DOI: 10.5553/TCC/221195072016006002007

Tijdschrift over Cultuur & CriminaliteitAccess_open

Artikel

Interview met Peter Cohen

Trefwoorden Peter Cohen, drug policy, CEDRO, drug research, emancipation
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
dr. Damián Zaitch en prof. Dr. Tom Decorte. (2016). Interview met Peter Cohen. Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit (6) 2, 97-106.

Dit artikel wordt geciteerd in

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TCC/TCC_2016_2

      Hij schrijft al tien jaar bijna niets meer over drugs, maar toch blijft Peter Cohen een van de belangrijkste, meest radicale denkers en onderzoekers in Nederland op het terrein van drugsgebruik en drugsbeleid. Hij werd geboren in Haarlem in 1942 en studeerde in de jaren 1960 sociologie en sociale psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daar was hij in de jaren 1980 directeur van het Drugs Research Program en in de jaren 1990 directeur van het Centrum voor Drugsonderzoek (CEDRO). Peter Cohen is een ‘significant other’ in het ontwikkelen van toentertijd nieuwe inzichten in de aanpak van drugs in Nederland en Europa. Hij adviseerde en werkte samen met autoriteiten en (internationale) organisaties, van de Gemeente Amsterdam tot de World Health Organisation (WHO). Hij speelde een belangrijke rol in de oprichting van het EMCDDA (European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction). Zijn proefschrift ‘Drugs as a Social Construct’ uit 1990 kreeg veel weerklank, en in 1993 ontving hij de prestigieuze Lindesmith Award van de Amerikaanse Drug Policy Fundation. Peter Cohen woont sinds zijn pensionering in 2007 in Frankrijk, maar hij pendelt nog regelmatig naar Amsterdam. In december 2015 maakte hij een tussenstop in Gent om ons te woord te staan.

    • Door die kleuren ben ik toen geverfd

      TD: Peter, wil je es iets vertellen over het nest waaruit je afkomstig bent?
      PC: Mijn ouders zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog in Alphen aan den Rijn ondergedoken en ze zijn daar blijven wonen na de oorlog. Ik ben opgegroeid op een boerderij en ik ben pas in augustus na de oorlog weer bij mijn biologische ouders terechtgekomen. Toen ik zes jaar was, in 1948, zijn we naar Amsterdam verhuisd. Zo werd ik dus een stadsmens, een Amsterdammer. In de eerste klas van de middelbare school noemde mijn Franse leraar mij ‘dat jongetje met het Amsterdamse accent’. Ik praatte kennelijk nogal hard. Ik zat op het Spinoza Lyceum. Spinoza is later een van mijn helden geworden, maar toen wist ik helemaal nog niet wie Spinoza was. Dat was een hele sjieke en degelijke school. Niet dat onze generatie de wereld écht heeft verbeterd, maar wij hebben wel erg goede opleidingen gehad. Daarna ben ik sociologie gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. En ik koos ook voor sociale psychologie, omdat ik de combinatie van de vakken – economie, politicologie, sociologie en psychologie – wel een goed mengsel vond. Ik ben dus in de jaren 1960 gaan studeren en ik ben er in 1967 mee opgehouden. Toen werd ik voorzitter van de Algemene Studentenvereniging Amsterdam (ASVA). Ik ben pas in 1969 afgestudeerd, dus ik heb bij elkaar negen jaar aan de universiteit ingeschreven gestaan.

      TD: Je doctoraat verscheen pas in 1990, toen werkte je dus al 20 jaar aan de universiteit?
      PC: Ja, ik heb eerst nog een beurs gehad van twee jaar van de OECD om wetenschapsbeleid te bestuderen in Parijs. Dat was een prachtbeurs, zoveel geld had ik nog nooit gehad, en ik heb ook waanzinnig veel geleerd. Een heleboel hoogleraren waren toen als parttimers net bezig met het ontwikkelen van wetenschapsbeleid en na de ASVA-periode, had ik, samen met een paar anderen, een bond opgericht, de Bond voor Wetenschappelijke Arbeiders, de BWA. Daar heb ik vier jaar gewerkt. Wij wilden zo’n bond oprichten, omdat we de wetenschappers ervan wilden overtuigen dat ze in de termen van Marx gewoon proletariaat waren. Dus na de studentenvakbeweging ben ik gewoon dóór gegaan. Ik dacht: de afgestudeerden moeten ook een vakbeweging hebben! Dat was heel marxistisch. Ik ben heel mijn leven een marxist geweest (glimlacht). Ik heb me nooit bij de communisten aangesloten, maar het marxisme heb ik altijd een hele inspirerende manier van sociologie bedrijven gevonden. Voor mij is Marx in eerste instantie een socioloog, en in mindere mate een econoom. Ja, door die kleuren ben ik toen wel geverfd. De Frankfurter Schule was voor mij heel belangrijk. Daardoor ben ik me ook heel hard gaan interesseren voor de psychoanalyse. Die combinatie vond ik heel boeiend, maar zij is nu bijna verdwenen. De psychoanalyse is niet modieus meer, wat ik heel goed kan begrijpen, want het is een wonderlijke vorm van mythologie. En het marxisme is echt helemaal uit de mode.

      TD: Hoe belandde een jonge, marxistisch geïnspireerde socioloog uiteindelijk bij het onderwerp drugs?
      PC: Kijk, de eerste tijd aan de universiteit heb ik me beziggehouden met ‘maatschappelijke bewustwording’ en ‘activisme’, dat vond ik heel interessant. Ik vroeg me af: wat is dat dan, ‘maatschappelijk bewustzijn’? Hoe ontstaat dat? Ik noemde het nog geen constructie, maar als marxist probeerde ik alles af te leiden uit de bestaande feitelijke omstandigheden, waarin mensen moesten overleven. Ik was toen al gefascineerd door de vraag hoe je zoiets moest beschrijven. Ik heb een tijdje het psychoanalytische jargon gebruikt om bepaalde dingen te beschrijven, en het marxistische jargon, en later ook andere vormen van sociologisch jargon. Maar ik heb mijn ideeën nooit opgehangen aan één enkel jargon.
      Ik heb me toen een tijdje beziggehouden met het ‘ik’. Wat bedoelen mensen nou als ze het over ‘ik’ hebben? Als psychiaters over iets praten, waar praten ze dan over? En ik vond het allemaal flauwekul wat ze vertelden. Wel leerde ik veel van Paul Parin, een ethnopsychiater met een zeer marxistisch en etnocultureel perspectief. Als ik gewone psychiaters hoorde over ‘ziektes’, dacht ik al, als je naar de geschiedenis van de psychiatrie kijkt, met steeds elkaar opvolgende verhalen over ‘ziek gedrag’, hoe kunnen jullie dan de nu geldende verhalen zo bloedserieus nemen? Toen heb ik me nog korte tijd in een ander onderwerp gestort: de geschiedenis van de werkloosheid. Ik wilde wel eens weten wanneer de werkloosheid nu eigenlijk ontstond. Vroeger waren de mensen niet werkloos. De werkloosheid is begonnen met het kapitalisme. Daar hield ik dan werkgroepen over met studenten. En op een dag kwam er een student langs, een wonderlijk type uit de culturele sfeer waar ik nooit omgang mee had. Je had in Amsterdam die geprivilegieerde bourgeoisie waar ik bij hoorde: lange haren, The Rolling Stones, Vivaldi, Concertgebouw… En daarnaast had je de arbeidersjeugd: bromfietsen, volkszang, cafés …. Daar had ik nooit mee te maken gehad. En toen kwam er een student uit dat milieu, een arbeidersjongen, en die bleek later een intensieve gebruiker van amfetamine te zijn. Die vertelde mij dat en ik vond het prima, ik had er ook helemaal geen negatieve oordelen over. En die vroeg me: ‘Hoe komt het nou dat bepaalde stoffen verboden zijn geraakt en anderen niet?’ Dat vond ik een heel valide vraag, en ik zei hem: ‘Als we nou tien mensen kunnen vinden voor een werkgroep daarover, dan houd ik me de aankomende twee jaar met dat onderwerp bezig.’ En dat hebben we toen gedaan.

    • Drugsonderzoek voor de Amsterdamse politieke elite

      DZ: Had je zelf ook ervaring met drugs of was het een pure intellectuele interesse?
      PC: Nee, nee, het historiseren van het probleem was toen al aan de gang. Waar komt de werkloosheid vandaan? Waar komt de manier waarop wij over ‘ik’ praten nou eigenlijk vandaan? Ik had dus helemaal geen moeite om al die theorieën over verslaving en drugs als modieuze constructies te herkennen. Ik zag meteen dat dat gewoon flauwekul was. En dat hebben we toen ook zo uitgewerkt met die werkgroep. En wij kwamen terecht in een debat dat zich in het begin van de jaren tachtig in Amsterdam afspeelde. Dat debat werd geleid door een stel mensen uit de ‘oude stad’, de buurt met de Wallen, de bordelen. Een aantal gangmakers uit de oude stad wilde graag iets doen voor de junks die in dat stadsdeel leefden. Ze zeiden: ‘Die junks leven op een manier, dat is niet goed voor die mensen, wij moeten daar iets aan verbeteren. En de manier waarop de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst, nvdr) over het algemeen met deze levensstijl omging, is niet goed voor ze.’ En de GGD in Amsterdam is na enige weerstand als eerste GGD in Nederland overgegaan tot het leveren van spuiten aan de junks. In die tijd gebruikte ik zelf nog het woord ‘junk’. Maar ik wist helemaal niet wat voor mensen dat waren. Dus ik ben toen samen met die studenten begonnen om die groep druggebruikers te bevragen.
      Ik ben ook heel veel naar de Medische Dienst Heroïnegebruik geweest, de MDHG, onder leiding van August De Loor. Die hadden van een Amsterdammer een huis gekregen, waar al die junks bij elkaar mochten komen en waar je ook mocht spuiten en waar je ook heroïne kon kopen. Daar heb ik veel van die intensieve druggebruikers leren kennen. Ik had goede gesprekken met ze en begreep snel wat hen dreef. Ik voelde me ook meteen solidair met ze. Ik heb altijd gevonden dat mensen met deze levensstijl het volste recht hadden om voor die levensstijl te kiezen en dat de nadelen van die levensstijl veel meer door de prohibitie werden gedetermineerd dan door de stoffen die ze gebruiken. Ik heb mezelf toen ook geleerd om heroïne te roken en ook om een paar keer heroïne te spuiten. Ik wou niet die klassieke afstand tussen mezelf en die gebruikersgroep. Maar ik heb heroïne nooit lekker gevonden. Dat heb ik ook altijd gezegd tegen die jongens: ‘Ik begrijp niet wat jullie eraan vinden, hoor. Dat suffige, dat dromen een beetje, wat is daar nou leuk aan?!’ en dan legden ze me dat uit. En dan begreep ik het. Ze zeiden: ‘Als ik niet zo suffig ben, dan durf ik bijna niet op straat.’ Of: ‘Als ik niet gebruik, dan maak ik met iedereen ruzie. En dan is mijn leven erger.’ Ze hadden dus allemaal een soort van functionaliteit, waardoor ze aan de werking van die stoffen gehecht waren geraakt. En ik had nooit iets tegen die functionaliteit, ik vond die functionaliteit prima.
      Het waren bijna allemaal heroïnegebruikers, die later crackgebruikers werden. Of ze gingen combineren. Die werden dan ‘polydruggebruikers’ genoemd. Dat vond ik toen al een krankzinnige term. Op een gegeven moment hebben die interessante en dappere bewoners van de oude stad onze groep gevraagd om een plan te maken dat ze bij de GGD en de gemeente konden indienen, opdat de junks uit hun buurt ten minste gewoon heroïne konden krijgen, bij de apotheek of bij hen of bij de bakker. Het kon ze niet schelen waar. Maar die criminele markt waar zij last van hadden, moest verdwijnen. Ze hadden veel minder last van de junks dan van de markt eromheen. Ik heb dat plan toen samen met die intensieve amfetaminegebruiker, die arbeidersjongen, geschreven. Dat sloeg in als een bom, deels omdat wij zo makkelijk spraken over de onzin van die theorieën over heroïne. Ik legde uit dat al de ellende die die mensen meemaken, helemaal niet door die heroïne werd veroorzaakt, maar door het beleid dat we voerden. ‘Als wij dat beleid veranderen en die mensen gewoon de heroïne geven die ze voor hun bestaan nodig hebben, dan zul je zien dat ze ook allerlei andere dingen gaan doen.’

      TD: Waren jullie de enigen die zo’n discours in Nederland hielden?
      PC: Ja, wij hebben dat discours verwetenschappelijkt. Dat was natuurlijk wel wat. Ik heb toen bijvoorbeeld het werk van Craig Reinarman leren kennen. Craig had met Dan Waldorf gestudeerd. Die heb ik later heel goed leren kennen, een inspirerende man. En Craig had samen met Dan een studie gedaan over een morfinekliniek in de VS (Waldorf et al., 1974). Daar konden mensen die morfine gebruikten, zich aanmelden, want toen was heroïne er nog nauwelijks. Ze kregen daar gewoon morfine. Ze hebben toen de ex-directeur van die kliniek opgespoord en geïnterviewd, en daar heb ik veel van geleerd. Hoe die man volkomen normaal sprak over de mensen die naar zijn kliniek kwamen. Geen spoor van venijn of van een denigrerende toon over de levensstijlen waarin deze stoffen een rol spelen. Ik dacht: ja, zo moet je er naar kijken. Ik had al dat gevoel, maar het was heel mooi om dat geschreven te zien.
      Aan die studie van Waldorf hebben wij het jargon kunnen ontlenen om een plan voor gereguleerde heroïneverstrekking te schrijven. Zulke stukken waren er nog niet in Nederland, misschien zelfs in heel Europa niet, dat weet ik niet. Dat plan hebben we met de Gemeenteraad besproken, en die stond perplex. Ik heb toen voorgesteld om met alle fracties van de Gemeenteraad gesprekken te houden en dat is een hele leuke periode in mijn leven geweest. Soms hebben we drie dagen lang gepraat: over waarom legale toegang tot heroïne goed zou zijn voor de stad Amsterdam en voor de buurtbewoners, maar ook voor de mensen met deze levensstijl. En het moest beschikbaar zijn in de vorm die de mensen zelf prefereerden: voor wie het spoten, voor wie het snoven en voor wie het rookten.
      Die tachtiger jaren waren heel interessante tijden, want de burgemeester uit die tijd, dat was Ed van Thijn. Ik kon heel goed met hem opschieten. Het was een intellectueel ruimdenkende man. Ik heb een keer voor hem een stuk over cocaïne geschreven, want hij wist niks van cocaïne. Dat is mijn allereerste cocaïnepublicatie geworden, daardoor ben ik eigenlijk heel geïnteresseerd geraakt in de stof cocaïne en het stelsel van theorieën eromheen.
      Er was toen een cultureel en politiek klimaat waarin je nieuwe dingen en nieuwe manieren van kijken openlijk met de politieke elite kon bespreken. Zij wisten ook niet hoe je met die problemen moest omgaan; het was allemaal nieuw. Cannabis was een gespreksonderwerp geworden in de zestiger jaren; daar heeft Louk Hulsman heel veel invloed op gehad, maar in het begin van de jaren zeventig was heroïne een nieuw fenomeen in Amsterdam. Ik had toen een nauwe band met de politieke elite van de stad Amsterdam. Wij bouwden wel een datasysteem op om te weten hoeveel mensen er aan tuberculose lijden en/of sterven, maar voor drugsgebruik hadden we zoiets niet?! Dus, waarom zouden we geen systeem ontwerpen om op continue basis basisgegevens over druggebruik in de stad te verzamelen? De Gemeente Amsterdam vroeg mij een nota daarover te schrijven. Louk Hulsman had een nota geschreven waarin hij pleitte voor decriminalisering van drugs. En dat was gebaseerd op een onderzoek van Herman Cohen, een jonge medisch socioloog. Hij ging, net als ik, praten met druggebruikers. Hij volgde die mensen en hij beschreef hoe bepaalde patronen van druggebruik heel stabiel konden zijn. Hij stelde vast dat mensen die aan de cannabis gingen, later niet per definitie heroïnejunks werden. Er waren er wel een paar, maar de meeste hielden zelfs gewoon op met cannabis. Dat was de empirische basis voor een aantal van de cruciale stellingen van Louk Hulsman: als je drugs criminaliseert, jaag je gebruikers in een hoek waar hun leven vrijwel onmogelijk is, dan maak je een puinhoop. Mijn stelling was: doe voortdurend onderzoek van topkwaliteit en verzuip niet in gebrek aan empirie.

    • Hulpverlening en emancipatie

      DZ: Veel van je drugsonderzoeken zijn grootschalige, kwantitatieve surveys, maar je praat veeleer als een etnograaf…
      PC: Kijk, de ideeën waarmee je een vragenlijst opstelt, de ideeën waarmee je een onderzoeksveld betreedt, die zijn er niet meteen, die worden langzaam geboren. Mijn ideeën over drugs en de manieren waarop je er naar kunt kijken, zijn niet alleen geboren in mijn persoonlijke omgeving, waarin cannabis en LSD een rolletje speelden, maar die zijn ook geboren uit mijn gesprekken met die veel toegewijdere gebruikers. Die verkeerden in een leefomgeving waarin zij gedwongen werden om hun hele bestaan rondom het verschaffen en gebruiken van drugs te organiseren. Ik wou niet luisteren naar wat de psychiaters bij de GGD over die mensen te zeggen hadden, ik wou zelf met die mensen praten. Ik keek naar hun gebruik, en beluisterde hun verhalen over die artsen bij de GGD. Ze vertelden mij hoe ze die lieden voor de gek hielden en ik vond het prima wat ze deden, want ik geloofde toch niet in dat neerbuigende hulpverleningsjargon.
      Ik heb dat jargon altijd verschrikkelijk gevonden en ik nam het die mensen ook lang kwalijk, maar daar ben ik in de laatste jaren wel van teruggekomen. Het zijn geen bedriegers, maar gewoon arme sodemieters die een baantje hebben. Neurobabbelaars die zich alleen kunnen handhaven binnen een bepaald jargon.

      TD: Toen ik je een aantal jaren geleden sprak, leek je heel erg ontmoedigd door al die discussies met hulpverleners, bureaucraten en neurologen. Je leek zelfs wat uitgeblust…
      PC: Ik dacht: als mensen zoals ik kunnen inzien dat het allemaal flauwekul is, waarom zij dan niet? Ik nam het hen kwalijk dat ze in de hulpverlening bléven werken, en al die arme mensen in een afschuwelijk disciplinerend en denigrerend systeem hielden. Ik ben natuurlijk altijd een activist gebleven. Als je een beetje kan bijdragen aan een rechtvaardiger maatschappij, dan doe je iets nuttig. Geld verdienen heb ik nooit nuttig gevonden. Ik wou alleen maar bijdragen aan meer rechtvaardigheid, dat was mijn hobby. Daar heb ik ook altijd mijn werk op ingedeeld. Ik moest zorgen voor mezelf dat er bepaalde soort emancipatie dichterbij kwam. Ik heb altijd gedacht: het emanciperen van drugsgebruik is mogelijk. Om daarvoor argumenten te kunnen aandragen moest je een beter verhaal kunnen vertellen dan het diaboliseren van drugs. En ik dacht dat te kunnen vinden door rigoureus wetenschappelijk onderzoek bij druggebruikers te doen. Later heb ik natuurlijk ingezien dat sommige emancipatiebewegingen eeuwen duren. En geen ‘academische’ grondslag hebben.

    • Een vijandig lichaam

      TD: Wij functioneren duidelijk in een andere tijdsgeest dan die waarin jij je academische loopbaan uitbouwde. Heb je de academische cultuur doorheen je loopbaan zien veranderen?
      PC: Ja, ik heb het zien veranderen, en dat heeft mij veel leed gebracht. Je moet niet vergeten dat ik, toen ik aan de universiteit begon te werken, al de mensen in het College van Bestuur kende, uit de studentenvakbeweging of van politieke partijen. Ik had dus een bijzonder nuttig netwerk binnen de universiteit en kon over de hoofden van directeuren en decanen gewoon mijn dingen regelen. Maar op het moment dat je netwerk verdwijnt en er andere mensen komen met andere geschiedenissen en ideeën, dan wordt je een vijandig lichaam in dat netwerk. En dat werd ik ook steeds meer, vanaf midden de jaren tachtig. Het werd steeds erger. Met het CEDRO [Centrum voor Drugsonderzoek, nvdr] heb ik nog mazzel gehad, want ik kende toen nog genoeg mensen om dat tot ontwikkeling te kunnen brengen en om aan geld te komen. Wij verstookten ongeveer een miljoen gulden per jaar aan onderzoek in het CEDRO. Ik maakte meer geld op in mijn eentje dan de rest van de faculteit. Dat was omdat de drugsproblematiek nieuw was en de mensen die mijn manier om oude jargons te doorbreken, konden volgen en daar ook in geïnteresseerd waren, zaten op de plekken waar de beslissingen vielen. Maar op een bepaald moment vertrokken zij …

      DZ: En toen deden de managers hun intrede …?
      PC: Ja, ik heb die managers zien opkomen eind jaren 1980, begin jaren 1990. Ik rolde er steeds tussendoor, maar tegen het einde van de jaren 1990 was mijn tijd echt voorbij. Als je niet beschikt over directe lijnen naar beslissingsmensen, dan kom je terecht in een verstikkende bureaucratie. En die kunnen met je doen wat ze willen.

      DZ: Je hebt al een paar mensen genoemd, maar aan welke buitenlandse collega’s heb je de beste herinneringen?
      PC: Ik kende bijna iedereen in Europa. En veel mensen van daarbuiten. Vanaf 1987 was er een groep binnen de Raad van Europa, de zogenaamde Pompidougroep, dat was een groepje specialisten omtrent drugs. Daar zaten vertegenwoordigers voor de grote steden, dus iemand uit Lissabon, Parijs, Barcelona, Athene, Berlijn, enzovoort. Dat was de voorloper van het EMCDDA (het European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addictions, nvdr). Met dat netwerk heb ik tien of vijftien jaar heel veel samengewerkt. Vooral met Richard Hartnoll heb ik veel opgezet. Hartnoll en ik hebben die Pompidougroep een beetje van sturing voorzien, maar op een gegeven moment wilde ik dat niet meer doen. Het EMCDDA hebben we met veel zin voor realisme opgezet. Er zou meer geld komen dan voor de Pompidougroep, en ik zag het EMCDDA als een verbeterde versie van de Pompidougroep, waar je kon werken aan de verhoging van de kwaliteit van de data die je zou vergelijken. Het EMCDDA moest zorgen voor strenge eisen in epidemiologisch onderzoek en voor het zuiveren van de dataverzamelingsmethoden, zodat de gegevens vergelijkbaar zouden worden. Na twee jaar in het bestuur was het me duidelijk dat dat nooit zou gebeuren. Toen ben ik weggegaan. Op een gegeven moment moet je je eigen idealisme redden in plaats van het te verbranden. Het is een volkomen rituele organisatie geworden, die geen enkele bijdrage levert aan data. Het is als het ware een golf waar de mensen op drijven. En dan gaat de golf weer een beetje die kant op met de mode, en dan een beetje die kant op, maar hij doet verder niks.

    • Het drugsdiscours en beleid als religieuze kruistocht

      TD: In je analyses trek je heel vaak een parallel tussen drugsbeleid en religie. Waar komt dat vandaan?
      PC: Ik ben eind de jaren negentig in die analogie met religie gedoken. Het is heel interessant hoe een maatschappij komt tot het diaboliseren van specifieke banden, en het niet diaboliseren van andere banden, die nochtans even intensief zijn. De banden zijn even sterk, maar ze verhouden zich tot een ander object. Als je het hebt over drugsafhankelijkheid, dan is dat een onkoosjere band. Waarom dat zo is, daar kun je vrijelijk over speculeren. Ik heb wel eens gedacht dat het fijne van het niét hebben van zo een band is om ons beeld van individualiteit te onderstrepen. Dat maakt ons helemaal tot autonome individuen. En als je wel een band hebt met een onkoosjer object, dat maakt je helemaal tot een non-individu. In de drugshulpverlening hebben ‘junks’ geen enkele status; ze mogen nergens over beslissen. Ze zijn geen individuen, ze zijn geen mensen. Heksen zijn ook geen mensen. Die moet je verbranden, want ze hebben een band met de duivel. In de religieuze oorlogen had je natuurlijk ook hele onkoosjere banden als je de verkeerde religie had. Had je een band met de verkeerde god, dat leidde vaak tot de dood.
      Sommige afhankelijkheden zijn nog niet op het niveau van emancipatie aangeland. Afhankelijkheid van je hondje is oké, maar afhankelijkheid van heroïne niet. Dat is als met de afhankelijkheid van vrouwen van mannen. Vrouwen moeten medezeggenschap hebben over de leningen die hun man aangaat. Ze mogen niet afhankelijk zijn van die man om in een bepaalde financiële situatie terecht te komen. Zo mag je dus ook niet afhankelijk zijn van heroïne. De vraag is: hoe wordt bepaald welke bindingen wél mogen en welke bindingen niet mogen? Het is een kwestie van moraal. Een bepaalde levensstijl wordt als ‘goed’ beschouwd, een andere niet. En nou terug naar de heksen: die hadden een band met de duivel. Als je een band hebt met God is het ‘goed’, maar een band met de duivel niet.

      TD: Heeft dat te maken met het feit dat de levensstijlen die vanuit de dominante cultuur de meeste weerstand oproepen (als onproductief, als gevaarlijk) geassocieerd worden met mensen die zichzelf buiten de samenleving plaatsen?
      PC: Nee, niet altijd, kijk in India. Daar bestaan levensstijlen van mannen, soms ook vrouwen, die zich als loempen buiten elk productief verband zwervend voortbewegen. Die mensen worden sadhu genoemd, er zijn er miljoenen van. Hier eten deze sadhu’s wat, daar krijgen ze een handje. Het zijn gelegaliseerde lompenproletariërs, vaak hebben ze helemaal geen kleren aan. Ze zijn heel vaak stoned als een garnaal, ze roken niks anders dan hele zware hasj. Die sadhu’s worden in de hindoemaatschappij van Indië beschouwd als een soort heilige. In onze maatschappij zouden mensen die zo leven, worden beschouwd als junkies of psychiatrische gevallen.

    • De toekomst van drugs

      DZ: Hoe kijk jij naar de recente ontwikkelingen op het vlak van drugsbeleid, met de legalisering van cannabis in Uruguay en enkele Amerikaanse staten? Ben je nog steeds pessimistisch?
      PC: Nee, ik ben niet pessimistischer geworden, ik zeg alleen dat het best nog eeuwen kan duren. Er zijn ook veranderingen die wij allemaal meegemaakt hebben, die heel snel gegaan zijn. En dat gebeurt zomaar, zonder dat er veel discussie over is. Ik ben opgegroeid in een cultuur met een volkomen andere attitude en ideeën en waarderingen van seksualiteit, in vergelijking met mijn ouders. Dat is in één generatie veranderd, en niet eens door diepgaande gesprekken of zo. Maar de kerk van het prohibitionisme, daar zitten veel mensen nog gewoon in. Waarom ontkerkelijken van het geloof in de zin van god en niet ontkerkelijken in de zin van drugs? Je moet ergens beginnen, maar die deconfessionaliseringen, die wij ook wel eens emancipaties noemen, die vinden hier wel en daar niet plaats.

      TD: Je schreef in het verleden wel vaker over een vorm van regulering van drugs, maar welke vorm van regulering heb je voor ogen?
      PC: De manier waarop bijvoorbeeld in Italië injectiespuiten toegankelijk gemaakt worden. Je kan in elke supermarkt naalden kopen. Dat weten de mensen niet, maar Italië heeft dat op een gegeven moment ingevoerd. Dat zou in Nederland nog niet kunnen, je kunt wel bij de apotheek een naald kopen. Welke manier van reguleren? Als het de toegang maar goed mogelijk maakt, kan het mij verder niet schelen. Ik wil daar ook geen moreel oordeel over vellen.

      DZ: Als marxist ben je wellicht geen voorstander van een vrije commerciële markt, op kapitalistische leest geschoeid. Of wel?
      PC: Je mag wel een paar eisen stellen aan de vrijheid. Alcohol mag geen methylalcohol bevatten, want daar worden de mensen blind van. Men moet dus aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Je mag wat mij betreft een leeftijdsgrens stellen. Voor mij moet die 16 zijn, maar er zijn ook mensen de grens op 18 jaar leggen. In Amerika mag je alcohol kopen vanaf je 21ste, maar je mag al mensen doodschieten in het leger vanaf je 17de.
      Cannabis kan je vergelijken met tomaten. Tomaten die ik geleverd krijg via het kapitalistische massaproductiesysteem, die hoef ik niet te kiezen, want ik kan ze in mijn eigen tuintje ook kweken, of ik kan biologische, duurdere tomaten kopen. En XTC kan wat mij betreft gemaakt worden door Roche of een ander farmaceutisch bedrijf. Die maken nu ook mijn antibiotica en mijn bloeddrukpillen. Dat ze door de grote farmaceutische industrie gemaakt wordt, daar ontkom je toch niet aan. Een goede auto wordt door Fiat of Chrysler gemaakt. Nee, ik heb daar geen problemen mee, wij leven in een hoog kapitalistische maatschappij, en we kunnen niet eisen dat drugs daarvan uitgesloten zijn. Maar als drugs gelegaliseerd zijn, dan kan ik ook zelf XTC maken. Ik mag toch ook mijn eigen bier of wijn brouwen?

    • Selectieve bibliografie1x Voor een vollediger lijst van de publicaties en lezingen van Peter Cohen: zie www.cedro-uva.org.
    • Cohen, P. (2012), Drug Policy as Freedom from Rationality. The prosecution of the Rototom music festival in Italy. Drugs and Alcohol Today, 12(4), 209-212.

    • Cohen, P. (2009), Die nackte Herrscherin. Die moderne Neurowissenschaft und das Konzept der Abhängigkeit. Wiener Zeitschrift für Suchtforschung, 32 (3/4), 61-70.

    • Cohen, P. (2007), De cultuur van het cannabisverbod. Zijn het politieke luiheid en desinteresse die deze gaffe drijvend houden? Voordracht voor het congres ‘Cannabisteelt in de Lage Landen’, Universiteit van Gent, 3 en 4 december 2007. Amsterdam: CEDRO.

    • Cohen, P. (2003), The drug prohibition church and the adventure of reformation. International Journal of Drug Policy, 14(2), 213-215.

    • Cohen, P. & H.L. Kaal (2001), The Irrelevance of Drug Policy. Patterns and Careers of Experienced Cannabis Use in the Populations of Amsterdam, San Francisco and Bremen. Amsterdam, CEDRO.

    • Cohen, P. (2000), Is the addiction doctor the voodoo priest of Western man? Extended version of an article that appeared in Addiction Research, Special issue, 8(6), 589-598.

    • Cohen, P. (1999), Shifting the main purposes of drug control: From suppression to regulation of use. Reduction of risks as the new focus for drug policy. International Journal of Drug Policy, 10, 223-234.

    • Cohen, P. & A. Sas (1994), Cocaine use in Amsterdam in non deviant subcultures. Addiction Research, 2(1), 71-94.

    • Cohen, P. (1992), Junky Elend: Some ways of explaining it and dealing with it. From a pharmacological explanation of junky behaviour to a social one. Wiener Zeitschrift für Suchtforschung, 14 (3/4), 59-64.

    • Cohen, P. (1990), Drugs as a Social Construct. Dissertation. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam.

    Noten

    • 1 Voor een vollediger lijst van de publicaties en lezingen van Peter Cohen: zie www.cedro-uva.org.