DOI: 10.5553/TvRRB/187977842019010001004

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

Het boeddhisme en de ideale staat

Trefwoorden Aziatisch leiderschap, Koningschap, ideale staat in Azië
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Prof. dr. Paul van der Velde, 'Het boeddhisme en de ideale staat', TvRRB 2019-1, p. 37-59

Dit artikel wordt geciteerd in

      ‘Protector of the nation
      Rigged with the sail of right and honesty
      His majesty the King Jigme Singye Wangchuk.
      Blazed with glory to
      Accomplish the dream of a nation.
      In this land of snowy mountain ranges,
      Your majesty you planted the victory banner of
      Gross national Happiness,
      As Bhutan’s topmost priority.
      The King, the protector of the nation,
      His name universally renowned,
      As the master of in-sight and higher perception
      Your Majesty, you bless the land.
      The profound philosophy of wisdom,
      ‘One nation, one people’
      Your majesty, you unite the people with
      A goal for all as one,
      With great faith and hope in the future
      Builder of the nation,
      Your majesty you motivated and guided the
      Youth of Bhutan,
      Towards a peaceful and successful nation
      Respectfully I prostrate at your feet,
      The beneficial and virtuous King,
      Jigme Singye Wangchuk.’

      Sherab Younten1x H.M. Wangchuk e.a. (red.), Jewel of men, poems dedicated to His Majesty Jigme Singye Wangchuk, 2008, p. 6-7. Dit boek bestaat uit liederen en gedichten die zijn gecomponeerd door Bhutanese dichters ter gelegenheid van de troonovername door Jigme Khesar Namgyal Wangchuk op 14 december 2006.

      Het boeddhisme kent in Azië zeer concrete voorstellingen omtrent een geïdealiseerde regeringsvorm. Deze voorstellingen mogen oud zijn, ze spelen bijzonder vaak mee op de achtergrond in de politiek tot in de moderniteit. Zelfs binnen republieken waar het religieuze koningschap allang is verdwenen, blijft een zekere bovennatuurlijke basis aanwezig op grond waarvan een regering functioneert. Verzet tegen een regering kan dan ook vaak verzet tegen een wereldorde impliceren die eigenlijk van bovenwereldlijke afkomst is. Dit artikel besteedt aandacht aan historische dimensies van dit fenomeen (de positie van de Boeddha, de oorsprong van het koningschap en keizer Ashoka), maar ook aan moderne vormen ervan (Sri Lanka, Thailand en Myanmar). Betreffende Myanmar worden de recente ontwikkelingen rond de Rohingya’s in een cultureel perspectief geplaatst.

    • Inleiding

      Op 15 juni 2018 werden via kranten, tijdschriften en het internet wereldwijd foto’s gedeeld van Narendra Modi, premier van India, diep betrokken bij de Nationale Yogadag, een redelijk recent ingestelde feestdag waarop de grote spirituele verdiensten en vermogens van de Indiase yogatraditie worden benadrukt. Mr. Modi voerde een aantal yogahoudingen uit, mediteerde en reciteerde de mystieke syllabe ‘OM’. Mr. Modi draagt actief yoga uit, niet alleen omdat het beoefenen ervan het lichaam sterk zou maken, yoga geneest ook de verziekte, verworden samenleving, zo is een veelgehoorde gedachte in India. Hoe meer mensen yoga bedrijven, hoe sneller de ‘wereld zal genezen’. Pranayama, ademhalingsoefeningen, helen de mens en het universum. Opponenten stellen hier tegenover dat het veel meer zin zou hebben iets te doen aan de verschrikkelijke problemen van India, zoals de positie van de vrouw en de verontreiniging van het land: de mensen ademen met die diepe yogische ademhalingsoefeningen voortdurend uitlaatgassen in. Toch propageert Mr. Modi liever yoga. De yogapraktijk heeft een positieve uitstraling naar het hele land toe, naar het hele universum, zo is de gedachte. Als die maar een kans krijgt, dan lossen alle problemen zich op. Veel Indiërs vinden dat Mr. Modi hierin helemaal gelijk heeft.

      Bij hindoeïsme en boeddhisme denken wij in het Westen doorgaans direct aan kleurrijke mythologie, meditatie en religieuze en spirituele idealen. Wij denken niet direct aan voorstellingen rond de ‘ideale staat’. Toch ligt dit in Azië anders. Hindoeïsme en boeddhisme hebben beide wel degelijk voorstellingen rond een ideale staatsvorm, of wat een ideale regering zou moeten zijn. Het gaat hierbij vaak om impliciete voorstellingen die diep verweven zijn met de religieuze tradities. Dat veroorzaakt dat in Azië regeringen vaak anders worden beschouwd dan in het Westen. Een veelgehoorde gedachte onder hindoes en boeddhisten is bijvoorbeeld dat de regering beslist in handen belandt van de personen die deze positie toekomt. Dat komt door de goede daden die deze mensen hebben verricht in vorige levens: het komt hun karmisch toe.
      Zelfs in een land als India, dat in principe een seculiere staat is, speelt dit soort gedachten aan de horizon; in het geval van India gaat het dan om hindoeïstische ideeën. Koningen hadden in het verleden altijd al een soort van hemelse luister om zich heen en die symboliek heeft zich in de moderniteit met gemak verplaatst naar moderne regeringsleiders, naar premiers en presidenten. Zijn mensen eenmaal tot deze posities gekomen, dan is daar een specifieke reden voor, en het door hen verkregen geluk dient ook van hen af te stralen. Een regeerder heeft tejas, een oplaaiende gloed om zich heen die vijanden afschrikt en het rijk laat bloeien.

      In dit artikel wil ik betogen dat wij traditionele voorstellingen rond de ideale staat en het ideale koningschap niet mogen onderschatten bij het interpreteren en beoordelen van het gedrag en de beslissingen van regeringen en politici in Azië tot op de dag van vandaag. Ik denk zelfs dat wij bepaalde politieke ontwikkelingen in Azië niet kunnen begrijpen zonder oog te hebben voor de cultureel-religieuze verstaanshorizon van de culturen aldaar, die vaak een lange geschiedenis kent. In dit betoog zal de aandacht vooral uitgaan naar het boeddhisme en de staat.
      Het traditionele boeddhistische uitgangspunt is dat als een regering – of het nu een vorst is die alleen heerst, een president, een dictatuur of een democratie – echt goed regeert, de staat als vanzelf evolueert tot een echte heilsstaat waarin zich zelfs geen veeziekten, aardbevingen of overstromingen meer voordoen. Zelfs de natuur gehoorzaamt de echt rechtvaardige regering.
      In het vervolg van dit artikel wil ik deze vermeend helende invloed van met name het boeddhisme op de staat en het politieke leiderschap aan de hand van een zestal uiteenlopende voorbeelden illustreren en toelichten in het licht van de geloofsbronnen en de geschiedenis.2x Het meest uitvoerige werk over boeddhisme, boeddhistische cultuur en staatsvormen met name in de landen van het Theravada-boeddhisme is: H. Bechert, Der Buddhismus Staat und Gesellschaft in den Ländern des Theravāda-Buddhismus: Grundlagen, Ceylon/Hamburg 1966.
      De aandacht zal allereerst uitgaan naar een van de preken die aan de Boeddha zelf wordt toegeschreven, de Aggannasutta.3x Het is bijzonder lastig de Pali-teksten precies te dateren. De boeddhistische traditie stelt dat veel van deze teksten letterlijk door de Boeddha zo zijn uitgesproken. We weten vanuit onderzoek dat er soms teksten zijn toegevoegd van veel later datum. De traditie stelt dat de teksten letterlijk door monniken zijn onthouden en in de eerste eeuw v.Chr. op Sri Lanka zijn opgeschreven. Maar hoe dan ook, of de teksten echt uit de tijd van de Boeddha zijn of niet, teksten die aan de Boeddha worden toegeschreven, hebben de ‘kracht van het Boeddha- woord’ en gelden binnen het boeddhisme bijna als openbaringen. In deze tekst wordt verhaald hoe het ontstaan van het koningschap een logisch gevolg is van de menselijke aard. Vervolgens wordt aandacht besteed aan twee ideale vorsten die in Azië zeker in boeddhistische context worden gezien als na te volgen voorbeelden voor regeringen in het algemeen. Dit betreft allereerst de vader van de Boeddha zelf, koning Shuddhodana (circa vijfde eeuw v.Chr.). Volgens de legenden zou hij een echt ideale vorst zijn geweest. Zijn relaas is natuurlijk eerder legendarisch dan historisch, al wordt zijn geschiedenis in Azië wel degelijk letterlijk genomen.
      Het tweede voorbeeld van een ideale vorst is zeker wel historisch en betreft de regering van keizer Ashoka uit de derde eeuw v.Chr. Zijn regering was zo rechtvaardig, naar de traditie wil, dat deze door een bijna mythisch aura is omgeven.
      De hierop volgende voorbeelden spelen in de tegenwoordige tijd: allereerst komt het conflict dat op Sri Lanka bestaat tussen Tamils en Singalezen naar voren. Vaak wordt gesteld dat dit conflict is ontstaan in 1983 of dat dit het gevolg is van de Britse periode (1796-1948). In de verstaanshorizon van zowel Tamils als Singalezen speelt de heiligheid van het eiland echter een grote rol. Het conflict is derhalve niet twintigste-eeuws, maar eeuwen oud. Het is daarmee ook niet alleen maar een etnisch conflict tussen twee bevolkingsgroepen, het gaat veel verder dan dat, over verschillende opvattingen omtrent geloofskwesties als ‘heiligheid’.
      De laatste twee voorbeelden zijn van recenter datum. Thailand wordt sinds het begin van de negentiende eeuw geregeerd door de Chakri-dynastie, waarvan de vorsten als goden worden beschouwd. Uiteindelijk komen we uit bij het land Myanmar, waar zich op het moment van schrijven enorme religieus-etnische problemen voltrekken die resulteren in een genocide.
      Voordat wij deze voorbeelden presenteren schetsen wij in het kort een beeld van het boeddhisme zoals dat nu nogal eens in het Westen te vinden is. Het gaat daarbij vaak om ideeën rond persoonlijk heil en geluk, zeker niet in de eerste plaats om een ideale staatvorm die geluk voor allen garandeert, zoals in Azië wel nogal eens te vinden zijn.

    • In het Westen

      Het boeddhisme is tegenwoordig zeer populair in het Westen. Een van de belangrijkste redenen die westerlingen nogal eens noemen voor hun warme belangstelling voor het gedachtegoed van de Boeddha is dat het boeddhisme geen religie zou zijn. Het zou veel eerder gaan om een ‘manier van leven’, een ‘spiritualiteit’, een ‘filosofie’ of iets dergelijks. Boeddhisme wordt in het Westen in verband gebracht met wat wordt genoemd ‘spirituele groei’, ‘geluk’, ‘stressreductie’ en het voorkomen van ‘burn-outs’.
      Dat westerlingen die met het boeddhisme bezig zijn juist termen als spiritualiteit, filosofie en levenswijze hanteren en het woord ‘religie’ vermijden, zegt enerzijds iets over de manier waarop zij naar hun eigen geestelijke leven kijken en anderzijds getuigt het ook van de souplesse waarmee Aziatische boeddhistische leraren hun leringen aanpassen aan de belangstelling en behoeften van een nieuwe groep geïnteresseerden. Moet de dharma – dat is het woord dat meestal wordt gebruikt om de leer van de Boeddha aan te duiden – geen ‘religie’ zijn, dan kan dat, dan noemt men het ‘spiritualiteit’ of ‘filosofie’. ‘Het zijn uiteindelijk maar termen’ is een houding die onder monniken in Azië vaak te horen is. Deze souplesse valt binnen het boeddhisme onder het concept upaya, de zogenoemde ‘skilful means’ of ‘vaardige middelen’. Dit wil zeggen dat de leer kan worden aangepast aan de specifieke behoeften van een tijdsgewricht, een cultuur, een individu of een groep. In het Westen zagen de monniken en andere boeddhistische leraren dat er een behoefte was aan ontspanning van de gestreste geest. Daar gingen de leringen dan ook op in.
      Een concreet gevolg hiervan is nu dat in het Westen de meditatie vrijwel altijd als de centrale praktijk van het hele boeddhisme wordt beschouwd. Zijn westerlingen bezig met boeddhisme, dan staat er in ieder geval eigenlijk één ding vast: zij mediteren. Door de meditatie neemt hun stress af en neemt hun beleving van geluk toe; boeddhisme en persoonlijk geluk liggen vaak in elkaars verlengde, zo lijkt het. Het is daarom opmerkelijk dat juist in het Westen, waar het boeddhisme zo vaak een ‘manier van leven’ wordt genoemd, geen connectie wordt gezocht naar staatsvormen en politiek die geluk van velen zouden kunnen bewerkstelligen. Heel soms circuleren er wel ideeën over ideale regeringen, zoals het Tibet van de dalai lama’s in het verleden vóór de Chinese inval (1949) of de hedendaagse politiek van het land Bhutan, waar sprake is van ‘bruto nationaal geluk’ in plaats van ‘bruto nationaal product’. Dat laatste was hoe dan ook wel een eyeopener voor veel westerse landen. Het was een verfrissend idee, dat uit een klein land de wereld over reisde. Over het succes van het initiatief in Bhutan zelf speelt veel controverse. Het land kent grote problemen, er is veel werkloosheid, drugsverslaving en alcoholisme en bovendien worden de in Bhutan wonende Nepalezen nogal eens buitengesloten als het gaat om het ‘grote geluk’.
      De connectie tussen boeddhisme en een staatsvisie ligt dus niet direct voor de hand als je de beeldvorming van het moderne boeddhisme in het Westen voor ogen hebt. Wel is het zo dat in het boeddhistische tijdschrift Vorm en Leegte in 2005 een artikel heeft gestaan waarin verschillende prominente Nederlandse boeddhistische denkers hun visie gaven op een boeddhistische politiek.4x Zie hiervoor: Vorm en Leegte, ‘Bestaat het politiek Boeddhisme?’, Kwartaalblad boeddhisme, mens, samenleving 2005, 5, p. 41, www.dianavernooij.nl/Forum%205.html. geraadpleegd op 20 februari 2018. Het gaat om Varamitra, Jean Karel Hylkema, Henk Barendregt en Riekje Boswijk. Onderwerpen die dan naar voren komen, zijn bijvoorbeeld kwesties als: bestaat boeddhistische politiek eigenlijk wel; kan boeddhisme politici inspireren en waarin uit die inspiratie zich dan; zijn kerk en staat binnen het boeddhisme per definitie gescheiden en hoe werkt dat dan bij een persoon als de dalai lama, die zowel wereldlijke als geestelijke macht belichaamt; zou het boeddhisme niet per definitie moeten kiezen voor een staatsvorm waarin alle wezens kunnen gedijen; en de belangrijke vraag die in zoveel tradities speelt, namelijk of een doel de middelen kan heiligen.

    • In Azië

      In Azië bestaan al eeuwen ideeën en voorstellingen over hoe een ideale boeddhistische staat eruit zou zien en hoe deze zou functioneren. De Boeddha zelf zou ook allerlei politieke uitspraken hebben gedaan in zijn tijd. Hij zou ook geregeld adviezen hebben gegeven aan vorsten, ministers en andere politici. De Boeddha zou in een van zijn preken zelfs verteld hebben hoe het koningschap als ideale staatsvorm is voortgekomen uit een soort van natuurlijke noodzaak. Het universum heeft ordening nodig. Zonder controle van de staat, van een vorst, gaat dit niet.
      In het hindoeïsme is dit overigens niet heel anders. In een van de belangrijkste hindoewetboeken, de Manusmrti, is een compleet hoofdstuk gewijd aan de ideale koning die zijn rijk voortreffelijk weet te regeren.5x G. Bühler (vertaler), The Laws of Manu, Oxford 1886, hoofdstuk 7, p. 216-253. In de moderne Indiase politiek refereren fundamentalistische hindoepartijen nogal eens aan het concept van Ramrajya, de oude regering van god-koning Rama uit een mythologisch ver verleden, toen alles nog goed was. De ideale staat ligt enerzijds in het verre verleden, maar kan worden hersteld in de toekomst: ‘Maak de toekomst zoals die was.’ Bovendien kan de strijd om de ideale regering ook worden gezien als een particuliere, innerlijke strijd die eenieder individueel zou kunnen voeren om van binnenuit de wereld te verbeteren, in de toekomst te herstellen tot hoe deze oorspronkelijk was.

      De Boeddha

      De kroonprins werd asceet

      Eigenlijk is de connectie tussen het boeddhisme en staatsvisies helemaal niet zo vreemd als wij de samenleving waarin het boeddhisme ontstond in ogenschouw nemen. De Boeddha zou stammen uit een adellijke familie, een kshatriya-geslacht, de traditionele groep regeerders van het oude India. Het gebied waar hij opgroeide was een gebied van zowel republieken als koninkrijken. De Shakya-familie, waar de Boeddha uit voortkwam, was waarschijnlijk een geslacht van regenten of belangrijke bestuurders. De traditie heeft van zijn vader een grote koning gemaakt. Wij moeten bedenken dat we eigenlijk heel erg weinig met zekerheid weten over het leven van de Boeddha. Wel is er zijn traditionele biografie in verschillende versies. Deze geeft geen historisch beeld van zijn leven, maar wel van de voorstellingen rond zijn levensweg. Voor zeer veel Aziatische boeddhisten geldt de biografie van de Boeddha echter wel degelijk als ‘geschiedenis’.
      De Boeddha werd volgens zijn biografie geboren als de kroonprins in de Shakya-familie. Bij zijn geboorte was al voorspeld dat hij een dharmaraja zou worden, een ‘koning volgens de dharma’. Nu heeft het woord ‘dharma’ veel betekenissen, maar de term ‘dharmaraja’ roept beslist twee beelden op: enerzijds een vorst die regeert volgens de wereldorde, en anderzijds kan de term ook verwijzen naar een religieus leider. ‘Dharma’ betekent nu eenmaal heel erg veel.
      Het was echter beslist de bedoeling dat hij zijn vader, koning Shuddhodana, zou opvolgen als werelds heerser. In zijn traditionele biografie wordt verteld dat zijn vader er alles aan deed om zijn zoon weg te houden van het verval en van het ongeluk in de wereld, opdat hij niet op de gedachte zou komen dat de wereld vergankelijk is en hij voor een religieuze ascetische weg zou kiezen.
      Het ligt voor de hand dat de jonge prins was voorbereid op een leven als regerend vorst, de eerste betekenis van dharmaraja. Hij zal dus kennis hebben genomen van politiek en andere zaken die een vorst in het oude India diende te weten. Er zijn verhalen dat hij in zijn jeugd een groot krijgsman was en dat hij bijzonder intelligent en krachtig was. Hij zou zelfs een dode olifant over de stadsmuur hebben gegooid en door de aanraking van zijn handen kwam het dier weer tot leven.
      Het leven liep echter anders voor de jonge prins. Door een aantal incidenten en ervaringen besloot de toekomstige vorst het paleis te verlaten. Hij werd asceet en uiteindelijk een spiritueel leider. De symboliek van de kroonprins6x Een sterk voorbeeld hiervan is ook dat een koning de zogeheten ‘zeven vorstelijke regalia’ bij zich behoort te hebben. Het gaat hierbij om (1) echtgenote, (2) paard, (3) legeraanvoerder of minister, (4) kroonprins, (5) olifant, (6) wiel van de wet, (7) wensjuweel. Bij de Boeddha zijn dit achtereenvolgens: (1) zijn vrouw Yashodhara, (2) het paard Kanthaka, (3) de leerling Shariputra, (4) zijn zoon Rahula, (5) de olifant Nalagiri of de staatsolifant, (6) dharmacakra, het wiel van de dharma, (7) de triratna, het drievoudig juweel van dharma, Boeddha en sangha. Er zijn variaties denkbaar in deze lijst; zo is er soms in plaats van de kroonprins de schatbewaarder en dat zou dan Udayin zijn geweest bij de Boeddha. Udayin neemt ook wel eens de plaats in van de ideale minister. komt echter een aantal keren terug in zijn leven. Eigenlijk begon dit al net na zijn geboorte. Hij zet dan namelijk, zo wil het verhaal, zeven stappen in de vier windrichtingen en wijst met zijn handjes naar boven en naar beneden. Deze handeling wordt uitgelegd als een symbolische digvijaya, een rituele verovering van de windstreken die een vorst in het oude India diende te volbrengen.
      Dat de vader van de Boeddha zijn zoon opsloot in een fraai paleis kan echter ook een andere aanleiding hebben gehad. Koningen liepen in het oude India veel gevaar afgezet te worden door hun eigen zoon. Het hof was nogal eens een broeinest van intriges en er waren meestal wel wat meer pretendenten voor de troon binnen de familie. In de rijken die het gebied van de Shakya’s omringden, zijn diverse koningen door hun zoon afgezet en zelfs gedood zodra deze kroonprinsen daartoe de kans kregen.
      In ieder geval werd de prins een religieus leider. Toch sprak de Boeddha in zijn latere leven zeer vaak met vorsten, ministers en andere politici die hem om advies vroegen. Soms deed hij zelfs politieke uitspraken of uitspraken die in ieder geval politiek kunnen worden geïnterpreteerd. Aan het einde van zijn leven kwam de symboliek van de vorst nog een keer terug: zijn volgelingen kregen de opdracht met zijn lichaam om te gaan als met dat van een universeel vorst, het ritueel te cremeren en de resten bij te zetten in stoepa’s: monumenten die een vorst gedenken omdat ze zijn relikwieën bevatten. Alleen Boeddha’s, vergevorderde leerlingen en universele vorsten hebben recht op zo’n monument.

      Jataka’s

      Verhalen over eerdere levens als voorbeelden voor politiek en ethiek

      De Boeddha heeft naast concrete politieke adviezen tijdens zijn leven veel verhalen verteld en uitspraken gedaan die kunnen worden ingezet bij ethische en politieke problemen en overwegingen. De traditie wil dat de Boeddha in staat was zich al zijn vorige levens te herinneren. Hij zou 547 van deze levensverhalen, de zogenaamde jataka’s, op geschikte momenten aan zijn leerlingen hebben verteld. Zijn leven waarin hij tot zijn verlichting kwam, was gebaseerd op zijn verdienstelijke daden uit vorige levens, zo is de voorstelling. Op deze manier kent het boeddhisme dus talloze voorbeelden van ideaal gedrag. De Boeddha heeft zoveel levensvormen doorleefd dat hij zich in al deze vormen weet in te leven. Hij heeft echter ‘maar’ 547 van die levens verteld. Dit betekent echter wel dat boeddhisten de beschikking hebben over ideale levens van de Boeddha. Dit waren onder meer levens als dier, als berggod, als koopman, als bankier en vele andere vormen.
      Het wordt natuurlijk in dit verband zeer interessant dat hij ook talloze keren is geboren als koning, kroonprins of minister. De jataka’s die over deze levens gaan, worden vaak geconsulteerd in Azië als het gaat om wat een deugdzame politiek zou zijn. In de Vessantara jataka (nr. 547) bijvoorbeeld wordt de toekomstige Boeddha geboren als de bijzonder wijze en vrijgevige prins Vessantara. Deze jataka staat vaak afgebeeld in paleizen in Azië en in vorstelijke tempels, omdat koningen zich graag met deze deugdzame prins en later vorst identificeren.
      De jataka’s tonen aan hoe de Boeddha in zijn talloze vorige levens wijsheid en mededogen ontwikkelde, de centrale waarden van de boeddhistische leer die juist ook in de politiek van boeddhistische landen als kernwaarden worden beschouwd. Een regeerder koestert zijn wijsheid, maar vertaalt deze naar mededogen.
      In een van zijn preken, die zo direct wordt beschreven, stelt de Boeddha dat de wezens een ordening van de wereld nodig hebben. Er moet ook een toezichthouder op het universum zijn, een rechtvaardige koning. Zonder een koning die rechtvaardig is en geleid wordt door wijsheid en mededogen en door een groep verstandige wijzen om zich heen, vervalt de wereldorde. Mededogen kan echter vele vormen aannemen en het boeddhisme kent ook de afwerende kant van mededogen. Daarmee kan zelfs een oorlog worden gelegitimeerd als een strijd om de eigen onderdanen te beschermen.
      We kunnen dus zien dat het boeddhisme in Azië eigenlijk vanaf het begin al een connectie had met politiek en staatsinrichting. Een goede vorst of goede regering doet goed navolgen, maar zoals eerder gesteld, deze mensen zijn ook door karma op hun plek beland. Ze hebben in vorige levens vele goede daden verricht en dat heeft als gevolg dat ze nu in hele goede posities zijn wedergeboren. Zij worden verondersteld een positieve uitstraling te hebben op hun onderdanen. Hun eventuele overtredingen, corruptie bijvoorbeeld, worden traditioneel nogal eens milder beoordeeld dan die van ‘gewone’ burgers, omdat er andere vermogens tegenover staan. Dit botst bij tijd en wijle met moderne inzichten in het huidige tijdsgewricht.

      Aggannasutta, de oorsprong van de koning7x Zie voor een vertaling van de Aggannasutta: J. de Breet & R. Janssen, Dighanikaya, de verzameling van lange leerredes, Rotterdam 2001, p. 583-598. Een andere sutta die over het belang van de koning en de rechtvaardige regering gaat is de Cakkavattisihanadasutta, de ‘leerrede over de leeuwenschreeuw van de universele vorst’. Zie voor een vertaling: De Breet & Janssen 2001, p. 565-582.

      In de Aggannasutta, de ‘leerrede over het allereerste begin’, een gezaghebbende oude boeddhistische tekst, vertelt de Boeddha dat het universum eens werd vernietigd. De wezens veranderden in zuivere, geestelijke, niet-fysieke entiteiten die rondzweefden in een stralende hemel. Zij waren zich niet bewust van iets anders dan van zichzelf. Na enige tijd kwam er een soort oer-universum tot stand en de geestelijke wezens dreven langzaam dit universum in. In die tijd bestond het universum echter alleen uit water en duisternis, zon en maan, seizoenen en sterrenbeelden. De verschillende geslachten, dag en nacht waren er nog niet.
      Er ontstond een soort zoete eetbare laag op de wateren met de kleur van honing. Een van de wezens daalde neer op deze laag en proefde ervan. Er ontstond verlangen, lust. Nog iets later ontwikkelden de wezens handen en ze begonnen delen van deze laag te breken. Hun natuurlijke licht verliet hen en ging naar de zon en de maan. Dag en nacht ontstonden en de donkere en lichte helften van de maanden. Aldus ontstond zowel tijd als ruimte.
      De wezens begonnen meer en meer te eten en zij kregen echte lichamen. Zij ontwikkelden ideeën rond individualiteit en ze begonnen onderscheid te maken; ze merkten dat sommigen knap waren, anderen lelijk. Zodra dit idee opkwam, verdween de zoete eetbare laag.
      Toen ontstond er een enorme bobbel die eruitzag als een gigantische paddenstoel. Deze was ook heel lekker, maar weer begonnen de wezens onderscheid te maken onder elkaar en de paddenstoel verdween. Hetzelfde gebeurde met een enorme klimplant, met rijst zonder kaf. De wezens begonnen naar elkaars geslacht te verlangen en ze gingen huizen bouwen om zich niet te hoeven schamen voor wat zij onder elkaar deden.
      Op een moment besloot een wezen rijst te verzamelen voor twee dagen. Tot die tijd hadden de wezens telkens rijst voor één dag verzameld. Toen ontstond het kaf om de rijstkorrels. Weer verder in de tijd beweerde een man onterecht dat een rijstveld van hem was. Er ontstond een conflict. Dat werd opgelost, maar later was er weer een conflict.
      De mensen kwamen samen en besloten om de meest gekwalificeerde van hen te benoemen als toezichthouder. Hij kreeg de titel mahasammata raja khattiya, ‘zeer vereerde koning, adellijke’. ‘Khattiya’ is Pali voor het Sanskriet-woord ‘kshatriya’, de adelstand. Dit was de oorsprong van het koningschap. Zo ontstond de adel, de regerende leidende groep. Een andere groep besloot nooit meer toe te geven aan kwalijke praktijken ontwikkeld door de anderen, zoals diefstal, laster, gewelddadigheid. Zij namen afstand van de wereld, begonnen in hutten in het bos te mediteren en hun voedsel bedelden ze bijeen. Zij werden de brahmanen, de ritualisten, priesters en asceten. Weer anderen mediteerden niet, maar schreven boeken, en weer anderen ondernamen allerlei ambachten en handel. Zij werden de vaishyas. Nog weer anderen, de bedienden, werden de shudras. Zo ontstond het koningschap; het is gebaseerd op de positieve eigenschappen en kwalificaties van de persoon die dit toekomt.

      De ideale regering: koning Shuddhodana, de vader van de Boeddha

      In het oude India bestonden aldus al vroeg gedachten rond het ideale koningschap. Als voorbeeld van een perfecte heerschappij bij uitstek gold natuurlijk in de eerste plaats de regering van koning Shuddhodana, de vader van de Boeddha. Kenmerkend voor hem zouden wijsheid (prajna) en mededogen (karuna of metta) zijn geweest. De combinatie van deze twee leidt tot de ultieme ervaring van de verlichting. Zijn regering zou dusdanig ideaal zijn geweest dat de aarde beter werd dan de hemel, en wanneer een koning zo rechtvaardig regeert, dan dalen zelfs de goden af in zijn rijk. In de Saundarananda,8x P. van der Velde (vertaling), Nanda de mooiste, Ashvaghosha’s Saundarananda, Rotterdam 2007. een boeddhistische tekst van de dichter Ashvaghosha, die waarschijnlijk rond de eerste of tweede eeuw n.Chr. leefde, vinden wij een beschrijving van Shuddhodana en zijn regering. Hij belandt op de troon en door zijn rechtvaardigheid en verheven karakter en gedrag verandert het hele rijk: hij volgt het pad van zijn voorvaderen, en zijn onderdanen worden als vanzelf gelukkig. Het woord ‘dharma’ wordt genoemd in verband met zijn regering. Dharma verwijst uiteraard binnen het boeddhisme vaak naar de leer van de Boeddha, maar in dit geval verwijst het woord eerder naar een geïdealiseerde wereldorde:

      ‘Toen eens verkreeg een koning met de naam Shuddhodana dat rijk, in opvolging van familielijn. Zijn werken waren rein, en hij beheerste zijn zintuigen. Hij hechtte zich niet aan zijn passies, hij was niet overweldigd nu hij deze glorie had verkregen, hij verachtte anderen niet nu hij zo rijk was, en hij was niet bevreesd voor zijn vijanden. Hij was sterk, waarachtig, hij kende de geschriften, bovendien was hij ook wijs, hij was dapper, kende de politiek, en hij was standvastig en mooi was zijn gezicht. Bovendien was hij ook nog mooi van gestalte, maar niet trots; geslepen, maar eerlijk; stralend, maar geduldig; een ondernemer, maar niet arrogant. Hij keerde zich niet af als hij werd uitgedaagd door vijanden in de strijd, noch wanneer vrienden toevlucht bij hem zochten, door zijn uitstraling enerzijds en door zijn behoefte aan vrijgevigheid aan de andere kant. Hij wenste de weg te volgen van de goede dharma, die ook al door eerdere vorsten was begaan. Hij volgde zijn voorvaderen in gedrag, het rijk leidend als was het een wijding. Door zijn goede gedrag en bescherming, leefden de onderdanen in groot geluk, als waren het zijn kinderen, die geheel vrij van angst bij hun vader op schoot zaten.’9x Dit vers laat de twee belangrijkste betekenissen van het woord ‘praja’ zien: ‘onderdanen’ en ‘kinderen’. (Saundarananda 2.7)

      ‘In zijn rijk zag men doorgaans dat de mensen zijn gedrag navolgden, en zo verkregen zij nog meer deugdzaamheid als waren het hun rijkdommen.’ (Saundarananda 2.11)

      De regering van Shuddhodana is zo ideaal dat het lijkt of de gouden tijden van het verleden herleven, toen goden en mensen vrijelijk met elkaar omgingen:

      ‘Hij bestudeerde vele wetenschappen, en toonde geen hartstocht tegenover de genietingen van de zintuigen. Hij hield zich aan de dharma zoals die was in de gouden tijd,10x De krtayuga, de gouden periode, is de wereldtijd waarin iedere vorm van existentie geheel perfect is. Deze periode van gelukzaligheid houdt op als de mensen zich niet meer aan de restricties van de dharma-voorschriften houden. Het is de paradijselijke staat van bestaan als de wereld net geschapen is. zelfs in extreme omstandigheden week hij niet af van de dharma.’ (Saundarananda 2.25)

      Een ideale vorst zorgt voor continuïteit in zijn rijk. Omdat hij zo rechtschapen is, krijgt hij een zoon die de regering kan voortzetten na zijn dood. Bovendien is zijn uitstraling zo groot dat zelfs de seizoenen zich naar zijn wil gaan richten. De regens komen op tijd, de gewassen rijpen op tijd en door zijn regering groeit zelfs de zeldzame soma-plant weer. Soma was een plant die een rol speelde in de oude Indiase rituelen. Door het ritueel drinken van het sap van deze plant kregen de deelnemers aan het ritueel visioenen van de goden en de overleden voorouders. De plant groeide niet in tropisch Azië, de mensen kenden de plant uit het koelere Centraal-Azië, maar als een koning echt goed zou regeren en de rituelen van de priesters op de juiste wijze zou laten uitvoeren en subsidiëren, dan zou de plant eventueel terugkomen. Dat gebeurt dus in een ideale regering.

      ‘Hij spreidde de eer van zijn voorvaderen nog verder uit, doordat hij gelijkwaardige deugden liet zien in de vorm van een deugdzame zoon; door deze gang van doen maakte hij zijn onderdanen vol van vreugde, zoals een regenwolk dat kan doen met zijn water. Doordat hij hen voortdurend grote donaties deed, liet hij de brahmanen soma uitpersen. Omdat hij steeds op het pad van de vorstelijke dharma stond, liet hij de oogst op tijd rijpen.11x Een vorst die geheel in overeenstemming met de dharma regeert, krijgt grip op zaken die normaal gesproken buiten de menselijke vermogens vallen, zoals de komst van de regentijd. Deze koning regeerde zo rechtschapen dat het daadwerkelijk op tijd regende, niet te veel en niet te weinig. Hij besprak nooit, op geen enkele wijze een verhaal dat niet met de dharma in overeenstemming was. Als een cakravartin12x Een universeel vorst die het centrum vormt van een groep ondergeschikte vorsten. wist hij zijn vijanden aan te zetten tot het volgen van de dharma.’ (Saundarananda 2.30-32)

      In de laatste regel wordt verteld dat de koning een cakravartin is, een koning die het centrum vormt van een hele groep vorsten. Andere vorsten erkennen zijn superioriteit en gehoorzamen hem. Het gevolg van deze ideale regering bleef niet uit. Uiteindelijk werd de aarde beter dan de hemel. De goden zagen dit en uit verlangen het geheim van deze vorst te achterhalen kwamen zij naar de aarde. Uiteindelijk daalde zelfs de toekomstige Boeddha af en zijn geboorte werd aangekondigd door een droom van zijn moeder, de droom van een witte olifant.
      Een witte olifant is een dier dat in de hemel leeft, zo is de voorstelling. Indra, de koning van de goden, heeft een witte olifant als rijdier. Verschijnt er een witte olifant, dan is dat eigenlijk een teken van goedkeuring door de hemel, zo is in de traditie vaak te vinden.

      ‘In die tijd zwierven de hemelingen, die diep naar de dharma verlangden, in deze streek van de wereld, omdat zij zich helemaal volgens de dharma gedragen, met het verlangen daar rond te kijken. Toen zij die helemaal de dharma zelf zijn zo de wereld door zwierven met het verlangen de dharma te kennen, zagen zij die koning, die zo op bijzondere wijze de dharma belichaamde. Toen besloot de Bodhisattva, afdalend naar de aarde vanuit het gezelschap van de Tushita goden te verschijnen in de familie van die vorst. Nu had deze vorst een vorstin genaamd Maya,13x Maya betekent ‘illusie’, ‘betovering’. Deze koningin Maya is ondanks het feit dat ze ‘illusie’ heet echter helemaal vrij van woede, onwetendheid en waan, met andere woorden helemaal vrij van de drie elementaire factoren die tot leed (duhkha) aanzetten volgens het boeddhisme. en ze was zoals haar naam, als de godin Maya in de hemel, maar dan wel helemaal vrij van woede, onwetendheid en waan. Tijdens een droom zag zij hoe een witte olifant met zes slagtanden haar schoot binnenging.’ (Saundarananda 2.46-50)

      De wereld was tot een paradijs geworden door deze perfecte regering, maar toch had de Boeddha zijn ervaringen waardoor hij tot zijn ascetische pad komt. Voorwaarde voor deze ontdekking waren de activiteiten van Shuddhodana en natuurlijk de grote karmische verdiensten van de Boeddha zelf. Een ideale regering roept de hemel naar de aarde. Deze voorbeelden werden opgemerkt door het volgende voorbeeld van ideaal gedrag, keizer Ashoka. Deze keizer geldt tot op de dag van vandaag als de meest ideale vorst die India, zo niet heel de boeddhistische wereld ooit gekend heeft.

      Ashoka14x Voor literatuur over Ashoka en de Maurya-dynastie: R. Thapar (vertaling), Ashoka and the Decline of the Mauryas, Oxford 1961; J. Strong, The Legend of King Ashoka, Princeton 1983; J. Strong, The Legend and Cult of Upagupta, Princeton 1992.

      Met de regering van Ashoka begeven we ons van de min of meer legendarische of mythologische voorstellingen rond de ideale staatsvorm naar de geschiedenis. Binnen het boeddhisme van Azië speelt dit verschil tussen mythe, legende en geschiedenis echter nauwelijks en Shuddhodana en Ashoka worden vaak in één adem genoemd. Bovendien bevatten de traditionele verhalen over Ashoka heel wat legendarisch materiaal, naast historische feiten. Centraal staat echter dat Ashoka een groot vorst was met bovennatuurlijke vermogens. Ashoka regeerde van 268-232 v.Chr. en behoorde tot de Maurya-dynastie (322-180 v.Chr.). Ashoka was zonder enige twijfel een van de grootste vorsten die ooit regeerden op het Indiase subcontinent. In zijn tijd was een groot deel van India verenigd, iets wat maar een paar keer in de geschiedenis van India is gebeurd. Ashoka had in eerste instantie een bijzonder complexe verstandhouding met zijn vader, koning Bindusara. Uiteraard waren er vele troonpretendenten aan het hof en Bindusara had een grondige afkeer van zijn zoon Ashoka. Ashoka zou een huidaandoening hebben gehad en hij zou daarnaast ook bijzonder wreed zijn geweest. Vandaar dat zijn vader hem ver weg van het hof als regent aanstelde, in het gebied van Vidisha. Daar richtte Ashoka een martelkamer in waarin hij reizigers folterde.
      Op een dag had Ashoka een monnik gevangengenomen die echter niet onder de indruk was van zijn dreigementen. Ashoka wilde toen weten wie de leraar was van deze vreemde monnik, want hij was wel onder de indruk van diens vastberadenheid en vreesloosheid. Bovendien kwam hij in contact met een prinses, Vidishidevi, en zij was alleen bereid met hem te huwen als hij zich zou richten tot de leer van de Boeddha, zo stelt de traditie. Uiteindelijk volgde er na de dood van Bindusara inderdaad een gruwelijke strijd om de opvolging. Ashoka won deze. Nu hadden zijn grootvader en vader grote delen van India veroverd, maar een deel was nog niet aan het rijk toegevoegd, het rijk van Kalinga, het huidige Odisha in Oost-India. Ashoka veroverde Kalinga in 261 v.Chr., maar hij was absoluut niet tevreden over het bereikte resultaat. Sterker nog, hij was geheel ontdaan. Een van zijn inscripties getuigt hiervan:

      ‘Toen de koning, de geliefde van de goden, 8 jaar gewijd was werd Kalinga veroverd: 150.000 mensen werden gevangen genomen, 100.000 gedood en nog veel meer stierven er. Net nadat hij Kalinga had veroverd begon de geliefde van de goden de dharma te volgen de dharma lief te hebben en instructies omtrent de dharma te geven (…).’15x Naar de vertaling van Thapar 1961, p. 255-256.

      Ashoka kwam tot inkeer en ontwikkelde een politiek die gebaseerd was op wat hij de ‘dharma’ noemde. Hoewel deze dharma niet helemaal overeenkwam met het boeddhisme, stelt de boeddhistische traditie zonder meer dat Ashoka zich bekeerde tot het boeddhisme. Ashoka lijkt zijn politiek evenwel grondig te hebben veranderd naar aanleiding van de Kalinga-veldslag. Wij weten van zijn intenties, omdat hij in zijn hele rijk inscripties heeft laten aanbrengen op rotsen en op hoge pilaren. Hij koos ook voor de regionale talen, opdat iedereen zou kunnen weten in de eigen taal wat de koning precies wilde. De inscripties waren dus te lezen in verschillende Indiase talen, in het Grieks en het Aramees, twee talen die in de tijd van Ashoka gangbaar waren in India. Bij iedere inscriptie was ook een voorlezer aanwezig, opdat iedereen de woorden van de koning zou kunnen horen. Opvallend is dat sommige inscripties dusdanig hoog op de pilaren zaten dat zij vanaf de grond niet te lezen waren. Misschien stond er een houten stellage omheen, misschien wist de familie van voorlezers wel uit het hoofd wat de woorden van de koning precies waren. Misschien waren de woorden wel aan de goden gericht.
      Ashoka ging zich richten op het welzijn van mensen en dieren. Hij liet bomen planten langs de wegen, zodat pelgrims en handelaren in de schaduw zouden kunnen reizen. Hij liet ook ziekenhuizen aanleggen voor mensen en dieren en tuinen met medicinale planten. Hij riep mensen op voor elkaar te zorgen en vooral geen zinloze rituelen uit te voeren. Asceten en monnikenorden moesten ook tolerant zijn onder elkaar. Ouderen verdienden respect van jongeren. Ashoka adviseerde zijn onderdanen weinig vlees te eten, omdat vlees eten gepaard gaat met het doden van dieren.
      In zijn eerste edict vertelt hij hoe vroeger vele dieren werden gedood bij zijn keuken. Nu was dat beperkt tot twee pauwen en een hert per dag. Later zou hij zelfs helemaal vegetarisch zijn gaan leven. In plaats van de veldtochten en de jachttochten stelde hij ‘dharma-tochten’ in, ondernemingen in zijn rijk om leed op te sporen en te zien waar hij als koning iets kon doen.
      In edict 5 vertelt hij dat hij de dharma mahamatra’s heeft ingesteld, inspecteurs die het hele land doorgingen om te zien waar leed was, waar de koning iets zou kunnen doen. Uiteraard was dit ook een goed instrument om te kijken waar de bevolking precies mee bezig was, waar eventuele problemen zouden kunnen ontstaan. Zo richtte Ashoka zich sterk op sociaal werk en maakte hij wat dit aangaat een bijna mythisch koningschap, waarbij de macht van de koning de oncontroleerbare krachten van het universum weet te kanaliseren door zijn enorme uitstraling, tot een heel concreet koningschap. Waar de koning iets kan doen, moet hij het doen en Ashoka lijkt dat ook gedaan te hebben.
      Naast het feit dat Ashoka in zijn rijk inderdaad veel deed om het leven van zijn onderdanen te verbeteren, lijkt het erop dat het mythische aspect van het koningschap ook bij Ashoka niet helemaal afwezig was. In inscriptie 4 vertelt hij hoe de situatie in het land was voor hij met de dharma-politiek begon: het land verviel, familieleden gedroegen zich ongepast onder elkaar, men was onbeleefd tegenover hoge brahmanen en andere asceten. Nu echter is alles anders: het geluid van de oorlogstrom is het geluid van de dharma geworden:

      ‘(…) honderden jaren waren hemelse wagens, gunstige olifanten, vuurballen en andere goddelijke tekenen niet te zien. Maar nu, omdat de geliefde van de goden koning Piyadasi (dit is Ashoka) inperkingen in het doden en schaden van levende wezens uitdraagt, goed gedrag uitdraagt tegenover familieleden, brahmanen en asceten en respect uitdraagt voor moeder, vader en ouderen zijn dit soort waarnemingen weer toegenomen’.16x Naar de vertaling van Thapar 1961, p. 251-252.

      Uit deze inscriptie lijkt toch weer te spreken dat Ashoka door zijn excellente gedrag de goden met hun hemelse wagens en bijzondere olifanten naar de aarde weet te krijgen. Zijn de inscripties op sommige zuilen inderdaad zo hoog aangebracht dat ook de goden kennis kunnen nemen van de intenties van de koning?
      Ashoka brak zelfs de stoepa’s, de traditionele monumentale reliekhouders, open waarin de relikwieën van de Boeddha waren bijgezet. Hij verdeelde deze relieken over 84.000 stoepa’s door zijn hele rijk heen. Dit is een sterk symbolische daad. De relieken van de Boeddha hebben machten, hebben uitstraling. Ashoka ‘veroverde’ met deze relieken van de Boeddha eigenlijk de hele wereld van zijn tijd. Van de Boeddha was immers voorspeld dat hij ofwel een wereldheerser zou worden dan wel een religieus leider. Hij werd een religieus leider, maar hier komt de symboliek van de kroonprins die het universum verovert terug. Eigenlijk verovert Ashoka samen met de Boeddha de hele wereld van zijn tijd. Alleen verovert hij niet met wapens, maar met ideaal gedrag; een uiterlijke veldslag wordt een verinnerlijkte strijd met een overwinning. Ashoka blijft in de geschiedenis van Azië een belangrijk referentiekader. Dit was een ideale regering, naar de traditie wil.
      Tot op de dag van vandaag refereren regeringen aan de ideale regering van Ashoka. India heeft er zelfs voor gekozen een van de kapitelen van een Ashoka-zuil, het ‘leeuwenkapiteel’, als symbool van de staat te gebruiken. Het embleem staat op paspoorten, op bankbiljetten en op munten.
      In India zijn in de jaren zeventig van de twintigste eeuw op allerlei plaatsen door Japan zogeheten Vishvashanti-stoepa’s (vredesstoepa’s) opgericht, moderne witte stoepa’s in een zeer oude Indiase stijl. Het is zeer goed mogelijk dat de stoepa’s van Ashoka er zo uitzagen. De stoepa’s herdenken de slachtoffers van de atoombommen van Hiroshima en Nagasaki, maar eigenlijk herinneren ze alle slachtoffers door oorlogsgeweld, in navolging van Ashoka, die ook zo treurde om de vele slachtoffers van Kalinga. Het is de bedoeling dat deze stoepa’s vrede uitstralen naar de hele omgeving, weer in navolging van het koningschap van Ashoka.

    • Recente spanningen met oude wortels

      De overige voorbeelden die in dit artikel worden behandeld, zijn van recenter datum. Tegelijkertijd is ook direct op te merken dat deze voorbeelden uit de moderniteit een lange geschiedenis hebben en zonder cultureel-historisch perspectief eigenlijk niet te begrijpen zijn.

      Sri Lanka

      Tamils en Singalezen

      Sri Lanka is de laatste decennia veel in het nieuws geweest vanwege de gruwelijke burgeroorlog tussen Tamils en Singalezen, die met name tussen 1983 en 2009 woedde. Deze burgeroorlog heeft aan talloze mensen het leven gekost. Bovendien zijn er vele mensen gevlucht. Er wordt soms zelfs gesteld dat het fenomeen van de zelfmoordaanslag in deze oorlog is ontwikkeld. Rajiv Gandhi, die premier van India was tussen 1984 en 1989, is omgekomen bij een zelfmoordaanslag door een Tamil-vrouw in 1991. De aanleiding zou zijn geweest dat bepaalde beslissingen van Rajiv Gandhi werden geïnterpreteerd als steun aan de Singalezen.
      Het is echter een wijdverbreide misvatting te denken dat de oorlog tussen beide bevolkingsgroepen een recent fenomeen is uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ook is het verkeerd te denken dat deze burgeroorlog alleen maar een resultaat is van de Engelse koloniale periode (1796-1948). Wel heeft de Engelse periode het verschil tussen beide bevolkingsgroepen aangewakkerd. De Engelsen hebben de Tamil-minderheid bevoordeeld tegenover de Singala-meerderheid. De Tamils zijn op Sri Lanka inderdaad een minderheid en de Singalezen een meerderheid, maar als naar de combinatie van India en Sri Lanka wordt gekeken is de situatie precies andersom. In Tamil Nadu, een grote deelstaat aan de zuidelijke oostkust van India, woont een enorme groep Tamils, veel meer dan er Singalezen zijn. Bekijkt men de gehele regio, dus India en Sri Lanka samen, dan zijn de Tamils fors in de meerderheid.
      De strijd is eigenlijk al eeuwen oud. Van de Singalezen wordt gesteld dat zij eerder op Sri Lanka aanwezig waren dan de Tamils. De al eeuwen eerder op Sri Lanka wonende Vedda’s lijken hierin nauwelijks een rol te spelen. De vroege aanwezigheid van de Singalezen op het eiland wordt onderbouwd door legendarische bronnen, die binnen de cultuur zelf als geschiedenis gelden. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de Mahavansha,17x Zie G. Turnour, Mudaliyar & L.C. Wijesinha (vertalers), The Mahavansha in two parts, New Delhi/Madras 1889/1996. een kroniek geschreven in het Pali, de heilige taal van het oude boeddhisme. Sri Lanka zou bezocht zijn door de Boeddha zelf, hij zou er zijn voetafdrukken18x Op de heilige berg Adam’s Peak is een plek te vinden die lijkt op een menselijke voet. De ‘afdruk’ wordt soms beschouwd als een voetafdruk van de Boeddha, maar anderen zien de afdruk als de eerste stap die Adam op aarde zette nadat hij uit het paradijs was verbannen. Voor weer anderen geldt de afdruk als een voetstap van de profeet Mohammed. hebben achtergelaten. Het eiland is in de ogen van de in meerderheid boeddhistische Singalezen ook bijzonder heilig omdat Mahinda, een van de zonen van keizer Ashoka, door de lucht vanuit India hier geland zou zijn in de plaats Mahintale. Bovendien zou de boeddhistische non Sanghamitta, een dochter van Ashoka, scheuten van de originele Bodhi-boom, de boom waaronder de Boeddha zijn verlichting zou hebben bereikt, hebben meegebracht naar Sri Lanka. De beroemdste daarvan staat in de oude hoofdstad Anuradhapura. Het allerheiligste object van boeddhistisch Sri Lanka is de ‘tand van Boeddha’, die al eeuwen in verschillende tempels wordt vereerd. Nu is hij ondergebracht in de Tempel van de Tand in Kandy. Het zou gaan om de linkerbovenhoektand van Boeddha. De tand is zo heilig omdat hij als eerste de woorden van de Boeddha zou hebben gehoord, nog voordat deze de oren van de leerlingen konden bereiken. De tand is dus ‘diep doordrongen’, van bijzondere krachten. De aanwezigheid van de tand maakt Sri Lanka tot een bijzonder boeddhistisch paradijs, zo is de voorstelling. De kracht van de tand doordesemt nu het hele eiland.
      Het eiland is ook heilig voor de in meerderheid hindoeïstische Tamils. Plaatsen waar Tamil wordt gesproken, gelden binnen de Tamil-cultuur als heilig. Om een vergelijking uit de Tamil-traditie zelf te gebruiken: de Tamil-taal vloeit in zo’n gebied als honing en dringt diep door in de bodem. Zo is het eiland een paradijs voor de Tamils. Bovendien is het eiland bezocht door de hindoegod Rama, weer een mythische ideale koning. Hij kwam daar om zijn vrouw Sita te bevrijden van de demonenkoning Ravana, maar zelfs Ravana is populair onder de Tamil-hindoes. Ravana is als een lokale dorpsgod, zoals er zoveel zijn in Zuid-India en Sri Lanka, onstuimig, vol van lust, maar daarmee ook vol van energie en levenskracht. Daardoor is hij ondanks zijn soms onbehouwen gedrag populair onder de Tamils, soms zelfs populairder dan Rama zelf, die ook wel eens als een beetje saai wordt beschouwd, al is hij strikt genomen de ideale regeerder en een incarnatie van de god Vishnu. Goden die niet helemaal deugen zijn in Zuid-Azië populair omdat ze als een omgekeerd rolmodel kunnen dienen. Je mag hun levens en mythen bestuderen, maar niet echt navolgen. Hun ‘ondeugdzame gedrag’ heeft een soort volkse charme. Bovendien gaat hun cultus met humor en parodie gepaard.

      De Singalese koning Dutugemunu tegenover de Tamil-koning Elara

      Tot op de dag van vandaag kunnen Singalezen met trots vertellen over hun oude koning Dutugemunu uit de tweede eeuw v.Chr. Diens vader was onderworpen aan de Tamil-vorst Elara. Hij riep zijn zoon op zich nooit tegen Elara te verzetten omdat deze zo’n deugdzame koning was. Dutugemunu accepteerde dit niet en stuurde zijn vader vrouwenkleding. Uiteindelijk kwam het tot een grote veldslag en Dutugemunu versloeg Elara. Hij gaf Elara wel een respectvolle begrafenis. Later betreurde hij dat er zoveel doden waren gevallen in deze strijd. Boeddhistische monniken stelden hem gerust: er was maar anderhalf persoon omgekomen in de oorlog. Er was namelijk één Tamil gedood die boeddhist was, verder was er een Tamil omgekomen die in het proces van bekering tot het boeddhisme zat. De overige gesneuvelde Tamils waren geen ‘mensen’, het waren immers geen boeddhisten.
      Tegen deze achtergrond laaide de oorlog in de jaren tachtig van de vorige eeuw op. Het conflict is eigenlijk onbegrijpelijk als deze achtergrond niet in overweging wordt genomen. In deze ogenschijnlijk recente burgeroorlog spelen dus culturele ideeën mee over wat een ideale staat is. Zowel het hindoeïsme als het boeddhisme kent ideale voorstellingen rond een vredige staatsinrichting en regering. Om dit doel te bereiken worden mensen soms wel ‘ontmenselijkt’, zoals te zien is in hetgeen monniken rond de gesneuvelde Tamils tegen koning Dutugemunu zeiden.

      Thailand en de Chakri-dynastie

      Thailand kent in feite een soort geheiligd koningschap. De Thaise koningen belichamen hemelse wezens. Vandaar dat hun zoveel respect toekomt. Sinds het begin van de negentiende eeuw wordt het land geregeerd door de vorsten van de Chakri-dynastie. De eerste vorst, Rama I, was een generaal van koning Takshin. Deze Takshin beschouwde zichzelf echter als een levende Boeddha en hij werd afgezet om reden van deze overmoed en vervolgens geëxecuteerd door de generaal, die de titel Rama I koos. Het mag vreemd lijken dat Takshin werd geëxecuteerd, maar het feit dat Rama I zijn succes verkreeg en hem kon afzetten, toont al dat het koningschap hem via karma toekwam. Anders was het nooit gelukt Takshin af te zetten. Het koningshuis van Thailand is onder meer door deze bijna hemelse beschikking ongekend populair. De Thaise monarchie wordt vergeleken met een grote parasol die eenieder een plek in de verkoelende schaduw biedt: een krachtige regeerder garandeert ieders vrijheid. Wat dit aangaat geloven de Thai bijna in een verlichte dictatuur. Dat iemand zich zou verzetten tegen de bestaande situatie is eigenlijk een vorm van verzet tegen de natuurlijke orde der dingen, tegen karma, tegen de wil van de hemel.
      De verschillende vorsten dragen eigennamen en titels, maar stuk voor stuk dragen zij ook de titel ‘Rama’. De huidige vorst, Mahavajiralongkorn, is Rama X. De vorsten worden beschouwd als incarnaties van de hindoegod Vishnu, op aarde gekomen in de vorm van Rama om het boeddhisme te beschermen. Deze koningen zouden ook stuk voor stuk in staat zijn het paradijs naar de aarde te halen, zo groot is hun macht volgens een breed gedragen gedachte. Op het beledigen van de koning of het koningshuis staan zware straffen.19x Recent is de academicus Sulak Sivaraksan ternauwernood aan gevangenisstraf ontkomen. Hij had gesteld dat het beroemde tweegevecht tussen koning Naresuan van Thailand en de toenmalige Birmese koning nooit heeft plaatsgevonden. Dit gevecht zou hebben plaatsgehad in 1593. Zelfs het ter discussie stellen van koningen uit het verleden is strafbaar. www.usnews.com/news/news/articles/2018-01-16/thai-court-drops-royal-insult-charges-against-academic, geraadpleegd op 28 februari 2018. Zie voor een studie over koning Bhumipol en het Thaise koningshuis: P.M. Handley, The King Never Smiles: A Biography of Thailand’s Bhumibol Adulyadej, Yale 2006. Het boek was lang verboden in Thailand. De koning moet ook een tijdloze sfeer om zich heen creëren. Het was dan ook heel lang de gewoonte de koning als eeuwig jong af te beelden. Pas Rama IX, de in 2016 overleden, zeer populaire koning Bhumipol, gaf deze gewoonte op en liet zichzelf ook afbeelden als een oude man. Dat was nogal een revolutie in de beeldvorming rond de koning. De tijdloosheid van de koning werd hiermee verbroken.
      De zware straffen die staan op het beledigen van de koning zijn niet te begrijpen zonder het idee van het goddelijk koningschap dat altijd aan de horizon verschijnt als de koningen van Thailand ter sprake komen. De koning is Rama, die gehuwd is met de aarde en voor welvaart zorgt. Dit oude idee rond de krachten die een vorst belichaamt speelde al rond de koningen van de oudste hoofdstad van Thailand, Sukhothai, dat bestond van 1238 tot 1438. Koning Indrathit (1188-1270) van Sukhothai was een groot magiër, hij kon van een visgraat weer een levende vis maken, en koning Ramkhamhaeng (circa 1237-1298) geldt als de stamvader van de Thai zelf. Te midden van de ruïnes van de oude stad Sukhothai is in de negentiende eeuw een inscriptie gevonden uit de regeringsperiode van Rama IV (1804-1868). Deze inscriptie geldt als de basis van het Thaise zelfbewustzijn. Voorzichtig is wel eens door wetenschappers gesuggereerd dat de inscriptie een vervalsing is uit de negentiende eeuw, juist om een Thaise identiteit te creëren.20x Zie voor een studie hierover J.R. Chamberlain (red.), The Ramkhamhaeng Controversy, Collected papers, Bangkok 1991. Dit idee is onbespreekbaar en het heeft wetenschappers zelfs in gevaar gebracht. Twijfelen aan de macht van de Thaise koningen is onvoorstelbaar. Tijdens de economische (en daarmee direct ook culturele) crisis van de jaren negentig van de vorige eeuw in Thailand werd er uitgebreid gebeden tot Rama V (1853-1910) vanuit de gedachte dat hij Thailand zou kunnen redden, omdat hij het was die het land tijdens zijn regering moderniseerde. De namen van de koningen refereren aan de aan hen toegekende vermogens; Rama IX droeg de titel ‘Bhumipol’, afgeleid van het Sanskriet-woord bhumipala, ‘Beschermer van de aarde’, een titel van Vishnu en Rama.
      Op het terrein van het grote paleis van Bangkok staat de tempel van de staatsgeest van Thailand, de Prah Keo, de vermaarde Emeralden Boeddha. De rituelen rond deze allerheiligste Boeddha van Thailand worden uitgevoerd door de koning, of eventueel door een van zijn vertegenwoordigers. De Emeralden Boeddha heerst over de regens, over ziekten, over het welzijn van het land. De cultus van de koning is nauw met deze staatsgeest verbonden. Zolang het land Thailand, het koningshuis en de Emeralden Boeddha worden gerespecteerd, is het welzijn van Thailand gegarandeerd, zo is de voorstelling.
      Deze drie, land, koning en Emeralden Boeddha, spelen een enorme rol in de geïdealiseerde voorstelling van het land Thailand. Ze zijn een verzekering dat Thailand het beste land van de wereld is, in de ogen van Thai zelf althans.

      Myanmar

      Myanmar, de Nobelprijs en de Rohingya’s

      Als er één boeddhistisch land is dat in de moderniteit extreem paradoxale reacties oproept, dan is dat wel Myanmar. Het land trekt de laatste jaren wereldwijde aandacht en beslist niet altijd even gunstig. Het land is lang internationaal geboycot om reden van de militaire dictatuur. Deze is nu een paar jaar weg. Er is sindsdien een proces van democratisering ingezet. Dat waren positieve ontwikkelingen. Op het moment voltrekt zich echter een humanitaire ramp in het land en de term genocide valt terecht. Slachtoffers hierbij zijn de Rohingya’s, inwoners van West-Myanmar. Deze Rohingya’s zijn van Bengaalse afkomst en meestal moslims. Op het moment lijkt de wereld zich verbaasd af te vragen hoe het mogelijk is dat vreedzame mensen, boeddhisten, tot dit soort daden in staat zijn. De breed gedragen gedachte dat boeddhisten altijd vreedzaam zijn en dat er geen boeddhistisch geïnspireerde conflicten zouden bestaan, wordt door deze strijd terecht hevig onderuit gehaald. Toch is ook deze situatie niet te verklaren zonder kennis te nemen van de specifieke cultuur van Myanmar.
      In Myanmar zelf wordt gezegd dat de Rohingya’s niet in Myanmar thuishoren. Het zouden agressieve gelukszoekers zijn uit de koloniale periode die alleen maar naar Myanmar zijn gekomen als arbeiders, zo niet collaboreerden met de Engelsen. Er wordt echter vergeten dat veel van deze Bengali’s al eeuwen aanwezig waren in gebieden die nu bij Myanmar horen. Koning Kyanzittha (1084-1113) van de oude Birmese hoofdstad Bagan was toentertijd al gehuwd met de Bengali-prinses Abeyadana. Sommigen van deze Bengali’s zijn langer aanwezig dan bijvoorbeeld het Shan–volk, dat zich vanaf de twaalfde/dertiende eeuw n.Chr. in Myanmar vestigde. Deze Shan zijn een andere minderheid in Myanmar die ook niet populair is bij de rest van de bevolking, maar wel als behorend tot het Birmese volk worden beschouwd.
      Myanmar stond bekend als een militaire dictatuur die wereldwijd werd veroordeeld. De militaire junta regeerde Myanmar van 1962 tot 2011. De bekende oppositieleidster was Aung San Suu Kyi, die vele jaren in huisarrest doorbracht in haar huis in Yangon. Zij ontving de Nobelprijs voor de Vrede in 1991. De junta was niet populair, maar er waren toch ook Birmezen die sympathie voor de junta hadden. De junta doneerde rijkelijk aan de boeddhistische monniken. In heel wat grote tempels zijn foto’s te zien die tonen hoe leden van de junta goud doneerden aan de grote tempels en voedsel uitdeelden aan grote groepen monniken. Daarmee ‘kochten’ zij de steun van de Boeddha. Leden van de junta doneerden ook veel aan de tempel van de Mahamuni in Mandalay, het heiligste Boeddhabeeld van Myanmar, dat eigenlijk de staatsgeest van het land belichaamt. Door aan het beeld te doneren kocht de junta zijn steun. Daarmee verkreeg de junta ook de steun van de Boeddha zelf. Dit deden de oude dynastieën van Myanmar al. De vorsten van Bagan wilden het beeld van de Mahamuni al vanuit Arakan, waar het beeld oorspronkelijk stond, meenemen naar hun eigen hoofdstad. Later is het beeld in Mandalay beland vanuit een vergelijkbare motivatie. Vorsten wilden het beeld ‘hebben’, want daarmee hadden ze de staatsgeest in hun macht. Dat geeft respect en ongekend aanzien.
      De junta en de oppositie maakten beide gebruik van een gedeelde wereld van symbolen21x Zie voor een studie over deze symboolwereld M. Htin Aung, Folk Elements in Burmese Buddhism, Yangon 1959. Verder specifiek over Myanmar: H. Hulst, In de schaduw van de generaals, Hoop en wanhoop in Birma, Amsterdam 2008; M. Nijhuis, Birma, land van geheimen, Amsterdam 2009; P. van der Velde, ‘Generaals en Witte Olifanten’, in: P. van der Velde, Eeuwig Jong en Tijdloos Oud, Rotterdam 2013, p. 109-158; I. de Haes, U. Hüsken & P. van der Velde, ‘Media in the Ritual Battlefield’, in: R. Grimes e.a., Ritual, Media and Conflict, Oxford 2011, p. 189-222; E. Larkin, No Bad News for the King, The True Story of Cyclone Nargis and Its Aftermath in Burma, New York 2010. die bij westerlingen niet direct aan het boeddhisme doen denken, maar in Myanmar zonder meer bij de geleefde religie van alledag behoren. Zowel de junta als de oppositie maakte gebruik van astrologie, van numerologie en van voortekenen. De junta werkte met het getal 9, de oppositie met het getal 8. Ne Win, een van de grote leiders van de junta in de periode 1962-1981, kreeg op een dag het advies van een astroloog om bankbiljetten in te voeren in veelvouden van 9. Er kwamen biljetten van 45 en 90 in omloop. De bankbiljetten die tot die tijd gangbaar waren, werden van de ene op de andere dag ongeldig verklaard. Bij een andere gelegenheid kreeg Ne Win het advies een ‘ruk naar rechts’ te maken. Dus werd het verkeer van links naar rechts gekeerd.
      Bij iedere grote beslissing liet de junta een zoektocht organiseren naar witte olifanten in de wouden van Arakan. Witte olifanten waren in het oude Myanmar al zeer gewilde dieren. Zij zijn een teken dat de hemel met de politiek instemt. Hier zit een complete symboolwereld achter waar Ashoka in zijn inscripties mogelijk al aan refereerde met zijn ‘(…) hemelse wagens, gunstige olifanten, vuurballen en andere goddelijke tekenen’, waarover wij eerder al spraken Opmerkelijk is ook dat de olifanten die worden gevonden vaak al volwassen zijn, hetgeen wordt geïnterpreteerd als een teken dat ze als volwassen dier uit de hemel zijn neergedaald en niet net zijn geboren. Witte olifanten kunnen niet gefokt worden: de nakomelingen van witte olifanten zijn ‘gewoon’.
      De hemelse dieren worden vertoond omdat iedere Birmees weet wat ze betekenen. In Yangon is een kleine dierentuin waar twee witte olifanten staan. Er zijn er drie in Yangon, het gaat om twee koeien en een stier. De stier begint wat nukkig te worden in gedrag als hij bij de koeien is en staat daarom inmiddels vaak ergens anders. De generaals laten zich nog steeds vaak fotograferen met deze dieren.
      In 2005 is de hoofdstad verplaatst naar de stad Naypiyadaw, en ook daar staan inmiddels enkele witte olifanten. Het verplaatsen van de hoofdstad legt weer een verband met de oude almachtige vorsten van de Konbaugnset-dynastie (1752-1885) van Myanmar. Vrijwel iedere vorst van deze dynastie verplaatste de hoofdstad kort na zijn kroning. Daarmee refereerde zo’n vorst aan de perfectionering van de schepping. Bij iedere kroning was het universum weer alsof het net was geschapen, helemaal perfect als op de eerste dag.
      De oppositie maakte gebruik van een vergelijkbare symboolwereld: 8 is het getal van Aung San Suu Kyi en dus begon de grote opstand van de oppositie op 8-8-1988 (9 - 1 is uiteindelijk ook 8). Aung San Suu Kyi zelf identificeerde zich tijdens haar huisarrest met een van de grote geesten van Myanmar, Hnamadawgyi, de ‘Royal Sister’ of ‘Lady Golden Face’. Lady Golden Face is een van de 37 klassieke Nats, de geesten die in Myanmar worden vereerd. Golden Face is een zeer krachtig symbool. Zij is namelijk de geest van een bijzonder mooie vrouw die is doodgemarteld door een machtige koning in het verleden. Samen met haar broer, ‘Lord Handsome’, bewaakt zij de stadspoort van de stad Bagan. Aung San Suu Kyi draagt kleuren die aan Golden Face zijn gewijd, en de bloemen in haar haar zijn telkens die van Golden Face. Ze identificeert zich in haar verschijning met Golden Face en met haar rol.

      Ook Aung San Suu Kyi laat zich uitvoerig adviseren door spirituele, magische leiders. Zo had zij veel contact met U Winaye, een ‘humanitarian monk’ die in het Kyaun Ka Lat-klooster in Hpa-an verbleef. Naast monnik was deze man ook alchemist (zawgyi), en na zijn dood is zijn lijk gestolen. Dat gebeurt vaker bij de lijken van alchemisten. Soms worden zij opgegeten omdat degene die eet van het lijk van een alchemist dezelfde vermogens krijgt. Een anoniem telefoontje zou hebben gemeld dat het lijk is gecremeerd.22x De informatie uit deze alinea werd mij verteld in Hpa-an in Myanmar in december 2017. Het contact met populaire zieners, magische boeddhistische monniken, alchemisten en geestenmedia geeft een regering of regeerder veel respect, al gaat deze cultus eigenlijk tegen het gevestigde boeddhisme in en staat de cultus ook wel in contrast met moderne wereldpolitiek. Als een politicus in Myanmar aan dit soort praktijken meedoet, geeft dat juist ongekende vermogens. Deze persoon verandert zelf in een ‘groot magisch wezen’, en zo’n wezen is in Myanmar erg populair. Zo’n persoon mag ook meer dan een gewoon mens. Dit was een van de redenen dat een aantal leden van de junta ondanks de dictatuur erg populair was onder de bevolking en onder de monniken.

      De opstand van 2007

      In 2007 was er een grote opstand van monniken tegen de junta. De monniken draaiden hun bedelnap om ten teken dat zij de donaties van de junta niet meer accepteerden. Dat was nogal een schok voor de junta, die daarmee veel gezichtsverlies leed in de ogen van de gewone bevolking. De junta identificeerde zich vaak met de vorsten van de Konbaungset-dynastie, de laatste dynastie van Myanmar, en doneerde dus ook rijkelijk aan de boeddhistische sangha.
      Deze identificatie met de Konbaungset-dynastie ging dus ver. Nog een voorbeeld: de dochter van Than Shwe, leider van de junta van 1992-2011, droeg bij haar huwelijk een kostbaar diadeem. Het diadeem was duurder dan de gehele gezondheidszorg van Myanmar gedurende een jaar, naar ter plekke werd verteld. Toch zou deze uitgave tot heil leiden voor het land Myanmar als geheel. De gedachte hierachter is dat zo’n diadeem zo mooi, zo bijzonder is dat de hemel zal afdalen om de ceremonie te komen bekijken. De aarde wordt weer beter dan de hemel. Myanmar zit tot op de dag van vandaag vol met dit soort symboliek. Zoals eerder gesteld: dergelijke voorstellingen behoren niet tot het officiële boeddhisme, maar spelen wel een rol in het geloof in de machtige wezens, de ‘machtige man’ die het universum weet te helen. Het gaat te ver in dit artikel alle aspecten van deze gedachtewereld uiteen te zetten. Deze symboolwereld duikt echter voortdurend op in Myanmar.
      In het museum van Yangon staat een van de tronen van het oude paleis van Mandalay, de laatste hoofdstad van de Konbaungset-vorsten. Bij deze troon zijn beelden te zien van lokapala’s, bewakers van de windrichtingen. Deze figuren maken muziek en bespelen bekkens met hun voeten. Vlak daarbij staan beelden van olifanten die worden aangevallen door leeuwen. De symboliek is dat de koning zo rechtschapen is dat de hemelse zangers beginnen met hun liederen, en olifanten en leeuwen ophouden met vechten en voor vrede kiezen. Zelfs in de iconografie van de troon zit deze symboliek.
      De junta viel eigenlijk echt door een verkeerde arrestatie. In 2008 werd de populaire komiek Zarganar gearresteerd.23x Nijhuis 2009, p. 199. Dit was een enorm gezichtsverlies voor de humorloze junta. Tijdens de Konbaungset-dynastie waren het uitsluitend de hofpages die de koning kritiek mochten geven. Zij speelden een grote rol in het volkse theater en in het beroemde marionettenspel van Myanmar. In het publieke leven hebben komieken als Zarganar deze rol overgenomen. Zarganar werd veroordeeld en kreeg een gevangenisstraf van 45 jaar. Hij is vrijgekomen in 2011, maar de militairen hadden zich met deze arrestatie onsterfelijk belachelijk gemaakt. Misschien zijn de acties tegen de Rohingya’s een poging respect terug te winnen.

      De Rohingya’s en Ashin Wirathu

      Het is in Myanmar een breed gedragen gedachte dat het heil zich kenbaar zal maken als de ‘vijanden van de ware religie’ maar worden uitgeschakeld. Dat zijn op het moment de Rohingya’s. Het uitschakelen van vijanden van het ‘ware geloof’ kan vanuit boeddhistisch perspectief worden beschouwd als de beschermende kant van mededogen. Mededogen is een belangrijke eigenschap van verlichte monniken en van Boeddha’s, maar mededogen heeft naast een vriendelijke, koesterende kant ook een afwerende, beschermende kant. Die kan zich uiten in militair vertoon en zelfs concrete strijd. Het conflict wordt aangevoerd vanuit radicale monniken van de boeddhistische sangha, met name de monnik Ashin Wirathu met zijn Ba Ma Tha–beweging, die zich richt tegen moslims. Ashin Wirathu heeft inmiddels ook contact met Sri Lanka, waar monniken zich ook richten tegen moslims en bepaalde christelijke kerken. Het gaat hierbij weer om de symboliek van het uitmoorden van vijanden van de ware religie. Ashin Wirathu gebruikt het getal 969, tegen het getal 786, dat bij de islam zou horen. Ashin Wirathu laat zich ironischerwijze wel de ‘Bin Laden’ van het boeddhisme noemen.
      Intussen doneert de regering nog steeds rijkelijk aan de monniken. Rond de jaarwisseling van 2017 naar 2018 was de Shwedagon van Yangon enige dagen gesloten omdat er een grote donatie plaatsvond aan de monniken: 18.000 monniken kregen gaven.24x www.mmtimes.com/news/shwedagon-pagoda-closed-visitors-year-end-ceremony.html, geraadpleegd op 29 februari 2018. Dit zou weer resulteren in welvaart en welzijn voor het land Myanmar. De politiek van Myanmar is wat dit soort processen aangaat naar mijn idee uitsluitend te begrijpen indien deze culturele ideeënwereld in overweging wordt genomen.

    • Afrondende opmerkingen

      Uit de hiervoor gegeven voorbeelden zal duidelijk zijn geworden dat Azië geheel eigen voorstellingen heeft over wat een ideale staat is en wat een ideale regering. Deze voorstellingen hebben een lange geschiedenis en spelen vaak mee op de achtergrond, ook als een traditionele monarchie allang door een andere regeringsvorm is vervangen. Een staat floreert als er een vorst of een regering is die als een grote parasol is waaronder alle onderdanen bescherming kunnen vinden. Dit kan tot situaties leiden die vanuit een westers perspectief bevreemdend zijn.
      In Thailand regeert de eerdergenoemde Chakri-dynastie, maar af en toe vindt er een staatsgreep plaats, waarna een militaire leider de regering enige tijd overneemt. Een breed gedragen gedachte is dat een sterke man de vrijheid garandeert van alle Thai, of het nu de koning zelf is of een generaal. Wie kritiek heeft op deze man krijgt problemen, want paradoxaal genoeg is het een veelgehoord idee dat deze sterke man ieders vrijheid, welvaart en welzijn garandeert, al zien westerlingen er soms ronduit een dictator in die de pers censureert en groepen achterstelt. De oude symboliek van de cakravartin, de universele vorst die zelfs de natuur weet te beheersen, komt hierin terug. Geweld kan met deze symboliek worden gelegitimeerd, ook binnen het boeddhisme.
      De dalai lama van Tibet is zeer populair in het Westen als spiritueel leider. Bij de titel ‘dalai lama’ denken wij al snel aan de vriendelijk glimlachende Aziaat Tenzin Gyatso.25x Zie voor een studie hierover P. van der Velde, ‘Eeuwig jong en tijdloos oud, twee visies op de Dalai Lama’, in: P. van der Velde, Eeuwig Jong en Tijdloos Oud, Rotterdam 2013, p. 197-249. Hij kreeg de Nobelprijs voor de Vrede in 1989. De Tibetanen zelf kijken uiteraard naar dezelfde menselijke figuur, maar binnen de Tibetaanse cultuur betekent het zien van de dalai lama eigenlijk een blik in een soort tijdloos verleden. De dalai lama is een emanatie van de bodhisattva, het ‘verlichtingswezen’ Avalokiteshvara dat sinds het begin van de Tibetaanse cultuur in Tibet aanwezig is geweest. Tibetanen kijken niet naar één persoon, maar naar veertien belichamingen in één. Eigenlijk was hij daarvoor ook al aanwezig in Tibet vanaf de eerste dag dat Tibet bestond. Hij is de stamvader van alle Tibetanen. Wat hij doet, leidt als vanzelf tot vrede, welvaart en welzijn, zelfs tot de beheersing van aardbevingen, al impliceerde dat in de zeventiende eeuw forse oorlogen met concurrerende vorsten. De dertiende dalai lama was de zogenoemde bodhisattva warrior, die gruwelijke executies liet uitvoeren, dat alles voor vrede in het rijk. Uitschakelen van vijanden leidt als vanzelf tot vrede.
      Iedere president van Sri Lanka zal telkens weer zijn trouw uiten aan de tand van Boeddha in de Tempel van de Tand in Kandy, net zoals de oude vorsten dat deden in Anuradhapura en Polonaruwa, de oude hoofdsteden. Daarmee bevestigt iedere president opnieuw de band met het verleden en met de machtige koningen van de roemrijke oude tijden. Het bezit van de tand en het respect brengen aan die tand legitimeren vervolgens het presidentschap
      Het beeld dat uit het voorafgaande oprijst is dus wezenlijk anders dan het algemene beeld dat het Westen heeft over boeddhisme als persoonlijke wellness, geluk en uitsluitend vredelievendheid. Er is duidelijk sprake van een publieke, politieke dimensie binnen het boeddhisme. Deze dimensie is in de vroegste bronnen al te vinden. Ze werkt door in de cultuur en de staatvisie. Om deze ontwikkelingen en gedachtegangen in Azië te kunnen duiden en begrijpen heeft een westers land zonder meer cultureel deskundigen nodig die deze voorstellingen weten te onderkennen en interpreteren. We kunnen niet zonder culturele en religieuze kennis van deze landen, willen wij de gedragingen en reacties van vorsten en regeringen begrijpen. Dit geldt uiteraard niet alleen voor Azië, dit geldt voor alle delen van de wereld. Vandaar dat het mijn mening is dat Nederland beslist behoefte heeft aan cultureel deskundigen op velerlei gebied. Wij kunnen niet zonder antropologen, sociologen, politicologen, godsdienstwetenschappers, historici, taalkundigen en andere deskundigen die deze gedachtewereld kennen en culturele misverstanden weten te voorkomen.

    Noten

    • 1 H.M. Wangchuk e.a. (red.), Jewel of men, poems dedicated to His Majesty Jigme Singye Wangchuk, 2008, p. 6-7. Dit boek bestaat uit liederen en gedichten die zijn gecomponeerd door Bhutanese dichters ter gelegenheid van de troonovername door Jigme Khesar Namgyal Wangchuk op 14 december 2006.

    • 2 Het meest uitvoerige werk over boeddhisme, boeddhistische cultuur en staatsvormen met name in de landen van het Theravada-boeddhisme is: H. Bechert, Der Buddhismus Staat und Gesellschaft in den Ländern des Theravāda-Buddhismus: Grundlagen, Ceylon/Hamburg 1966.

    • 3 Het is bijzonder lastig de Pali-teksten precies te dateren. De boeddhistische traditie stelt dat veel van deze teksten letterlijk door de Boeddha zo zijn uitgesproken. We weten vanuit onderzoek dat er soms teksten zijn toegevoegd van veel later datum. De traditie stelt dat de teksten letterlijk door monniken zijn onthouden en in de eerste eeuw v.Chr. op Sri Lanka zijn opgeschreven. Maar hoe dan ook, of de teksten echt uit de tijd van de Boeddha zijn of niet, teksten die aan de Boeddha worden toegeschreven, hebben de ‘kracht van het Boeddha- woord’ en gelden binnen het boeddhisme bijna als openbaringen.

    • 4 Zie hiervoor: Vorm en Leegte, ‘Bestaat het politiek Boeddhisme?’, Kwartaalblad boeddhisme, mens, samenleving 2005, 5, p. 41, www.dianavernooij.nl/Forum%205.html. geraadpleegd op 20 februari 2018. Het gaat om Varamitra, Jean Karel Hylkema, Henk Barendregt en Riekje Boswijk.

    • 5 G. Bühler (vertaler), The Laws of Manu, Oxford 1886, hoofdstuk 7, p. 216-253.

    • 6 Een sterk voorbeeld hiervan is ook dat een koning de zogeheten ‘zeven vorstelijke regalia’ bij zich behoort te hebben. Het gaat hierbij om (1) echtgenote, (2) paard, (3) legeraanvoerder of minister, (4) kroonprins, (5) olifant, (6) wiel van de wet, (7) wensjuweel. Bij de Boeddha zijn dit achtereenvolgens: (1) zijn vrouw Yashodhara, (2) het paard Kanthaka, (3) de leerling Shariputra, (4) zijn zoon Rahula, (5) de olifant Nalagiri of de staatsolifant, (6) dharmacakra, het wiel van de dharma, (7) de triratna, het drievoudig juweel van dharma, Boeddha en sangha. Er zijn variaties denkbaar in deze lijst; zo is er soms in plaats van de kroonprins de schatbewaarder en dat zou dan Udayin zijn geweest bij de Boeddha. Udayin neemt ook wel eens de plaats in van de ideale minister.

    • 7 Zie voor een vertaling van de Aggannasutta: J. de Breet & R. Janssen, Dighanikaya, de verzameling van lange leerredes, Rotterdam 2001, p. 583-598. Een andere sutta die over het belang van de koning en de rechtvaardige regering gaat is de Cakkavattisihanadasutta, de ‘leerrede over de leeuwenschreeuw van de universele vorst’. Zie voor een vertaling: De Breet & Janssen 2001, p. 565-582.

    • 8 P. van der Velde (vertaling), Nanda de mooiste, Ashvaghosha’s Saundarananda, Rotterdam 2007.

    • 9 Dit vers laat de twee belangrijkste betekenissen van het woord ‘praja’ zien: ‘onderdanen’ en ‘kinderen’.

    • 10 De krtayuga, de gouden periode, is de wereldtijd waarin iedere vorm van existentie geheel perfect is. Deze periode van gelukzaligheid houdt op als de mensen zich niet meer aan de restricties van de dharma-voorschriften houden. Het is de paradijselijke staat van bestaan als de wereld net geschapen is.

    • 11 Een vorst die geheel in overeenstemming met de dharma regeert, krijgt grip op zaken die normaal gesproken buiten de menselijke vermogens vallen, zoals de komst van de regentijd. Deze koning regeerde zo rechtschapen dat het daadwerkelijk op tijd regende, niet te veel en niet te weinig.

    • 12 Een universeel vorst die het centrum vormt van een groep ondergeschikte vorsten.

    • 13 Maya betekent ‘illusie’, ‘betovering’. Deze koningin Maya is ondanks het feit dat ze ‘illusie’ heet echter helemaal vrij van woede, onwetendheid en waan, met andere woorden helemaal vrij van de drie elementaire factoren die tot leed (duhkha) aanzetten volgens het boeddhisme.

    • 14 Voor literatuur over Ashoka en de Maurya-dynastie: R. Thapar (vertaling), Ashoka and the Decline of the Mauryas, Oxford 1961; J. Strong, The Legend of King Ashoka, Princeton 1983; J. Strong, The Legend and Cult of Upagupta, Princeton 1992.

    • 15 Naar de vertaling van Thapar 1961, p. 255-256.

    • 16 Naar de vertaling van Thapar 1961, p. 251-252.

    • 17 Zie G. Turnour, Mudaliyar & L.C. Wijesinha (vertalers), The Mahavansha in two parts, New Delhi/Madras 1889/1996.

    • 18 Op de heilige berg Adam’s Peak is een plek te vinden die lijkt op een menselijke voet. De ‘afdruk’ wordt soms beschouwd als een voetafdruk van de Boeddha, maar anderen zien de afdruk als de eerste stap die Adam op aarde zette nadat hij uit het paradijs was verbannen. Voor weer anderen geldt de afdruk als een voetstap van de profeet Mohammed.

    • 19 Recent is de academicus Sulak Sivaraksan ternauwernood aan gevangenisstraf ontkomen. Hij had gesteld dat het beroemde tweegevecht tussen koning Naresuan van Thailand en de toenmalige Birmese koning nooit heeft plaatsgevonden. Dit gevecht zou hebben plaatsgehad in 1593. Zelfs het ter discussie stellen van koningen uit het verleden is strafbaar. www.usnews.com/news/news/articles/2018-01-16/thai-court-drops-royal-insult-charges-against-academic, geraadpleegd op 28 februari 2018. Zie voor een studie over koning Bhumipol en het Thaise koningshuis: P.M. Handley, The King Never Smiles: A Biography of Thailand’s Bhumibol Adulyadej, Yale 2006. Het boek was lang verboden in Thailand.

    • 20 Zie voor een studie hierover J.R. Chamberlain (red.), The Ramkhamhaeng Controversy, Collected papers, Bangkok 1991.

    • 21 Zie voor een studie over deze symboolwereld M. Htin Aung, Folk Elements in Burmese Buddhism, Yangon 1959. Verder specifiek over Myanmar: H. Hulst, In de schaduw van de generaals, Hoop en wanhoop in Birma, Amsterdam 2008; M. Nijhuis, Birma, land van geheimen, Amsterdam 2009; P. van der Velde, ‘Generaals en Witte Olifanten’, in: P. van der Velde, Eeuwig Jong en Tijdloos Oud, Rotterdam 2013, p. 109-158; I. de Haes, U. Hüsken & P. van der Velde, ‘Media in the Ritual Battlefield’, in: R. Grimes e.a., Ritual, Media and Conflict, Oxford 2011, p. 189-222; E. Larkin, No Bad News for the King, The True Story of Cyclone Nargis and Its Aftermath in Burma, New York 2010.

    • 22 De informatie uit deze alinea werd mij verteld in Hpa-an in Myanmar in december 2017.

    • 23 Nijhuis 2009, p. 199.

    • 24 www.mmtimes.com/news/shwedagon-pagoda-closed-visitors-year-end-ceremony.html, geraadpleegd op 29 februari 2018.

    • 25 Zie voor een studie hierover P. van der Velde, ‘Eeuwig jong en tijdloos oud, twee visies op de Dalai Lama’, in: P. van der Velde, Eeuwig Jong en Tijdloos Oud, Rotterdam 2013, p. 197-249.


Print dit artikel