DOI: 10.5553/TvRRB/187977842015006002002

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Van ambt naar vrij beroep

De geestelijke verzorging als voorziening in het publieke domein

Trefwoorden office, liberal profession, spiritual care
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Prof. dr. Hans Schilderman, 'Van ambt naar vrij beroep', TvRRB 2015-2, p. 5-23

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Binnen de geestelijke verzorging wordt intensief gediscussieerd over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de scheiding van kerk en staat. Daarbij staat de vraag centraal of de geestelijke verzorging een institutionele band met een zendende instantie vereist of dat veranderende religieuze verhoudingen een nieuw model vergen. Ook in dit tijdschrift werden daarover al belangrijke inzichten gewisseld. Zo verschenen in 2013 bijdragen over de gebrekkige afstemming van individualiserende levensbeschouwelijke opvattingen op het gangbare confessionele aanbod van de geestelijke verzorging.1xN. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013, 1, p. 29-43; J. de Vries, ‘De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013, 3, p. 6-15. Overigens leidde dat ook tot een pleidooi om de huidige confessionele grondslag juist aan te houden, waarin achtergrondgenootschappen beter zouden aansluiten op de reguliere voorzieningen die de overheid daartoe heeft ingericht.2xR. van Eijk, ‘Goed geregeld. Geestelijke verzorging bij justitie’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2015, 1, p. 69-81. In deze bijdrage pleit ik voor een erkenning van geestelijke verzorging als een vrij beroep waarin zorg geboden wordt voor levensovertuiging en zingeving op grond van onderkenning van pluraliteit en betrokkenheid op persoonlijke keuze. Daarbij zal ik de legitimiteit van het kerkelijk ambt als beroepskenmerk van de geestelijk verzorger geenszins afwijzen, maar de vraag oproepen in hoeverre het vrij beroep als een passend alternatief kan gelden. Ik zal daartoe in paragraaf 1 de geestelijke verzorging allereerst beschrijven als een voorziening die ingeklemd zit tussen kerk en staat, en in de daaropvolgende paragraaf deze problematiek plaatsen tegen de achtergrond van verschuivingen in het zorgstelsel en de levensbeschouwelijke oriëntatie). Vervolgens zal ik in paragraaf 3 de discussie over het ambt van geestelijk verzorger weergeven en in paragraaf 4 de veronderstellingen onder het ambtsbegrip ter discussie stellen. Ten slotte zal ik in paragraaf 5 enkele mogelijkheden in kaart brengen om de geestelijke verzorging als ‘vrij beroep’ op te vatten.3xVoor dit artikel heb ik gebruikgemaakt van enkele eerdere publicaties van mijn hand over dit thema: J.B.A.M. Schilderman, ‘Religie en zorg in het publieke domein’, in: W.B.H.J. van de Donk & A.P. Jonkers (red.), Geloven in het publieke domein, Amsterdam: Amsterdam University Press, p. 395-416; H. Schilderman, ‘Geïntegreerde geestelijke verzorging’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2012, 15, p. 9-14; H. Schilderman, ‘Geestelijke verzorging als investering in het publieke domein’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2013, 14, p. 6-13; H. Schilderman, ‘Geestelijke verzorging als casus van de ontkerkelijking’, in: M. te Grotenhuis e.a. (red.), ‘Ontkerkelijking, nou en…?’, Religie en Samenleving 2013, 8, Delft: Eburon, p. 205-225; H. Schilderman, ‘Het levensbeschouwelijk specialisme in de zorg’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2014, 17, p. 10-20.

    Noten

    • 1 N. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013, 1, p. 29-43; J. de Vries, ‘De levensbeschouwelijke identiteit van de ongebonden geestelijk verzorger’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013, 3, p. 6-15.

    • 2 R. van Eijk, ‘Goed geregeld. Geestelijke verzorging bij justitie’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2015, 1, p. 69-81.

    • 3 Voor dit artikel heb ik gebruikgemaakt van enkele eerdere publicaties van mijn hand over dit thema: J.B.A.M. Schilderman, ‘Religie en zorg in het publieke domein’, in: W.B.H.J. van de Donk & A.P. Jonkers (red.), Geloven in het publieke domein, Amsterdam: Amsterdam University Press, p. 395-416; H. Schilderman, ‘Geïntegreerde geestelijke verzorging’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2012, 15, p. 9-14; H. Schilderman, ‘Geestelijke verzorging als investering in het publieke domein’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2013, 14, p. 6-13; H. Schilderman, ‘Geestelijke verzorging als casus van de ontkerkelijking’, in: M. te Grotenhuis e.a. (red.), ‘Ontkerkelijking, nou en…?’, Religie en Samenleving 2013, 8, Delft: Eburon, p. 205-225; H. Schilderman, ‘Het levensbeschouwelijk specialisme in de zorg’, Tijdschrift Geestelijke Verzorging 2014, 17, p. 10-20.

    • 1 Geestelijke voorziening tussen kerk en staat

      Geestelijke verzorging is een beroep waarin zorg voor geloof en levensovertuiging aangeboden wordt binnen instituties van zorg, justitie en defensie. Vanaf de jaren zeventig heeft de geestelijk verzorger een plek verworven in voorzieningen van wat wel het publieke domein heet: de openbare ruimte van het door het maatschappelijk middenveld vormgegeven initiatief, waarin de overheid niettemin actief is of toezicht houdt omdat er publieke belangen worden gediend. Dat zorgt ervoor dat de geestelijke verzorging een beroep is op het raakvlak van kerk en staat. Enerzijds ontleent ze haar bestaansrecht aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, anderzijds is ze een overheidsvoorziening die onder inhoudelijk toezicht staat van zendende instanties. Dat maakt haar beroepsdomein structureel ambivalent.

      De beroepsvereniging die de belangen van geestelijk verzorgers werkzaam in zorgverband behartigt, omschrijft haar beroep als ‘de professionele en ambtshalve begeleiding van en hulpverlening aan mensen bij hun zingeving en spiritualiteit, vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging en de professionele advisering inzake ethische en/of levensbeschouwelijke aspecten in zorgverlening en beleidsvorming’.1xVGVZ, Beroepstandaard voor de geestelijk verzorger in zorginstellingen, VGVZ 2001, p. 9. De tekst van de beroepsstandaard – waaronder ook deze definitie van het beroep – is herzien in 2010. Het is een prachtig vak, dat zorg biedt bij existentiële, morele en religieuze behoeften, waarden en oogmerken van mensen, in het bijzonder wanneer deze door onvoorziene omstandigheden relevant worden en extra betekenis krijgen. De grootste groep geestelijk verzorgers is werkzaam in diverse zorgvoorzieningen (ongeveer 1000), terwijl kleinere aantallen – telkens ingedeeld naar de band met het achtergrondgenootschap – werkzaam zijn bij justitie (circa 250) en bij defensie (circa 150).2xJ.B.A.M. Schilderman, Kwalificaties van geestelijke verzorging (Intern rapport voor het Faculteitsbestuur Faculteit der Religiewetenschappen), Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen 2006. Accurate aantallen van de huidige situatie zijn moeilijk te geven. Duidelijk is dat aantallen in de zorg dalen vanwege de actuele herstructurering en pensioneringsgolf, terwijl bij de overheid bezuinigingen doorgevoerd zijn (justitie tot 20%) of worden (defensie tot 20%). De omvang van de beroepsgroep is dus vrij bescheiden, en bovendien is de gemiddelde leeftijd van geestelijk verzorgers relatief hoog. Desalniettemin bestaat onder studenten van academische opleidingen een groeiende belangstelling voor dit vak.

      De geestelijke verzorging kan worden opgevat als een samenwerkingsverband tussen kerk en overheid waarbij ‘religieus kapitaal’ buiten de kerkmuren in het publieke domein wordt geïnvesteerd.3xVoor een theologisch concept van religie in het publiek domein, zie: J.B.A.M. Schilderman, ‘Religious Capital and Public Accountability’, in: H.-G. Ziebertz & L. Francis (red.), The Public Significance of Religion (Empirical Studies in Theology, 20), Leiden: Brill 2011, p. 41-63. Een dergelijke opvatting spoort goed met het verzuilde nationale verleden, waar de invloed van kerken bijzonder groot was en de voorzieningen voor zorg een evident religieuze signatuur kenden, met een behartiging van pastorale zorg als vanzelfsprekend gevolg. De evidente religieuze en pastorale presentie in het publieke domein ten tijde van de verzuiling kan echter niet verhullen dat de banden tussen kerk en staat zowel in juridische als in financiële zin steeds voorwerp van discussie zijn geweest. Die discussie kenmerkt zich vanaf de regelingen van de Unie van Utrecht (1579) tot op de dag van vandaag zowel door overheidsbehartiging van het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, als door een voortgaand ontvlechtingbeleid van de traditionele banden tussen kerk en staat. De financiering van kerken en levensbeschouwelijke genootschappen lag lange tijd vervat in de zogeheten ‘zilveren koorden’ die de overheid tot ‘voedsterheer der kerk’ maakte; aanvankelijk met een voorkeurspositie voor de Nederlandse hervormde kerk, maar vanaf de Franse Revolutie gold financiering ook voor de overige kerken. Die voorziening werd in 1983 (Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk) afgeschaft met een afkoopsom (250 miljoen gulden) door de Staat aan de kerken.

      Op dat moment werd door veel politieke partijen het standpunt gehuldigd dat kerken de verantwoordelijkheid hebben om de geestelijke verzorging gestalte te geven, en dus ook voor de financiering ervan zorg te dragen. Dat inzicht veranderde met het rapport van Hirsch Ballin (1988), dat de scheiding van kerk en staat niet strijdig achtte met overheidsbemoeienis inzake geestelijke verzorging. De auteurs voerden daartoe diverse argumenten aan. Zo wezen ze achtereenvolgens op een overheidsplicht bij grondrechten, in het bijzonder de bescherming van godsdienstvrijheid, op de sociale en morele betekenis van godsdienst en levensovertuiging voor het algemeen belang, en op condities en doelen van het minderhedenbeleid. Een conclusie van het rapport luidde dat overheidssteun telkens geïndiceerd is waar een beroep op beschikbaarheid van geestelijke verzorging onlosmakelijk met overheidstaken verbonden is. Dat geldt voor situaties van categoriale zorgvormen waarbij een directe overheidsverantwoordelijkheid in het geding is, zoals binnen de krijgsmacht, in penitentiaire inrichtingen en in instellingen van maatschappelijke zorg. Maar het is eveneens van belang bij een indirecte overheidsverantwoordelijkheid, zoals bij toezichthoudende taken waar een verzekerd basispakket van zorg gewaarborgd moet worden, zoals het geval is in ziekenhuizen, in psychiatrische klinieken en in verzorgingsoorden, waaronder verpleeg- en verzorgingshuizen. Dergelijke verantwoordelijkheden – zo luidde de conclusie – vergen ook financiële garanties voor geestelijke verzorging.4xE. Hirsch Ballin, Overheid, godsdienst en levensovertuiging, Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag 1988. Het rapport van Hirsch Ballin leidde indertijd tot een instemmend kabinetsstandpunt.5xCriteria steunverlening (kerk)genootschappen, Kamerstukken II 1989/90, 20868, 2. De beoogde Wet op de Geestelijke Verzorging (ingediend op 18 mei 1994) die zou moeten voorzien in een integrale regelgeving voor defensie, justitie en gezondheidszorg, sneuvelde in de Eerste Kamer,6xKamerstukken II 1995/96, 23720, 208. onder verwijzing naar het argument dat andere wetgeving al voorzag in de beoogde regelingen.7xHandelingen I 1997/98, 5, p. 137-138.

      De huidige praktijk is er een waarbij geestelijk verzorgers door zendende instanties worden aangesteld. De verantwoordelijkheid voor de bekostiging is echter een overheidstaak, zij het in directe zin binnen de krijgsmacht (ministerie van Defensie), de penitentiaire inrichtingen (ministerie van Veiligheid en Justitie) en de jeugdzorg (onder andere ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), dan wel in het kader van de verzekeringsvoorzieningen voor ziektekostenrisico’s. De feitelijke wetgeving die de geestelijke verzorging als voorziening in stand houdt, is bijzonder smal. In feite kan voor de zorg slechts naar regelgeving in verband met kwaliteitszorg verwezen worden, zoals de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG; november 1993) en de Kwaliteitswet zorginstellingen (KWZ; april 1996). Omdat geestelijke verzorging vooralsnog niet in relatie tot persoonsgericht geneeskundig handelen wordt opgevat, is de Wet BIG momenteel weinig relevant, maar geldt slechts de KWZ, die geestelijke verzorging bindt en bekostigt op grond van het verblijf in een zorginstelling. Deze wet (art. 3) duidt geestelijke verzorging slechts kort als verplichting aan voor situaties waarin een patiënt of cliënt langer dan 24 uur in de instelling verblijft.8xArt. 3 KWZ: ‘Voor zover het betreft zorgverlening die verblijf van de patiënt of cliënt in de instelling gedurende tenminste het etmaal met zich brengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de instelling geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten.’ Uit de memorie van toelichting blijkt dat de zorginstellingen samen met de zendende instanties de geestelijke verzorging moeten waarborgen als onderdeel van de kwaliteit van zorg. De gedachte erachter luidt dat geestelijke verzorging beschikbaar en toegankelijk moet zijn voor categorieën mensen die niet of althans niet optimaal door de eigen kerk of het eigen genootschap kunnen worden bereikt. Dat uitgangspunt wordt op zijn beurt weer ondersteund door artikel 6 van de Grondwet, dat de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing omschrijft.

      We stellen dus vast dat de banden tussen overheid en kerk weliswaar ontvlochten werden, maar anderzijds door minimale wettelijke voorzieningen wel in stand worden gehouden. De confessionele geschiedenis van ons land is er zowel een van religieus conflict als van feitelijke samenwerking. Dat betekent dat een seculiere strategie van laicité, zoals die in Frankrijk sinds de Franse Revolutie tot een strikte scheiding van kerk en staat leidde en waardoor religie daar ook nu nog louter als een private aangelegenheid aangemerkt wordt, niet kenmerkend is voor de Nederlandse situatie. In het geval van de geestelijke verzorging faciliteert de overheid ‘geestelijke dienstverlening’, en wel op grond van het beginsel van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dat illustreert dat de Nederlandse verhouding van kerk en staat er vooralsnog een van coöperatie is, waarbij de overheid inhoudelijk neutraliteit in acht neemt, maar tegelijkertijd ook faciliteert en in gegeven omstandigheden van ongelijkheid tussen genootschappen tevens compenseert. Daarmee zit de geestelijke verzorging ook enigszins ‘klem’ tussen kerk en staat, in het bijzonder als het gaat om bekostiging en politieke borging. De wettelijke basis voor overheidsbekostiging is bijzonder smal en in de toekomst sterk afhankelijk van electoraal draagvlak. De inhoudelijke betrokkenheid van achtergrondgenootschappen in het publieke domein vergt voortdurend prudentie. Bovendien, zoals we in de volgende paragraaf zullen zien, dwingen diverse maatschappelijke ontwikkelingen tot heroverweging van de vorm waarin de geestelijke verzorging op dit moment gestalte krijgt.

    • 2 Institutionele transitie en morele demografie

      Tegen de zojuist geschetste achtergrond zijn er twee verschillende ontwikkelingen te bespeuren die beide van grote betekenis zijn voor de institutionele band van geestelijke verzorging met een zendend genootschap. Enerzijds zijn dat institutionele ontwikkelingen die de herstructurering van de zorg betreffen, waarbij de individuele cliënt of patiënt steeds meer centraal komt te staan in de zorgtoewijzing, en de zorgverlener meer kwaliteit moet bieden op maat van vragen en behoeften van individuele cliënten of patiënten. Anderzijds gaat het om veranderingen in wat ik de ‘morele demografie’ zou willen noemen: de verschuiving in samenstelling van onze bevolking voor wat betreft levensbeschouwelijke opvattingen. Daarin lijkt een groeiende afkeer van institutionele kaders voor zingeving onmiskenbaar, en ontwikkelt levensovertuiging zich steeds meer tot een zaak van persoonlijke authenticiteit, levensbeschouwelijke zelfdefinitie en morele keuze.

      Zoals bekend, lagen de institutionele verhoudingen in Nederland tot in de jaren zestig van de vorige eeuw verankerd in levensbeschouwelijke opvattingen. De samenleving kende een structuur van zuilen die het dak van de samenleving stutten. Groepen in de samenleving werden confessioneel gedefinieerd en ervoeren zich gebonden door gezamenlijke overtuigingen op religieus of sociaaleconomisch gebied. Hun belangen werden in eigen institutionele voorzieningen behartigd. Gemotiveerd door een emancipatiestreven van eertijds gedepriveerde groepen als rooms-katholieken, gereformeerden of arbeiders kwamen deze zuilen aan het begin van de twintigste eeuw tegenover elkaar te staan en was een pacificatiepolitiek noodzakelijk om een maatschappelijke consensus te bereiken over de zuilen heen.9xZie het standaardwerk van Arend Lijphart, die de verzuiling vanuit een politieke elitetheorie interpreteert: A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Haarlem: Becht 1990, p. 99-115.

      Deze strategie – nu nog zichtbaar in het Nederlands poldermodel – kon echter niet verhinderen dat vanaf de jaren zestig het emancipatiebeleid afgeschud werd, eigenlijk vooral omdat zijn doelen – in het bijzonder gelijkberechtiging – inmiddels gerealiseerd waren. Soms wordt deze omwenteling terugblikkend als een culturele revolutie vanuit ideologische motieven verklaard. Dat miskent echter dat het verzuilde model zelf op institutionele grenzen stuitte. De verzuiling had tot dure verdubbelingen van institutionele voorzieningen geleid; ze bevorderde paternalisme in de aansturing van organisaties en vertraagde consensus in de politieke besluitvorming. De broodnodige vraag naar efficiëntie en slagvaardigheid leidde ertoe dat het collectieve streven naar emancipatie van groepen gaandeweg vervangen werd door een democratisch gecontroleerd apparaat van professionele voorzieningen. Met De Swaan valt dat proces te interpreteren als een beschavingsoffensief, tenminste in de zin dat wederzijdse solidariteit haar kleinschaligheid verloor en steeds meer met een generiek sociaal bewustzijn correspondeerde dat gedragen werd door een besef van onderlinge afhankelijkheid. Dit historisch gegroeide besef van interdependentie heeft bijgedragen tot groter sociaal bewustzijn bij leed en welzijn van de medemens, maar is tegelijker ‘gegeneraliseerd’ geraakt. Enerzijds werd die solidariteit steeds meer opgevat als anoniem zorgrecht waarop de overheid aanspreekbaar is; anderzijds werd ze voorzien van de abstracte professionele definities (‘proto-professionalisering’) zoals die nu eenmaal gangbaar zijn in het vocabulaire van de welvaartsstaat.10xA. de Swaan, Zorg en de Staat, Amsterdam: Bakker 1998; A. de Swaan, De mens is de mens een zorg. Opstellen 1971-1981, Amsterdam: Meulenhoff 1997.

      Daarbij valt op te merken dat deze transitie van normatieve grondslag van zorgvoorzieningen voor specifieke groepen in de verzuiling naar een professionele grondslag van paritaire zorg voor iedere burger, momenteel opgevolgd wordt door een ontwikkeling die antwoorden moet bieden op de bekostigingsvraagstukken van de overheid. De solidariteit die we kenden uit de afgelopen decennia en die op arbeidsdeling, risicospreiding, collectieve verzekering en zorgaanspraken was gebaseerd, staat inmiddels onder grote druk van bezuinigingen en herstructureringen. De solidariteit in de zorg verschuift daarbij van een collectief zorgrecht naar een individuele zorgplicht, waarbij persoonlijke motieven worden aangesproken om zorg te verlenen binnen de leefwereld van zorgvragers en zorgdragers. Deze politiek geregisseerde informalisering van de zorg stelt de burger centraal, die in de rol van patiënt of cliënt telkens opnieuw afwegingen moet maken in het gebruik of aanbieden van zorg.11xM.H. Kwekkeboom, Het licht onder de korenmaat. Informele zorg in Nederland, Den Haag: Vuga uitgeverij 1990. Zorgvrager en zorgverlener komen steeds meer individueel in een onderlinge afhankelijkheidsrelatie te staan, waarbij normatieve uitgangspunten als solidariteit, autonomie, zorgkwaliteit en keuzevrijheid al dan niet tot feitelijk wederzijds zorgbetoon moeten leiden.12xEen beeld van de opvattingen en ontwikkelingen van informele en mantelzorg treft men aan in studies van het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP): S.J.M. Hoff & J.C. Vrooman, Zelfbepaalde zekerheden. Individuele keuzevrijheid in de sociale verzekeringen: draagvlak, benutting en determinanten, Den Haag: SCP 2002; D. Oudijk e.a., Mantelzorg uit de doeken. Een actueel beeld van het aantal mantelzorgers, Den Haag: SCP 2010; S. Kooiker e.a., Meebetalen aan de zorg. Nederlanders over solidariteit en betaalbaarheid van de zorg, Den Haag: SCP 2012.

      Deze laatste transitie is duidelijk waarneembaar in de veranderde wetgeving over de zorg. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) is reeds vanaf 1995 in werking en definieert de zorgrelatie als een contractueel verband tussen arts en patiënt dat vooral de rechten van de patiënt beklemtoont en de behandeling aan normen bindt. In 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) van kracht geworden, waarin de voormalige particuliere verzekering en de Ziekenfondswet zijn opgegaan als onderdeel van het nieuwe zorgstelsel. Onder toezicht van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) krijgen de daarbij betrokken partijen meer vrijheden om eigen zorgkeuzes te maken in behandeling en verzekering. De klemtoon op de individuele verantwoordelijkheden is ook in de langdurige zorg voor chronisch zieke patiënten onmiskenbaar. Zo is de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) per 1 januari 2015 vervangen door de Wet langdurige zorg (Wlz), waarbij de individuele burger zorg op maat krijgt via het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) met volgend indicatiebesluit, waarna met behulp van het Zorgkantoor een persoonsgebonden budget (pgb) verkregen kan worden dan wel een recht op zorg in natura: thuis als het kan en in een instelling als het moet. De klemtoon op zorg in de extramurale situatie wordt gerealiseerd door de invoering – eveneens per 1 januari 2015 – van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waarin de nieuwe verantwoordelijkheden voor zorg van de overheid naar lokale gemeenten wordt overgedragen en zorg zo veel mogelijk in de thuissituatie gestalte krijgt door de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers.

      De veranderde wetgeving veronderstelt een verschuiving in verantwoordelijkheden. Zo wordt de zorgvrager steeds meer voor eigen keuzes gesteld, wordt de klemtoon op kwaliteit van zorg bij de zorgverlener groter belang toegemeten, en wordt een intensiever beroep gedaan op vrijwillig maatschappelijk hulpbetoon. Deze transities in de zorg hebben voor de geestelijke verzorging grote gevolgen. Enerzijds vergen de individualisering van de zorgrelatie en de aanscherping van de normstelling voor zorgkwaliteit dat veel meer maatwerk vereist is voor de individuele cliënt of patiënt, met een dito bewijslast voor de werkzaamheid van geboden zorg. Anderzijds leidt de extramuralisering van de zorg vanwege het 24-uurs verblijfscriterium op termijn tot aanzienlijke formatiereductie, omdat geestelijke verzorging buiten de zorginstelling niet wordt vergoed. Weliswaar zijn er in beginsel mogelijkheden tot opname van geestelijke zorg in het verzekeringspakket, maar indicaties die gebonden zijn aan religie, spiritualiteit of levensovertuiging vallen daar buiten. Wel opgenomen indicaties voor geestelijke verzorging als ‘coping’-problematiek behoren vooral tot het domein van andere zorgdisciplines, terwijl de notie ‘zingevingsproblematiek’ nog als een te weinig evidence-informed criterium wordt gezien om als verzekerbaar te gelden.13xWeliswaar biedt het College voor zorgverzekeringen (CVZ; sinds kort Zorginstituut Nederland) in zijn Uitvoeringstoets geestelijke verzorging (13 juli 2006) – bij het zogenoemde ‘full package’ – mogelijkheden tot geestelijke zorg, maar de indicaties blijven te smal of onduidelijk om die zorg met een beroep op verzekeringsvoorwaarden structureel te bekostigen.

      Naast de verschuivingen in het zorgstelsel zijn ook ingrijpende ontwikkelingen in waarden en normen zichtbaar, met evidente consequenties voor de binding van burgers aan kerken en andere achtergrondgenootschappen. Deze ontwikkeling van de morele demografie heeft allereerst kerkelijk en religieuze kenmerken. Gedurende de afgelopen decennia is de ontkerkelijking in Nederland gestaag toegenomen, terwijl het subjectieve belang van geloof en levensovertuiging in kracht afnam. Het aantal buitenkerkelijken nam drastisch toe – van 25% in 1958 tot 64% in 2004 –, al gold dat voor de teruglopende openheid voor transcendentie niet in gelijke mate.14xT. Bernts, G. Dekker & J. de Hart, God in Nederland (1996-2006), Kampen: Ten Have 2007; J. Becker & J. de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie, Den Haag: SCP, 2006. De tendens van verlies in kerkelijke betrokkenheid gaat gestaag door. Terwijl in 1970 zo’n 60% van de Nederlanders zich tot een kerkgenootschap rekende, geldt dat in 2012 voor nog maar 30%. Het aantal kerkgangers daalde in ongeveer dezelfde periode van 50% naar 10%, waarbij een sterke tendens van vergrijzing van het resterend kerkpubliek evident is. Tegelijkertijd duidt een substantieel aantal Nederlanders (40%) zichzelf aan als ‘religieus’ of ‘spiritueel’. Dat de zin van het leven besloten ligt in de ontdekking van een authentieke kern in jezelf wordt door 90% enigszins onderkend, door 40% zelfs in hoge mate. Momenteel blijkt een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking (40%) zich als spiritueel of religieus te beschouwen, al blijkt de band van kerk en confessionele overtuiging daarvoor niet steeds noodzakelijk.15xJ. de Hart, Geloven binnen en buiten verband. Godsdienstige ontwikkelingen in Nederland, Den Haag: SCP 2014. Uit vergelijkend onderzoek komt voorts naar voren dat de combinatie van kerkelijke en religieuze betrokkenheid internationaal sterk varieert, waarbij volgens een empirische schatting 29% van de Nederlanders als religieus maar niet kerkelijk opgevat kan worden, tegenover 34% die zowel als kerkelijk als religieus genoemd kan worden.16xJ. Reitsma e.a., ‘Believing and Belonging in Europe’, European Societies 2012, 14, p. 611-63. Dergelijke empirische bevindingen worden regelmatig op de noemer van ‘secularisatie’ gebracht, waarmee de ontwikkelingen weliswaar beschreven maar nog niet verklaard worden. Noties van religie veranderen, worden in de ervaring individueler, emotioneler en meer aan gebeurtenissen gebonden. Tegelijkertijd komen spirituele vorm en religieuze inhoud steeds losser van elkaar te staan.17xJ. de Hart, Zwevende gelovigen. Oude religie en nieuwe spiritualiteit, Den Haag: SCP 2013. Gangbare secularisatietheorieën zijn vooralsnog ontoereikend om dergelijke ontwikkelingen te interpreteren, en evenmin bieden ze sluitende verklaringen voor de formidabele religieuze variatie in internationaal opzicht of voor het lokale succes van religieus orthodoxe niches en megakerken.

      De geestelijk verzorger komt de geschetste ontwikkelingen tegen in de cohortstructuur van de morele demografie. Passen we deze indeling en culturele typering van generaties door Becker toe op de context van onze tijd, dan wordt de geestelijke verzorging prototypisch geconfronteerd met verschillende morele generaties.18xH. Becker, Generaties en hun kansen, Amsterdam: Meulenhof 1992. Voor een toelichting van deze seculariserende tendens in de geestelijke verzorging zie ook: Schilderman 2013, p. 205-225. Allereerst is dat de patiënt, die gelet op de zorgbehoefte doorgaans ouder is en eerder tot de vooroorlogse (1910-1930; nu 85+ jaar) en stille generatie (1931-1940; nu 75-85 jaar) behoort: vaak religieus met een hechte kerkelijke groepsband. Dan de geestelijk verzorger zelf, die als lid van een vergrijsde beroepsgroep enige jaren voor het pensioen staat en typisch tot de protestgeneratie (1941-1955; nu 60-74 jaar) of ook wel de verloren generatie behoort (1956-1970; nu 45-59 jaar). Prototypisch zijn ze ideologisch bevlogen, anti-traditioneel, a-kerkelijk, met veel aandacht voor zelfbeschikking en levenskwaliteit. Dan wordt de geestelijk verzorger ook nog met de aanstormende generaties geconfronteerd, zoals wanneer ze stagiairs begeleiden of jonge collega’s in het team krijgen. Zij vallen te kenschetsen als pragmatisch (1971-1985; nu 30-44 jaar) en grenzeloos (1986-; nu jonger dan 30 jaar); ze zijn onkerkelijk, authentiek, sterk eclectisch en typische gelukszoekers. Deze generaties vertegenwoordigen een morele demografie in het domein van de geestelijke verzorging met sterk verschillende waarden en normen in bejegening en rolverwachting. Het vinden en profileren van een min of meer eenduidige normatieve beroepsidentiteit is daarmee geen sinecure. Dat stelt ook opleidingen voor een probleem. Opleiders in de geestelijke verzorging kunnen niet meer overweg met het theologische conceptuele apparaat en werken met religiewetenschappelijke kaders die vooralsnog weinig praktische uitgangspunten bieden voor professionele vorming.19xR. Ganzevoort, Spelen met heilig vuur. Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven, Baarn: Ten Have 2013; H. Schilderman, ‘Theologie als entertainment’, Handelingen, Tijdschrift voor Praktische Theologie en Religiewetenschap 2014/3, p. 21-38. Tegelijkertijd hebben geestelijk verzorgers bij uitstek een normatief vak, met een expertise die nu juist de betekenis van levensovertuiging, waarden en normen in verband brengt met vragen en problemen van cliënten en patiënten. Dat vraagt steeds meer om verdiscontering van de pluraliteit in opvattingen en stijlverschillen die nu eenmaal tussen de generaties aan te treffen valt.

      De geestelijke verzorging wordt derhalve geconfronteerd met de situatie dat de individualisering zich zowel in institutionele als in levensbeschouwelijke zin voordoet. In institutionele zin is levensbeschouwelijke kwaliteitszorg geboden waarin geestelijke vragen steeds meer variëren en van een antwoord op maat van de problematiek van de persoon moeten worden voorzien. In levensbeschouwelijke zin dient er meer expertise ontwikkeld te worden die de levensbeschouwelijke pluraliteit verheldert en daarin de persoonlijke vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aanspreekt in het kader van de zingevingvragen waarmee mensen worstelen. Dat is de achtergrond waartegen nu vragen kunnen worden gesteld over het ambt van geestelijk verzorger. Biedt het voldoende garanties voor geestelijke kwaliteitszorg, staat het op gespannen voet met religieuze individualisering, of is het simpelweg niet zo relevant voor levensbeschouwelijke pluraliteit?

    • 3 Ambt

      De kwestie van ‘kerkelijk gebonden’ of ‘ongebonden’ geestelijke verzorging staat of valt met de notie ‘ambt’. Is het beroep van geestelijk verzorger echter wel een ambt? Die vraag is minder eenduidig te beantwoorden dan de definitie van de beroepsvereniging veronderstelt. In termen van professionele competenties luidt het antwoord nee, omdat voor zover van ambt sprake is, dit als een zaak van kerkorde en niet van beroepsvereniging moet worden opgevat. Vanwege het beginsel van scheiding van kerk en staat zijn dergelijke kerkordelijke bepalingen dan ook geen privaatrechtelijke zaak, maar bevinden ze zich op het rechtsdomein van de kerk zelf. Daarbij moet opgemerkt worden dat van overheid in enkelvoud, en van kerk in meervoud sprake is. Kerken hebben niet alleen theologisch verschillende en historisch belegde definities van het ambt, ze kennen ook een andere cultuur van hedendaagse ambtsinterpretatie. Zo hanteert de Protestantse Kerk in Nederland een breder begrip van ambt, waarvoor naast het ambt van predikant ook voor leken plaats wordt ingeruimd. Discussies over het ambt worden vrijmoediger gevoerd en actief bevorderd om tot inspiratie en oriëntatie van het gemeenschappelijk goed bij te dragen, daarbij gevoed door de bronnen van het geloof in Bijbel of traditie.20xZo agendeerde de synode van de Protestantse Kerk Nederland van 2013 tot 2015 onder leiding van synodescriba A. Plaisier een brede discussie over het ambt, die onder meer gestalte kreeg in zeven brieven gericht aan de lokale gemeenten. De Rooms-Katholieke Kerk valt bij ambtsdefinities doorgaans terug op haar canonieke interpretaties van het kerkelijk recht, waarbij alleen de clerus tot het kerkelijk ambt gerekend wordt, en eenduidigheid over orthodoxie van toezicht elk ‘misverstand’ moet doen vermijden.21xZie bijv. het interimrapport ‘Herkenbaar en betrouwbaar pastoraat’ van de Nederlandse Bisschoppenconferentie dat voor de rooms-katholieke kerk beoogt toe te werken naar ambtelijke richtlijnen en regelgeving voor de verschillende werkvelden van categoriaal pastoraat, een vademecum voor de geestelijke verzorging. M. Kronemeijer & A. van Iersel, Herkenbaar en betrouwbaar pastoraat (interimrapport aan de Nederlandse bisschoppenconferentie voor de totstandkoming van een vademecum voor het categoriaal pastoraat), R-K kerkprovincie 2010. Dat maakt een vergelijkende discussie over het kerkelijk ambt a fortiori zeer complex, zeker indien daarvan een ook voor buitenstaanders toegankelijke definitie van het ambt wordt verwacht zoals die in de omschrijving van de beroepsstandaard aangeduid wordt.

      Deze complexiteit van kerkordelijke bepalingen en confessionele culturen is de afgelopen jaren inzet geweest van uitvoerige studie en discussie in verband met de vraag of de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) haar ambtsvoorwaarde voor lidmaatschap zou moeten handhaven.22xZie voor een uitvoeriger verslag hiervan De Vries 2013. Het motief voor die vraag lag in de praktijk dat ook niet-ambtsdragers waren aangesloten bij de VGVZ en dat de beroepsvereniging segmenteringsrisico’s wilde beheersen van alternatieve beroepsverenigingen, waaronder Albert Camus en het Werkverband Vrijgevestigde Geestelijke Verzorgers. Bovendien boden religiewetenschappelijke masters, die niet als theologische ambtsopleiding kunnen gelden, inmiddels succesvolle opleidingen tot geestelijk verzorger aan die beter aansluiten op zowel de levensbeschouwelijke en religieuze pluraliteit als ook de sociaal-culturele varianten van zingeving. Twee commissies van de beroepsvereniging spraken zich uit voor het belang van het ambt, maar eveneens voor toelating van niet-gebonden ambtsdragers onder verdiscontering van een toets op levensbeschouwelijke competentie met een daarmee verbonden eed.23xTwee commissie van het VGVZ-bestuur: de Commissie Levensbeschouwelijke Legitimatie (CLL), bestaande uit leden van de VGVZ (geestelijk verzorgers), en de Commissie Ambtelijke Binding, samengesteld uit wetenschappers op het vakgebied van de geestelijke verzorging. De rapporten werden besproken op een conferentie (25 maart 2010) onder leiding van voormalig minister Wim Deetman, waarbij onder meer besloten werd tot instelling van een Regiegroep Toekomstig Bestel Geestelijke Verzorging. Haar taak werd vastgesteld tijdens een algemene ledenvergadering onder leiding van voormalig minister-president Ruud Lubbers (7 juni 2010). Deze regiegroep, met daarin vertegenwoordigers van de beroepsgroep en de zendende instanties, stelde onder leiding van oud-minister Eimert van Middelkoop een eindrapport samen, waarin geadviseerd werd dat in de zorg werkzame geestelijk verzorgers alleen nog benoembaar zijn indien ze in een beroepsregister zijn geregistreerd, en dat geestelijk verzorgers zonder band met een zendende instantie op hun ‘levensbeschouwelijke competentie’ getoetst worden door een in te stellen raad voor onafhankelijke spiritualiteit.24xRegiegroep, Eindnota Toekomstig Bestel Geestelijke Verzorging, april 2013. Tijdens een algemene ledenvergadering van de beroepsvereniging (24 juni 2013) werd met de conclusies van de regiegroep in grote meerderheid (82%) ingestemd.

      Inmiddels wordt onder de noemer Toetsingsraad Geestelijk Verzorgers (de zogenoemde RING) uitvoering gegeven aan dat besluit, waarbij de raad niet als een genootschap wordt opgevat, maar als een onafhankelijke stichting die zich ten doel stelt om te toetsen of de geestelijk verzorger bevoegd is tot het uitoefenen van het beroep. Vervolgens geeft de stichting aan geestelijk verzorgers bevoegdheidsverklaringen af ter uitoefening van het beroep. Daarmee wordt verklaard dat de desbetreffende geestelijk verzorger beschikt over een levensbeschouwelijke, dat wil zeggen ‘reflexief-existentiële’, competentie. Daaronder wordt verstaan het vermogen tot existentiële zelfreflectie, de religieuze of levensbeschouwelijke articulatie ervan, en de toepassing ervan conform professionele vereisten. Een toetsingscommissie van de stichting beoordeelt aan de hand van een gesprek met opdracht of een kandidaat aan deze levensbeschouwelijke competentie voldoet.25xDe kandidaat moet laten zien dat hij zicht heeft op de eigen levensbeschouwelijke biografie en de wijze waarop deze inzetbaar is in het werk, waarbij voldoende reflectievermogen moet bestaan om met rolspecifieke spanningen om te gaan. In 2015 moet een en ander beslag krijgen, waarmee de kwestie van het ambt voor wat betreft de beroepsvereniging tot een goed einde is gebracht. De vraag is echter in hoeverre hier nog geldig van een ambt sprake kan zijn. Duidelijk is immers dat deze groep geestelijk verzorgers geen ambtsopleiding heeft gevolgd en dat van een formele band met een zendende instantie geen sprake is. Aangezien een toetsingsraad als de RING niet als een achtergrondgenootschap opgevat kan worden, kan deze voorziening de verantwoordelijkheid van een zendende instantie niet inroepen of vervangen.26xAls toetsingsorgaan kan haar rechtsgeldigheid bovendien betwijfeld worden, aangezien de stichting zichzelf een onderwijskundige verantwoordelijkheid toekent die kerncompetenties van het vak betreffen, zonder dat die in het academische accreditatiekader opgenomen zijn. Ze mengt zich zo in verantwoordelijkheden die toebehoren aan de desbetreffende opleidingen en die in hun curriculum reeds aantoonbaar worden behartigd in reguliere trainingen en supervisie.

      Ter beantwoording van de vraag of met de instelling van een toetsingsraad, zoals bedoeld, toch van een ambt sprake kan zijn – zoals de beroepsvereniging veronderstelt en beoogt –, zal eerst een meer generieke definitie van een ambt gegeven moeten worden. Wat maakt een beroep eigenlijk tot een ambt? Welnu, de meest eenvoudige omschrijving van een ambt is die van een openbare functie waarin men door een bevoegd gezag wordt benoemd. Daaraan zijn verschillende karakteristieken te onderkennen. Enerzijds betreffen die kenmerken het gemeengoed van inbedding binnen een arbeidsovereenkomst, zoals de onderschikking aan leiding, de verplichting tot werkzaamheden en betaling voor diensten. Anderzijds is onderscheidend dat een overheid door een eenzijdige rechtshandeling een ambt instelt, respectievelijk zo de desbetreffende publieke functie aan een natuurlijk persoon toekent. Daartoe is ook wetgeving aan de orde die de specifieke gezagsverhoudingen en rechtspositie regelt. Internationaal zijn er beduidende verschillen te ontwaren, en dus zal voor rechtsrelevante definities steeds naar landelijke regelgeving verwezen moeten worden.27xZo regelt in Nederland de Ambtenarenwet van 17 januari 1929 de verhouding van ambtenaren tot overheid, en het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR, 12 juni 1931) met het BBRA’84 de rechtspositie van ambtenaren. Discussies over het belang van gelijkschakeling in rechtspositie van ambtenaren met werknemers in de private sector leidden tot aanname van het wetsvoorstel Normalisering Rechtspositie Ambtenaren door de Tweede Kamer op 4 februari 2014. Overigens laat dat onverlet dat van een ambt ook buiten formele arbeidscontracten sprake kan zijn, zoals in verschillende vrijwilligersfuncties ( Duits: Ehrenamt). In meer analytische zin is aan het concept ambt een drietal kenmerkende dimensies te onderscheiden.28xVGVZ, Ambtelijke binding (VGVZ-cahiers, 4), Amsterdam: VGVZ 2010, p. 82. Dat is allereerst een institutionele dimensie, die het culturele en juridische belang uitdrukt van het gemeenschappelijk goed dat in de publieke dienst wordt vertegenwoordigd en behartigd. In levensbeschouwelijke zin verwijst die institutionele dimensie naar de cultureel-historische betekenis van het geloofsgoed, respectievelijk het humanistisch erfgoed, de maatschappelijke positie en relevantie van kerken of levensbeschouwelijke instellingen, het grondrecht van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en het constitutionele demarcatiecriterium van scheiding van kerk en staat. Dan is er een persoonlijke dimensie, die de dienst bindt aan een persoon die met het oog op de ontwikkeling van dat gemeenschappelijk goed taken verricht en die daartoe rechten bezit en plichten onderhoudt. In levensbeschouwelijke zin verwijst de persoonlijke dimensie naar de verschillende wijzen waarop men als geestelijk ambtsdrager wordt opgeleid en geïnstalleerd (gewijd), en volgens een beginsel van zending als ambtsdrager wordt geplaatst. En ten slotte is er een handelingsdimensie, waarin de dienst daadwerkelijk tot uitdrukking komt in rolgebonden activiteiten die als zodanig uitdrukkelijk zijn aangemerkt en die in en voor specifieke situaties gelding hebben. In levensbeschouwelijke zin verwijst de handelingsdimensie naar de specifieke activiteiten waarin de (professionele) dienst van een ambtelijke betekenis wordt voorzien, zoals in kerygmatische of sacramentele geloofs- en rituele praktijken, in referentie aan bestuurlijke verantwoordelijkheden, of met verwijzing naar het geestelijk ambtsgeheim.

      Op basis van de hiervoor gegeven omschrijving kan in het geval van ‘ongebonden geestelijk verzorgers’ geen sprake zijn van een ambt. Het gemeenschappelijk goed dat in publieke dienst behartigd wordt, is vooralsnog onduidelijk. Kandidaten worden in de Toetsingsraad op hun persoonlijke spiritualiteit beoordeeld en niet op hun referentievermogen aan een publiek goed. Ze kunnen zich noch formeel op persoonlijke installatie door een kerkelijke overheid of enig andere geestelijke belangengenootschap (moral community) beroepen, noch op feitelijke steun door een publieke achterban. Specifieke rechten en plichten met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijk goed, anders dan in professioneel opzicht, ontbreken. Bovendien kan van ambtshandelingen geen sprake zijn, omdat deze, anders dan vanuit hun analogie met traditionele kerkelijke praktijken, niet in publieke rolverwachtingen worden gesanctioneerd. De taak die de Toetsingsraad op zich neemt mag dan op het biografisch reflectievermogen inzake spiritualiteit betrekking hebben, dat gegeven borgt nog niet de aanspraken die met het begrip ‘ambt’ gegeven zijn. De beroepsvereniging zal zich op het punt van de onlangs bekrachtigde ambtsvoorwaarde voor geestelijk verzorgers dus opnieuw moeten beraden.

      Het ambt vormt geen antwoord op de vraag naar institutionele en religieuze individualisering. Voor zover geestelijke verzorging opportuun is, geldt de leuze ‘schoenmaker blijf bij je leest’. Enerzijds blijft het ambt een legitieme kwalificatie voor geestelijk verzorgers die personen bedienen op hun confessionele identiteit en die hen op hun kerkelijke geloofsvoorkeuren kunnen aanspreken. Anderzijds is geestelijke verzorging evenzeer geboden voor mensen die zich kerkelijk niet meer thuis voelen en die dus in professionele zin anders aangesproken wensen te worden. Omdat in dat geval een ambtelijke kwalificatie van de geestelijke zorg niet valide lijkt, is het belangrijk om de vraag te stellen naar de professionele identiteit van juist deze groep geestelijk verzorgers.

    • 4 ‘Esprit de corps’

      Laten we ons daarbij allereerst afvragen of de bovenstaande discussie geen vorm van haarkloverij is. Of een geestelijk verzorger nu wel of geen ambtsdrager is, lijkt een academische kwestie van definitie die maar beter met een pragmatische voorziening kan worden opgelost. Dat laatste lijkt met de instelling van de Toetsingsraad ook de beoogde strategie. De beroepsvereniging kan zo de historische relatie met de zendende instanties in stand houden, en in politiek opzicht kan het bestaansrecht van het beroep gelegitimeerd blijven worden conform het beginsel van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Daarmee is de pragmatiek vooralsnog gediend, en wordt eigenlijk ook prudent opgetreden in een spannend tijdperk dat gekenmerkt wordt door de geschetste transities. Anderzijds moet de vraag gesteld worden hoe toekomstbestendig deze strategie is. De herstructurering van de zorg en de verschuiving van morele demografie vergen ingrepen op de korte termijn die weliswaar bepaald niet afhangen van ambtsdefinities, maar die de notie van het ambt als aanduiding van de identiteit van geestelijke verzorging wel degelijk ter discussie stellen.

      Een van de argumenten in deze discussie houdt verband met de oorzaken van de ambtskwestie, namelijk het gegeven dat een steeds grotere groep patiënten of cliënten zich weliswaar als spiritueel of religieus beschrijft, maar geen band meer heeft of wenst met een kerkelijk achtergrondgenootschap. Een ruwe schatting op basis van het eerder aangeduide onderzoek raamt deze groep op een kwart tot een derde van de Nederlands bevolking.29xJ.B.A.M. Schilderman, ‘Religiosität und Säkularität in Europa: empirisch-theologische Perspektiven‘, in: M. Rose & M. Wermke (red.), Konfessionslosigkeit heute. Zwischen Religiosität und Säkularität, Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt 2014, p. 29-44. Zij zouden – volgens hetzelfde grondslagcriterium van de ambtsbinding – bediend moeten worden vanwege de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Het gaat om een diffuse groep mensen met uiteenlopende en wellicht onduidelijke verwachtingen inzake hun spiritualiteit, maar zij zijn daarom niet minder gerechtigd om passend bediend te worden op het moment dat ze dit wenselijk achten. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is een burgerrecht, waar zendende instanties weliswaar een gerechtvaardigde behartigingsrol in hebben, maar geen monopolie of kartelrecht. Het recht om zich geestelijk te laten verzorgen behoort de individuele burger toe, en dat heeft de overheid te beschermen. Daarbij passende zorg kan noch bij de clientèle noch bij geestelijk verzorgers zelf zo maar op collectieve of conventionele overtuigingen worden gebaseerd. Het bieden van een betrouwbaar oordeel over de spirituele competentie van ambtskandidaten is voor een toetsingsraad dan ook een lastige taak, en dat niet slechts vanwege de academisch betwiste validiteit van het spiritualiteitbegrip, maar ook vanwege de twijfelachtige relevantie die toetsing van persoonlijke spiritualiteit van geestelijk verzorgers heeft voor het adresseren van divergerende spirituele overtuigingen onder de clientèle. Die toetsing is bij een kerkelijk ambt van belang ter bepaling van de mate waarin de overtuiging van de ambtskandidaat overeenkomt met de normen van orthodoxie en orthopraxis die het achtergrondgenootschap hanteert. In een open voorziening van geestelijke verzorging wordt daarentegen vooral gestreefd naar goede instrumenten voor screening en diagnostiek, die immers de geestelijk verzorger juist in staat stellen om onderscheid te maken tussen de eigen spiritualiteit als geestelijk verzorger en die van de geestelijk te bedienen clientèle. De ontwikkeling van dergelijke instrumenten is inmiddels in Nederland – en internationaal reeds langer – in volle gang. Deze overgang van bindende traditiegeoriënteerde definities van spiritualiteit naar empirisch onderscheidende definities is een professioneel vereiste, niet alleen om de spiritualiteit van de groep kerkelijk niet-gebonden clientèle te herkennen, maar evenzeer om dergelijke spiritualiteitskenmerken systematisch en interdisciplinair in verband te brengen met door hen beleefde problematiek enerzijds en einddoelen van zorg anderzijds. Toegepast onderzoek op dit terrein lijkt een vereiste en is overigens voor andere academische beroepsgroepen in de zorg ook volstrekt vanzelfsprekend. Daarmee wordt overigens geenszins beweerd dat een eigen persoonlijk doorleefde spiritualiteit geen intrinsiek desideratum is of dat het ook niet als voorwaarde zou moeten gelden van authentieke beroepsuitoefening.30xVoor een reflectie op de weliswaar noodzakelijke maar ook eenzijdige aandacht voor persoonlijke disposities in de geestelijke verzorging, zie: J.B.A.M. Schilderman, ‘De professionele attitude in de geestelijke verzorging’, Pastorale Perspectieven 2012, 148, p. 19-28. Sterker nog, zonder convergente spiritualiteit lijkt een ‘esprit de corps’ in de geestelijke verzorging ten dode opgeschreven. Echter, in dat opzicht verschillen kerkelijk ‘gebonden’ en ‘ongebonden’ geestelijk verzorgers niet van elkaar, en een eventueel gewenste toets op spirituele competentie vergt dan ook vergelijkbare aandacht en dito voorzieningen. Hierin kunnen achtergrondgenootschappen elk conform hun missie en profiel belangrijke faciliterende taken en activiteiten zien.

      Op dit punt aangekomen, lijkt het echter van belang om aanduidingen van de geestelijke verzorging als ‘ongebonden’ of ‘algemeen’ ter discussie te stellen. De terminologie heeft connotaties met bandeloosheid of diffuus gedrag die diametraal ingaan tegen de professionele optiek die als alternatief voor de ambtsbinding kan worden aangevoerd. De eerder geschetste ontwikkelingen op het terrein van zorg en levensovertuiging zijn geenszins specifiek voor de problematiek in de geestelijke verzorging. Zo raakt de herziening van het zorgbestel elke beroepsgroep in de zorg, en in het bijzonder de psychosociale clusters waarin de geestelijke verzorging vaak is ondergebracht. De veranderde morele demografie raakt kerken in het bijzonder, maar evenzeer andere maatschappelijke instellingen, zoals politieke partijen, vakbonden en andere verbanden in het maatschappelijk middenveld.

      De samenhang van veranderingen in morele en professionele transitie is ruim honderd jaar geleden met een visionaire blik al beschreven door Emile Durkheim.31xE. Durkheim, Professional Ethics and Civic Morals, Glencoe: The Free Press 1958, in het Frans verschenen onder de titel Leçons de sociologie: Physique des moeurs et du droit. In een serie lezingen tussen 1898 en 1900 aan de Sorbonne wees hij op deficiënties van overheden in het borgen van een ideale – op gedeelde overtuigingen gebaseerde – samenleving. De overheid heeft het individu bevrijd van traditionele gezagsverbanden en daarvoor in de plaats een stelsel van democratisch bestuur geïnstalleerd dat conform electoraat en lobby’s in toenemende mate individuele of deelbelangen behartigt. Daardoor groeien staat en politieke samenleving uiteen en kan overheidsgezag steeds minder het collectief bewustzijn, de sociale cohesie en permanentie van overtuigingen reflecteren. Deze decentralisering van het morele leven zal volgens hem tot ‘moreel polymorfisme’ of zelfs anarchie leiden, en kan bij voorkeur gekeerd worden door het bevorderen van groepsbanden die het gemeenschappelijk goed op overheidstaken betrekken. Durkheim ziet bij uitstek beroepsorganisaties (communautés de métiers) geschikt als de intermediërende groepen tussen overheid en burgers. Enerzijds vertegenwoordigen zij associaties die individuele belangen van beroepskrachten dienen, en wel gestuurd door arbeidsdeling, het proces dat volgens Durkheim ten grondslag ligt aan de solidariteit van elke samenleving. Anderzijds behartigen beroepsverenigingen verantwoordelijkheden die het collectieve goed van een samenleving dienen in termen van moreel gemotiveerde prestaties. Deze verwijzing naar Durkheim is relevant, omdat ze wijst op een breder maatschappelijk probleem van morele individualisering. Voor een oplossing daarvan moet niet opnieuw verwezen worden naar conventionele – op ascription gebaseerde – verbanden die de eigen groepsbelangen dienen, maar op taakgerichte – op achievement gebaseerde – organisaties die een ‘trait-d’union’ vormen tussen belangen van burgers en collectieve taken die de overheid zich stelt in de behartiging van het publiek belang.

      Met verwijzing naar bovenstaande observatie van Durkheim lijkt de onderlinge band van geestelijk verzorgers in hun beroepsvereniging eerder te moeten liggen in zijn convergente oriëntatie op een gemeenschappelijk goed, in ons geval dat van (de vrijheid van) godsdienst en levensovertuiging in het publieke domein. De verschillende spirituele en religieuze oriëntaties bieden daarvoor zeer goede en overigens noodzakelijke motivaties en doeleinden, maar het vasthouden aan de ‘ambtshalve’ voorwaarde van beroepsuitoefening legt de klemtoon op divergentie van overtuigingen (namelijk zoals behartigd door de verschillende achtergrondgenootschappen), en lijkt bovendien steeds minder relevant voor de groep die in de zorg bediend wil worden. De elementaire kwestie hoe de beroepsvereniging een ‘esprit de corps’ kan bevorderen, is enerzijds een interne vraag die het bestuur van de beroepsvereniging met zijn beleid op de geschetste ontwikkelingen heeft pogen te beantwoorden. Anderzijds is de kwestie ook een externe vraag, waarbij de vraag veel meer luidt hoe eenduidig de onderlinge ‘morale’ van geestelijk verzorgers als een zaak van publiek belang kan worden ervaren. Wat zijn de mogelijkheden om de geestelijk verzorger te profileren als behartiger van een gedeeld belang zonder dat daarvoor deelbelangen als maatgevend worden aangemerkt of begrepen? Die vraag wordt in de volgende en laatste paragraaf beantwoord.

    • 5 Vrij beroep

      Nu de ‘ambt-ontberende’ geestelijk verzorger niet langer als ‘ongebonden’ kan worden aangeduid, is de vraag aan de orde op welke wijze de band van de geestelijk verzorger met de eigen beroepsgroep, met de overheid en ook met de te bedienen clientèle dan wel kan worden aangemerkt. Uiteraard is dit een professionele band, die echter door de beroepsvereniging scherper gedefinieerd kan worden, die door de overheid krachtiger ondersteund en – last but not least – door de cliënt beter herkend kan worden. Mijn voorstel luidt om deze solidaire band van geestelijk verzorgers als ‘vrij beroep’ op te vatten, met een expertise die afgestemd is op het gegeven van religieuze of levensbeschouwelijke pluraliteit en de varianten van persoonlijke zingeving.

      Vrije beroepen (liberal professions) worden op basis van professionele kwalificaties en in een persoonlijke, verantwoordelijke en professioneel onafhankelijke hoedanigheid uitgevoerd met het oog op geestelijke en conceptuele dienstverlening in het belang van cliënt en overheid.32x‘Liberal professions, (…) are (…) those practised on the basis of relevant professional qualifications in a personal, responsible and professionally independent capacity by those providing intellectual and conceptual services in the interest of the client and the public’, Directive 2005/36/EC of the European Parliament and of the Council of 7 September 2005 on the recognition of professional qualifications, p. 43. Vrije beroepen kenmerken zich door een kwaliteitsoriëntatie in die dienstverlening die gebaseerd is op specialistische expertise, ervaring en talent, die een beroep doen op het vertrouwen bij de cliënt en die de reputatie van het beroep versterken. De notie ‘vrij’ betekent daarbij zowel ‘onafhankelijk in de eigen dienstverlening’ als ‘van meet af aan gericht op vrijheid tot keuzes bij de cliënt’. Deze ‘vrijheid tot’ is geen ‘vrijheid van’ verplichtingen. Juist het ethos van de persoonlijke relatie in de dienstverlening noopt tot persoonlijk engagement en betrokkenheid bij de dienstvrager. Die dienstoriëntatie ligt bovendien vast in de vrijwillige onderwerping aan standaarden die de beroepsgroep stelt en waarin de belangrijkste waarden in de bejegening en de kwaliteit van dienstverlening zijn vastgelegd. De beroepsvereniging biedt voorwaarden tot borging binnen de beroepsvereniging, zoals door middel van informatie, belangenbehartiging en supervisie, maar ook in gedragsnormen en indien noodzakelijk tucht. Beroepsverenigingen zijn niet gebonden aan externe belangengroepen, maar borgen juist hun onafhankelijkheid met het oog op de vertrouwensband met de clientèle. Het ethos wordt slechts gevoed door professionele waarden die van meet af aan op het gemeenschappelijk goed van de samenleving zijn afgestemd, en waartoe bestuur en beleid transparant worden vormgegeven. Commercialisme, monopolisme en paternalisme worden bestreden met expertise, zelfregulering, integriteit en autonomie. De legitimiteit van het vrije beroep ligt dus uiteindelijk zowel in het door de cliënt geschonken vertrouwen als in de publieke verantwoording dat de geleverde dienst daadwerkelijk bijdraagt tot het gemeenschappelijk goed. Vrije beroepen zijn dragers van een open society, waarin transparantie en verantwoordelijkheid zo goed mogelijk in de relatie tussen professional en cliënt worden behartigd. Dergelijke uitgangspunten zijn de afgelopen jaren voor de desbetreffende beroepen in diverse nationale en Europese besluiten en regels vastgelegd.33xZie voor een overzicht bijv. de publicaties van de Duitse Bundesband der Freien Berufe (BFB), Faktenblatt Definitionen des Freien Berufs, Berlijn 2012, Freie Berufe und Europäisches Parlament, Berlijn, Guiding Principles of the Liberal Professions, Berlijn 2009.

      De beroepsvereniging van geestelijk verzorgers voldoet aan diverse kenmerken van een vrij beroep, maar ze definieert haar beroep niet als zodanig. Inderdaad compliceert juist de aanduiding ‘ambtshalve’ deze kwalificatie als een vrij beroep. Terwijl in de beroepsstandaard enerzijds het belang van expertise en vertrouwen sterk beklemtoond wordt en van normen wordt voorzien, ontbreken anderzijds garanties die haar onafhankelijkheid kunnen borgen. Omdat diverse zendende instanties de iure verantwoordelijk zijn voor de inhoud en vormgeving van de geestelijke verzorging – hoezeer dat de facto ook gerelativeerd kan worden – kunnen precies bij criteria van onafhankelijkheid en oriëntatie op een publiek goed vragen worden gesteld. Dat het verzuilde model van geestelijke verzorging enige vanzelfsprekendheid heeft, ligt historisch voor de hand, maar het neemt het feit niet weg dat geestelijke verzorging geen kerkelijke instelling is. Ze wordt uit publieke middelen betaald, is door de overheid ingesteld en krijgt in publieke instellingen gestalte. De problematiek die eertijds leidde tot de ontzuiling blijkt nog steeds aanwezig in de geestelijke verzorging met haar ondoelmatige confessionele vermenigvuldiging van benoemingen, structuren, normen en sectoren. De formele legitimiteit van het ambt wordt daarmee geenszins ter discussie gesteld. Die formaliteit heeft de beroepsvereniging immers ook willen borgen, al doet ze dat eigenlijk door instelling van een toetsingsraad die de afwezigheid van het ambt als bediening van ontzuilden aan het oog onttrekt. Eigenlijk staat ook niet de formele maar de praktische legitimiteit van het ambt ter discussie. Immers, feitelijk is de arbeidsdeling op veel locaties van geestelijke verzorging niet meer op de noemer van een specifieke confessie maar op die van de zorginstitutie gebaseerd. Het gegeven van religieuze en levensbeschouwelijke pluraliteit heeft al geleid tot een benadering waarbij de persoonlijke varianten van zingeving centraal staan. Dat sluit een confessie-specifieke benadering bepaald niet uit, maar de feitelijke arbeidsdeling en geboden kwaliteitszorg reflecteren al een veel duidelijker afstemming van geestelijke verzorging op maat van de patiënt of cliënt. De vieringen zijn doorgaans oecumenisch van aard en men werkt in gemeenschappelijke teams samen zoals in elk ander professioneel verband. Bovendien dwingt de kleinschaligheid van de geestelijke verzorging steeds meer tot bezinning over de vraag in hoeverre religieuze opdeling als model van geestelijke verzorging nog langer past in de vereisten die een moderne zorgvoorziening stelt.

      Wat zijn, tot slot, de mogelijkheden om de geestelijke verzorging daadwerkelijk als een vrij beroep op te vatten? De ontwikkelingen in de zorg bieden mogelijk deels reeds een antwoord op deze vraag. Nu de intramurale zorg enigszins verschuift naar de maatschappelijke ondersteuning, ondergraaft het zogenoemde 24-uurscriterium de legitimiteit van de geestelijke verzorging. De geestelijk verzorger zal zich eerder tot zelfstandige moeten ontwikkelen die in het kader van verzekerbare zorg betaald gaat worden. Om verzekerbaar te zijn helpt het niet dat een geestelijk verzorger gebonden wordt door een particulier toetsingsorgaan. Toetsing vergt juist publieke voorzieningen van professionele registratie, zoals bijvoorbeeld is bedoeld en ingesteld in de Wet BIG. De geestelijk verzorger zal dan als behandelend dienstverlener te boek staan, en de beroepsgroep zal met het oog daarop moeten kunnen aantonen dat interventies in geestelijke verzorging gezondheidgerelateerde effecten kennen. Voor de vormgeving van deze nieuwe legitimatie van geestelijke verzorging is nog een lange weg te gaan, zowel in opleiding en onderzoek als in politieke en maatschappelijke bemiddeling. De beroepsvereniging heeft zich gedurende de afgelopen jaren evident en met hart en ziel ingezet om deze belangen te behartigen en heeft deze in haar meerjarenbeleid bovendien van heldere analyses en doelstellingen voorzien.34xZie het meerjarenplan van de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen, waarin drie relevante prioriteiten worden gesteld: ‘1. Legitimatie en financieringsgrond uitbreiden. Van uitsluitend gebaseerd op het grondrecht op godsdienst en levensovertuiging (1), naar GV ook als noodzakelijke bijdrage aan kwalitatief goede zorg (2). 2. Daarvoor is onmisbaar: de inzet van onderzoek dat werking, effect en effectiviteit van GV zichtbaar maakt. 3. Stimuleren van aanbod door geestelijk verzorgers dat meer aansluit bij de veranderde en veranderende behoeften van cliënten en partners, en het stimuleren van actieve communicatie en profilering van dit aanbod’, VGVZ, Beleidsplan VGVZ 2014-2018, p. 8. De beroepsvereniging staat hierin bepaald niet alleen. Theologische en religiewetenschappelijke opleidingen hebben de afgelopen jaren hun beroepsopleidingen bijgesteld en de desbetreffende onderzoeksgroepen sorteren steeds beter voor op kennis en inzichten die aansluiten op de geschetste veranderingen van toegenomen pluraliteit en levensbeschouwelijke individualisering. Screenings- en diagnostisch onderzoek brengen de varianten van persoonlijke zingeving beter in kaart en bieden interdisciplinaire afstemmingsmogelijkheden van geestelijke verzorging op de vraag en behoefte van de patiënt of cliënt in het geheel van de zorg. Daarmee worden de contouren duidelijk van een ontwikkelingsproces in de geestelijke verzorging dat loopt van aanbodsturing naar vraagsturing, en dat zo kansen vergroot tot inpassing in de nieuwe zorgstructuren.

      Nieuwe generaties studenten geestelijke verzorging zijn doorgaans beter doordrongen van de eisen die de ontwikkelingen in de zorg en de veranderde compositie van de samenleving stellen aan het werk. Ze hebben er ook recht op dat hun opleiding met een bevoegdheidsverklaring afgesloten wordt. Voor vrije beroepen ligt het daarvoor gangbare model van een beroepseed voor de hand, met na te volgen analogieën in academische beroepen als die van arts of jurist. Een dergelijke eed is een plechtige en publieke verklaring met zowel descriptieve als normatieve aspecten. In descriptief opzicht is een ‘performance’-criterium aan de orde: men verklaart met een eed dat men in staat is om een clientèle met het oog op een publiek goed te dienen, zoals genormeerd wordt in de beroepsstandaard. In normatief opzicht geldt een moreel criterium: de eed bevat een belofte aan clientèle en samenleving dat men zich aan deze standaard zal houden en op deze verantwoordelijkheid door deze partijen aanspreekbaar is. Het publiek afleggen van een dergelijke eed is niet zozeer een ritueel ter afsluiting van de opleiding, maar juist de publieke en toetsbare bevestiging van een aangegane persoonlijke, sociale en juridische verplichting om zich in het beroep in te zetten voor zowel de cliënt als de publieke zaak. Zo’n zuinige maar ook kernachtige belofte lijkt mij een passende vorm om de toekomst van de geestelijke verzorging tegemoet te treden.

    Noten

    • 1 VGVZ, Beroepstandaard voor de geestelijk verzorger in zorginstellingen, VGVZ 2001, p. 9. De tekst van de beroepsstandaard – waaronder ook deze definitie van het beroep – is herzien in 2010.

    • 2 J.B.A.M. Schilderman, Kwalificaties van geestelijke verzorging (Intern rapport voor het Faculteitsbestuur Faculteit der Religiewetenschappen), Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen 2006. Accurate aantallen van de huidige situatie zijn moeilijk te geven. Duidelijk is dat aantallen in de zorg dalen vanwege de actuele herstructurering en pensioneringsgolf, terwijl bij de overheid bezuinigingen doorgevoerd zijn (justitie tot 20%) of worden (defensie tot 20%).

    • 3 Voor een theologisch concept van religie in het publiek domein, zie: J.B.A.M. Schilderman, ‘Religious Capital and Public Accountability’, in: H.-G. Ziebertz & L. Francis (red.), The Public Significance of Religion (Empirical Studies in Theology, 20), Leiden: Brill 2011, p. 41-63.

    • 4 E. Hirsch Ballin, Overheid, godsdienst en levensovertuiging, Commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag 1988.

    • 5 Criteria steunverlening (kerk)genootschappen, Kamerstukken II 1989/90, 20868, 2.

    • 6 Kamerstukken II 1995/96, 23720, 208.

    • 7 Handelingen I 1997/98, 5, p. 137-138.

    • 8 Art. 3 KWZ: ‘Voor zover het betreft zorgverlening die verblijf van de patiënt of cliënt in de instelling gedurende tenminste het etmaal met zich brengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de instelling geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten.’

    • 9 Zie het standaardwerk van Arend Lijphart, die de verzuiling vanuit een politieke elitetheorie interpreteert: A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Haarlem: Becht 1990, p. 99-115.

    • 10 A. de Swaan, Zorg en de Staat, Amsterdam: Bakker 1998; A. de Swaan, De mens is de mens een zorg. Opstellen 1971-1981, Amsterdam: Meulenhoff 1997.

    • 11 M.H. Kwekkeboom, Het licht onder de korenmaat. Informele zorg in Nederland, Den Haag: Vuga uitgeverij 1990.

    • 12 Een beeld van de opvattingen en ontwikkelingen van informele en mantelzorg treft men aan in studies van het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP): S.J.M. Hoff & J.C. Vrooman, Zelfbepaalde zekerheden. Individuele keuzevrijheid in de sociale verzekeringen: draagvlak, benutting en determinanten, Den Haag: SCP 2002; D. Oudijk e.a., Mantelzorg uit de doeken. Een actueel beeld van het aantal mantelzorgers, Den Haag: SCP 2010; S. Kooiker e.a., Meebetalen aan de zorg. Nederlanders over solidariteit en betaalbaarheid van de zorg, Den Haag: SCP 2012.

    • 13 Weliswaar biedt het College voor zorgverzekeringen (CVZ; sinds kort Zorginstituut Nederland) in zijn Uitvoeringstoets geestelijke verzorging (13 juli 2006) – bij het zogenoemde ‘full package’ – mogelijkheden tot geestelijke zorg, maar de indicaties blijven te smal of onduidelijk om die zorg met een beroep op verzekeringsvoorwaarden structureel te bekostigen.

    • 14 T. Bernts, G. Dekker & J. de Hart, God in Nederland (1996-2006), Kampen: Ten Have 2007; J. Becker & J. de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie, Den Haag: SCP, 2006.

    • 15 J. de Hart, Geloven binnen en buiten verband. Godsdienstige ontwikkelingen in Nederland, Den Haag: SCP 2014.

    • 16 J. Reitsma e.a., ‘Believing and Belonging in Europe’, European Societies 2012, 14, p. 611-63.

    • 17 J. de Hart, Zwevende gelovigen. Oude religie en nieuwe spiritualiteit, Den Haag: SCP 2013.

    • 18 H. Becker, Generaties en hun kansen, Amsterdam: Meulenhof 1992. Voor een toelichting van deze seculariserende tendens in de geestelijke verzorging zie ook: Schilderman 2013, p. 205-225.

    • 19 R. Ganzevoort, Spelen met heilig vuur. Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven, Baarn: Ten Have 2013; H. Schilderman, ‘Theologie als entertainment’, Handelingen, Tijdschrift voor Praktische Theologie en Religiewetenschap 2014/3, p. 21-38.

    • 20 Zo agendeerde de synode van de Protestantse Kerk Nederland van 2013 tot 2015 onder leiding van synodescriba A. Plaisier een brede discussie over het ambt, die onder meer gestalte kreeg in zeven brieven gericht aan de lokale gemeenten.

    • 21 Zie bijv. het interimrapport ‘Herkenbaar en betrouwbaar pastoraat’ van de Nederlandse Bisschoppenconferentie dat voor de rooms-katholieke kerk beoogt toe te werken naar ambtelijke richtlijnen en regelgeving voor de verschillende werkvelden van categoriaal pastoraat, een vademecum voor de geestelijke verzorging. M. Kronemeijer & A. van Iersel, Herkenbaar en betrouwbaar pastoraat (interimrapport aan de Nederlandse bisschoppenconferentie voor de totstandkoming van een vademecum voor het categoriaal pastoraat), R-K kerkprovincie 2010.

    • 22 Zie voor een uitvoeriger verslag hiervan De Vries 2013.

    • 23 Twee commissie van het VGVZ-bestuur: de Commissie Levensbeschouwelijke Legitimatie (CLL), bestaande uit leden van de VGVZ (geestelijk verzorgers), en de Commissie Ambtelijke Binding, samengesteld uit wetenschappers op het vakgebied van de geestelijke verzorging.

    • 24 Regiegroep, Eindnota Toekomstig Bestel Geestelijke Verzorging, april 2013.

    • 25 De kandidaat moet laten zien dat hij zicht heeft op de eigen levensbeschouwelijke biografie en de wijze waarop deze inzetbaar is in het werk, waarbij voldoende reflectievermogen moet bestaan om met rolspecifieke spanningen om te gaan.

    • 26 Als toetsingsorgaan kan haar rechtsgeldigheid bovendien betwijfeld worden, aangezien de stichting zichzelf een onderwijskundige verantwoordelijkheid toekent die kerncompetenties van het vak betreffen, zonder dat die in het academische accreditatiekader opgenomen zijn. Ze mengt zich zo in verantwoordelijkheden die toebehoren aan de desbetreffende opleidingen en die in hun curriculum reeds aantoonbaar worden behartigd in reguliere trainingen en supervisie.

    • 27 Zo regelt in Nederland de Ambtenarenwet van 17 januari 1929 de verhouding van ambtenaren tot overheid, en het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR, 12 juni 1931) met het BBRA’84 de rechtspositie van ambtenaren. Discussies over het belang van gelijkschakeling in rechtspositie van ambtenaren met werknemers in de private sector leidden tot aanname van het wetsvoorstel Normalisering Rechtspositie Ambtenaren door de Tweede Kamer op 4 februari 2014. Overigens laat dat onverlet dat van een ambt ook buiten formele arbeidscontracten sprake kan zijn, zoals in verschillende vrijwilligersfuncties ( Duits: Ehrenamt).

    • 28 VGVZ, Ambtelijke binding (VGVZ-cahiers, 4), Amsterdam: VGVZ 2010, p. 82.

    • 29 J.B.A.M. Schilderman, ‘Religiosität und Säkularität in Europa: empirisch-theologische Perspektiven‘, in: M. Rose & M. Wermke (red.), Konfessionslosigkeit heute. Zwischen Religiosität und Säkularität, Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt 2014, p. 29-44.

    • 30 Voor een reflectie op de weliswaar noodzakelijke maar ook eenzijdige aandacht voor persoonlijke disposities in de geestelijke verzorging, zie: J.B.A.M. Schilderman, ‘De professionele attitude in de geestelijke verzorging’, Pastorale Perspectieven 2012, 148, p. 19-28.

    • 31 E. Durkheim, Professional Ethics and Civic Morals, Glencoe: The Free Press 1958, in het Frans verschenen onder de titel Leçons de sociologie: Physique des moeurs et du droit.

    • 32 ‘Liberal professions, (…) are (…) those practised on the basis of relevant professional qualifications in a personal, responsible and professionally independent capacity by those providing intellectual and conceptual services in the interest of the client and the public’, Directive 2005/36/EC of the European Parliament and of the Council of 7 September 2005 on the recognition of professional qualifications, p. 43.

    • 33 Zie voor een overzicht bijv. de publicaties van de Duitse Bundesband der Freien Berufe (BFB), Faktenblatt Definitionen des Freien Berufs, Berlijn 2012, Freie Berufe und Europäisches Parlament, Berlijn, Guiding Principles of the Liberal Professions, Berlijn 2009.

    • 34 Zie het meerjarenplan van de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen, waarin drie relevante prioriteiten worden gesteld: ‘1. Legitimatie en financieringsgrond uitbreiden. Van uitsluitend gebaseerd op het grondrecht op godsdienst en levensovertuiging (1), naar GV ook als noodzakelijke bijdrage aan kwalitatief goede zorg (2). 2. Daarvoor is onmisbaar: de inzet van onderzoek dat werking, effect en effectiviteit van GV zichtbaar maakt. 3. Stimuleren van aanbod door geestelijk verzorgers dat meer aansluit bij de veranderde en veranderende behoeften van cliënten en partners, en het stimuleren van actieve communicatie en profilering van dit aanbod’, VGVZ, Beleidsplan VGVZ 2014-2018, p. 8.


Print dit artikel