DOI: 10.5553/TvRRB/187977842021012003002

Tijdschrift voor Religie, Recht en BeleidAccess_open

Artikel

De erkenning van het boeddhisme en andere levensbeschouwingen in België

Op naar het Nederlandse model?

Trefwoorden boeddhisme, financiering religies/levensbeschouwingen, geestelijke verzorgers, godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs, België – Nederland
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Leni Franken, 'De erkenning van het boeddhisme en andere levensbeschouwingen in België', TvRRB 2021-3, p. 6-23

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      In 2020 kondigde de federale regering van België aan dat het boeddhisme onder haar legislatuur erkend zal worden.1x Belgisch Regeerakkoord (30 september 2020), p. 76, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.belgium.be/sites/default/files/Regeerakkoord_2020.pdf. Hiermee zal het boeddhisme de achtste erkende levensbeschouwing in België worden, die door haar erkenning onder meer aanspraak zal maken op overheidsbezoldiging van haar ‘bedienaars’ en van haar ‘morele consulenten’ in gevangenissen, ziekenhuizen en het leger. Daarnaast zullen ‘officiële’ (dat is openbare) scholen grondwettelijk verplicht zijn om boeddhistisch onderwijs aan te bieden voor leerlingen die dat wensen. Met het oog op gelijke behandeling van diverse levensbeschouwingen valt de erkenning van het boeddhisme binnen het huidige grondwettelijke kader alleen maar toe te juichen. Maar is dat grondwettelijke kader, dat onder meer teruggaat op het concordaat met Napoleon (1801), nog wel van deze tijd?
      In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de historische en juridische wortels van het Belgische erkennings- en financieringsbeleid van levensbeschouwingen (paragraaf 2). Daarna wordt stilgestaan bij de voor- en nadelen van de erkenning van het boeddhisme (paragraaf 3 en 4) en worden de gangbare argumenten voor het Belgische ondersteuningsbeleid van erkende levensbeschouwingen kritisch onder de loep genomen (paragraaf 5). Vervolgens staan we stil bij de directe financiering van levensbeschouwingen in Nederland, die in 1983 officieel werd afgeschaft (paragraaf 6). Het feit dat Nederland sinds 1983 geen grondwettelijk vastgelegd systeem van financiering van levensbeschouwingen heeft, betekent echter geenszins dat levensbeschouwingen er op geen enkele manier door de overheid ondersteund zouden kunnen worden: zo worden onder meer aalmoezeniers en geestelijke verzorgers (onder wie ook boeddhistische verzorgers) in de gevangenissen door de overheid bezoldigd en kunnen leerlingen op de openbare scholen gesubsidieerd godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs volgen, waarbij sinds 2018 ook boeddhistisch vormingsonderwijs tot de mogelijkheden behoort (paragraaf 7). Ten slotte wordt in paragraaf 8 aangetoond waarom dit Nederlandse, democratisch perfectionistische systeem, met het oog op vrijheid en gelijkheid, inspirerend zou kunnen zijn voor het Belgische beleid.

    • 2 De financiering van levensbeschouwingen in België: geschiedenis en wettelijk kader

      Op 7 februari 1831 keurde het Nationaal Congres de Belgische Grondwet goed. In deze Grondwet werd vastgelegd dat ‘de wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten ten laste van het Rijk [zijn]; het daartoe nodige bedrag wordt elk jaar op de begroting uitgetrokken’ (art. 117 GW 1831).2x De Grondwet van 1831 en haar amendementen zijn terug te vinden op www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg_2.pl?language=nl&nm=1831020701&la=N, geraadpleegd op 12 oktober 2021. Dit artikel, dat onder meer teruggaat op het concordaat dat Napoleon in 1801 met paus Pius VII had gesloten, bleef ongewijzigd tot in 1993, het moment waarop ook door de overheid erkende niet-confessionele levensbeschouwingen (op dat moment ging het in concreto enkel om het vrijzinnig humanisme) aanspraak konden maken op overheidssubsidies. Sindsdien luidt artikel 181 (het voormalige artikel 117) als volgt:

      ‘Artikel 181
      § 1. De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken.
      § 2. De wedden en pensioenen van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken.’

      Bij het tot stand komen van de Grondwet waren de rooms-katholieke, protestantse en Israëlitische eredienst reeds door Napoleon erkende erediensten, die deze status bleven behouden. In 1870 werd ook de anglicaanse eredienst officieel erkend. Sindsdien was het meer dan honderd jaar wachten voor er nieuwe levensbeschouwingen erkend werden: de islam werd in 1974 erkend, de christelijk orthodoxe kerk in 1985, en het vrijzinnig humanisme werd stapsgewijs als eerste niet-confessionele levensbeschouwing erkend tussen 1981 en 2002.3x In 1981 voorzag de federale regering subsidies voor de niet-confessionele gemeenschap; in 1993 werd deze subsidiëring grondwettelijk verankerd in art. 181, par. 2, en in 2002 werd de Centrale Vrijzinnige Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke Gemeenschappen officieel erkend als representatief orgaan. Ook het boeddhisme zal als niet-confessionele levensbeschouwing erkend worden.
      Om als levensbeschouwing erkend te worden, moet er een aantal criteria vervuld zijn.4x Deze criteria zijn, tot op heden, niet formeel vastgelegd, maar kunnen worden afgeleid uit een aantal parlementaire vragen en erkenningsdossiers uit het verleden. Om het systeem te optimaliseren pleit Stephanie Wattier (S. Wattier, Le Financement public des cultes et des organisations philosophiques non confessionelles. Analyse de constitutionnalité et de conventionnalité, Brussel: Bruylant 2016) ervoor om erkenningscriteria vast te leggen in een organieke wet. Zo moet de betreffende levensbeschouwing (1) een groot aantal (‘verschillende tienduizenden’) aanhangers vertegenwoordigen, (2) gestructureerd zijn in een representatief orgaan dat als bemiddelaar tussen de geloofsgemeenschap en de overheid fungeert, (3) enige tijd (‘verschillende decennia’) in het land gevestigd zijn, (4) een maatschappelijk belang vertegenwoordigen, en (5) niet tegen de maatschappelijke orde indruisen. Wanneer een levensbeschouwelijke groepering een aanvraag tot erkenning heeft ingediend, gaat het ministerie van Justitie na of deze criteria vervuld zijn en bij een positief advies beslist uiteindelijk het Parlement over erkenning.
      Hoewel niet alle criteria even vanzelfsprekend zijn voor alle levensbeschouwingen (zie hierna), loont het zeker de moeite om als levensbeschouwing erkend te worden. Immers, het grondwettelijk vastgelegde recht op bezoldiging van ‘bedienaars van de eredienst’ en van ‘afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing’ impliceert niet enkel dat bijvoorbeeld priesters, rabbijnen en imams door de overheid worden bezoldigd, maar ook dat de lonen en pensioenen van aalmoezeniers, morele consultenten5x Deze term wordt in België gehanteerd voor wat men in Nederland ‘geestelijk verzorger’ (van een niet-confessionele strekking) noemt., islamitische consulenten enzovoort in onder meer gevangenissen, ziekenhuizen en het leger door de Belgische staat worden betaald. Verder voorziet de overheid in een woning of woonstvergoeding voor afgevaardigden van de erkende erediensten6x Deze regel is omstreden, onder meer omdat hij niet geldt voor morele consulenten. Zie bijv. F. Mortier & M.-F. Rigaux, De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige raad. Verslag van de Commissie der Wijzen, Brussel: FOD Justitie 2005-6, p. 15, online geraadpleegd op 12 oktober 2021 van https://justitie.belgium.be/sites/default/files/rapport_commissie_van_wijzen.pdf. en hebben erkende levensbeschouwingen recht op zendtijd op radio en televisie.7x In 2016 werden deze subsidies, in het kader van een breder besparingsplan in de cultuur- en media­sector, afgeschaft in de Vlaamse Gemeenschap, maar op zondagochtend wordt de eucharistie­viering nog steeds uitgezonden op de Vlaamse radio (Radio 1) en televisie (VRT). Tot slot bepaalt grondwetsartikel 24 in paragraaf 1 dat ‘de scholen ingericht door openbare besturen, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan[bieden] tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer’. De derde paragraaf van datzelfde grondwetsartikel voegt daaraan toe dat ‘alle leerlingen die leerplichtig zijn, ten laste van de gemeenschap recht [hebben ] op een morele of religieuze opvoeding’, wat onder meer betekent dat de lesgevers van deze erkende levensbeschouwingen door de overheid worden bezoldigd.8x Ook in het vrij (‘bijzonder’) onderwijs, dat overwegend katholiek is, worden de lesgevers van de ‘levensbeschouwelijke vakken’ (in de praktijk is dat voornamelijk rooms-katholieke godsdienst) door de overheid bezoldigd. Momenteel gaat het hier om zeven levensbeschouwelijke vakken: anglicaanse godsdienst,9x Dit vak wordt in de praktijk enkel in de Vlaamse Gemeenschap aangeboden. islamitische godsdienst, Israëlitische godsdienst, orthodoxe godsdienst, protestants-evangelische godsdienst, rooms-katholieke godsdienst en niet-confessionele zedenleer. In de nabije toekomst zal ook het boeddhisme dit lijstje vervoegen. Zodra er minstens één ouder of leerling vragende partij is, zijn officiële scholen verplicht om het gevraagde vak in te richten. Wie geen enkel van deze vakken wil volgen, kan worden vrijgesteld. In dat geval moeten leerlingen in de Vlaamse officiële scholen tijdens de lestijden de ‘eigen levensbeschouwing’ bestuderen en moeten ouders hiertoe het nodige studiemateriaal aanreiken. In de Franse gemeenschap is de regeling anders: daar is het aantal uren godsdienst op de officiële scholen in 2016-2017 gehalveerd (van twee lestijden naar één lestijd per week) en is in het vrijgekomen uur een nieuw vak ‘Burgerschap en Filosofie’ (Cours de Philosophie et de Citoyenité – (CPC)) ingevoerd. Vrijgestelde leerlingen volgen er een extra uur CPC.10x C. Sägesser, ‘Country Report: Belgium – the French Community’, British Journal of Religious Education 2017-3, p. 240-246, doi.org/10.1080/01416200.2017.1345514; zie ook L. Franken & J. Lievens, ‘The end of the opt-out era in Belgian governmental schools’, British Journal of Religious Education, https://doi.org/10.1080/01416200.2021.1967110.

    • 3 Erkenning van het boeddhisme: een zege(n)?

      Gelet op de vele voordelen die de erkenning van levensbeschouwingen met zich brengt, is het niet verwonderlijk dat er tot op de dag van vandaag nieuwe erkenningsaanvragen worden ingediend. Zo diende de Syrisch-orthodoxe kerk in het verleden een aanvraag tot erkenning in,11x Zie hiervoor www.stradalex.com/en/sl_src_publ_div_be_senat/document/SVsen_3-7915, geraadpleegd op 2 april 2021. en in 2007 startte ook een aantal hindoegroeperingen met de voorbereidingen voor een aanvraag tot erkenning.12x Knack, Hindoeïsme gaat aanvraag tot erkenning indienen, 11 februari 2013, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.knack.be/nieuws/belgie/hindoeisme-gaat-aanvraag-tot-erkenning-indienen/article-normal-86822.html. Een jaar daarvoor, op 20 maart 2006, diende de Boeddhistische Unie van België (BUB)13x De BUB is het officiële representatief orgaan dat bemiddelt tussen de overheid en de erkende boeddhistische gemeenschappen in België. Online te raadplegen via www.buddhism.be/nl/ (geraadpleegd op 2 april 2021). een officiële aanvraag tot erkenning in. Vanaf december 2008 werd er jaarlijks een dotatie van 150.000 euro toegekend door de overheid, opdat de diverse boeddhistische verenigingen in België zich zouden kunnen organiseren en hun erkenning zouden kunnen voorbereiden. Op 2 april 2019 diende Kamerlid Els van Hoof van de CD&V (Vlaamse Christendemocraten) een wetsvoorstel in om het boeddhisme te erkennen14x www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3705/54K3705001.pdf, geraadpleegd op 18 maart 2021. en om daarnaast ook subsidies voor het hindoeforum te voorzien.15x www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3704/54K3704001.pdf, geraadpleegd op 8 maart 2021. De erkenning van het boeddhisme werd vervolgens opgenomen in het federale regeerakkoord van 30 september 2020 (p. 76):16x Online te raadplegen via www.belgium.be/sites/default/files/Regeerakkoord_2020.pdf (geraadpleegd op 17 maart 2021).

      ‘De regering zal de Boeddhistische Unie van België, in samenwerking met de deelstaten, erkennen als een vereniging die morele bijstand biedt als niet-confessionele levensbeschouwing.’

      De huidige voorzitter van de BUB, Carlo Luyckx, gaf alvast aan ‘verheugd’ te zijn met de erkenning die er na vijftien jaar eindelijk aan komt. Net zoals het vrijzinnig humanisme vanaf de jaren zeventig heeft gestreefd naar ‘gelijkberechtiging’ met andere levensbeschouwingen,17x Jarenlang streefden de vrijzinnigen in België naar een afschaffing van de subsidiëring van levensbeschouwingen, waar vooral de katholieke kerk baat bij had. Wanneer echter bleek dat een afschaffing van het systeem politiek onvoldoende draagkracht had, maakten de vrijzinnigen een U-turn: er werd vanaf de jaren zeventig niet langer gepleit voor een afschaffing, maar voor gelijke behandeling, en dus voor de officiële erkenning van het vrijzinnig humanisme in België. N. De Nutte, ‘Une Belgique en faveur de la non croyance organisée. L’humanisme séculier est-il l’Église subventionnée des sans religion?’, in: J. Grosclaude (red.), L’État et la religion dans l’espace public : approches pratiques et théoriques de la laïcité, Les Dossiers des annales de droit 4, 2021, p. 153-182. wijst ook Luyckx op het belang om ‘op gelijke voet te worden gesteld met de andere levensbeschouwingen en religies, vooral om vrije toegang te hebben tot de gevangenissen, de ziekenhuizen enzovoorts’.18x Kerk & Leven, Boeddhisme op weg naar erkenning, 28 oktober 2020, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.buddhism.be/nl/pers/persartikels. Bovendien wordt met de erkenning van het boeddhisme eindelijk een maatschappelijke realiteit erkend: met (naar eigen zeggen) zo’n 150.000 beoefenaars is het boeddhisme niet langer een randfenomeen, maar heeft het een volwaardige plaats in de Belgische samenleving verworven – een plaats die mits erkenning alleen maar bevestigd zal worden.
      Voorts wijst Luyckx op het belang van de aanwezigheid van het boeddhisme in het onderwijs. Gezien de grote interesse in het boeddhisme, maar ook in bijvoorbeeld meditatietechnieken, yoga en mindfulness, is de kans groot dat heel wat jongeren voor boeddhistisch onderwijs zullen kiezen als dat eenmaal op de officiële school wordt aangeboden. Om hier op te anticiperen startte de Hogeschool UC Leuven Limburg (UCLL) in 2017 alvast met een werkcollege ‘boeddhisme’ in haar lerarenopleiding, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan de geschiedenis van het boeddhisme in België, de diversiteit binnen het boeddhisme, reflectie op de eigen normen, waarden en gedragingen, en de beoefening van mindfulness in een klascontext.
      Maar niet alleen in het onderwijs meent het boeddhisme een zinvol steentje aan de samenleving bij te kunnen dragen. Ook in ziekenhuizen, maar vooral in gevangenissen, is er volgens Luyckx een belangrijke taak weggelegd voor het boeddhisme:

      ‘We zijn nu al bijna een halve eeuw actief in België. Deze officiële erkenning is een enorme bevestiging voor ons. Het betekent dat de overheid het belang van het boeddhisme inziet. Zo kunnen scholen die dat willen onze leer straks in hun lessenpakket aanbieden. Zo kunnen ziekenhuizen en gevangenissen onze lama’s – priesters – binnenlaten. We zijn vooral blij dat we eindelijk in de gevangenissen kunnen. We denken dat gedetineerden die kennismaakten met het boeddhisme betere mensen worden als ze buitenkomen. We willen ook graag samenwerken met centra voor geestelijke gezondheidszorg. In deze tijden van burn-outs en coronastress kan het boeddhisme zeker helend helpen.’19x ‘Boeddhisten blij met erkenning: “Geld is oké, maar onze leer in de gevangenis is belangrijker”’, De Standaard 1 oktober 2020, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.standaard.be/cnt/dmf20201001_96765821.

    • 4 … of een vloek?

      Ondanks de hiervoor genoemde voordelen is niet iedereen even gelukkig met de erkenning van het boeddhisme. Onder meer voormalig voorzitter van de BUB, Edel Maex, liet zich al kritisch uit over de erkenning. Hoewel ook hij wijst op het belang van gelijke behandeling en op de toenemende populariteit van het boeddhisme, zou het volgens hem ‘best kunnen dat (…) voor het boeddhisme een erkenning op dit ogenblik het ergste is wat haar zou kunnen overkomen’.20x E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.levenindemaalstroom.be/nl/blog/zou-een-erkenning-van-het-boeddhisme-wijsheid-zijn. Een eerste probleem is, aldus Maex, dat de erkenning van het boeddhisme niet noodzakelijk tot gelijkheid in de praktijk zal leiden. Immers, om als levensbeschouwing erkend te worden moet een levensbeschouwing gestructureerd zijn in een representatief orgaan, maar dat is alles behalve evident. Levensbeschouwingen worden namelijk gekenmerkt door een interne diversiteit en dynamiek, die moeilijk of niet te vatten is in één alomvattende en overkoepelende structuur. Dat geldt a fortiori voor het boeddhisme, dat uit talloze scholen en strekkingen bestaat (of waar wij althans in het Westen talloze categorieën en strekkingen op hebben gekleefd).21x Voor een analyse van de westerse constructie van het boeddhisme (en andere wereldreligies), zie o.a. C.R. Cotter & D.G. Robertson (red.), After World Religions. Reconstructing Religious Studies, Londen/New York: Routledge 2016; D. Cush & C. Robinson, ‘“Buddhism is not a religion, but paganism is”: the applicability of the concept of “religion” to dharmic and nature-based traditions, and the implications for religious education’, in: G. Biesta & P. Hannam (red.), Religion and Education. The Forgotten Dimensions of Religious Education?, Leiden: Brill/Sense 2021, p. 66-84; T. Fitzgerald, The Ideology of Religious Studies, New York/Oxford: Oxford University Press 2000; G. Flood, Beyond Phenomenology. Rethinking the Study of Religion, Londen/New York: Continuum 1999. Het idee om deze allemaal onder één koepel onder te brengen zou dan ook vreemd zijn aan het boeddhisme. Een van de gevolgen is dat er op dit moment enkele boeddhistische verenigingen zijn die niet onder de koepel van de BUB (willen) vallen en dus geen recht zullen hebben op overheidsfinanciering. Door het boeddhisme te erkennen zal er bijgevolg overheidsgeld gaan naar een selecte groep boeddhistische verenigingen, terwijl andere verenigingen uit de boot zullen vallen.22x Dit geldt overigens niet enkel voor het boeddhisme. Zo weigert ook een aantal protestantse kerken om zich aan te sluiten bij het erkende protestantisme in België (dat wordt vertegenwoordigd door de Administratieve Raad van de Protestants-Evangelische Eredienst (ARPEE)), en zijn heel wat moskeeën in België (nog) niet erkend, waardoor ze geen aanspraak kunnen maken op directe overheidsfinanciering. De gelijkberechtiging die er op het eerste zicht lijkt aan te komen, verdient dus de nodige nuance:

      ‘In de huidige situatie is het erg moeilijk om de raad van bestuur van de BUB te zien als een orgaan dat de morele autoriteit heeft om het hele boeddhisme in België te representeren. Een officiële erkenning van de BUB als representatief orgaan zou neerkomen op een flinke hap geld voor een handvol verenigingen en de officiële uitsluiting van een groot aantal andere. Dat kan toch niet de bedoeling van de (grond)wetgever geweest zijn.’23x E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn? Voor een kritische analyse van de erkenningscriteria met betrekking tot het boeddhisme, zie A. Overbeeke, ‘Bestuurlijke delicatesse of onverteerbare kost?’, Streven 2019, online geraadpleegd op 7 april 2021 van https://streventijdschrift.be/bestuurlijke-delicatesse-of-onverteerbare-kost/.

      Daarnaast wijst Maex erop dat het van overheidswege financieren van levensbeschouwingen kan leiden tot luiheid en burgerlijke inschikkelijkheid. Wanneer levensbeschouwingen automatisch door de overheid gefinancierd worden, hoeven ze zich minder in te spannen om hun leer te verkondigen, wat zich dan weer vertaalt in een gebrek aan engagement en authenticiteit, en in een mogelijke terugval van het aantal aanhangers. Vanuit die optiek zou het wel eens ‘rendabeler’ kunnen zijn om levensbeschouwingen niet van overheidswege te financieren, maar om dat over te laten aan individuele burgers die dat echt wensen.
      Dat is bijvoorbeeld het geval in de Verenigde Staten, waar, conform de gangbare interpretatie van het 1ste amendement van de Amerikaanse Constitutie,24x ‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exer­cise thereof; or abridging the freedom of speech, or of the press; or the right of the people peaceably to assemble, and to petition the Government for a redress of grievances.’ religies niet door de overheid gefinancierd worden. Een dergelijk hands-off beleid heeft er echter niet toe geleid dat religie in de VS zou verschralen – integendeel. Anders dan in België, dat sinds de jaren zestig van de vorige eeuw een terugval kent van het aantal gelovigen en praktiserenden, zijn diverse kerken en denominaties in de VS tot op heden zeer dynamisch en populair,25x In vergelijking met België is het lidmaatschap van georganiseerde religies in de VS nog steeds hoog, al is er de laatste jaren wel een kentering merkbaar. Zie bijv. J.A. Dick, ‘Hedendaagse geloofsbeleving in de Verenigde Staten’, Streven 2021, online geraadpleegd op 27 mei 2021 van https://streventijdschrift.be/hedendaagse-geloofsbeleving-in-de-verenigde-staten/. en dat zonder enige vorm van directe overheidsfinanciering. Ook het boeddhisme staat, aldus Maex, sterk genoeg in zijn schoenen om zijn eigen boontjes te doppen:

      ‘De huidige bloei van het boeddhisme in het Westen bewijst dat het ook anders kan en dat mensen met veel goodwill en idealisme in staat zijn zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen levensbeschouwing en de beoefening daarvan. Een eventuele erkenning van het boeddhisme binnen het huidige systeem dreigt ook dat in de kiem te smoren.’26x E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?

      Tot slot wijst Maex op het feit dat het erkennings- en financieringssysteem van levensbeschouwingen in België gedateerd en ondemocratisch is. Is het wel correct om er als overheid van uit te gaan dat erkende religies en levensbeschouwingen voor iedereen van belang zijn en daarom zonder enige vorm van democratische inspraak met collectief belastinggeld gesubsidieerd moeten worden? Zou het vanuit de principes van vrijheid, gelijkheid en solidariteit niet beter zijn om de subsidiëring van erkende levensbeschouwingen en de organisatie van levensbeschouwelijke vakken in het openbaar onderwijs niet a priori in de Grondwet vast te leggen, maar om burgers hierin inspraak te geven? Zoals Matteo Bonotti terecht opmerkt, legt een grondwettelijk subsidiebeleid van levensbeschouwingen de plaats van religie in onze samenleving vast ‘in a more permanent way than the measures of ordinary legislative politics do’,27x M. Bonotti, ‘Beyond Establishment and Separation: Political liberalism, religion and democracy’, Res Publica 2012-18, p. 335 https://doi.org/10.1007/s11158-012-9194-2. maar is dat wel de meest aangewezen manier om met religie om te gaan in onze liberaal-democratische rechtsstaat? Zou deze subsidiëring niet beter het resultaat zijn van een deliberatief democratisch proces dat eventueel uitmondt in reguliere wetgeving, zoals Bonotti voorstelt?

      ‘Even when the funding of such faith-based groups (or prohibition thereof) is shown to be consistent with the first principle of justice and justifiable in public reason terms, such measures ought to remain within the realm of ordinary legislative politics rather than being fixed through constitutional or other legal means.’28x Bonotti 2012, p. 341.

    • 5 Waarom overheidssubsidies?

      Het voorgaande brengt ons bij de kern van de zaak, met name de vraag of het überhaupt (nog) wel wenselijk is om een aantal, door de overheid erkende, levensbeschouwingen met belastinggeld te financieren en om die financiering in de Grondwet vast te leggen. De Grondwet dient om een aantal fundamentele rechten en vrijheden – waaronder de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing – te beschermen, maar over de manier waarop dat in de praktijk gebeurt (bijvoorbeeld middels financiering van [erkende] levensbeschouwingen, middels de ondersteuning van bijzondere scholen, middels een hands-off beleid, enzovoort), hoeft ze geen a priori uitspraken te doen. Een analogie kan dit verduidelijken: volgens artikel 23 van de Belgische Grondwet heeft iedereen het recht een ‘menswaardig leven te leiden’, wat onder meer ‘het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing’ (paragraaf 5 van dat artikel) omvat. De Grondwet verplicht burgers echter niet om, met het oog op die culturele en maatschappelijke ontplooiing, musea, concertzalen en dancefestivals te subsidiëren. Deze en andere vormen van subsidiëring zijn het gevolg van democratische besluitvorming en niet van a priori vastgelegde grondwettelijke verplichtingen. Waarom zou dat anders moeten zijn als het gaat om levensbeschouwingen?

      Een eerste antwoord op deze vraag luidt dat de erkenning en financiering van levensbeschouwingen, anders dan de subsidiëring van bijvoorbeeld cultuurevenementen en musea, historisch gegroeid is en op die manier in de Grondwet verzeild is geraakt. Het Belgische erkennings- en financieringssysteem gaat terug op het concordaat dat Napoleon op 15 juli 1801 sloot met paus Pius VII en waarin, bij wijze van compensatie voor de geconfisqueerde goederen tijdens en kort na de Franse Revolutie, werd vastgelegd dat de overheid de clerus bezoldigt. Bij de goedkeuring van de Belgische Grondwet in 1831 werd dit systeem behouden en geïmplementeerd in de Grondwet. Naast het compensatieargument werd er in de debatten van het Nationaal Congres, dat de opdracht had gekregen om een Belgische Grondwet op te stellen, onder meer gewezen op het maatschappelijk belang van religie en op de vrijheid van godsdienst, die mits financiering van levensbeschouwingen niet enkel op papier, maar ook in de praktijk gegarandeerd kan worden. Tot slot zou het Belgische erkennings- en financieringsbeleid ook een pragmatisch voordeel bieden: door als overheid bepaalde eisen voor erkenning op te leggen kan ze een zekere controle uitoefenen op de betreffende levensbeschouwelijke organisaties, waardoor onder meer radicalisering zou kunnen worden ingedijkt en/of tegengegaan. Dit argument, dat de laatste jaren steeds vaker wordt gehoord, werd overigens ook in de context van het boeddhisme aangehaald: ‘Zodra je een eredienst subsidieert, kan je ook meer controle uitoefenen. Ook dat is belangrijk’, aldus Els van Hoof.29x Geraadpleegd op 2 april 2021 van www.knack.be/nieuws/belgie/cd-v-legt-erkenning-van-boeddhisme-en-hindoeisme-op-tafel/article-normal-1451879.html.
      De hiervoor genoemde argumenten worden nog steeds aangewend om het Belgische kerk-staatmodel te legitimeren, maar er kan vandaag een aantal vraagtekens bij worden geplaatst. Zoals Veit Bader terecht aangeeft, is een zekere administratieve en/of wettelijke erkenning van religies/levensbeschouwingen in een liberale staat onvermijdelijk.30x V. Bader, ‘Dilemmas of institutionalisation and political participation of organised religions in Europe. Associational governance as a promising alternative’, in: F.C. González & G. D’Amato (red.), Multireligious Society. Dealing with religious diversity in theory and practice, New York: Routledge 2017, p. 155. Met het oog op een vruchtbare samenwerking tussen kerk en staat valt er zelfs heel wat te zeggen voor zo een erkenning,31x S. van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, Den Haag: Boom 2018, p. 39-59. maar dat betekent niet dat de overheid zomaar het reilen en zeilen van die organisaties op alle punten kan en mag controleren of dat ze organisaties tot erkenning mag verplichten. Zo zijn er bijvoorbeeld naast de 27 erkende moskeeën in Vlaanderen32x Zie voor deze lijst www.embnet.be/nl/erkende-moskeeen, geraadpleegd op 12 oktober 2021. heel wat (nog) niet-erkende (en dus niet-gesubsidieerde) moskeegemeenschappen, die aan zo goed als elke vorm van overheidscontrole ontsnappen. Ook bij een erkenningssysteem van levensbeschouwingen blijven er dus steeds groeperingen bestaan die op eigen houtje werken en liever niet met de overheid in zee gaan. En zelfs als een geloofsgemeenschap erkend is, blijkt overheidscontrole, onder meer omwille van de scheiding tussen kerk en staat, geen sinecure.
      Daarnaast kunnen we ons ook bij de maatschappelijke rol van religie de nodige vragen stellen. Zo toont een aantal ontwikkelingen, zoals secularisering, (mentale) ontzuiling en individualisering, alvast aan dat religie niet voor iedereen (even) belangrijk blijkt te zijn. Een onderzoek uit 201733x Ipsos, Global Views on Religion, 2017, p. 4, samenvatting beschikbaar via www.ipsos.com/sites/default/files/ct/news/documents/2017-10/globaladvisor_Religion_Charts_AUSTRALIA.pdf, geraadpleegd op 2 april 2021. bracht aan het licht dat 68% van de Belgen vindt dat religie meer kwaad dan goed doet, terwijl slechts 18% overtuigd is dat religie zorgt voor ‘betere burgers’. Een eerder onderzoek uit 201334x J. Billiet, K. Abts & M. Swyngedouw, De evolutie van de kerkelijke betrokkenheid in Vlaanderen tijdens de voorbije twee decennia en het verlies van vertrouwen in de kerk in het bijzonder tussen 2009-2011, KULeuven, Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (IPSO) 2013, online geraadpleegd op 2 april 2021 van https://soc.kuleuven.be/ceso/ispo/downloads/ISPO%202013-1%20De%20evolutie%20van%20de%20kerkelijke%20betrokkenheid%20in%20Vlaanderen.pdf. toonde bovendien aan dat er in België weinig draagvlak is voor het financieren van levensbeschouwingen: slechts 13% van de ondervraagden bleek te vinden voor het behoud van het huidige systeem, terwijl 26% hier helemaal niet akkoord mee is en liever zou hebben dat levensbeschouwingen hun eigen boontjes doppen. Ruim 40% van de ondervraagden gaf aan dat subsidies op een eerlijkere manier zouden moeten worden verdeeld, zodat ze beter zijn afgestemd op de sociologische realiteit en/of op de levensbeschouwelijke voorkeur van de burgers.35x Daarnaast gaf 20% van de ondervraagden aan ‘geen mening’ te hebben over dit onderwerp. Waar er in 1831 nog een consensus was over het maatschappelijk nut van religie en over de financiering ervan, blijkt dat een kleine twee eeuwen later niet langer het geval te zijn.
      Ook bij het argument van de godsdienstvrijheid kunnen we ons vragen stellen. Zoals het reeds aangehaalde voorbeeld van Amerika aantoont, kan deze vrijheid ook zonder directe overheidssteun gegarandeerd worden en kan private financiering voor levensbeschouwingen in principe volstaan. Het feit dat de overheid op financieel gebied een hands-off beleid voert, hoeft dus geenszins te betekenen dat levensbeschouwingen hierdoor benadeeld en/of gemarginaliseerd zouden worden, of dat de godsdienstvrijheid zou worden ingeperkt.
      Tot slot is er de vraag of de genoemde compensatieregel vandaag nog wel zin heeft. Moet de Belgische overheid, meer dan tweehonderd jaar na het Franse antiklerikale bewind, nog opdraaien voor de gebeurtenissen die zich op het einde van de achttiende eeuw hebben afgespeeld? Bovendien geldt deze compensatieregel enkel voor de katholieke kerk, terwijl ook verschillende andere levensbeschouwingen in België gesubsidieerd worden. Ook het compensatieargument blijkt dus niet langer geschikt om de overheidsfinanciering van levensbeschouwingen te legitimeren.

    • 6 Kerk en staat in Nederland: van actieve steun naar een hands-off beleid

      Dat het financieren van religies met belastinggeld en zonder directe inspraak van burgers niet vanzelfsprekend is, heeft men in Nederland al langer door. Ook daar werden religies lange tijd door de overheid gesubsidieerd en ook daar was het systeem onder meer schatplichtig aan het concordaat uit 1801.36x P. van Sasse van Ysselt, ‘Financiële verhoudingen tussen overheid, kerk en religieuze organisaties’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 66. Zie ook P. van Sasse van Ysselt, ‘Public Funding of Religious Organizations in the Netherlands’, in: F. Messner (red.), Public Funding of Religions in Europe, Dorchester: Ashgate 2015, p. 27; S.C. van Bijsterveld, ‘State and Church in the Netherlands’, in: G. Robbers (red.), State and Church in the European Union, Baden-Baden: Nomos, p. 370. Toen in 1814 de eerste Nederlandse Grondwet tot stand kwam, werd in artikel 140 bepaald dat de ‘bevordering van godsdienst, als een vaste steun van den Staat’ tot de taken van de overheid hoort,37x Van Sasse van Ysselt 2013, p. 66. waarbij met name de christelijk-hervormde godsdienst een bevoorrechte positie kreeg toebedeeld: deze was niet enkel de godsdienst van ‘den Souvereinen Vorst’ (art. 133 Grondwet 1814), maar werd ook, conform artikel 136, ‘met publieke middelen ondersteund’.
      Toen België in 1815 toetrad tot het Koninkrijk der Nederlanden, wijzigde deze bevoorrechte positie: niet alleen moest de vorst niet langer tot de gereformeerde kerk behoren, daarnaast konden, conform artikel 194 van de Grondwet 1815, ook andere kerken aanspraak maken op overheidsfinanciering:

      ‘De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.’

      ‘Aan de leeraars, welke tot nog toe uit ‘s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.’

      Godsdienst werd hiermee niet enkel beschouwd als een zaak van algemeen nut, maar ook als een gegeven dat maar best door de overheid gecontroleerd kon worden. Middels een systeem van kerkfinanciering kon de overheid zich dan ook ‘stevig (…) bemoeien met de interne organisatie van de kerkgenootschappen en in het bijzonder die van de gereformeerde kerk’.38x Van Sasse van Ysselt 2013, p. 67. Zo moest de koning er onder meer op toezien dat de respectievelijke overheidsfinanciën daadwerkelijk naar ‘den openbaren godsdienst’ gingen (art. 195 Grondwet 1815) en dat ‘alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den staat’ (art. 196 Grondwet 1815). Daarnaast zorgde de overheid niet enkel voor financiering, maar ook voor de organisatie van de opleiding voor predikanten.39x Van Sasse van Ysselt 2013, p. 67.
      Met de Grondwet van 1848 kwam er een einde aan deze verregaande overheidsbemoeienis. Hoewel de overheidsfinanciering voor religie behouden bleef, is er sindsdien sprake van een scheiding tussen kerk en staat in Nederland (zie bijvoorbeeld art. 170 Grondwet 1848). Deze scheiding kreeg verder vorm in onder meer de Wet op Kerkgenootschappen (1853) en in de afschaffing van staatsinmenging in de predikantenopleiding (1876).
      Sinds 1848 voltrok zich dus als het ware een ‘toenemende ontvlechting van kerk en staat’,40x Van Sasse van Ysselt 2013, p. 68. die – althans wat directe financiering van religie betreft – een hoogtepunt heeft bereikt in 1983. In dat jaar maakte de rijksoverheid, met de Wet tot beëindiging van de financiële verhouding tussen Staat en Kerk,41x Staatsblad 1983, 638: Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk (7 december 1983, in werking vanaf 1 januari 1984, met uitzondering van art. 4, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1994). officieel een einde aan de overheidsfinanciering van religies. De rijksoverheid betaalde een eenmalige afkoopsom aan de betreffende kerkgenootschappen, waardoor de zogenoemde compensatie voor de geleden schade tijdens en na de Franse Revolutie niet langer aan de orde was. Met de grondwetsherziening in datzelfde jaar verdween eveneens hoofdstuk 6 ‘over religie’ (dat geamendeerd was in 1815, 1848, 1912 en 1917) uit de Grondwet en kwam het huidige artikel 6 Grondwet tot stand:

      ‘1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

      2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.’

      Sinds 1 januari 1984 – het moment waarop de wet van 1983 in werking trad – bestaat er in Nederland dus geen directe overheidsfinanciering meer voor levensbeschouwelijke groeperingen of hun bedienaars, maar staan de godsdienstige en levensbeschouwelijke organisaties hier zelf voor in.

    • 7 Boeddhisme in Nederland: onderwijs en gevangeniswezen

      7.1 Boeddhistisch vormingsonderwijs

      Het einde van het directe financieringssysteem voor religies betekent niet dat Nederland sinds 1984 een strikt hands-off beleid zou voeren. Zo heeft Nederland, net als België, een verzuild onderwijssysteem waarin zowel openbare als bijzondere – vaak op een levensbeschouwing geënte – scholen op gelijke basis worden gesubsidieerd.42x Zie hiervoor lid 7 van grondwetsartikel 23: ‘Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.’ Dit vertaalt zich vandaag in een gediversifieerd onderwijslandschap, met ongeveer 30% openbare scholen, 30% protestants-christelijke scholen, 30% rooms-katholieke scholen en 10% ‘andere’ bijzondere scholen, zoals islamitische en hindoescholen, maar ook bijvoorbeeld freinet- en montessorischolen.43x Cijfers online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/03753/table?ts=1589787589945. De plannen om ook een erkende en gesubsidieerde boeddhistische school (de ‘Mandalaschool’ in Amsterdam) op te richten werden door de onderwijsraad echter tegengehouden,44x ‘De boeddhistische school die er nooit kwam’, Boeddhistisch Dagblad 30 december 2016, online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://boeddhistischdagblad.nl/interviews/78572-78572/. onder meer omdat het boeddhisme in Nederland een randfenomeen zou zijn en het niet duidelijk was of er voldoende leerlingen zouden zijn en blijven voor zo een school.45x Dit voorbeeld illustreert hoe het napoleontische erkennings- en financieringssysteem toch niet helemaal is verdwenen in Nederland, maar in de uithoek van het bijzonder onderwijs is blijven voortbestaan. Immers, om als school erkend en gesubsidieerd te worden moest men tot voor kort als ‘richting’ erkend worden door de overheid. Daar het boeddhistisch onderwijs, op advies van de onderwijsraad, niet erkend werd, maakte de betreffende school geen aanspraak op overheidssubsidies en is ze er bijgevolg (nog) niet gekomen. Recentelijk (op 21 juni 2021) werden de criteria om een bijzondere school te stichten echter verbreed (regeling van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17898051, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs, online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-46176.html), waardoor het ook mogelijk wordt een school te stichten op basis van belangstelling van ouders en leerlingen (en dus niet op basis van het gegeven of een levensbeschouwing al dan niet erkend wordt als richting).
      Daarnaast is er in Nederland ruimte voor levensbeschouwelijk onderwijs op de openbare school. Zo vermeldt artikel 50 van de Wet op het primair onderwijs46x Wet op het primair onderwijs, online geraadpleegd op 18 maart 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0003420/2019-08-01. dat leerlingen het recht hebben om ‘binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen’, waarvoor jaarlijks maximum 40 lestijden worden voorzien. Ook in het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen godsdienstig of humanistisch vormingsonderwijs (ghvo) volgen, al gaat het hier, anders dan in het primair onderwijs, om onderwijs buiten het reguliere curriculum.47x Wet op het voortgezet onderwijs, online geraadpleegd op 7 april 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0002399/2020-11-01. Sinds 2009 wordt er jaarlijks 10 miljoen euro door de overheid vrijgemaakt om ghvo te organiseren, maar in 2013 gingen er stemmen op om deze subsidiëring af te schaffen. Dit botste op heel wat verzet: een petitie voor het behoud van ghvo op openbare basisscholen leverde zo’n 30.000 handtekeningen op. Uiteindelijk werd het wetsvoorstel om een einde te maken aan de subsidies niet goedgekeurd door de Tweede Kamer. Wel werd de regeling in 2019 gewijzigd, waardoor subsidiëring sindsdien structureel sterker verankerd is.48x Rijksoverheid, Besluit wijziging bekostiging godsdienstonderwijs openbare scholen, online beschikbaar via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2018/06/06/besluit-wijziging-bekostiging-godsdienstonderwijs-openbare-scholen, geraadpleegd op 8 april 2021. Voor het primair onderwijs zorgt de rijksoverheid dus nog steeds voor financiële ondersteuning van het ghvo.49x Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden, Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs, en Media van 6 juni 2019, nr. PO/1219075, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen (Regeling subsidie­verstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs), online geraadpleegd op 8 april 2021 van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-35736.html. Voor het voortgezet onderwijs geldt die regeling niet op nationaal niveau, maar kunnen gemeenten er wel voor kiezen om ghvo te subsidiëren.
      Op dit moment worden er op de openbare scholen zeven soorten ‘vormingsonderwijs’ aangeboden: protestants, katholiek, joods, islamitisch, humanistisch, hindoeïstisch en boeddhistisch. De organisatie van het boeddhistisch vormingsonderwijs (bvo) is vrij recent: met ingang van het schooljaar 2018-2019 wordt dit onderwijs aangeboden op de openbare basisscholen. Net zoals de andere ‘levensbeschouwelijke’ vakken wordt het bvo gefinancierd door het ministerie van Onderwijs en uitgevoerd door de stichting GVO/HVO.50x Geraadpleegd op 2 april 2021 van www.vormingsonderwijs.nl/.
      Anders dan België heeft Nederland geen grondwettelijke verplichting om levensbeschouwelijk onderwijs op de openbare school aan te bieden – een verplichting die er onder meer in België voor zorgt dat een fundamentele wijziging van het systeem bijzonder moeilijk is.51x In april 2019 stemde het Belgische Parlement ermee in om art. 24 van de Belgische Grondwet open te stellen, wat een noodzakelijke voorwaarde was om dat artikel tijdens de huidige legislatuur te kunnen herzien. Een dergelijke herziening zou onder meer kunnen zorgen voor een wettelijke minimumleeftijd voor het volgen van levensbeschouwelijke vakken, een minimum aantal leerlingen dat vereist is om een levensbeschouwelijk vak in te richten op de officiële school, een beperking van het aantal in te richten levensbeschouwelijke vakken, of een afschaffing van het huidige systeem. Het voorstel om art. 24 open te stellen voor herziening werd goedgekeurd door de Kamer, maar werd vervolgens tegengehouden door de Senaat: met een ex aequo van 24 stemmen voor en 24 stemmen tegen werd de vereiste meerderheid net niet bereikt. Bijgevolg blijven de Gemeenschappen in België voorlopig gebonden aan het huidige art. 24 en is er maar weinig manoeuvreerruimte wat betreft de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs. De afwezigheid van grondwettelijke wetgeving over levensbeschouwelijke vakken hoeft echter helemaal niet te betekenen dat dit soort vakken niet zou kunnen worden aangeboden op de openbare school. Maar daar waar er in België grondwettelijk van uit wordt gegaan dat het volgen van dit soort onderwijs de norm is en vrijstelling de uitzondering, redeneert men in Nederland omgekeerd: geen godsdienstig of humanistisch onderwijs is de norm,52x Anders dan in België is er in het Nederlands onderwijs ook vanuit een niet-confessioneel buitenperspectief expliciet aandacht voor diverse levensbeschouwelijke tradities. Zo heeft het ministerie van Onderwijs in 1985 een kerncurriculum geestelijke stromingen opgesteld voor het basisonderwijs, waarbij de focus voornamelijk ligt op de vijf grote ‘wereldreligies’ en het humanisme. Daarnaast zijn ook secundaire scholen verplicht leerlingen inzicht te verschaffen in cultuur en levensbeschouwing en in diverse levensbeschouwelijke stromingen (Kerndoel 43), maar uit onderzoek blijkt dat deze thema’s slechts sporadisch aan bod komen (M. Beemsterboer, ‘Geloven in Onderwijs. Het kennisgebied geestelijke stromingen in het Nederlands basisonderwijs’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011-3, p. 17-30). Om deze lacune op te vullen wordt er momenteel gewerkt aan een ‘Basiscurriculum Levensbeschouwing en Religie’ voor het voortgezet onderwijs (bijzonder en openbaar). Een eerste aanzet voor zo een curriculum is terug te vinden in M.A. Davidsen, ‘Voorstel basiscurriculum Levensbeschouwing en Religie’, Narthex 2020, p. 15-26, en zal, na diverse consultatierondes met onder meer docenten en opleiders verder ontwikkeld worden. maar wie dat wenst kan op aanvraag ghvo volgen op de openbare school. Om dat niet enkel op papier maar ook in de praktijk mogelijk te maken worden deze lessen door de overheid gesubsidieerd.

      7.2 Boeddhistische geestelijke verzorgers in penitentiaire instellingen

      Naast het aanbod van boeddhistisch vormingsonderwijs op de openbare school is er vanuit de Nederlandse overheid ook aandacht voor het boeddhisme in het gevangeniswezen.53x Andere vormen van indirecte overheidsfinanciering voor religies/levensbeschouwingen in Nederland zijn: de subsidiëring van het bijzonder onderwijs, de subsidiëring van kerken/gebedshuizen als nationaal cultureel erfgoed, de subsidiëring van sociale activiteiten georganiseerd door religieuze organisaties, de financiering van zendtijd voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties, en het belastingvoordeel dat religieuze organisaties genieten. Voor een overzicht, zie Van Sasse van Ysselt 2013, p. 70-83; Van Sasse van Ysselt 2015, p. 30-44. Zo heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen, via de Boeddhistische Unie Nederland (BUN), in 2004 een aantal boeddhistische geestelijke verzorgers aangesteld om geestelijke verzorging te verlenen in de justitiële inrichtingen. In 2011 ging het om zes parttime, door de overheid bezoldigde boeddhistische geestelijke verzorgers. Op die manier biedt de overheid, conform artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet,54x Penitentiaire beginselenwet, online geraadpleegd op 8 april 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0009709/2021-01-01. een antwoord op de vraag van zo’n 2 à 3% van de gedetineerden naar boeddhistische geestelijke begeleiding. De geestelijke verzorgers zijn afkomstig uit diverse boeddhistische tradities en bieden, vanuit het boeddhistische gedachtegoed, mentale ondersteuning aan gedetineerden:

      ‘Hij of zij wordt ondersteund in het verlangen naar en de bereidheid tot ontwikkeling. De persoonlijke en groepsgesprekken van de boeddhisten zijn gericht op zelfherkenning, zelfonthulling en zelfconfrontatie.’55x Dienst geestelijke verzorging, Boeddhistische geestelijke verzorging, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.dji.nl/over-dji/landelijke-diensten/dienst-geestelijke-verzorging/boeddhistische-geestelijke-verzorging.

      Daarnaast geven de geestelijke verzorgers onderricht in de boeddhistische leer en verzorgen en begeleiden ze vieringen en rituelen. Ook collectieve en individuele meditatieoefeningen vormen een belangrijk onderdeel van de morele en spirituele begeleiding die boeddhistische geestelijke verzorgers aanbieden.
      De aanstelling van boeddhistische geestelijke verzorgers toont aan dat de Nederlandse overheid het boeddhisme ernstig neemt en het maatschappelijke belang ervan erkent. Anders dan in België is hiervoor echter geen grondwetsartikel nodig waarin de erkenning en subsidiëring van levensbeschouwingen vast gebeiteld worden. Hoewel de overheid ook in Nederland enkel zendingsactiviteiten toelaat voor erkende – en dus voor de overheid herkenbare – representatieve stromingen,56x Van Bijsterveld 2018, p. 53. wordt er, anders dan in België, veeleer bottom-up in plaats van top-down gewerkt: bij een reële behoefte vanuit de samenleving kan de Nederlandse overheid beslissen om zendende instanties te erkennen57x Zo werd bijvoorbeeld in 2007 het Contactorgaan Moslims en Overheid door het ministerie van Justitie erkend als zendende instantie en gebeurde dat een jaar later voor de Boeddhistische Unie Nederland. en aldus subsidies vrij te maken voor geestelijke verzorgers in het gevangeniswezen (maar ook in bijvoorbeeld ziekenhuizen en in de krijgsmacht), opdat in deze toch wel bijzondere situatie de vrijheid van godsdienst gevrijwaard kan worden:

      ‘Overeenkomstig lid 4 van artikel 41 van de Penitentiaire beginselwet dient de overheid regels te stellen voor de verlening van geestelijke verzorging door verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, voor de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en de aanstelling van geestelijk verzorgers bij een inrichting. Om de omvang van de nodige faciliteiten inzake geestelijke verzorging vast te stellen inventariseert de overheid, in casu de directeur van een penitentiaire inrichting, periodiek de wensen van de gedetineerden. Op grond hiervan zal per inrichting de daaraan beantwoordende personele behoefte worden vastgesteld.’58x N. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 31-32. Zie ook Van Bijsterveld, ‘State and Church in the Netherlands’, p. 386-387; Van Sasse van Ysselt 2013, p. 74-75; Van Sasse van Ysselt 2015, p. 34-35.

    • 8 Democratisch perfectionisme in Nederland: een voorbeeld voor België?

      Volgens het egalitair liberalisme, dat onder meer geijkt werd door John Rawls (1971)59x J. Rawls, A Theory of Justice, Cambridge MA: Harvard University Press 1971. en Ronald Dworkin (1985),60x R. Dworkin, A Matter of Principle, Cambridge, MA: Harvard University Press 1985. zouden alle burgers gelijke kansen en mogelijkheden moeten hebben ‘om het leven van binnenuit te leven, in overeenstemming met [hun] overtuigingen over wat het leven waardevol maakt’.61x W. Kymlicka, Contemporary political philosophy. An introduction, New York: Oxford University Press 2002, p. 216. Voor sommigen maakt religie een onmiskenbaar deel uit van het goede leven, maar dat is lang niet voor iedereen het geval. De overheid moet zich hier dan ook niet over uitspreken. Wel moet ze ervoor zorgen dat iedereen – gelovig of niet – gelijke kansen heeft om een leven te leiden volgens de eigen opvattingen over het goede leven. In het verlengde hiervan heeft iedereen volgens Rawls baat bij de zogenoemde primary goods: ‘zaken waarvan verondersteld wordt dat elke rationele mens ze wil’ of zaken die ‘normaal gezien nuttig zijn, ongeacht iemands persoonlijke rationele levensplan’.62x Rawls 1971, p. 62. Rawls noemt als primary goods onder meer rechten en vrijheden, kansen en mogelijkheden, inkomen en rijkdom, gezondheid, intelligentie en verbeelding.63x Rawls 1971, p. 62, 90-95. Om deze primary goods niet enkel in theorie, maar ook in de praktijk voor iedereen te garanderen, ondersteunt de liberale overheid verschillende public goods, dat wil zeggen zaken die in ‘het algemene belang’64x Rawls 1971, p. 97. of ‘in eenieders voordeel’65x Rawls 1971, p. 267. zijn, zoals onderwijs, nationale defensie en gezondheidszorg.
      Over de vraag of de overheid daarnaast ook moet zorgen voor een toereikend aanbod aan ‘waardevolle opties’ voor haar burgers, lopen de meningen uiteen. Volgens sommigen66x Bijv. R. Nozick, Anarchy, State and Utopia, New York: Basic Books 1974; C. Kukathas, The Lilberal Archipelago, Oxford: Oxford University Press 2003. voert de overheid op dat punt best een hands-off beleid, zoals bijvoorbeeld in de VS. Ook met het oog op het de facto uitoefenen van de vrijheid van godsdienst heeft de overheid volgens deze visie geen inspanningsverplichting: religies moeten, net zoals sportclubs en cultuurhuizen, hun eigen boontjes doppen.
      De vraag is echter of deze invulling van de rol van de overheid leidt tot gelijke kansen om een autonoom leven te leiden en, bij uitbreiding, of de vrijheid van godsdienst de facto voor iedereen gelijk is. In de praktijk zorgt (aanhoudende) socio-economische ongelijkheid er namelijk voor dat niet iedereen gelijke kansen heeft om een leven volgens de eigen opvattingen over het goede leven te leiden. Om vrije keuzes daadwerkelijk mogelijk te maken of om ‘gelijke toegang tot autonomie’67x B. Colburn, Autonomy and liberalism, New York: Routledge 2010, p. 84-86. te garanderen zijn er immers voor iedereen voldoende toegankelijke waardevolle opties nodig. Of, zoals rechtsfilosoof Joseph Raz het stelt, wie enkel kan kiezen uit ‘twee identieke kersen in een fruitschaal’68x J. Raz, The Morality of Freedom, Oxford: Oxford University Press 1986, p. 398. heeft geen echte keuzemogelijkheid. Daarom zou de overheid, in bepaalde omstandigheden en onder een aantal voorwaarden,69x Zie voor deze voorwaarden L. Franken, Liberal Neutrality and State Support for Religion, p. 79-84; Geld voor je God? De financiering van levensbeschouwingen in België, Brussel: UPA 2017, p. 45-47. ‘waardevolle opties’ met collectief belastinggeld kunnen subsidiëren.
      Vanuit dit perspectief kunnen bijvoorbeeld de aanleg en subsidiëring van (dieren-)parken, de bouw en subsidiëring van muziekscholen, theaterzalen en sportclubs, maar ook de financiering van voorzieningen voor één of meerdere levensbeschouwingen gelegitimeerd worden. Als blijkt dat deze ‘waardevolle opties’ zonder overheidssteun voor (een deel van) de bevolking ontoegankelijk zouden zijn, wordt de individuele vrijheid van deze burgers mogelijks ingeperkt en hebben ze geen gelijke kansen om hun leven te leiden volgens hun – al dan niet religieuze – opvattingen over het goede leven. Dit heeft ook gevolgen voor de concrete invulling van de vrijheid van godsdienst: indien deze, buiten de schuld om van gelovigen, niet gevrijwaard kan worden, heeft de overheid – althans volgens deze interpretatie van het egalitair liberalisme – een inspanningsplicht om deze alsnog voor iedereen mogelijk te maken. Of, in de woorden van Monsma en Soper: ‘If religion is to be fully free, government must take certain positive steps to accommodate it so that reli­gion, along with secular beliefs, can in practice be freely exercised.’70x C. Soper, K. den Dulk & S. Monsma, The Challenge of Pluralism: Church and State in Six Democracies, Lanham, Maryland: Rowman & Littlefield Publishers 2017, p. 114.
      Belangrijk in dit hele verhaal is dat de overheid, op basis van waardeoordelen binnen civil society – en niet op basis van ‘wetgeving over de levensbeschouwingen vanuit het Napoleontische tijdperk’71x Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?. –, bepaalt wat ‘waardevol’ is en voor wie (dat is voor hoeveel burgers), vandaar de notie democratisch perfectionisme. De financiering van levensbeschouwingen dient, net zoals de financiering van andere ‘waardevolle opties’, daarom steeds het gevolg te zijn van een democratisch debat en daaraan gekoppelde democratische besluitvorming: enkel wanneer blijkt dat een levensbeschouwing voor een aantal burgers ‘waardevol’ is en wanneer eveneens blijkt dat deze levensbeschouwing niet voor iedereen toegankelijk is en er hierdoor niet voor iedereen voldoende keuzemogelijkheden zijn (wat kan leiden tot een inperking van de vrijheid van godsdienst), kan de overheid overgaan tot subsidiëring.
      De aanwezigheid van geestelijke verzorgers in het Nederlandse gevangeniswezen is hier een concreet voorbeeld van: hoewel de vrijheid van gedetineerden om hun leven naar believen in te vullen drastisch wordt ingeperkt, hebben ze wel het recht om hun ‘godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven’.72x Art. 41 lid 1 Penitentiaire beginselenwet. Om dit recht geen dode letter te maken bezoldigt de Nederlandse overheid geestelijke verzorgers van uiteenlopende levensbeschouwelijke strekkingen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke wensen van de gedetineerden.73x Van Zessen & Koolen 2013, p. 33. De aanstelling van de geestelijke verzorgers kwam er immers niet omdat het boeddhisme in Nederland een door de overheid erkende levensbeschouwing is en daarom recht had op geestelijke verzorgers, maar omdat er vanuit civil society, in casu vanuit het gevangeniswezen zelf, vraag was naar boeddhistische begeleiding.
      Een gelijkaardig scenario zien we op de openbare scholen. Daar wordt het bvo niet georganiseerd omdat openbare scholen hiertoe grondwettelijk verplicht zouden zijn. De huidige wetgeving bepaalt echter wel dat, indien ouders of leerlingen vragende partij zijn voor dit type vormingsonderwijs, scholen op deze vraag moeten ingaan. Ook de subsidiëring van dit onderwijs ligt, anders dan in België, niet grondwettelijk vast. Dat kan er, zoals in 2013 door sommigen werd gevreesd, toe leiden dat deze subsidies op een gegeven moment worden ingetrokken. Maar het kan er eveneens toe leiden dat deze subsidies op een bepaald moment (opnieuw) worden ingevoerd. Dankzij de stem van het Nederlandse volk en via democratische besluitvorming werd de subsidiëring alvast niet stopgezet, maar structureel hervormd.
      Wat mij betreft kunnen we in België heel wat leren van dit Nederlandse model. Het toont aan dat de vrijheid van godsdienst ook zonder grondwettelijk vastgelegde steun voor en financiering van erkende levensbeschouwingen gevrijwaard kan worden. Bovendien laat het Nederlandse model zien dat het mogelijk is om als overheid bepaalde vormen van levensbeschouwelijke ‘dienstverlening’ (zoals geestelijke zorg en vormingsonderwijs) te subsidiëren, waarbij rekening wordt gehouden met wat er in civil society speelt – en niet met wat er nodeloos in de Grondwet staat.

    Noten

    • 1 Belgisch Regeerakkoord (30 september 2020), p. 76, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.belgium.be/sites/default/files/Regeerakkoord_2020.pdf.

    • 2 De Grondwet van 1831 en haar amendementen zijn terug te vinden op www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg_2.pl?language=nl&nm=1831020701&la=N, geraadpleegd op 12 oktober 2021.

    • 3 In 1981 voorzag de federale regering subsidies voor de niet-confessionele gemeenschap; in 1993 werd deze subsidiëring grondwettelijk verankerd in art. 181, par. 2, en in 2002 werd de Centrale Vrijzinnige Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke Gemeenschappen officieel erkend als representatief orgaan.

    • 4 Deze criteria zijn, tot op heden, niet formeel vastgelegd, maar kunnen worden afgeleid uit een aantal parlementaire vragen en erkenningsdossiers uit het verleden. Om het systeem te optimaliseren pleit Stephanie Wattier (S. Wattier, Le Financement public des cultes et des organisations philosophiques non confessionelles. Analyse de constitutionnalité et de conventionnalité, Brussel: Bruylant 2016) ervoor om erkenningscriteria vast te leggen in een organieke wet.

    • 5 Deze term wordt in België gehanteerd voor wat men in Nederland ‘geestelijk verzorger’ (van een niet-confessionele strekking) noemt.

    • 6 Deze regel is omstreden, onder meer omdat hij niet geldt voor morele consulenten. Zie bijv. F. Mortier & M.-F. Rigaux, De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige raad. Verslag van de Commissie der Wijzen, Brussel: FOD Justitie 2005-6, p. 15, online geraadpleegd op 12 oktober 2021 van https://justitie.belgium.be/sites/default/files/rapport_commissie_van_wijzen.pdf.

    • 7 In 2016 werden deze subsidies, in het kader van een breder besparingsplan in de cultuur- en media­sector, afgeschaft in de Vlaamse Gemeenschap, maar op zondagochtend wordt de eucharistie­viering nog steeds uitgezonden op de Vlaamse radio (Radio 1) en televisie (VRT).

    • 8 Ook in het vrij (‘bijzonder’) onderwijs, dat overwegend katholiek is, worden de lesgevers van de ‘levensbeschouwelijke vakken’ (in de praktijk is dat voornamelijk rooms-katholieke godsdienst) door de overheid bezoldigd.

    • 9 Dit vak wordt in de praktijk enkel in de Vlaamse Gemeenschap aangeboden.

    • 10 C. Sägesser, ‘Country Report: Belgium – the French Community’, British Journal of Religious Education 2017-3, p. 240-246, doi.org/10.1080/01416200.2017.1345514; zie ook L. Franken & J. Lievens, ‘The end of the opt-out era in Belgian governmental schools’, British Journal of Religious Education, https://doi.org/10.1080/01416200.2021.1967110.

    • 11 Zie hiervoor www.stradalex.com/en/sl_src_publ_div_be_senat/document/SVsen_3-7915, geraadpleegd op 2 april 2021.

    • 12 Knack, Hindoeïsme gaat aanvraag tot erkenning indienen, 11 februari 2013, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.knack.be/nieuws/belgie/hindoeisme-gaat-aanvraag-tot-erkenning-indienen/article-normal-86822.html.

    • 13 De BUB is het officiële representatief orgaan dat bemiddelt tussen de overheid en de erkende boeddhistische gemeenschappen in België. Online te raadplegen via www.buddhism.be/nl/ (geraadpleegd op 2 april 2021).

    • 14 www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3705/54K3705001.pdf, geraadpleegd op 18 maart 2021.

    • 15 www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3704/54K3704001.pdf, geraadpleegd op 8 maart 2021.

    • 16 Online te raadplegen via www.belgium.be/sites/default/files/Regeerakkoord_2020.pdf (geraadpleegd op 17 maart 2021).

    • 17 Jarenlang streefden de vrijzinnigen in België naar een afschaffing van de subsidiëring van levensbeschouwingen, waar vooral de katholieke kerk baat bij had. Wanneer echter bleek dat een afschaffing van het systeem politiek onvoldoende draagkracht had, maakten de vrijzinnigen een U-turn: er werd vanaf de jaren zeventig niet langer gepleit voor een afschaffing, maar voor gelijke behandeling, en dus voor de officiële erkenning van het vrijzinnig humanisme in België. N. De Nutte, ‘Une Belgique en faveur de la non croyance organisée. L’humanisme séculier est-il l’Église subventionnée des sans religion?’, in: J. Grosclaude (red.), L’État et la religion dans l’espace public : approches pratiques et théoriques de la laïcité, Les Dossiers des annales de droit 4, 2021, p. 153-182.

    • 18 Kerk & Leven, Boeddhisme op weg naar erkenning, 28 oktober 2020, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.buddhism.be/nl/pers/persartikels.

    • 19 ‘Boeddhisten blij met erkenning: “Geld is oké, maar onze leer in de gevangenis is belangrijker”’, De Standaard 1 oktober 2020, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.standaard.be/cnt/dmf20201001_96765821.

    • 20 E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?, online geraadpleegd op 2 april 2021 van www.levenindemaalstroom.be/nl/blog/zou-een-erkenning-van-het-boeddhisme-wijsheid-zijn.

    • 21 Voor een analyse van de westerse constructie van het boeddhisme (en andere wereldreligies), zie o.a. C.R. Cotter & D.G. Robertson (red.), After World Religions. Reconstructing Religious Studies, Londen/New York: Routledge 2016; D. Cush & C. Robinson, ‘“Buddhism is not a religion, but paganism is”: the applicability of the concept of “religion” to dharmic and nature-based traditions, and the implications for religious education’, in: G. Biesta & P. Hannam (red.), Religion and Education. The Forgotten Dimensions of Religious Education?, Leiden: Brill/Sense 2021, p. 66-84; T. Fitzgerald, The Ideology of Religious Studies, New York/Oxford: Oxford University Press 2000; G. Flood, Beyond Phenomenology. Rethinking the Study of Religion, Londen/New York: Continuum 1999.

    • 22 Dit geldt overigens niet enkel voor het boeddhisme. Zo weigert ook een aantal protestantse kerken om zich aan te sluiten bij het erkende protestantisme in België (dat wordt vertegenwoordigd door de Administratieve Raad van de Protestants-Evangelische Eredienst (ARPEE)), en zijn heel wat moskeeën in België (nog) niet erkend, waardoor ze geen aanspraak kunnen maken op directe overheidsfinanciering.

    • 23 E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn? Voor een kritische analyse van de erkenningscriteria met betrekking tot het boeddhisme, zie A. Overbeeke, ‘Bestuurlijke delicatesse of onverteerbare kost?’, Streven 2019, online geraadpleegd op 7 april 2021 van https://streventijdschrift.be/bestuurlijke-delicatesse-of-onverteerbare-kost/.

    • 24 ‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exer­cise thereof; or abridging the freedom of speech, or of the press; or the right of the people peaceably to assemble, and to petition the Government for a redress of grievances.’

    • 25 In vergelijking met België is het lidmaatschap van georganiseerde religies in de VS nog steeds hoog, al is er de laatste jaren wel een kentering merkbaar. Zie bijv. J.A. Dick, ‘Hedendaagse geloofsbeleving in de Verenigde Staten’, Streven 2021, online geraadpleegd op 27 mei 2021 van https://streventijdschrift.be/hedendaagse-geloofsbeleving-in-de-verenigde-staten/.

    • 26 E. Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?

    • 27 M. Bonotti, ‘Beyond Establishment and Separation: Political liberalism, religion and democracy’, Res Publica 2012-18, p. 335 https://doi.org/10.1007/s11158-012-9194-2.

    • 28 Bonotti 2012, p. 341.

    • 29 Geraadpleegd op 2 april 2021 van www.knack.be/nieuws/belgie/cd-v-legt-erkenning-van-boeddhisme-en-hindoeisme-op-tafel/article-normal-1451879.html.

    • 30 V. Bader, ‘Dilemmas of institutionalisation and political participation of organised religions in Europe. Associational governance as a promising alternative’, in: F.C. González & G. D’Amato (red.), Multireligious Society. Dealing with religious diversity in theory and practice, New York: Routledge 2017, p. 155.

    • 31 S. van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, Den Haag: Boom 2018, p. 39-59.

    • 32 Zie voor deze lijst www.embnet.be/nl/erkende-moskeeen, geraadpleegd op 12 oktober 2021.

    • 33 Ipsos, Global Views on Religion, 2017, p. 4, samenvatting beschikbaar via www.ipsos.com/sites/default/files/ct/news/documents/2017-10/globaladvisor_Religion_Charts_AUSTRALIA.pdf, geraadpleegd op 2 april 2021.

    • 34 J. Billiet, K. Abts & M. Swyngedouw, De evolutie van de kerkelijke betrokkenheid in Vlaanderen tijdens de voorbije twee decennia en het verlies van vertrouwen in de kerk in het bijzonder tussen 2009-2011, KULeuven, Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (IPSO) 2013, online geraadpleegd op 2 april 2021 van https://soc.kuleuven.be/ceso/ispo/downloads/ISPO%202013-1%20De%20evolutie%20van%20de%20kerkelijke%20betrokkenheid%20in%20Vlaanderen.pdf.

    • 35 Daarnaast gaf 20% van de ondervraagden aan ‘geen mening’ te hebben over dit onderwerp.

    • 36 P. van Sasse van Ysselt, ‘Financiële verhoudingen tussen overheid, kerk en religieuze organisaties’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 66. Zie ook P. van Sasse van Ysselt, ‘Public Funding of Religious Organizations in the Netherlands’, in: F. Messner (red.), Public Funding of Religions in Europe, Dorchester: Ashgate 2015, p. 27; S.C. van Bijsterveld, ‘State and Church in the Netherlands’, in: G. Robbers (red.), State and Church in the European Union, Baden-Baden: Nomos, p. 370.

    • 37 Van Sasse van Ysselt 2013, p. 66.

    • 38 Van Sasse van Ysselt 2013, p. 67.

    • 39 Van Sasse van Ysselt 2013, p. 67.

    • 40 Van Sasse van Ysselt 2013, p. 68.

    • 41 Staatsblad 1983, 638: Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk (7 december 1983, in werking vanaf 1 januari 1984, met uitzondering van art. 4, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1994).

    • 42 Zie hiervoor lid 7 van grondwetsartikel 23: ‘Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.’

    • 43 Cijfers online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/03753/table?ts=1589787589945.

    • 44 ‘De boeddhistische school die er nooit kwam’, Boeddhistisch Dagblad 30 december 2016, online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://boeddhistischdagblad.nl/interviews/78572-78572/.

    • 45 Dit voorbeeld illustreert hoe het napoleontische erkennings- en financieringssysteem toch niet helemaal is verdwenen in Nederland, maar in de uithoek van het bijzonder onderwijs is blijven voortbestaan. Immers, om als school erkend en gesubsidieerd te worden moest men tot voor kort als ‘richting’ erkend worden door de overheid. Daar het boeddhistisch onderwijs, op advies van de onderwijsraad, niet erkend werd, maakte de betreffende school geen aanspraak op overheidssubsidies en is ze er bijgevolg (nog) niet gekomen. Recentelijk (op 21 juni 2021) werden de criteria om een bijzondere school te stichten echter verbreed (regeling van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17898051, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs, online geraadpleegd op 30 april 2021 van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-46176.html), waardoor het ook mogelijk wordt een school te stichten op basis van belangstelling van ouders en leerlingen (en dus niet op basis van het gegeven of een levensbeschouwing al dan niet erkend wordt als richting).

    • 46 Wet op het primair onderwijs, online geraadpleegd op 18 maart 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0003420/2019-08-01.

    • 47 Wet op het voortgezet onderwijs, online geraadpleegd op 7 april 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0002399/2020-11-01.

    • 48 Rijksoverheid, Besluit wijziging bekostiging godsdienstonderwijs openbare scholen, online beschikbaar via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2018/06/06/besluit-wijziging-bekostiging-godsdienstonderwijs-openbare-scholen, geraadpleegd op 8 april 2021.

    • 49 Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden, Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs, en Media van 6 juni 2019, nr. PO/1219075, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen (Regeling subsidie­verstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs), online geraadpleegd op 8 april 2021 van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-35736.html.

    • 50 Geraadpleegd op 2 april 2021 van www.vormingsonderwijs.nl/.

    • 51 In april 2019 stemde het Belgische Parlement ermee in om art. 24 van de Belgische Grondwet open te stellen, wat een noodzakelijke voorwaarde was om dat artikel tijdens de huidige legislatuur te kunnen herzien. Een dergelijke herziening zou onder meer kunnen zorgen voor een wettelijke minimumleeftijd voor het volgen van levensbeschouwelijke vakken, een minimum aantal leerlingen dat vereist is om een levensbeschouwelijk vak in te richten op de officiële school, een beperking van het aantal in te richten levensbeschouwelijke vakken, of een afschaffing van het huidige systeem. Het voorstel om art. 24 open te stellen voor herziening werd goedgekeurd door de Kamer, maar werd vervolgens tegengehouden door de Senaat: met een ex aequo van 24 stemmen voor en 24 stemmen tegen werd de vereiste meerderheid net niet bereikt. Bijgevolg blijven de Gemeenschappen in België voorlopig gebonden aan het huidige art. 24 en is er maar weinig manoeuvreerruimte wat betreft de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs.

    • 52 Anders dan in België is er in het Nederlands onderwijs ook vanuit een niet-confessioneel buitenperspectief expliciet aandacht voor diverse levensbeschouwelijke tradities. Zo heeft het ministerie van Onderwijs in 1985 een kerncurriculum geestelijke stromingen opgesteld voor het basisonderwijs, waarbij de focus voornamelijk ligt op de vijf grote ‘wereldreligies’ en het humanisme. Daarnaast zijn ook secundaire scholen verplicht leerlingen inzicht te verschaffen in cultuur en levensbeschouwing en in diverse levensbeschouwelijke stromingen (Kerndoel 43), maar uit onderzoek blijkt dat deze thema’s slechts sporadisch aan bod komen (M. Beemsterboer, ‘Geloven in Onderwijs. Het kennisgebied geestelijke stromingen in het Nederlands basisonderwijs’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2011-3, p. 17-30). Om deze lacune op te vullen wordt er momenteel gewerkt aan een ‘Basiscurriculum Levensbeschouwing en Religie’ voor het voortgezet onderwijs (bijzonder en openbaar). Een eerste aanzet voor zo een curriculum is terug te vinden in M.A. Davidsen, ‘Voorstel basiscurriculum Levensbeschouwing en Religie’, Narthex 2020, p. 15-26, en zal, na diverse consultatierondes met onder meer docenten en opleiders verder ontwikkeld worden.

    • 53 Andere vormen van indirecte overheidsfinanciering voor religies/levensbeschouwingen in Nederland zijn: de subsidiëring van het bijzonder onderwijs, de subsidiëring van kerken/gebedshuizen als nationaal cultureel erfgoed, de subsidiëring van sociale activiteiten georganiseerd door religieuze organisaties, de financiering van zendtijd voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties, en het belastingvoordeel dat religieuze organisaties genieten. Voor een overzicht, zie Van Sasse van Ysselt 2013, p. 70-83; Van Sasse van Ysselt 2015, p. 30-44.

    • 54 Penitentiaire beginselenwet, online geraadpleegd op 8 april 2021 van https://wetten.overheid.nl/BWBR0009709/2021-01-01.

    • 55 Dienst geestelijke verzorging, Boeddhistische geestelijke verzorging, online geraadpleegd op 8 april 2021 van www.dji.nl/over-dji/landelijke-diensten/dienst-geestelijke-verzorging/boeddhistische-geestelijke-verzorging.

    • 56 Van Bijsterveld 2018, p. 53.

    • 57 Zo werd bijvoorbeeld in 2007 het Contactorgaan Moslims en Overheid door het ministerie van Justitie erkend als zendende instantie en gebeurde dat een jaar later voor de Boeddhistische Unie Nederland.

    • 58 N. van Zessen & B. Koolen, ‘Geestelijke verzorging in de gevangenis’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2013-1, p. 31-32. Zie ook Van Bijsterveld, ‘State and Church in the Netherlands’, p. 386-387; Van Sasse van Ysselt 2013, p. 74-75; Van Sasse van Ysselt 2015, p. 34-35.

    • 59 J. Rawls, A Theory of Justice, Cambridge MA: Harvard University Press 1971.

    • 60 R. Dworkin, A Matter of Principle, Cambridge, MA: Harvard University Press 1985.

    • 61 W. Kymlicka, Contemporary political philosophy. An introduction, New York: Oxford University Press 2002, p. 216.

    • 62 Rawls 1971, p. 62.

    • 63 Rawls 1971, p. 62, 90-95.

    • 64 Rawls 1971, p. 97.

    • 65 Rawls 1971, p. 267.

    • 66 Bijv. R. Nozick, Anarchy, State and Utopia, New York: Basic Books 1974; C. Kukathas, The Lilberal Archipelago, Oxford: Oxford University Press 2003.

    • 67 B. Colburn, Autonomy and liberalism, New York: Routledge 2010, p. 84-86.

    • 68 J. Raz, The Morality of Freedom, Oxford: Oxford University Press 1986, p. 398.

    • 69 Zie voor deze voorwaarden L. Franken, Liberal Neutrality and State Support for Religion, p. 79-84; Geld voor je God? De financiering van levensbeschouwingen in België, Brussel: UPA 2017, p. 45-47.

    • 70 C. Soper, K. den Dulk & S. Monsma, The Challenge of Pluralism: Church and State in Six Democracies, Lanham, Maryland: Rowman & Littlefield Publishers 2017, p. 114.

    • 71 Maex, Zou een erkenning van het boeddhisme wijsheid zijn?.

    • 72 Art. 41 lid 1 Penitentiaire beginselenwet.

    • 73 Van Zessen & Koolen 2013, p. 33.