1573806x_omslag108px
Rss

StAB

Meer op het gebied van Bestuursrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 1, 2011 Alle samenvattingen uitklappen
Artikel

Parkeren en het omgevingsrecht

Auteurs Eefje M. van Bommel en Fikriye Güner
SamenvattingAuteursinformatie


Eefje M. van Bommel
Mr. Eefje M. van Bommel MRE is werkzaam als advocaat bij Gijs Heutink Advocaten te Amsterdam.

Fikriye Güner
Mr. Fikriye Güner is werkzaam als advocaat bij Gijs Heutink Advocaten te Amsterdam.

    Tegen een besluit dat is genomen na vernietiging van een eerder besluit kunnen door dezelfde appellant in beginsel geen nieuwe beroepsgronden worden ingebracht.

    Een algemeen verbindend voorschrift zoals een verordening kan onverbindend zijn indien sprake is van strijd met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Bij de toetsing van de gemeentelijke geurverordening beoordeelt de rechter slechts of de belangenafweging door het bevoegd gezag niet onevenwichtig is geweest.

    Wijziging/aanvulling aanvraag die ná terinzagelegging ontwerpbesluit plaatsvindt moet bij het besluit worden betrokken indien derden hierdoor niet worden benadeeld.

    Ondanks feitelijke bewoning pand is dit geen geluidgevoelig object nu ten tijde van besluit sprake was van een voornemen tot beëindiging van de illegale bewoning (handhaving) die als toekomstige ontwikkeling bij het besluit tot vergunningverlening kon worden betrokken.

    Gerechtvaardigde spoedeisende bestuursdwang ten aanzien van woonboot die als gevolg van brand is gezonken. Appellant heeft nagelaten maatregelen te treffen die olieverspreiding voorkomen. Niet aannemelijk gemaakt door appellant dat sprake is van détournement de pouvoir.

    Verweerder heeft geen grond om het advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen niet te volgen.

    Ondanks de wijziging van het besluit ten opzichte van het ontwerp is het verzuim om zienswijzen in te brengen niet verschoonbaar nu appellanten door deze wijziging niet zijn benadeeld.

    Dat woonboten geen geluidgevoelig object zijn in het kader van de Wet geluidhinder betekent niet dat de geluidsbelasting niet bij het besluit betrokken hoeft te worden.

    Artikel 1.6 en 1.6a van de Crisis- en herstelwet zijn niet in strijd met het EVRM en het Verdrag van Aarhus.

    Van rechtswege ontstane beroepen tegen herstelbesluit – na toepassing bestuurlijke lus – worden geacht te zijn ingetrokken nu appellanten zich in het herstelbesluit kunnen vinden.

    Een dreigende calamiteit is voldoende grond voor het bevoegd gezag om een aanwijzing te geven op grond van de ontgrondingsvergunning.

    Ten gevolge van (uitleg) overgangsrecht Wabo is niet de Afdeling bestuursrechtspraak maar de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het geschil.

    Kinderboerderij is een landbouwinrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Er is sprake van vergunningplicht.

    Geen sprake van een gpbv-installatie (ippc-installatie); verweerder heeft in redelijkheid kunnen aannemen dat er geen noodzaak bestaat om een controlevoorschrift aan de vergunning te verbinden.

    Voor de vraag of er op grond van artikel 6.12, eerste en derde lid van het Activiteitenbesluit voor een horeca-inrichting hogere geluidsgrenswaarden van toepassing zijn, is het moment van feitelijke oprichting van de inrichting bepalend en niet het moment waarop er sprake is van een vergunningplichtige inrichting.

    Geen concreet zicht op legalisatie door ontbreken bouwvergunning. Geen schending van vertrouwensbeginsel.

    De geluidbelasting in het stiltegebied is onvoldoende onderzocht.

    Bij het bepalen van de ‘capaciteit’ van een installatie dient te worden uitgegaan van de maximaal realiseerbare capaciteit.

    MER-richtlijn noch arrest Hof van Justitie EG vereisen een mer-beoordeling voor het houden van geiten.

    Aan een eerder verleende vergunning kunnen bestaande rechten worden ontleend, ongeacht of er gebruik van is gemaakt.

    Verbeurte van dwangsom vloeit direct voort uit de wet; geen sprake van een besluit.

    Er is geen rekening gehouden met samenloop van geluidsbronnen, in dit geval cumulatie van spoorweg- en wegverkeerslawaai.

    Bij het bepalen of sprake is van concreet zicht op legalisatie kan geen onderscheid worden gemaakt tussen een oprichtingssituatie en een wijzigingssituatie.

    Onvoldoende onderzocht of garage als geurgevoelig object is aan te merken.

    Vernietiging maatwerkvoorschrift nu is gebleken dat dit niet naleefbaar is.

    Op gezoneerd industrieterrein gevestigde bedrijven zijn als belanghebbende aan te merken.

    Ondanks intrekking van de vergunning bij het besluit op bezwaar is er nog steeds sprake van belang en van een besluit in de zin van de Awb.

    Omgevingsvergunning voor vuurwerkbunkers is in strijd met het bestemmingsplan.

    Doorwerking reconstructieplan. Weigering om projectbesluit te nemen is onvoldoende gemotiveerd.

    Eisen gesteld aan bestuurlijk overleg ex artikel 10 Bro 1985.

    Terinzagelegging van schriftelijke stukken.

    Beperkingen ten aanzien van erfafscheidingen gerechtvaardigd. Geen strijd met het recht.

    Toepassing Wgv. Toetsing algemeen verbindend voorschrift uit geurverordening.

    Eenmaal verleende bouwvergunningen. Tegelenjurisprudentie is ook bij de Wro relevant.

    Overgangsrecht Wro inzake cbb in partiële streekplanherziening.

    Verzoek om ontheffing van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Belang verzoekster. Opdracht aan gemeenteraad om aanvraag in te dienen.

    Artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet niet van toepassing bij bestemmingsplan dat eerst moet worden uitgewerkt.

    Strijd met de eisen vastgelegd in de welstandsnota vormt een weigeringsgrond voor de omgevingsvergunning.

    Geen concreet bouwvoornemen. Verzoek van eiser om wijziging van de bestemming van het perceel ten onrechte aangemerkt als een verzoek tot het nemen van een projectbesluit.

    Reactieve aanwijzing. Wetsgeschiedenis. Vereisten toepassing. Hoogte antennemasten provinciaal belang.

    Verwijzing naar provinciaal beleid. Geen zelfstandig oordeel van de gemeente.

    Geluidsoverlast als gevolg van gebruik van schoolplein na schooltijd ten onrechte niet onderzocht.

    Eisen gesteld aan bestuurlijk overleg ex artikel 10 Bro 1985 in geval van geringe gevolgen

    Besluit tot vrijstelling ex artikel 19 WRO op basis van voorbereidingsbesluit dat op grond van de Wro is genomen.

    Woningbehoefte is, mede gelet op de crisis, niet voldoende aangetoond.


Tonny Nijmeijer

    Criteria bestuurlijk overleg. Opdracht aan gemeente om alsnog te overleggen.

    Toetsing aan provinciale milieuverordening. Beschikbaarheid ontheffing hoeft niet als voorwaarde in de regels inzake wijzigingsbevoegdheid.

    Risico’s voor volksgezondheid geen belemmering voor vestiging van een intensieve veehouderij.

    Belang appellanten bij behandeling bezwaar inzake aanwijzing artikel 13 WRO als gevolg van Chw vervallen.

    Verwijzing naar provinciaal beleid. Geen zelfstandig oordeel van de gemeente.

    Kwalificatie van kerkcomplex als topmonument. Rechtbank wijst complex aan als rijksmonument.

    Besluit m.e.r. 1994. Berekening van de oppervlakte van een bedrijventerrein.

    Uitzicht. Bestemming alleen aanvaardbaar als in het plan een voorschrift is opgenomen dat de aanleg en de instandhouding van een beplantingshaag garandeert.


Tycho Lam

    Bij de toekenning van de planschade is reeds invulling gegeven aan de objectief bepaalbare nadelige invloeden van het rouwcentrum, te weten overlast veroorzaakt door rouwenden en psychische schade ten gevolge van de aanwezigheid van een rouwcentrum.

    Jurisprudentie gericht op het nemen van een planologische maatregel is niet van betekenis bij het besluit op een verzoek om vergoeding van planschade naar aanleiding van een zodanige maatregel.

    Artikel 7:9 van de Awb brengt met zich dat [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartijen sub 3] en ProRail, alvorens het besluit van 7 juli 2009 werd genomen, in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld van de adviezen kennis te nemen en daarop desgewenst te reageren.

    Planschade. Bij de planologische vergelijking van de maximale hinder dient te worden uitgegaan van de specifieke feitelijke situatie.


Berthy van den Broek