse regering heeft zich niet onbetuigd gelaten om deze steun in financieel en politiek opzicht te vertolken. Dat verklaart wellicht ook dat de Nederlandse Israël-gangers zonder problemen in dienst konden treden bij het Israëlische leger, en daartoe zelfs openlijk geworven kon worden in Nederland. Anders dan de zoeaven, communisten en Syrië- en ISIS-gangers verloren Joden nimmer hun Nederlandse nationaliteit, noch werd hun bij terugkeer de toegang tot Nederland ontzegd.
      In dit opzicht lijkt de vergelijking met Koerden meer op zijn plaats: Nederlandse Koerden trekken naar Koerdische dorpen en steden om deze te verdedigen en te behouden voor een ware vernietiging door ISIS. Ook zij hebben de sympathie van de Nederlands publieke opinie, en de Nederlandse overheid steunt de Koerden die bedreigd worden in zowel politiek als financieel opzicht. Evenzo worden Nederlandse Koerden niet gedreigd met maatregelen vanwege hun uitreizen naar een buitenlands strijdtoneel. Een belangrijk verschil met Israël is natuurlijk dat de Koerden geen erkende staat met een regulier leger vormen.
      Het is derhalve strikt genomen gerechtvaardigd om de vergelijking van Nederlanders in heilige oorlogen te beperken tot het drieluik van zoeaven, communisten en Syrië- en ISIS-gangers. Niettemin kan het geen kwaad om regelmatig de vergelijking met onder andere Nederlandse Joden en Koerden te maken, al was het alleen maar om onszelf rekenschap te blijven geven van de motivaties van onze opvattingen over hen, en van de consequentheid van de maatregelen die tegen sommige groeperingen worden genomen. Nu er meer Nederlanders van buitenlandse origine zijn dan in het verleden het geval was, en transnationalisme deel van onze samenleving is geworden, zal deze kwestie in de toekomst vaker spelen, ook met conflicten in andere landen.

    • 4 Conclusie

      De vraag of de Nederlandse moslims anders zijn dan de zoeaven en communisten is in het voorgaande beantwoord aan de hand van de persoonlijke gesteldheid van deze strijders, hun omstandigheden in Nederland en de context van de ‘heilige strijd’ die zich in het buitenland afspeelde. Daarbij sprongen allerlei verschillen in het oog: een politieke ideologie als het communisme is niet direct vergelijkbaar met de idealen van een religie als het katholicisme of de islam; de doelen van de heilige strijd verschilden onderling; Nederland reageerde soms milder op terugkerende strijders dan andere keren; de sociale media dragen ertoe bij dat het strijdtoneel vandaag de dag direct en indringend zichtbaar wordt.
      Een ander duidelijk verschil is dat de meeste huidige Syrië- en ISIS-gangers kinderen van migranten zijn. Dat kan gedeeltelijk hun motivatie verklaren, aangezien zij als tweede en derde generatie migranten nu eenmaal leven in de complexe cultuurovergang die gepaard gaat met de zoektocht naar identiteit. Tegelijkertijd is die identiteit voor veel van deze mensen niet alleen gekoppeld aan idealen, maar ook aan concrete banden met de plaats van het conflict. We zagen dat dit ook een rol speelt bij Nederlandse Joden en Koerden. Omgekeerd maakt dit het voor Nederlanders makkelijker om hun gedragingen te verklaren als ‘anders’ en ‘buitenlands’.
      Niettemin lijken de overeenkomsten tussen de drie groepen te overheersen: jonge mensen – vooral mannen – waren bereid te strijden voor hun ideaal, waarbij de strijd het karakter had van ‘erop of eronder’. Deze strijd werd verzinnebeeld door een conflict dat buiten Nederland plaatsvond en waar deze jongeren naartoe trokken. Deze jonge mensen kwamen voort uit gemeenschappen die in alle drie gevallen een minderheid vormden, een minderheid die werd beschouwd als on- of zelfs anti-Nederlands en waartegen, vanwege bepaalde toevallige omstandigheden, de weerzin en het wantrouwen opeens escaleerden. De Nederlandse overheid trad vervolgens bestraffend op tegen degenen die uitreisden naar het strijdtoneel, met als belangrijkste middel hen uit te sluiten van Nederland.
      Deze overeenkomsten leiden tot de conclusie dat de Syrië- en ISIS-gangers niet uniek zijn, maar een verschijnsel dat zich eerder onder Nederlanders heeft voorgedaan. Het was elke keer een bijzondere samenloop van omstandigheden en sentimenten die hiertoe leidde, en we moeten voor de toekomst zeker niet uitsluiten dat het weer eens kan gebeuren, want niets menselijks blijkt ons vreemd te zijn. Tevens is voorzienbaar dat met het toenemende aantal Nederlanders van buitenlandse origine er sneller sprake zal zijn van een persoonlijke betrokkenheid bij conflicten in het buitenland.
      Dit alles neemt niet weg dat de veiligheidsdiensten en justitie in het geval van de Syrië- en ISIS-gangers voldoende aanleiding hebben om op scherp te staan. Maar het geeft wel extra reden om als Nederlandse samenleving ook naar onszelf te kijken.

    Noten

    • 1 Aantallen zijn niet bekend, maar wel verhalen van degenen die hebben deelgenomen aan de Israëlische krijgsmacht, evenals Nederlandse instanties die zorgen voor werving; zie bijv. de website van de Stichting SAR-EL Nederland (www.sar-el.nl), die schrijft: ‘SAR-EL Israël is een a-politieke en onafhankelijke organisatie, zonder enige subsidie, die bemiddelt voor buitenlanders die in Israël vrijwilligerswerk willen verrichten in de verzorgende sector of op een militaire basis.’


Print dit artikel