DOI: 10.5553/TvRRB/187977842015006001007

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Het crematorium: ruimte voor rituelen en rouw

Beleid van Crematorium Tilburg ten aanzien van rituelen, herdenkingen en rouw

Trefwoorden crematorium, rituelen, rouw, secularisering, beleid
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Martin J.M. Hoondert, 'Het crematorium: ruimte voor rituelen en rouw', TvRRB 2015-1, p.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Crematoria in Nederland ontwikkelen zich van nutsgebouwen naar plaatsen waar ruime aandacht is voor rituelen rondom de dood, herdenkingen en rouwverwerking. Deze ontwikkeling wordt goed zichtbaar in het beleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten van Crematorium Tilburg. In dit artikel wordt dit beleid systematisch beschreven en geplaatst in het ruimere kader van culturele en kerkelijke ontwikkelingen in Nederland.

    • 1 Inleiding

      In september 2014 opende Crematorium Tilburg het Andante café, een plaats waar gesprekken plaatsvinden over leven met de dood. Het café is een initiatief van crematoriumdirecteur Mariëlle van de Heuvel en het wordt onder meer ondersteund door ritueelbegeleider Rob van Tilburg. In een interview zet Van Tilburg uiteen wat de doelstelling is van het Andante café: ‘Het belangrijkste is te laten zien dat verdriet er mag zijn. Dat de dood onderdeel is van ons leven, dat je erover mag praten. Het café moet een plek zijn waar over wezenlijke zaken gesproken wordt.’1x‘De dood is onderdeel van ons leven, je mag erover praten’, Brabants Dagblad 16 september 2014.
      Het Andante café past in een reeks van initiatieven die de thema’s sterven, dood en rouwen in de maatschappij bespreekbaar willen maken. Denk aan boeken zoals Iedereen gaat dood van Leonie van Straaten2xL. van Straaten, Iedereen gaat dood. Over de onzekerheid van ons bestaan, Heeswijk 2011. of De uitvaartplanner van Carolien Harrems,3xC. Harrems, De uitvaartplanner. Van stervensbegeleiding tot bedankkaart, Utrecht/Antwerpen 2012. aan televisieprogramma’s zoals de achtdelige documentaireserie Dood voor beginners van de omroepen EO en IKON in het najaar van 2014, en aan recente initiatieven tot het oprichten van een rouwcafé of death café.4xZie www.deathcafe.com. In Nederland werd het eerste death café gehouden op 5 mei 2014 in Amsterdam; zie: www.nieuwwij.nl/nieuws/gesprekken-dood-rondom-de-koffietafel-het-death-cafe.
      Dergelijke initiatieven kunnen vanuit cultureel perspectief bestudeerd worden. Dan zijn kwesties aan de orde zoals de veranderende omgang met de dood in onze cultuur, de steeds kleiner wordende rol van de christelijke kerken als expertisecentra voor uitvaartrituelen, en rouwbegeleiding onder invloed van de voortgaande ontkerkelijking. We kunnen de genoemde initiatieven ook zien als de vrucht van een strategisch gevoerd beleid. Dat is de insteek van dit artikel. Met het beleid van Crematorium Tilburg als uitgangspunt wordt ingegaan op de rol van crematoria in de Nederlandse samenleving ten aanzien van uitvaart- en rouwrituelen en het gesprek over de dood. Centraal in deze bespreking staat de positie van het crematorium in het culturele en religieuze landschap in Nederland.

    • 2 Het standpunt van de christelijke kerken ten aanzien crematie

      De rooms-katholieke kerk heeft lange tijd crematie afgewezen. Dit veranderde in 1963 met de instructie Piam et constantem, waarin de Congregatie van het Heilig Officie erkende dat crematie om hygiënische of economische redenen wenselijk kan zijn.5xVoor achtergronden bij de totstandkoming van deze instructie en de receptie in Nederland, zie: W. Cappers, Vuurproef voor een grondrecht: Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie, 1874-1999, Zutphen 1999, p. 268-270. De houding ten opzichte van cremeren is echter ambivalent gebleven, zoals we kunnen lezen in canon 1176.3 van het Kerkelijk Wetboek (1983):

      ‘Met aandrang beveelt de Kerk aan de vrome gewoonte te bewaren om de lichamen van de overledenen te begraven; zij verbiedt nochtans de crematie niet, tenzij deze laatste gekozen werd om redenen die met de christelijke leer in strijd zijn.’

      Het verbod op crematie, zoals dat onder meer verwoord werd in het Kerkelijk Wetboek van 1917 (canon 1203), is overigens niet gebaseerd op de rooms-katholieke geloofsleer. Immers, verbranding van het lichaam staat, evenals het natuurlijke verval van het begraven lichaam, de lichamelijke opstanding niet in de weg. Het verzet van de kerk tegen crematie hing samen met de context waarin crematie opkwam. Het waren kerkvijandige bewegingen in het kader van de Franse Revolutie die crematie verplicht wilden stellen. Zo maakte het internationale congres van Vrijmetselaars in 1869 de kwestie van de crematie tot twistpunt in de strijd tegen de kerk. Ook in marxistische kringen werd crematie gepropageerd, onder andere door de oprichting van de Vereniging van Vrijdenkers voor Lijkverbranding in 1905.6xL. De Cock, Geschiedenis van de dood. Rituelen en gewoonten in Europa, Leuven; Kampen 2006, p. 325-337. Cappers 1999, p. 91-93.
      De instructie Piam et constantem hief enerzijds het verbod op crematie op, anderzijds werd de medewerking van kerkelijke zijde aan een crematie tot een minimum beperkt: begraven verdient de voorkeur, en katholieke geestelijken mogen geen kerkelijke handelingen verrichten in het crematorium. In de Nederlandse situatie werkt deze terughoudendheid ten aanzien van crematie nog steeds door: priesters, diakens en pastoraal werkers gaan doorgaans niet mee naar het crematorium, en de dienst in het crematorium bevat weinig tot geen kerkelijke elementen. In dit opzicht verschilt de Nederlandse situatie aanzienlijk van die in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk. Hier zien we een grote betrokkenheid van de kerken bij het crematieritueel. Douglas Davies schrijft hierover: ‘The service is itself usually conducted by a priest, the people gather to pray, sing hymns, hear a reading from holy scripture and a short sermon or talk.’7xD.J. Davies, ‘The sacred crematorium’, Mortality 1996, 1, p. 83-94, hier p. 89. In de crematoria in het Verenigd Koninkrijk treft men vaak een oecumenisch ‘kerkboek’ aan met orden van dienst en hymnen.
      In de protestantse kerken heeft nooit een verbod bestaan op cremeren. Heel nadrukkelijk werd dit bevestigd door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1961. Er was weliswaar een voorkeur voor begraven, maar de keuze voor crematie diende, aldus de Generale Synode, gerespecteerd te worden.8xCappers 1999, p. 265.
      Ondanks de terughoudendheid van de christelijke kerken ten aanzien van cremeren en het verbod hierop bij onder meer moslims en joden, is het aantal crematies in Nederland sterk gegroeid. In 1960 was het aantal crematies 4%, in 1970 14%, in 1980 35% en eind 2013 61%.9xwww.lvc-online.nl/aantallen, geraadpleegd op 7 oktober 2014. De toename van het aantal crematies hangt enerzijds samen met de veranderende houding van de christelijke kerken in de jaren zestig van de vorige eeuw, anderzijds met factoren als toenemende mobiliteit, het milieu en de hoge kosten voor onderhoud van een graf ten opzichte van de kosten voor bijzetting van een urn of asverstrooiing.10xP.J.M. van Steen & P.H. Pellenbarg, ‘Death and space in the Netherlands’, Tijdschrift voor economische en sociale geografie 2006, 5, p. 623-635. Bovendien blijven begraafplaatsen van belang, zowel vanwege het culturele belang (erfgoed) als vanwege de ruimte die nodig is voor het bijzetten van urnen.11xOnlangs werd in Arnhem een kerk in gebruik genomen als bewaarplaats voor urnen (columbarium). Deze kerk wordt aangeduid als ‘memorarium’. Zie: J. Meijering, ‘Een plek om te gedenken’, Laetare 2014, 4, p. 38-39. In Duitsland worden kerken al sinds enkele jaren als columbarium ingericht, zie C.Leonhard & T. Schüller, Tot in die Kirche? Rechtliche und liturgische Aspekte der Profanierung von Kirchen und ihre Umnutzung zu Kolumbarien, Regensburg 2012; F. Fendler, Letzte Heimat Kirche Kolumbarien in Sakralräumen, Leipzig 2014; O. Meys, ‘Kolumbarium und Grabeskirche: die Umnutzung von Kirchen zu Urnenfriedhöfen’, Die Denkmalpflege2013, p. 117-124. Dat sociaal-culturele factoren een rol spelen bij het percentage crematies ten opzichte van begraven blijkt uit de grote verschillen tussen de verschillenden landen in Europa.12xZie het overzicht voor het jaar 2000 in De Cock 2006, p. 328.

    • 3 Architectuur, ritueel en sacraliteit

      Het eerste crematorium in Nederland werd gebouwd in 1913 in Velsen en werd het jaar daarna in gebruik genomen.13xCappers 1999, p. 134-143. In de honderd jaar dat er crematoria in Nederland worden gebouwd, kunnen we vanuit architectonisch perspectief vier fasen onderscheiden. Ik volg hierbij de indeling die Mirjam Klaassens en Peter Groote hanteren in hun artikel over de architectuur van crematoria in Nederland.14xM. Klaassens & P. Groote, ‘Designing a place for goodbye: the architecture of crematoria in the Netherlands’, in: D.J. Davies & C.-Won Park (red.), Emotion, Identity and Death. Mortality across disciplines, Farnham, Surrey; Burlington, VT 2012, p. 145-159. Zij zien keerpunten rond 1930, 1970 en 2000. In de eerste fase (1913-1930) zoeken architecten naar een passende stijl voor het crematorium, een type gebouw zonder voorgeschiedenis. In de tweede (1930-1970) en derde fase (1970-2000) overheerst het modernisme in de architectuur van de crematoria. Met name in de derde fase, waarin veel crematoria gebouwd worden, overheerst een functionele bouwstijl. Crematoria worden nutsgebouwen. Klaassens en Groote schrijven: ‘Often, the architecture was so downgraded that it resulted in the creation of places without any symbolic value or meaning, or any sense of place. Crematoria turned out to be anonymous suburban non-places (…).’15xKlaassens & Groote 2012, p. 152. In de vierde fase, vanaf het jaar 2000, zien we nieuwe, postmoderne crematoria, waarin ruimte is voor de individuele, rituele ervaring, met minder accent op efficiëntie en de primaire functie van het crematorium (het cremeren).
      In een tweede artikel over de architectuur van Nederlandse crematoria gaan Klaassens en Groote diepgaand in op deze vierde, postmoderne fase aan de hand van drie recent gebouwde crematoria in Haarlem (2002), Leusden (2003) en Zoetermeer (2006).16xM. Klaassens & P.D. Groote, ‘Postmodern crematoria in the Netherlands: a search for a final sense of place’, Mortality 2014, 1, p. 1-21. Crematoria in deze vierde fase zijn niet langer nutsgebouwen, maar ‘space imbued with meaning’.17xKlaassens & Groote 2014, p. 5. Het zoeken naar een betekenisvolle ruimte staat in de context van de secularisatie vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw.
      Ik zie twee heel verschillende manieren waarop dit proces van secularisatie invloed heeft op de bouw van crematoria. Ten eerste houdt secularisatie in dat het geloof in de Grote Verhalen,18xDe Franse filosoof Jean-François Lyotard spreekt in zijn boek La condition postmoderne: rapport sur le savoir (Parijs, 1979) over het einde van de Grote Verhalen (meta-narratieven). Zijn these beperkte zich tot de wetenschap, maar werd na hem ook toegepast op onder meer religie en politiek. geconcretiseerd in onder meer de religieuze en levensbeschouwelijke tradities van het (pre)modernisme, is verdwenen. Dit betekent dat in de bouw van nieuwe crematoria niet teruggegrepen kan worden op de symboliek uit deze tradities. Ten tweede houdt secularisatie in dat de invloed van de kerken, met name de christelijke kerken, op de samenleving is afgenomen. Mensen doen in steeds mindere mate een beroep op de kerk, het aantal kerkelijke uitvaarten neemt af.19xHet percentage uitvaarten in de rooms-katholieke kerk is in de periode 1960-2000 afgenomen van 37,9% naar 27,4% (bron: De Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, 1960-2000. Een statistisch trendrapport, Kaski Memorandum nr. 326, Nijmegen/Tilburg, september 2002, p. 29). In 2012 is het aantal nog verder gedaald naar 19%. Het percentage uitvaarten in de protestantse kerk in Nederland is in 2012 13% (bron: BU. Brancheblad Uitvaartzorg 2014, p. 5). Dit gaat gepaard met het zoeken naar nieuwe sacrale plaatsen. Douglas Davies noemde al in 1996, op basis van zijn onderzoek naar crematoria in het Verenigd Koninkrijk, het nieuwe crematorium een plaats ‘invested with a sacred value’.20xDavies 1996, p. 83.
      De zoektocht naar het crematorium als betekenisvolle ruimte heeft niet alleen invloed op de bouw, maar ook op de inrichting van zowel nieuwe als reeds bestaande crematoria. Uit het onderzoek van Laura Cramwinckel blijkt dat het accent bij de restyling (in de jaren na 2000) ligt op symboliek en ritueel. Er is sprake van een tendens tot zowel sacralisering als ritualisering van het crematorium.21xL. Cramwinckel, ‘Metamorfose in crematoriumarchitectuur. Terreinverkenning van recente ontwikkelingen op het gebied van vormgeving van een nieuw algemeen basaal-sacrale ruimte’ (MA thesis Tilburg University), 2011, p. 60-68. Bij de inrichting van crematoria streven architecten ernaar het sacrale karakter van het gebouw en het ritueel dat hier plaatsvindt te materialiseren. Er wordt gewerkt met gefragmenteerde lichtinval en schaduw, contrasten tussen open- en geslotenheid, zones en drempels om het rituele karakter van de samenkomst in het crematorium te benadrukken. Cramwinckel schrijft:

      ‘De inrichting van de aula is verre van “alledaags”. In affectieve zin spreken de ontwerpers over het creëren van “troostrijke” sferen, ruimtes die inspireren, waarin men kan “wegdromen” of tot bezinning kan komen. Het zijn duidelijk begrensde ruimtes met een illusoir karakter. Bij de materiële uitwerking doen de stylisten, evenals de architecten, een beroep op de evocatieve kwaliteiten van schoonheid, kunst en toegepaste vormgeving. Om open te staan voor invulling vanuit verschillende levensbeschouwelijke oriëntaties maakt men bewust (en onbewust) gebruik van basaal-sacrale beeldtaal en universele metaforen als natuur, licht, harmonie, leven en hoop.’22xCramwinckel 2011, p. 63.

      Ook in Crematorium Tilburg werden enkele ruimtes opnieuw ingericht. Het initiatief tot de oprichting van dit crematorium in de jaren tachtig werd genomen door de rooms-katholieke parochies die verenigd waren in het dekenaat Tilburg, en lange tijd waren de bestuursleden van de Stichting Beheer Crematorium Tilburg en Omstreken van rooms-katholieke huize.23xK. de Leeuw, Leven met de dood.25 jaar Crematorium voor Tilburg en Omstreken, Tilburg 2009, p. 53-59, p. 155. In 1986 opende het crematorium zijn deuren, in 2008 en 2009 vond een restyling plaats en kregen zowel een van de aula’s als de koffiekamers door kleine ingrepen een ‘warmere uitstraling’, waarbij de kleur rood overheerst.24xDe Leeuw 2009, p. 135-136. De nadruk ligt op warmte en gastvrijheid, op troost en schoonheid. In het nieuwe millennium is het crematorium niet langer een nutsgebouw, waarin het accent ligt op functie en techniek, maar een sacrale ruimte voor ritueel.25xCramwinckel 2011 p. 18-20. Tegelijkertijd, zo merkte ik tijdens mijn veldwerk bij Crematorium Tilburg naar crematierituelen, blijkt dat de zoektocht naar waardige en betekenisvolle rituelen nog volop gaande is.26xOp basis van mijn veldwerk (november 2013) in Crematorium Tilburg maak ik een voorlopig onderscheid tussen herinneringsrituelen (waarin het accent ligt op het ophalen van herinneringen door de nabestaanden), presentierituelen (waarin de overledene centraal staat en ook rechtstreeks wordt aangesproken) en afscheidsrituelen (waarin het accent ligt op het loslaten en het uit handen geven van de overledene). Naar de aard en ontwikkeling van het crematieritueel in samenhang met het daaropvolgende rouwproces is nog weinig onderzoek verricht.27xEen van de weinig artikelen over de samenhang tussen de architectuur van het crematorium, rituelen en rouw is van de hand van H. Grainger: ‘Maxwell Fry and the “Anatomy of Mourning”: Coychurch Crematorium, Bridgend, Glamorgan, South Wales’, in: A. Maddrell & J. Sidaway (red.), Deathscapes. Spaces for Death, Dying, Mourning and Remembrance Farnham, Surrey 2010, p. 243-261.

    • 4 Ruimte voor rouw

      Het karakter van het crematorium verandert niet alleen door nieuwe architectuur en inrichting, maar ook door bewust geplande activiteiten. Crematorium Tilburg is in dit opzicht een koploper, met name dankzij het leiderschap van directeur Mariëlle van den Heuvel.28xTelefonisch interview met Henry Keizer, secretaris van de Landelijke Vereniging van Crematoria, 7 oktober 2014. Sinds haar aantreden in 2007 zien we een nieuwe tendens in de wijze waarop het crematorium functioneert in Tilburg en omgeving. Naast ruimte voor ritueel wordt Crematorium Tilburg steeds meer ook een ruimte voor rouw, herdenking, en bezinning. Van den Heuvel zegt hierover: ‘Toen ik hier in 2007 als directeur begon, was er een sterke concentratie op de “logistieke” kant van het bedrijf: de afscheidsdienst en de crematie zelf. Ik wil daarnaast meer aandacht geven aan de “inhoudelijke en zachte” kant: meer herdenkingsdiensten, lezingen en meer ontmoeting.’29xDe Leeuw 2009, p. 138.
      In het nu volgende wordt een beknopt overzicht gegeven van de concrete activiteiten die uit deze ambitie en de daarmee samenhangende beleidsplannen van 2008-2011 en 2012-2015 voortvloeien. Naast de ambitie van het crematorium zelf, verwoord door de directeur, zijn er externe factoren die invloed hebben op deze concrete activiteiten. Deze factoren zijn: (1) de ideële doelstelling van Crematorium Tilburg; (2) de veranderde wetgeving inzake asverstrooiing; (3) de nabijheid van de openbare begraafplaats;30xIn de gemeente Tilburg zijn twaalf begraafplaatsen aanwezig: negen zijn eigendom van rooms-katholieke parochies, er is één joodse begraafplaats en er zijn twee openbare begraafplaatsen. De grootste van die twee, gelegen aan de Hoflaan, werd in 1965 geopend en grenst aan het terrein van Crematorium Tilburg. Zie www.online-begraafplaatsen.nl/begraafplaatsen.asp?prov=NB&gem=Tilburg&command=list en www.tilburgopdekaart.nl/#/begraafplaatsen/, geraadpleegd op 31 maart 2014. Zie ook: C. van Raak, ‘Verstilde stad: de oude begraafplaatsen van Tilburg’, Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 1991, 3, p. 55-87. en (4) de behoefte van nabestaanden aan ‘ruimte voor rouw’ in een cultuur waarin kerkelijke instituties gemarginaliseerd zijn.

      Activiteiten

      De activiteiten die Crematorium Tilburg, naast het primaire proces (cremeren en het faciliteren van crematiediensten en van het in ontvangst nemen van condoleances, bewaren van de as), kunnen we indelen in drie categorieën.

      Herdenken.

      Ten eerste zijn er activiteiten die we kunnen samenvatten onder het kopje ‘herdenken’, zowel individueel als collectief.31xDe Cremation Association of North America (CANA) heeft als motto voor haar leden: ‘Cremation is preparation for memorialization’. Zie D.J. Davies, Encyclopedia of cremation, Aldershot 2005, p. 103. Het crematorium informeert nabestaanden over de mogelijkheden om de as te bewaren. Dit loopt uiteen van een eenvoudige urn tot sieraden waarin kleine hoeveelheden as verwerkt worden. Nabestaanden kunnen de as thuis bewaren, laten verstrooien op een plaats die voor de overledene en/of de nabestaanden van betekenis is, of bewaren of verstrooien op het terrein van het crematorium of een begraafplaats. Om tegemoet te komen aan de behoefte van nabestaanden om een herdenkingsplek in te richten, vergelijkbaar met een graf op een kerkhof, is het aantal columbaria en urnentuinen met urnengrafvakken al vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw uitgebreid.32xDe Leeuw 2009, p. 74-75. In 2010 is een herdenkingsmuur geplaatst bij het strooiveld, ontworpen door Isabelle Roskam van Glasatelier Zuid-Nederland.33xDe Leeuw 2009 p. 139. Naast het faciliteren van het individuele herdenken biedt Crematorium Tilburg ook activiteiten aan voor collectief herdenken: een herdenkingsconcert rondom Allerzielen (2 november; vijfmaal georganiseerd, 2006-2010, in samenwerking met uitvaartonderneming DELA), een lichtjesavond op 2 november (sinds 2011, in samenwerking met uitvaartondernemingen DELA en Monuta), een bijeenkomst op Wereldlichtjesdag (tweede zondag in december) ter nagedachtenis aan overleden kinderen, en sinds 2013 een jaarlijkse herdenkingsdag in het voorjaar onder de titel ‘Dichterbij’.

      Informeren.

      Ten tweede zijn er activiteiten die zich richten op het verstrekken van informatie. Deze informatie betreft zowel het primaire proces van het crematorium als het daarop volgende proces van rouwverwerking. Over rouw en rouwverwerking wordt sinds 2008 jaarlijks een lezingencyclus georganiseerd onder de algemene titel ‘Leven & Dood’, in samenwerking met het Zorgnetwerk Midden-Brabant. Zo werden in 2012 drie lezingen georganiseerd over eenzaamheid en familieverbanden, in 2013 over rouw en familieverbanden en in 2014 rondom kunst, gedichten en muziek in relatie tot rouw en troost. De informatievoorziening en de afstemming van de activiteiten worden gecoördineerd in het Netwerk Sterven en Rouw Midden-Brabant, waarin organisaties op het gebied van zorg, advisering en begeleiding rondom levenseinde, uitvaart en rouw elkaar treffen.34xwww.stervenenrouw.nl. Zie ook: M. Weijzen & J. Visser, ‘Van doorverwijzing naar kruisbestuiving. Tilburgs Netwerk Sterven en Rouw’, BU Brancheblad Uitvaartzorg 2014, november, p. 12-13. De lezingen zijn overigens niet alleen informatief, maar kunnen ook beschouwd worden als een stap in het individuele rouwproces. De relatieve laagdrempeligheid van de lezingen biedt sommige nabestaanden de mogelijkheid het crematorium weer te betreden en de herinnering aan het afscheid van een dierbare en de crematiedienst toe te laten.

      Ontmoeten.

      Ten derde zijn er activiteiten die zich richten op de ontmoeting, op het samenbrengen van mensen. De hiervoor genoemde lezingencycli en het in de inleiding genoemde Andante café zijn er, naast hun informatieve functies, ook op gericht mensen bijeen te brengen. Naast collectieve bijeenkomsten biedt Crematorium Tilburg ook ruimte voor ‘verwijlen’. Het afscheidspark met de columbaria en urnentuinen is uitnodigend en gastvrij ontworpen. Nabestaanden kunnen rondwandelen en bloemen plaatsen bij de urn. In het Beleidsplan 2012-2015 wordt de ambitie uitgesproken een ‘lounge’ of ‘rouwcafé’ te realiseren: ‘een ruimte waar men een kopje koffie kan drinken en eventueel een broodje kan eten’. Eventueel kan deze ‘lounge’ gecombineerd worden met een gedenktekenwinkel. In het Beleidsplan 2012-2015 lezen we: ‘De medewerkers kunnen diverse taken verrichten vanuit deze ruimte. Naast verkoop van de gedenktekens ook verstrooien van as in het bijzijn van de familie, ophalen van de as, bijzetten van de urn in de urnentuinen, serveren van koffie, thee en verteer conform een kleine kaart en allerlei administratieve handelingen.’35xCitaten uit Beleidsplan 2012-2015, p. 3. Let wel, de lounge en de gedenktekenwinkel zijn (nog) niet gerealiseerd, maar de ambitie om dergelijke ruimtes in te richten geeft wel aan in welke richting Crematorium Tilburg denkt voor zijn dienstverlening.

      Externe factoren

      Voornoemde activiteiten worden niet alleen ‘gestuurd’ door de ambities van het crematorium en zijn directeur, maar ook door externe factoren. Ten eerste is er de ideële doelstelling van Crematorium Tilburg. In tegenstelling tot vele andere crematoria, die vaak eigendom zijn van een van de grote uitvaartondernemingen, wordt Crematorium Tilburg beheerd door een stichting. De Stichting Beheer Crematorium Tilburg en Omstreken heeft vanaf de oprichting in 1984 een ideële doelstelling gehad. In de statuten is de ideële doelstelling in heel algemene woorden opgenomen en wordt aldus ruimte geboden om activiteiten te ontplooien die verder gaan dan het primaire proces van het crematorium. In de eerste decennia bleef er nauwelijks tijd en geld over om de ideële doelstelling te verwezenlijken, omdat ‘alle geld hard nodig was voor de opeenvolgende investeringen, eerst in de bouw van het Crematorium en later in de diverse uitbreidingen en de nieuwbouw’.36xDe Leeuw 2009, p. 163-165. Initiatieven in het kader van de ideële doelstelling kwamen pas goed van de grond door het instellen van een Commissie Ideële doelstelling in juni 2007 en het aantreden van Mariëlle van den Heuvel als directeur, eveneens in 2007. Daarvoor werden al wel subsidies verstrekt aan onder meer een werkgroep rouwverwerking en aan een hospice. Vanaf 2007 echter, werd voor het realiseren van de ideële doelstelling ook het gebouw van het crematorium ingezet: de aula’s van het crematorium zijn immers niet alleen geschikt voor een crematiedienst, maar kunnen ook voor andere doeleinden, zoals lezingen en concerten, gebruikt worden.37xDe Leeuw 2009, p. 167-170. In het Beleidsplan 2012-2015 wordt nadrukkelijk genoemd dat het crematorium nabestaanden wil helpen bij het herdenken en rouwen.38xBeleidsplan 2012-2015, p. 2. Om deze doelstelling te realiseren is het nodig ‘een profiel te maken van de mens die in rouw is’. Dat deze doelstelling niet geheel vrij is van economische motieven blijkt uit het vervolg: ‘Hoe kunnen we de nabestaande helpen de herinnering aan hun dierbare levend te houden op een integere manier? Hoe komen we in contact met de toekomstige klant?’39xBeleidsplan 2012-2015, p. 7. De ideële doelstelling van de stichting biedt niet alleen ruimte aan een mooi aanbod van activiteiten, maar is ook een middel om Crematorium Tilburg te onderscheiden van andere crematoria in de omgeving.
      Ten tweede is er de veranderde wetgeving inzake verstrooiing van de as. De regels omtrent het verstrooien zijn vastgelegd in de Wet op de Lijkbezorging uit 1991. De plaatsen waar de as verstrooid mag worden, werden in de wet uit 1991 beperkt tot ‘terrein dat bestemd is om permanent as op te verstrooien’ en de ‘open zee’.40xWet op de Lijkbezorging, art. 66a. Zie ook: C. R. van Strijen, Wet op de lijkbezorging (Lexplicatie vol. 3.63a), Deventer 2009. De Wet op de Lijkbezorging is met ingang van april 1998 gewijzigd. Naast het bewaren van de as in huis of in een graf of het bijzetten van de urn in een daarvoor bestemd gedeelte van het crematorium of de begraafplaats, kan de as ook verstrooid worden op de hiervoor genoemde aangewezen plaatsen en op ‘bijzondere plekken’ (de zogenoemde incidentele verstrooiing). Voor het verstrooien van de as op deze bijzondere plekken gelden de bepalingen in de algemene plaatselijke verordening. Duidelijk is dat de mogelijkheden om de as te bewaren of te verstrooien door de wijzigingen in de Wet op de Lijkbezorging zijn verruimd. Het crematorium en de begraafplaats zijn niet meer de exclusieve bewaarplaatsen van de as. Voor het crematorium betekent dit dat het zich meer moet inspannen om van de columbaria en urnentuinen op het terrein een waardige en in zekere zin ook ‘aantrekkelijke’ herinneringsplek te maken. Hier speelt ook een economisch belang: de inkomsten uit columbarium- en grafrechten zijn van belang voor de exploitatie van het crematorium.41xZie ook de brochure Informatie voor nabestaanden over het bijzetten en verstrooien van de as, gedenktekens en waardevolle herinneringen, Tilburg 2014, www.crematoriumtilburg.nl/download/informatie-nabestaande. De verruiming van de mogelijkheden voor het bewaren van de as heeft dan ook de druk op het crematorium om mensen aan zich te binden vergroot.
      Een derde factor die van invloed is op de ambities van Crematorium Tilburg is de naastgelegen gemeentelijke of openbare begraafplaats. Het terrein van het crematorium en de openbare begraafplaats grenzen aan elkaar, met een strook volkstuinen ertussen als afscheiding. De statuten van de stichting bieden ruimte voor overname van de begraafplaats. In januari 2011 presenteerde de gemeente Tilburg een ontwikkelingsvisie voor begraafplaats en crematorium. Hierin worden toekomstscenario’s geschetst, waarbij met name ingezet wordt op een intensieve samenwerking tussen crematorium en begraafplaats en er een natuurpark gerealiseerd wordt met een zogenoemde ‘groene begraafplaats’,42xD.J. Davies & H. Rumble, Natural burial. Traditional-secular spiritualities and funeral innovation, Londen 2012. T. Nugteren, ‘Troost en “troosteloosheid” op natuurbegraafplaatsen’, Nederlandsch theologisch tijdschrift 2014, 1, p. 83-100. strooivelden en een nieuwe urnenmuur. Het rapport vat de visie kort en krachtig samen: ‘De Karel Boddenweg e.o. [waaraan het crematorium is gelegen MH] wordt een natuurpark voor afscheid: een aantrekkelijk, sober, veilig en (ecologisch) waardevol verblijfsgebied, waar alle Tilburgers wel eens komen.’43xOntwikkelingsvisie Karel Boddenweg. Openbare Begraafplaats en Crematorium, gemeente Tilburg, januari 2011, p. 17. Juist de mogelijkheid om samen te werken met de gemeentelijke begraafplaats maakt het vanuit economisch perspectief haalbaar om initiatieven zoals een rouwcafé of lounge en een gedenktekenwinkel te realiseren. Samen trekken zij voldoende ‘klanten’ om deze ondernemingen winstgevend te maken.
      De begraafplaats is ook van invloed op de manieren waarop nabestaanden willen herdenken. Voor velen is een graf een plek om te koesteren, soms ook een plek van ontmoeting over de grens van de dood heen.44xM.D. Stringer, Contemporary western ethnography and the definition of religion, Londen 2008, p. 59-61. De begraafplaats is een plaats voor wat Douglas Davies noemt: ‘acts of remembering’, herinneringshandelingen. Steeds meer gaat het crematorium op eenzelfde manier functioneren door het aanleggen van urnengraven en het creëren van een parkachtige omgeving waarin strooivelden en columbaria opgenomen zijn. Zoals mensen, individueel, steeds terugkeren naar een kerkhof ‘experiencing the presence of the dead’,45xDavies 1996, p. 90: ‘Here crematoria echo the centuries-long part played by cemeteries in popular religiosity and in sensing the supernatural world of the dead.’ zo worden ook de terreinen om de crematoria heen steeds meer ingericht als afscheidstuinen en herinneringsparken.46xH. Grainger, Death Redesigned: British Crematoria, History, Architecture and Landscape, Reading 2005, p. 261 e.v.
      Een vierde factor die van invloed is op de ambities van Crematorium Tilburg is de veranderde omgang met dood en rouw in het publieke domein. Heel pregnant werd deze verandering zichtbaar bij de nationale herdenking van de (193 Nederlandse) slachtoffers van het in Oost-Oekraïne neergeschoten vliegtuig MH17 van Malaysia Airlines op 10 november 2014. Op die dag kopte dagblad Trouw: ‘Rouwen mag weer openbaar’.47xH. Obbink, ‘Rouwen mag weer openbaar’, Trouw 10 november 2014, De verdieping, p. 2-3. Al eerder werd door Stichting Impact de Handreiking herdenken uitgebracht, een praktisch boekje voor gemeenten met aandachtspunten voor het organiseren van een herdenkingsbijeenkomst na een schokkende gebeurtenis.48xHandreiking herdenken werd uitgegeven in 2011 door Impact, landelijk kennis- en adviescentrum psychosociale zorg na rampen. De Handreiking is te downloaden via de website van Impact: www.impact-kenniscentrum.nl. Zie ook: J. Holsappel & J. Netten, ‘Herdenken na schokkende gebeurtenissen: een praktische (én prijswinnende) handreiking voor gemeenten,’ Cogiscope: tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld 2013, 4, p. 7-11. In het hiervoor genoemde artikel in dagblad Trouw wordt Henri Beunders aangehaald. Beunders, hoogleraar Geschiedenis, cultuur en media aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam,49xZie ook: H.J.G. Beunders, Publieke tranen: de drijfveren van de emotiecultuur, Amsterdam 2002. spreekt van een ‘bezetenheid met de dood’ in onze cultuur, in tegenstelling tot de decennia na de Tweede Wereldoorlog, waarin de dood meer en meer uit het gewone leven verdrongen werd. Het is hier niet de plaats voor een schets van culturele veranderingen inzake omgang met de dood in de afgelopen decennia.50xZie hiervoor onder meer: P. Aries, Western attitudes toward death: from the Middle Ages to the present, Baltimore 1974; C.D. Bryant (red.), Handbook of death & dying, Thousand Oaks 2003. J. Wojtkowiak, ‘I'm dead, therefore I am’. The postself and notions of immortality in contemporary Dutch society, Nijmegen 2012. Wel is duidelijk dat mensen op zoek zijn naar een plaats en tijd voor rouw, ook buiten de privésfeer. Dat blijkt uit het aanbod van rouwgroepen door onder meer maatschappelijk werk,51xIn Tilburg worden rouwgroepen georganiseerd door onder meer ContourdeTwern (‘Contactkring’), Indigo Brabant en het Instituut voor Maatschappelijk werk. uit de verkoop van boeken over rouw52xwww.boekenwereld.com/rouwboeken. en uit drukbezochte lezingen die het onderwerp rouw thematiseren.53xZo organiseerde Fontys Hogescholen in samenwerking met het Brabants Dagblad een lezingencyclus over ‘Verlies en veerkracht’ in het najaar van 2014. In korte tijd was het maximaal aantal deelnemers bereikt. Zowel de collectieve als de op het individu gerichte activiteiten van Crematorium Tilburg passen binnen deze trend om rouw ter sprake te brengen in het publieke domein.

    • 5 Discussie en voorlopige conclusie

      De christelijke kerken hebben zich in de afgelopen eeuw afwijzend dan wel terughoudend opgesteld ten opzichte van cremeren. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd de belangstelling voor cremeren groter en gaf de rooms-katholieke kerk haar verzet op. Lange tijd speelden de kerken een exclusieve rol bij rituelen en rouw. Door de secularisering en de discussies, ook in de media, over de vormgeving van met name het rooms-katholieke uitvaartritueel54xJ. Hermans, De liturgie van de uitvaart. Een handboek voor de praktijk, Oegstgeest 2011. is het in het zuiden vaak nog vanzelfsprekende beroep op de kerk afgenomen. Een nieuw netwerk is ontstaan in de afgelopen decennia, waarin rituelen rondom de dood, herdenkingen en aandacht voor rouw en rouwbegeleiding een plaats hebben gekregen. Crematorium Tilburg is een van de belangrijke knooppunten in het lokale netwerk en is inzake deze trend een koploper ten opzichte van de andere crematoria in Nederland. In het lokale netwerk zijn de kerken niet vertegenwoordigd. In een interview met de directeur van Crematorium Tilburg, Mariëlle van den Heuvel, over het netwerk waarin het crematorium functioneert, werden de kerken niet genoemd.55xInterview met Mariëlle van den Heuvel, 19 mei 2014.
      De in dit artikel geschetste terughoudende houding van de christelijke kerken ten opzichte van cremeren en tegelijkertijd de steeds groter wordende rol van het crematorium ten aanzien van rituelen en rouw laten een tendens zien die ook elders en vanuit andere perspectieven is beschreven. Klaassens en Groote plaatsen de ontwikkeling van het crematorium als nutsgebouw naar een betekenisvolle, symbolische ruimte zowel in het kader van het postmodernisme als in dat van een snel verlopen proces van secularisatie.56xKlaassens & Groote 2014, p. 5-6. Tony Walter, een van de meest vooraanstaande onderzoekers op het terrein van de sociologie van de dood, schetste al in 1996 een nieuwe omgang met de dood in een artikel met de programmatische titel: ‘Facing death without tradition’.57xT. Walter, ‘Facing death without tradition’, in: G. Howarth & P.C. Jupp (red.), Contemporary issues in the sociology of death, dying, and disposal, New York 1996, p. 193-204. De veranderende rol van Crematorium Tilburg ten aanzien van rituelen rondom de dood en rouw weerspiegelt ook de sacraliteitstendenties zoals die eerder door mijn collega Paul Post, hoogleraar Rituele en liturgische studies aan de Universiteit van Tilburg, geschetst zijn in een artikel in dit tijdschrift.58xP. Post, ‘Heilige velden. Panorama van ritueel-religieuze presenties in het publieke domein’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010, 3, p. 70-91. Zie ook: P. Post, ‘Fields of the sacred: reframing identities of sacred places’, in: P. Post, A.L. Molendijk & J. Kroesen (red.), Sacred places in modern western culture, Leuven 2011, p. 13-59. In dat artikel laat Post zien dat sacraliteit, die zowel met binnenwereldlijke of natuurlijke als met transcendente of bovennatuurlijke termen aangeduid kan worden, in diverse domeinen gestalte kan krijgen. Sacraliteit beperkt zich niet meer tot het domein van de institutionele religies, maar wordt ook ervaren bij een bezoek aan een museum, een wandeling door het bos, het bijwonen van een concert, de Nationale Dodenherdenking op 4 mei, of een bezoek aan de afscheidstuin van een crematorium.
      Het crematorium kan een belangrijke rol spelen bij het vinden van een nieuwe verhouding tot de overledene en het opnieuw definiëren van identiteit als nabestaande. Douglas Davies, in zijn artikel over ‘the sacred crematorium’, haalt in dit verband de socioloog Hans Mol aan, die stelt ‘that whatever serves as the source of identity for individuals can come to be invested with a high level of significance, even to the point of being regarded as sacred’.59xH. Mol, Identity and the sacred: a sketch for a new social-scientific theory of religion, Oxford 1976, geciteerd in Davies 1996, p. 91. Als het beleid van Crematorium Tilburg maatgevend is voor een algemene tendens in onze culturele omgang met dood en rouw, dan zien we hier een ruimte ontstaan die contrasteert met de ruimtes waarin we wonen en werken, een ruimte waarin verbeelding en symboliek domineren, een ruimte waarin mensen zich anders mogen en kunnen gedragen dan in het leven van alledag, een ruimte voor rituelen en rouw, ‘voorbij het kerkgebouw’, aldus de titel van een zeer lezenswaardig boek van Paul Post.60xP. Post, Voorbij het kerkgebouw: de speelruimte van een ander sacraal domein, Heeswijk 2010. Zoals gezegd, Crematorium Tilburg is hierin een voorloper, maar de Landelijke Vereniging van Crematoria heeft wel een Commissie Toekomst ingesteld die zich onder meer met deze kwestie bezighoudt. Daarbij is zowel aandacht voor architectuur en inrichting als voor dienstverlening en de noodzaak van gerichte klantenbinding en het promoten van de dienstverlening vanwege de toename van het aantal crematoria in Nederland. Aan de andere kant van het spectrum zien we overigens ook een toename van het aantal technische crematies, waarbij alleen gebruikgemaakt wordt van de oven en het afscheidsritueel niet of elders plaatsvindt.61xTelefonisch interview met Henry Keizer, 7 oktober 2014. De situatie is complex en vraagt niet alleen om zorgvuldig beleid, maar ook om verder onderzoek naar de veranderende positie en functie van het crematorium in de Nederlandse cultuur.

    Noten

    • 1 ‘De dood is onderdeel van ons leven, je mag erover praten’, Brabants Dagblad 16 september 2014.

    • 2 L. van Straaten, Iedereen gaat dood. Over de onzekerheid van ons bestaan, Heeswijk 2011.

    • 3 C. Harrems, De uitvaartplanner. Van stervensbegeleiding tot bedankkaart, Utrecht/Antwerpen 2012.

    • 4 Zie www.deathcafe.com. In Nederland werd het eerste death café gehouden op 5 mei 2014 in Amsterdam; zie: www.nieuwwij.nl/nieuws/gesprekken-dood-rondom-de-koffietafel-het-death-cafe.

    • 5 Voor achtergronden bij de totstandkoming van deze instructie en de receptie in Nederland, zie: W. Cappers, Vuurproef voor een grondrecht: Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie, 1874-1999, Zutphen 1999, p. 268-270.

    • 6 L. De Cock, Geschiedenis van de dood. Rituelen en gewoonten in Europa, Leuven; Kampen 2006, p. 325-337. Cappers 1999, p. 91-93.

    • 7 D.J. Davies, ‘The sacred crematorium’, Mortality 1996, 1, p. 83-94, hier p. 89.

    • 8 Cappers 1999, p. 265.

    • 9 www.lvc-online.nl/aantallen, geraadpleegd op 7 oktober 2014.

    • 10 P.J.M. van Steen & P.H. Pellenbarg, ‘Death and space in the Netherlands’, Tijdschrift voor economische en sociale geografie 2006, 5, p. 623-635.

    • 11 Onlangs werd in Arnhem een kerk in gebruik genomen als bewaarplaats voor urnen (columbarium). Deze kerk wordt aangeduid als ‘memorarium’. Zie: J. Meijering, ‘Een plek om te gedenken’, Laetare 2014, 4, p. 38-39. In Duitsland worden kerken al sinds enkele jaren als columbarium ingericht, zie C.Leonhard & T. Schüller, Tot in die Kirche? Rechtliche und liturgische Aspekte der Profanierung von Kirchen und ihre Umnutzung zu Kolumbarien, Regensburg 2012; F. Fendler, Letzte Heimat Kirche Kolumbarien in Sakralräumen, Leipzig 2014; O. Meys, ‘Kolumbarium und Grabeskirche: die Umnutzung von Kirchen zu Urnenfriedhöfen’, Die Denkmalpflege2013, p. 117-124.

    • 12 Zie het overzicht voor het jaar 2000 in De Cock 2006, p. 328.

    • 13 Cappers 1999, p. 134-143.

    • 14 M. Klaassens & P. Groote, ‘Designing a place for goodbye: the architecture of crematoria in the Netherlands’, in: D.J. Davies & C.-Won Park (red.), Emotion, Identity and Death. Mortality across disciplines, Farnham, Surrey; Burlington, VT 2012, p. 145-159.

    • 15 Klaassens & Groote 2012, p. 152.

    • 16 M. Klaassens & P.D. Groote, ‘Postmodern crematoria in the Netherlands: a search for a final sense of place’, Mortality 2014, 1, p. 1-21.

    • 17 Klaassens & Groote 2014, p. 5.

    • 18 De Franse filosoof Jean-François Lyotard spreekt in zijn boek La condition postmoderne: rapport sur le savoir (Parijs, 1979) over het einde van de Grote Verhalen (meta-narratieven). Zijn these beperkte zich tot de wetenschap, maar werd na hem ook toegepast op onder meer religie en politiek.

    • 19 Het percentage uitvaarten in de rooms-katholieke kerk is in de periode 1960-2000 afgenomen van 37,9% naar 27,4% (bron: De Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, 1960-2000. Een statistisch trendrapport, Kaski Memorandum nr. 326, Nijmegen/Tilburg, september 2002, p. 29). In 2012 is het aantal nog verder gedaald naar 19%. Het percentage uitvaarten in de protestantse kerk in Nederland is in 2012 13% (bron: BU. Brancheblad Uitvaartzorg 2014, p. 5).

    • 20 Davies 1996, p. 83.

    • 21 L. Cramwinckel, ‘Metamorfose in crematoriumarchitectuur. Terreinverkenning van recente ontwikkelingen op het gebied van vormgeving van een nieuw algemeen basaal-sacrale ruimte’ (MA thesis Tilburg University), 2011, p. 60-68.

    • 22 Cramwinckel 2011, p. 63.

    • 23 K. de Leeuw, Leven met de dood.25 jaar Crematorium voor Tilburg en Omstreken, Tilburg 2009, p. 53-59, p. 155.

    • 24 De Leeuw 2009, p. 135-136.

    • 25 Cramwinckel 2011 p. 18-20.

    • 26 Op basis van mijn veldwerk (november 2013) in Crematorium Tilburg maak ik een voorlopig onderscheid tussen herinneringsrituelen (waarin het accent ligt op het ophalen van herinneringen door de nabestaanden), presentierituelen (waarin de overledene centraal staat en ook rechtstreeks wordt aangesproken) en afscheidsrituelen (waarin het accent ligt op het loslaten en het uit handen geven van de overledene).

    • 27 Een van de weinig artikelen over de samenhang tussen de architectuur van het crematorium, rituelen en rouw is van de hand van H. Grainger: ‘Maxwell Fry and the “Anatomy of Mourning”: Coychurch Crematorium, Bridgend, Glamorgan, South Wales’, in: A. Maddrell & J. Sidaway (red.), Deathscapes. Spaces for Death, Dying, Mourning and Remembrance Farnham, Surrey 2010, p. 243-261.

    • 28 Telefonisch interview met Henry Keizer, secretaris van de Landelijke Vereniging van Crematoria, 7 oktober 2014.

    • 29 De Leeuw 2009, p. 138.

    • 30 In de gemeente Tilburg zijn twaalf begraafplaatsen aanwezig: negen zijn eigendom van rooms-katholieke parochies, er is één joodse begraafplaats en er zijn twee openbare begraafplaatsen. De grootste van die twee, gelegen aan de Hoflaan, werd in 1965 geopend en grenst aan het terrein van Crematorium Tilburg. Zie www.online-begraafplaatsen.nl/begraafplaatsen.asp?prov=NB&gem=Tilburg&command=list en www.tilburgopdekaart.nl/#/begraafplaatsen/, geraadpleegd op 31 maart 2014. Zie ook: C. van Raak, ‘Verstilde stad: de oude begraafplaatsen van Tilburg’, Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 1991, 3, p. 55-87.

    • 31 De Cremation Association of North America (CANA) heeft als motto voor haar leden: ‘Cremation is preparation for memorialization’. Zie D.J. Davies, Encyclopedia of cremation, Aldershot 2005, p. 103.

    • 32 De Leeuw 2009, p. 74-75.

    • 33 De Leeuw 2009 p. 139.

    • 34 www.stervenenrouw.nl. Zie ook: M. Weijzen & J. Visser, ‘Van doorverwijzing naar kruisbestuiving. Tilburgs Netwerk Sterven en Rouw’, BU Brancheblad Uitvaartzorg 2014, november, p. 12-13.

    • 35 Citaten uit Beleidsplan 2012-2015, p. 3.

    • 36 De Leeuw 2009, p. 163-165.

    • 37 De Leeuw 2009, p. 167-170.

    • 38 Beleidsplan 2012-2015, p. 2.

    • 39 Beleidsplan 2012-2015, p. 7.

    • 40 Wet op de Lijkbezorging, art. 66a. Zie ook: C. R. van Strijen, Wet op de lijkbezorging (Lexplicatie vol. 3.63a), Deventer 2009.

    • 41 Zie ook de brochure Informatie voor nabestaanden over het bijzetten en verstrooien van de as, gedenktekens en waardevolle herinneringen, Tilburg 2014, www.crematoriumtilburg.nl/download/informatie-nabestaande.

    • 42 D.J. Davies & H. Rumble, Natural burial. Traditional-secular spiritualities and funeral innovation, Londen 2012. T. Nugteren, ‘Troost en “troosteloosheid” op natuurbegraafplaatsen’, Nederlandsch theologisch tijdschrift 2014, 1, p. 83-100.

    • 43 Ontwikkelingsvisie Karel Boddenweg. Openbare Begraafplaats en Crematorium, gemeente Tilburg, januari 2011, p. 17.

    • 44 M.D. Stringer, Contemporary western ethnography and the definition of religion, Londen 2008, p. 59-61.

    • 45 Davies 1996, p. 90: ‘Here crematoria echo the centuries-long part played by cemeteries in popular religiosity and in sensing the supernatural world of the dead.’

    • 46 H. Grainger, Death Redesigned: British Crematoria, History, Architecture and Landscape, Reading 2005, p. 261 e.v.

    • 47 H. Obbink, ‘Rouwen mag weer openbaar’, Trouw 10 november 2014, De verdieping, p. 2-3.

    • 48 Handreiking herdenken werd uitgegeven in 2011 door Impact, landelijk kennis- en adviescentrum psychosociale zorg na rampen. De Handreiking is te downloaden via de website van Impact: www.impact-kenniscentrum.nl. Zie ook: J. Holsappel & J. Netten, ‘Herdenken na schokkende gebeurtenissen: een praktische (én prijswinnende) handreiking voor gemeenten,’ Cogiscope: tijdschrift over gevolgen van oorlog en geweld 2013, 4, p. 7-11.

    • 49 Zie ook: H.J.G. Beunders, Publieke tranen: de drijfveren van de emotiecultuur, Amsterdam 2002.

    • 50 Zie hiervoor onder meer: P. Aries, Western attitudes toward death: from the Middle Ages to the present, Baltimore 1974; C.D. Bryant (red.), Handbook of death & dying, Thousand Oaks 2003. J. Wojtkowiak, ‘I'm dead, therefore I am’. The postself and notions of immortality in contemporary Dutch society, Nijmegen 2012.

    • 51 In Tilburg worden rouwgroepen georganiseerd door onder meer ContourdeTwern (‘Contactkring’), Indigo Brabant en het Instituut voor Maatschappelijk werk.

    • 52 www.boekenwereld.com/rouwboeken.

    • 53 Zo organiseerde Fontys Hogescholen in samenwerking met het Brabants Dagblad een lezingencyclus over ‘Verlies en veerkracht’ in het najaar van 2014. In korte tijd was het maximaal aantal deelnemers bereikt.

    • 54 J. Hermans, De liturgie van de uitvaart. Een handboek voor de praktijk, Oegstgeest 2011.

    • 55 Interview met Mariëlle van den Heuvel, 19 mei 2014.

    • 56 Klaassens & Groote 2014, p. 5-6.

    • 57 T. Walter, ‘Facing death without tradition’, in: G. Howarth & P.C. Jupp (red.), Contemporary issues in the sociology of death, dying, and disposal, New York 1996, p. 193-204.

    • 58 P. Post, ‘Heilige velden. Panorama van ritueel-religieuze presenties in het publieke domein’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2010, 3, p. 70-91. Zie ook: P. Post, ‘Fields of the sacred: reframing identities of sacred places’, in: P. Post, A.L. Molendijk & J. Kroesen (red.), Sacred places in modern western culture, Leuven 2011, p. 13-59.

    • 59 H. Mol, Identity and the sacred: a sketch for a new social-scientific theory of religion, Oxford 1976, geciteerd in Davies 1996, p. 91.

    • 60 P. Post, Voorbij het kerkgebouw: de speelruimte van een ander sacraal domein, Heeswijk 2010.

    • 61 Telefonisch interview met Henry Keizer, 7 oktober 2014.


Print dit artikel