DOI: 10.5553/TvC/0165182X2021001

Tijdschrift voor CriminologieAccess_open

Artikel

Procedurele rechtvaardigheid in de strafrecht­keten

Hoe ervaren gedetineerden de bejegening door strafrecht­actoren?

Trefwoorden procedural justice, treatment, multiple criminal justice authorities, criminal justice system
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Matthias van Hall, Anja Dirkzwager, Peter van der Laan e.a. . (2021). Procedurele rechtvaardigheid in de strafrecht­keten. Tijdschrift voor Criminologie (63) Online First, .

Dit artikel wordt geciteerd in

      De mate waarin men de bejegening door actoren in de strafrechtketen als procedureel rechtvaardig ervaart, kan de naleving van de wet- en regelgeving versterken. Bestaand onderzoek heeft zich vooral gericht op de politie of de rechter. Deze longitudinale studie onderzocht hoe gedetineerden de bejegening door vijf verschillende strafrechtactoren ervaren met behulp van gegevens uit het Prison Project. De gedetineerden waren het meest positief over de procedureel rechtvaardige bejegening door hun advocaat en het minst positief over de bejegening door de politie. Daarnaast hangt de ervaren bejegening door de politie samen met hoe men de bejegening door andere actoren op een later moment ervaart.

    • Introductie

      In de strafrechtketen spelen verschillende actoren een rol, zoals de politie, officieren van justitie, rechters, penitentiair inrichtingswerkers, reclasseringswerkers en advocaten. De manier waarop zulke actoren in de strafrechtketen hun taak uitoefenen tijdens hun ontmoetingen met burgers is van invloed op de naleving van regels en wetten (Tyler, 1990; 2001; 2003; Tyler & Murphy, 2011). De procedurele rechtvaardigheidstheorie veronderstelt dat als burgers de bejegening door actoren in de strafrechtketen als rechtvaardiger ervaren, ze deze actoren eerder als legitiem zullen beschouwen én meer geneigd zullen zijn om hun wetten en regels na te leven (Reisig e.a., 2007; Sunshine & Tyler, 2003; Tyler & Huo, 2002). De bejegening wordt als procedureel rechtvaardig beschouwd wanneer autoriteiten regels op een consistente, eerlijke, onbevooroordeelde manier toepassen, ze vanuit een betrouwbaar motief handelen, ze personen met respect bejegenen en hun de kans geven hun standpunt te uiten (Goodman-Delahunty, 2010; Tyler & Huo, 2002; Tyler & Murphy, 2011). Dit artikel gaat over de door gedetineerden ervaren procedurele rechtvaardigheid. Om de leesbaarheid te vergroten, wordt in het vervolg van het artikel geschreven over de (ervaren) bejegening wanneer we (de ervaren) procedureel rechtvaardige bejegening bedoelen.
      Sinds de formulering van de procedurele rechtvaardigheidstheorie eind jaren tachtig (Tyler, 1990) zijn er veel studies uitgevoerd om de uitgangspunten van deze theorie empirisch te toetsen. De meeste studies bevestigen de veronderstellingen: personen die zich rechtvaardiger bejegend voelen door autoriteiten, waaronder actoren in de strafrechtketen, zijn eerder geneigd om de wet na te leven (Mazerolle e.a., 2013; Tyler, 2006; Walters & Bolger, 2019). Er is echter tot op heden weinig onderzoek gedaan naar de mate waarin percepties van procedurele rechtvaardigheid ten aanzien van verschillende strafrechtactoren met elkaar samenhangen (Walters & Bolger, 2019).
      Het is niettemin belangrijk om inzicht te krijgen in hoe de bejegening door meerdere strafrechtactoren samenhangt, en wel om drie redenen. Ten eerste komen verdachten van een strafbaar feit verschillende actoren tegen gedurende hun gang door de strafrechtketen. De politie houdt een verdachte aan en is samen met de officier van justitie betrokken bij de opsporing van strafbare feiten. Nadat de officier van justitie besloten heeft over verdere vervolging, volgt de rechter, die de aanhouding toetst, besluit over het wel of niet langer vasthouden van een verdachte én uitspraak doet in een strafzaak. Vervolgens kan een veroordeelde ook te maken krijgen met personeel in een penitentiaire inrichting (o.a. penitentiair inrichtingswerkers, PIW’ers), met de reclasseringswerker (RW’er) en met de advocaat. Onderzoek naar hoe gedetineerden de bejegening door deze verschillende strafrechtactoren ervaren, verschaft meer inzicht in mogelijke verschillen tussen deze actoren qua bejegening.
      Ten tweede hebben de verschillende actoren uiteenlopende rollen in de strafrechtketen. De rol van de politie verschilt bijvoorbeeld duidelijk ten opzichte van die van de rechter. Zo wordt van de politie verwacht dat zij strafbare feiten opspoort en deze feiten vastlegt in een dossier, terwijl van de rechters wordt verwacht dat zij een uitspraak doen in strafzaken. Deze variatie in taken en rollen heeft mogelijk invloed op hoe gedetineerden de bejegening ervaren. Ten derde variëren de plaats en het moment in de strafrechtketen tussen de verschillende actoren. Over het algemeen start een strafrechtelijk onderzoek bij de politie en vindt een zitting later in de tijd plaats. Hoe personen de bejegening door de ene strafrechtactor ervaren, kan van invloed zijn op hoe ze de bejegening door een andere strafrechtactor ervaren.
      Het doel van de huidige studie is om te bekijken in hoeverre gedetineerden hun contacten met diverse strafrechtactoren als procedureel rechtvaardig ervaren, en in hoeverre de door hen ervaren bejegening door de ene actor samenhangt met de bejegening door de andere actor. De volgende onderzoeksvragen komen aan bod:

      1. In hoeverre maken gedetineerden onderscheid in de bejegening tussen de volgende actoren in de strafrechtketen: de politie, de rechter, penitentiair inrichtingswerkers, de reclasseringswerker en de advocaat?

      2. Hoe ervaren gedetineerden de bejegening door deze verschillende actoren in de strafrechtketen?

      3. In hoeverre hangt de door gedetineerden ervaren bejegening door de ene actor samen met de door gedetineerden ervaren bejegening door andere actoren in de strafrechtketen (zowel op hetzelfde moment als op daaropvolgende momenten)?

      Deze onderzoeksvragen worden beantwoord met behulp van gegevens van het Prison ­Project, een grootschalige en longitudinale studie naar de effecten van detentie op de verdere levensloop (Dirkzwager e.a., 2018). In dit project zijn gedetineerden herhaaldelijk bevraagd over hun contacten met meerdere en verschillende actoren (de politie, de rechter, penitentiair inrichtingswerkers, de reclasseringswerker en de advocaat) tijdens hun detentieperiode en na hun vrijlating.

    • Theorie en eerder onderzoek

      In deze studie staat de procedurele rechtvaardigheidstheorie centraal. Het belang van de bejegening door actoren in de strafrechtketen is immers in deze theorie geworteld (Tyler, 1990; 2006). Het centrale uitgangspunt van de procedurele rechtvaardigheidstheorie is dat mensen de eerlijkheid van het proces en het interpersoonlijke contact belangrijker vinden voor een rechtvaardig besluitvormingsproces dan de uitkomsten van de beslissingen van de autoriteiten (Sunshine & Tyler, 2003; Tyler, 2001; Tyler & Wakslak, 2004). Zoals hiervoor al beschreven, omvat het begrip van procedurele rechtvaardigheid zowel aspecten gerelateerd aan de kwaliteit van de gehanteerde procedures (d.w.z. consistentie en neutraliteit in de besluitvorming en de mogelijkheid om je verhaal te doen) als aspecten gerelateerd aan de kwaliteit van de omgang met elkaar tijdens deze procedures (d.w.z. een beleefde en respectvolle bejegening) (Tyler, 1990; Tyler & Murphy, 2011). De theorie veronderstelt dat wanneer personen de bejegening door strafrechtactoren als procedureel rechtvaardiger ervaren, zij deze autoriteiten eerder als legitiem zullen zien en vervolgens ook eerder geneigd zullen zijn om de wet na te leven (Tyler, 2006). Volgens de procedurele rechtvaardigheidstheorie is een procedureel rechtvaardige bejegening door iedere afzonderlijke actor in de strafrechtketen van belang.
      De procedurele rechtvaardigheidstheorie formuleert echter vooral verwachtingen over de effecten van de ervaren bejegening op uitkomsten zoals legitimiteitsovertuigingen en de naleving van de wet. De theorie levert geen expliciete aanknopingspunten of verwachtingen op over de mate waarin de ervaren bejegening door verschillende strafrechtactoren met elkaar samenhangt. Voor ideeën over een dergelijke samenhang is er daarom gekeken naar de manier waarop mensen meningen en houdingen ten opzichte van het strafrechtsysteem en zijn actoren vormen. Eén invalshoek stelt dat persoonlijke ontmoetingen met actoren hiervoor een belangrijke informatiebron zijn en dat personen door middel van een zogenoemd socialisatieproces hun houdingen en opvattingen over de wet en strafrechtactoren ­verwerven en internaliseren (Fagan & Piquero, 2007; Tyler e.a., 2014). Dit socialisatieproces vindt plaats tijdens persoonlijke ontmoetingen van individuen met de politie, de rechtbank en andere strafrechtactoren. Wat individuen zien en ervaren tijdens hun ontmoetingen met zulke actoren vormt hun ideeën over de wetten, regels, strafrechtactoren en de legitimiteit van actoren om straffen op te leggen (Fagan & Piquero, 2007; Fagan & Tyler, 2005; Piquero e.a., 2005; 2016). Dit socialisatieproces kan dus ook worden gezien als het leerproces waarin individuen informatie opdoen door al hun (eerdere) contacten met strafrechtactoren en waarbij hun opvattingen over procedurele rechtvaardigheid telkens gevormd en aangepast worden (Augustyn, 2016). Kortom, op basis van dit socialisatieproces kan worden verwacht dat eerdere ervaringen met actoren latere ervaringen beïnvloeden.

      Onderscheid in de ervaren bejegening door actoren in de strafrechtketen

      Aan de hand van de procedurele rechtvaardigheidstheorie kan verondersteld worden dat gedetineerden een onderscheid maken in de ervaren bejegening tussen verschillende actoren. De theorie stelt namelijk dat opvattingen over procedurele rechtvaardigheid gevormd worden door de manier waarop respectievelijk de politie, de rechter en de andere strafrechtactoren hun gezag uitoefenen tijdens hun contact met iemand (Fagan & Piquero, 2007; Tyler, 1990; 2006). Gedurende de gang door de strafrechtketen komen gedetineerden op verschillende momenten andere actoren tegen. De wijze waarop strafrechtactoren hun gezag uitoefenen, dan wel elementen van procedurele rechtvaardigheid kunnen toepassen, kan mede afhangen van de rol van de betreffende strafrechtactor en de setting waarin het contact met gedetineerden plaatsvindt (denk aan een politiebureau of een rechtbank) (Jackson e.a., 2010).
      Tot op heden is er weinig empirisch onderzoek gedaan naar de mate waarin men onderscheid maakt in de bejegening tussen meerdere actoren in de strafrechtketen. Het onderzoeken van een dergelijk onderscheid is niettemin belangrijk omdat het aantonen van dit onderscheid een basis biedt om na te gaan of gedetineerden de bejegening door diverse strafrechtactoren ook inhoudelijk als verschillend ervaren. De afwezigheid van een onderscheid in de bejegening tussen actoren zou immers betekenen dat gedetineerden de bejegening in de strafrechtketen meer als één geheel beschouwen.
      De enkele studies die wel gedaan zijn, richten zich voornamelijk op het vertrouwen van burgers in de strafrechtactoren en laten zien dat burgers wel degelijk onderscheid maken tussen verschillende actoren – en dus meer vertrouwen hadden in bepaalde actoren ten opzichte van andere actoren (Dekker & Van der Meer, 2007; Hough & Roberts, 2004; Van Damme e.a., 2012). Enkele studies naar de rechtvaardige bejegening door meerdere strafrechtactoren bevestigen dit beeld. Ze laten, met behulp van factoranalyses, zien dat gedetineerden de bejegening door de politie en door de rechter van elkaar onderscheiden. Kortom, de bevindingen uit eerder onderzoek ondersteunen het idee dat gedetineerden een onderscheid maken in de bejegening tussen verschillende strafrechtactoren (Alward & Baker, 2019; Baker e.a., 2014). Op basis van het voornoemde is dan ook de volgende hypothese geformuleerd:

      Hypothese 1: gedetineerden maken onderscheid in de bejegening door de politie, de rechter, penitentiair inrichtingswerkers, reclasseringswerkers en de advocaat.

      Verschillen in de door gedetineerden ervaren bejegening door strafrechtactoren

      Opvattingen over de mate waarin personen zich op een procedureel rechtvaardige manier bejegend voelen, vloeien voort uit de wijze waarop strafrechtactoren met hen omgaan (Fagan & Piquero, 2007; Piquero e.a., 2005; Tyler, 2006). Actoren in de strafrechtketen hebben uiteenlopende rollen en functies. Het is goed mogelijk dat de rol van een specifieke strafrechtactor van invloed is op hoe gedetineerden de bejegening door deze actor ervaren. Zo kan bijvoorbeeld verwacht worden dat verdachten en gedetineerden de bejegening door hun advocaat gemiddeld genomen als positief ervaren, aangezien de advocaat juridische bijstand verleent, zijn/haar belangen gedurende het strafproces behartigt en de mogelijkheid geeft om zijn/haar kant van het verhaal te vertellen. Daarnaast is het mogelijk dat verdachten en gedetineerden neutraal tot positief zijn over de bejegening door PIW’ers en RW’ers omdat het hun taak is om – naast het bewaren van de veiligheid en het toezien op het volgen van eventuele voorwaarden – (ex-)gedetineerden te begeleiden en in hun contacten met (ex-)gedetineerden hen te ondersteunen met het oppakken van de draad van hun leven en het succesvol terugkeren in de vrije maatschappij. Verder kan verwacht worden dat verdachten en gedetineerden relatief positief zijn over de bejegening door de rechter, omdat deze vooral een neutrale rol heeft in de waarheidsvinding, het rechtspreken in strafzaken, en verdachten veelal de kans geeft hun mening of opvatting over het (straf)proces te uiten. Daarentegen kan – aan de andere kant van het spectrum – verwacht worden dat verdachten gemiddeld genomen een negatieve(re) opvatting hebben over de bejegening door de politie. De politie heeft immers als opdracht om strafbare feiten op te sporen en verdachten aan te houden en te verhoren. Opgemerkt moet worden dat – naast bovenstaande verwachte gemiddelde verschillen – er natuurlijk individuele verschillen zullen zijn tussen verdachten, aangezien iedereen bepaalde ervaringen verschillend zal beleven.
      De vraag of verdachten en gedetineerden de bejegening door diverse strafrechtactoren verschillend ervaren, is vaker onderzocht. De meeste van deze studies onderzochten echter de ervaren bejegening voor maar één afzonderlijke actor. Uit deze studies blijkt dat gedetineerden over het algemeen neutrale tot overwegend positieve opvattingen hebben over de bejegening door het gevangenispersoneel (Beijersbergen e.a., 2016; Reisig & Meško, 2009; Van Ginneken e.a., 2020). De bejegening door de advocaat wordt over het algemeen als positief tot zeer positief ervaren (Raaijmakers e.a., 2013). Onderzoek onder Amerikaanse gedetineerden en delinquenten toonde dat de bejegening door de politie als neutraal tot enigszins negatief wordt ervaren (Papachristos e.a., 2012; White e.a., 2016).
      De enkele studies die binnen één en dezelfde studie de bejegening door meerdere actoren in de strafrechtketen onderzochten (zie ook tabel 1), hebben vooral aandacht besteed aan de bejegening door de politie en de rechter (Alward & Baker, 2019; Fagan & Piquero, 2007; Kaiser & Reisig, 2019). Over het algemeen ervaren delinquenten en gedetineerden de bejegening door de politie en de rechter als neutraal tot licht positief. Uit de studie van Sprott en Greene (2010) blijkt daarnaast dat jeugdige delinquenten minder positief zijn over de openbaar aanklager, terwijl ze de bejegening door de rechter en door de advocaat als (zeer) positief ervaren. Kortom, bestaand onderzoek laat zien dat verdachten en gedetineerden de bejegening door actoren in de strafrechtketen verschillend ervaren. Op basis van het voornoemde is de tweede hypothese geformuleerd:

      Hypothese 2: gedetineerden ervaren de bejegening door diverse strafrechtactoren verschillend; ze ervaren de bejegening door de advocaat als meest procedureel rechtvaardig, gevolgd door de rechter, PIW’ers, RW’ers en de politie.

      Samenhang in ervaren bejegening door verschillende actoren in de strafrechtketen

      Zoals eerder beschreven, zijn (eerdere) persoonlijke ontmoetingen met actoren van belang voor het vormen van opvattingen over procedurele rechtvaardigheid en over het strafrechtsysteem in algemene zin (Fagan & Piquero, 2007; Piquero e.a., 2005; Tyler, 2006; Tyler e.a., 2014). Deze opvattingen kunnen tijdens (en na) ieder contact met een strafrechtactor opnieuw worden aangepast. Met andere woorden, eerdere persoonlijke opvattingen over de bejegening door strafrechtactoren kunnen van invloed zijn op latere opvattingen (Augustyn, 2016). Dit betekent dat personen in hun contacten met strafrechtactoren geen onbeschreven blad zijn, maar dat zij deze ontmoetingen ervaren in het licht van reeds bestaande opvattingen en ervaringen (Brandl e.a., 1994; Skogan, 2006).
      Een opvatting over een actor kan dus een opvatting over een andere actor beïnvloeden. In het verlengde hiervan kan verwacht worden dat mensen die de bejegening door de eerste actor met wie zij in aanraking komen (bijvoorbeeld de politie) als rechtvaardiger ervaren, zich op een later moment ook rechtvaardiger bejegend voelen door een volgende actor die zij tegenkomen (bijvoorbeeld de rechtbank). De richting van deze verbanden volgt het pad van ontmoetingen met actoren in de strafrechtketen. De interactie met de politie vormt meestal het eerste moment, gevolgd door het strafproces in de rechtbank en de uitvoering van de straf (Casper e.a., 1988; Tyler e.a., 1989).
      Een review van de bestaande literatuur laat zien dat de samenhang in de bejegening tussen meerdere afzonderlijke actoren onder delinquente groepen wereldwijd maar in negen studies is onderzocht (zie tabel 1).
      Een eerste groep van vier studies bestudeerde de samenhang in de ervaren bejegening door verschillende strafrechtactoren op hetzelfde meetmoment (zie tabel 1). Casper en collega’s waren eind jaren zeventig belangrijke pioniers op dit terrein. Zij argumenteerden en lieten zien dat de variatie in opvattingen over procedurele rechtvaardigheid verband houdt met eerdere opvattingen en ervaringen tijdens de vervolging en berechting (Casper, 1978; Casper e.a., 1988). Het meer recente onderzoek bevestigt dit beeld. Zo laten de cross-sectionele studies zien dat hoe de bejegening door de politie wordt ervaren, positief samenhangt met hoe de bejegening door de rechter wordt ervaren (Alward & Baker, 2019; Baker e.a., 2014; Brown e.a., 2018). Met andere woorden, gedetineerden die positiever waren over de rechtvaardige bejegening door de politie, waren ook positiever over de bejegening door de rechter. Een ander onderzoek onder jeugdige delinquenten heeft laten zien dat wanneer zij zich minder rechtvaardig bejegend voelden door de rechter, de openbaar aanklager en de advocaat tijdens de rechtszitting(en), ze zich ook onveiliger voelden bij de begeleiders van de (jeugd)inrichting (Tatar e.a., 2012). Dit lijkt erop te wijzen dat de ervaren bejegening door actoren tijdens de rechtszitting gerelateerd is aan de opvattingen over en ervaringen met de begeleiders in de (jeugd)inrichting.
      Wereldwijd zijn er slechts vijf studies die de longitudinale samenhang onderzocht hebben (zie tabel 1). Deze studies toonden aan dat hoe de bejegening door de politie wordt ervaren, samenhangt met hoe de bejegening door de rechter op een later moment wordt ervaren (Casper e.a., 1988; Fagan & Piquero, 2007; Piquero e.a., 2005; Tyler e.a., 1989). Zo hebben Casper en collega’s (1988) bijvoorbeeld aangetoond dat de ervaren bejegening op een later moment in het strafproces voornamelijk beïnvloed werd door de interactie met de politie tijdens de arrestatie. Wanneer mannelijke verdachten positiever waren over de bejegening door de politie kort na hun arrestatie, dan waren ze op een later moment ook positiever over de ervaren bejegening door de rechter, de openbaar aanklager en de advocaat. Verder laat de studie van Sprott en Greene (2010) onder jeugdige delinquenten zien dat er een verband is in de bejegening door de advocaat, de openbaar aanklager en de rechter. Wanneer de jeugdigen zich tijdens de eerste zitting rechtvaardiger bejegend voelen door de advocaat, voelen ze zich na de uitspraak ook rechtvaardiger behandeld door de rechter. Daarnaast blijkt dat jeugdige delinquenten die zich rechtervaardiger bejegend voelen door de openbaar aanklager, zich na de uitspraak ook door de rechter rechtvaardiger bejegend voelen. Kortom, zowel de crosssectionele als de longitudinale studies laten zien dat de (ervaren) bejegening door de ene actor kan samenhangen met de (ervaren) bejegening door een andere actor in de strafrechtketen. Op basis hiervan is een derde hypothese geformuleerd:

      Hypothese 3: de door gedetineerden ervaren bejegening door de ene actor hangt samen met de ervaren bejegening door de andere actor – zowel op hetzelfde moment als op een volgend moment.

      Tabel 1 Bestaand onderzoek naar de samenhang van de door delinquenten/gedetineerden ervaren bejegening door meerdere actoren in de strafrechtketena
      Auteur(s)LandAfhankelijke variabeleAfzonderlijke actoren (aantal)OpzetbAantal waves & tijd tussen eerste en laatste waveOnderzoeksgroepKern resultaten
      Alward & Baker (2019) Verenigde Staten (VS) Procedurele rechtvaardigheid (PR) van de rechter (1) Politie
      (2) Rechter
      C (N=407) 1 wave Gedetineerden (mannen) Samenhang: PR politie & PR rechter
      Baker e.a. (2014) VS PR van de rechter (1) Politie
      (2) Rechter
      C (N=811) 1 wave Gedetineerden (vrouwen) Samenhang: PR politie & PR rechter
      Brown e.a. (2018) Australië PR van de rechter (1) Politie
      (2) Rechter
      C (N=116) 1 wave Gedetineerden Samenhang: PR politie & PR rechter
      Casper e.a. (1988) VS Tevredenheid met het rechtssysteem (1) Politie
      (2) Rechter, openbaar aanklager, advocaat
      L (N=411) 2 waves;
      3 maanden
      Verdachten (mannen) Samenhang: PR politie – PR rechter / advocaat / openbaar aanklager
      Fagan & Piquero (2007) VS Recidive (1) Politie
      (2) Rechter
      L (N=1.355) 4 waves;
      24 maanden
      Delinquenten (jeugdigen) Samenhang: PR politie – PR rechter
      Piquero e.a.
      (2005)
      VS Opvattingen over de legitimiteit van de wet en actoren (1) Politie
      (2) Rechter
      L (N=1.335) 4 waves;
      18 maanden
      Delinquenten (jeugdigen) Samenhang: PR politie – PR rechter

      Tabel 1 (Vervolg)
      Auteur(s)LandAfhankelijke variabeleAfzonderlijke actoren (aantal)OpzetbAantal waves & tijd tussen eerste en laatste waveOnderzoeksgroepKern resultaten
      Sprott & Greene (2010) Canada Legitimiteit van het rechtssysteem (1) Rechter
      (2) Openbaar aanklager
      (3) Advocaat
      L (N=97) 2 waves;
      4-12 maanden
      Delinquenten (jeugdigen) Samenhang: PR advocaat – PR rechter – PR openbaar aanklager
      Tatar e.a. (2012) VS Wangedrag in detentie & middelengebruik (1) Rechter, openbaar aanklager, advocaat
      (2) PIW’ers
      C (N=94) 1 wave Gedetineerden (vrouwen in een jeugd-inrichting) Samenhang: PR rechter / openbaar aanklager / advocaat & PR PIW’ers
      Tyler e.a. (1989) VS Trouw aan autoriteiten (1) Politie
      (2) Rechter, openbaar aanklager, advocaat
      L (N=411) 2 waves;
      3 maanden
      Verdachten (mannen) Samenhang: PR politie –PR rechter / advocaat / openbaar aanklager

      a Bij het verzamelen van studies is er gezocht in databases als Google Scholar, PubMed en PsycINFO met zoektermen als procedural justice, legitimacy, multiple actors, spill-over, inmates, offenders, court en police.
      b C=cross-sectioneel; L=longitudinaal.

      Samenvattend: hoewel er enige literatuur beschikbaar is over de door gedetineerden ervaren bejegening door meerdere strafrechtactoren, is het van belang om meer inzicht te krijgen in de door hen ervaren bejegening tijdens hun gang door de strafrechtketen. Bestaand onderzoek heeft namelijk vooral verdachten en jeugdige delinquenten onderzocht in plaats van gedetineerdenpopulaties en met name aandacht besteed aan (de samenhang in) de ervaren bejegening door de politie en de rechter. De bejegening door andere actoren, zoals het gevangenispersoneel en de reclassering, is veel minder onderzocht. Verder is het bestaande onderzoek voornamelijk uitgevoerd in de Verenigde Staten, Canada en Australië. Er bestaan duidelijke verschillen tussen zulke Angelsaksische landen – en met name de Verenigde Staten – en Europese landen (waaronder Nederland) met betrekking tot het strafrechtsysteem, de strafduur en de detentieomstandigheden (Tonry & Bijleveld, 2007). Zo is de rechtspraak in de Verenigde Staten (waar er sprake is van juryrechtspraak) anders georganiseerd dan in Nederland (waar er professionele rechters zijn aangesteld). Tevens zijn er aanzienlijke verschillen tussen Angelsaksische landen en Nederland voor wat betreft detentieduur en detentieomstandigheden (Dervan, 2011; Dirkzwager & Kruttschnitt, 2012). Het is goed mogelijk dat zulke verschillen van invloed kunnen zijn op hoe gedetineerden de bejegening door strafrechtactoren ervaren. Tot op heden is echter onduidelijk of – en in welke mate – kenmerken van het strafrechtsysteem of de detentieomstandigheden de (samenhang in de) ervaren bejegening door strafrechtactoren beïnvloeden. Empirisch onderzoek is nodig om na te gaan in hoeverre de eerdere onderzoeksbevindingen uit Angelsaksische landen generaliseerbaar zijn naar een Europese context, zoals Nederland. Tot slot is er tot dusver nauwelijks longitudinaal onderzoek uitgevoerd naar de samenhang in de ervaren bejegening door meerdere strafrechtactoren, terwijl dit noodzakelijk is om temporele relaties te onderzoeken.

    • Methoden

      In de huidige studie boeken we vooruitgang ten opzichte van eerder onderzoek door de (longitudinale) samenhang in de bejegening door meerdere strafrechtactoren te onderzoeken in een groep Nederlandse gedetineerden. Om dit te onderzoeken, analyseerden we data van een onderzoeksproject waarin gedetineerden herhaaldelijk bevraagd zijn over hun contacten met verschillende strafrechtactoren tijdens hun detentieperiode en na hun vrijlating. Er was informatie beschikbaar voor de volgende actoren: de politie, de rechter, penitentiair inrichtingswerkers, de reclasseringswerker en de advocaat.

      Prison Project data

      Deze studie maakt gebruik van gegevens die zijn verzameld in het kader van het Prison Project, een grootschalig longitudinaal onderzoeksproject naar de bedoelde en onbedoelde effecten van detentie. De data zijn afkomstig uit een representatieve steekproef van 1.904 mannen, die tussen oktober 2010 en april 2011 in voorlopige hechtenis verbleven in een van de huizen van bewaring in Nederland. Gedetineerden zijn opgenomen in de steekproef wanneer ze (1) man zijn, (2) tussen de 18 en 65 jaar zijn, en (3) in Nederland geboren zijn (Dirkzwager e.a., 2018).
      In het Prison Project zijn gedetineerden verschillende keren zowel tijdens detentie als na vrijlating middels persoonlijke interviews en schriftelijke vragenlijsten bevraagd. De interviews tijdens detentie vonden plaats in de bezoekkamers en zijn gehouden door medewerkers van het Prison Project. De vragenlijsten werden door de gedetineerden in hun cel ingevuld. Wanneer een gedetineerde aangaf moeite te hebben met het invullen van de schriftelijke vragenlijst, is deze door een medewerker van het Prison Project mondeling afgenomen. Na vrijlating uit detentie zijn de interviews en vragenlijsten afgenomen bij de (ex-)gedetineerden thuis of in een openbare plaats. Deelname aan het onderzoek was vrijwillig en diegenen die wilden meedoen, hebben een ‘informed consent’-formulier ondertekend. Het onderzoeksprotocol is positief beoordeeld door de Commissie Ethiek Rechtswetenschappelijk & Criminologisch Onderzoek (CERCO) van de Vrije Universiteit Amsterdam.
      In de huidige studie zijn gegevens van vijf meetmomenten gebruikt, waarvan drie momenten tijdens detentie (drie weken, drie en negen maanden na aankomst in de penitentiaire inrichting, PI) en twee momenten na detentie (zes en 24 maanden na vrijlating). Tussen oktober 2010 en april 2011 voldeden 3.983 gedetineerden aan de selectiecriteria (Dirkzwager e.a., 2018). Medewerkers van het Prison Project hebben uiteindelijk 2.841 gedetineerden benaderd en geïnformeerd over het onderzoek. De meerderheid van de personen die niet konden worden benaderd, was inmiddels al vrijgelaten.
      Van degenen die benaderd zijn, hebben 1.904 gedetineerden (een responspercentage van 67 procent) deelgenomen aan een gestructureerd interview en 1.748 van hen (62 procent) vulden ook een vragenlijst in. Het tweede meetmoment vond ongeveer drie maanden na aankomst in de penitentiaire inrichting plaats. Op dat moment zaten er nog 1.275 gedetineerden vast. Medewerkers van het Prison ­Project hebben uiteindelijk 1.056 van hen kunnen benaderen en gevraagd of ze opnieuw wilden deelnemen. Wederom waren de meesten die niet konden worden benaderd al vrijgelaten voordat medewerkers contact met hen konden opnemen. Van de 1.056 benaderde gedetineerden namen 838 (79 procent) deel aan het tweede meetmoment door een vragenlijst in te vullen. Negen maanden na aankomst in de penitentiaire inrichting vond het derde meetmoment plaats. Op dat moment konden van de oorspronkelijke onderzoeksgroep nog 408 gedetineerden in detentie worden benaderd en gevraagd deel te nemen; hiervan hebben uiteindelijk 265 gedetineerden (65 procent) de vragenlijst ingevuld.
      Gedetineerden die werden vrijgelaten, zijn gevolgd en werden zes en 24 maanden na hun vrijlating opnieuw benaderd met het verzoek om deel te nemen aan een vervolginterview. Als beloning voor hun tijdsinvestering ontvingen deelnemers voor ieder interview een cadeaubon van 10 euro. Zes maanden na vrijlating (meetmoment 4) konden 1.407 gedetineerden benaderd worden; van hen hebben 946 gedetineerden (67 procent) deelgenomen. Tot slot, 24 maanden na detentie (meetmoment 5) zijn 1.413 gedetineerden benaderd, van wie er 964 hebben deelgenomen (68 procent) aan het interview.
      Op basis van registratiegegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen kon onderzocht worden in hoeverre deelnemers en niet-deelnemers aan de verschillende meetmomenten van elkaar verschilden qua achtergrondkenmerken (Dirkzwager e.a., 2018). Hieruit bleek dat de kenmerken van de deelnemers van alle vervolgmetingen zeer vergelijkbaar waren met de kenmerken van de initiële onderzoeksgroep (N=1.904). Logischerwijs hadden deelnemers van vervolgmetingen een langere detentieduur dan niet-deelnemers van vervolgmetingen. Voor verdere details gerelateerd aan de non-respons of de wijze van dataverzameling, zie Dirkzwager en collega’s (2018).

      Onderzoeksgroep per meetmoment

      Gedetineerden zijn op de vijf meetmomenten gevraagd naar de ervaren procedurele rechtvaardigheid in hun contacten met de volgende actoren in de strafrechtketen: de politie, de rechter, penitentiair inrichtingswerkers (PIW’ers), de reclasseringswerker (RW’er) én de advocaat (zie tabel 2). De momenten waarop de vragen over de bejegening door elke van de strafrechtactoren in het Prison Project zijn gesteld, sluiten aan bij de gang door de strafrechtketen. Na de arrestatie door de politie, en het besluit over het vervolgen door het Openbaar Ministerie en de beslissing over de voorlopige hechtenis door de rechter-commissaris, komt een gedetineerde in het huis van bewaring (HvB). Vervolgens ziet de gedetineerde dagelijks PIW’ers in het huis van bewaring. Wanneer de zaak op zitting komt, ontmoet de gedetineerde de rechter (of rechters) die beslist over voortzetting van de vrijheidsbeneming en/of over het al dan niet opleggen van een straf. In het geval dat er een straf wordt opgelegd, kan er sprake zijn van een gevangenisstraf waardoor de gedetineerde opnieuw PIW’ers tegenkomt in de penitentiaire inrichting. Bij het bepalen van de straf kan de rechter (of kunnen rechters) een reclasseringsadvies vragen waarin de persoonlijke omstandigheden worden toegelicht en de kans op recidive wordt beschreven. Naast zo’n advies kan de rechter een gedetineerde na vrijlating onder toezicht van de reclassering plaatsen. In beide gevallen ontmoet de gedetineerde een reclasseringswerker. Gedurende het gehele strafproces heeft de gedetineerde contact met zijn of haar advocaat over zijn of haar verdediging.
      Aansluitend bij deze gang van de strafrechtketen is de bejegening door de politie op moment 1 (kort na binnenkomst in het huis van bewaring) gemeten (zie tabel 2), is de bejegening door de PIW’ers gemeten op drie momenten tijdens detentie (M1, M2 & M3), is de bejegening door de rechter op een later moment in detentie en zes maanden na detentie gemeten (M3 & M4), en is de bejegening door de RW’er op de twee meetmomenten na vrijlating gemeten (M4 & M5). Aangezien de advocaat ­iemand van begin tot eind bijstaat, is de bejegening door de advocaat gemeten vanaf kort na binnenkomst in het huis van bewaring tot en met zes maanden na vrijlating (M1 t/m M4).
      Door de longitudinale opzet van het onderzoek varieerde het aantal gedetineerden per meetmoment omdat telkens een deel van de gedetineerden al was vrijgelaten. Zeker met de relatief korte detentieperiodes in Nederland stromen veel gedetineerden snel weer uit. Zoals te zien in tabel 2 daalde het aantal gedetineerden tussen het eerste en derde meetmoment. Van de gedetineerden die op moment 1 deelnamen aan het onderzoek was 33 procent al vrijgelaten op meetmoment 2 en 74 procent was al vrijgelaten op meetmoment 3 (Dirkzwager e.a., 2018). Met het verstrijken van tijd waren steeds meer gedetineerden vrijgelaten, wat resulteerde in een lager aantal respondenten op latere meetmomenten tijdens detentie. Voor de helderheid is in de resultatenparagraaf telkens het aantal gedetineerden in de analyse bij iedere tabel aangegeven.

      Tabel 2 De door gedetineerden ervaren rechtvaardige bejegening door strafrechtactoren én het aantal gedetineerden per meetmoment
      Moment 1
      3 weken in PI
      Moment 2
      3 maanden in PI
      Moment 3
      9 maanden in PI
      Moment 4
      6 maanden na detentie
      Moment 5
      24 maanden na detentie
      Actor N Actor N Actor N Actor N Actor N
      Politie 1.712
      PIW’er 1.703 PIW’er 817 PIW’er 249
      Advocaat 1.652 Advocaat 784 Advocaat 241 Advocaat 930
      Rechter 207 Rechter 802
      RW’er 603 RW’er 605

      PI=penitentiaire inrichting; PIW’er=penitentiair inrichtingswerker; RW’er=reclasseringswerker.

      De uitstroom van gedetineerden over de tijd kan resulteren in een selectiebias. Gedetineerden die kort in de PI verbleven, zouden bijvoorbeeld bij voorbaat al ­positiever kunnen zijn over de ervaren bejegening dan gedetineerden die langer (drie of negen maanden) in de penitentiaire inrichting verbleven. In aanvullende analyses (op te vragen bij de auteurs) zijn de scores voor de ervaren bejegening van deelnemers en niet-deelnemers aan alle vervolgmeetmomenten (M1 t/m M5) vergeleken met de scores van deelnemers op het eerste meetmoment. Er werden geen verschillen gevonden, met uitzondering van een significant verschil in de ervaren procedurele rechtvaardigheid door de rechter. Deelnemers op moment 4 waren ­positiever over de ervaren bejegening door de rechter op moment 3 dan niet-deelnemers op moment 4.

      Ervaren procedurele rechtvaardigheid

      Gedetineerden zijn op de vijf meetmomenten gevraagd naar de ervaren procedurele rechtvaardigheid in hun contacten met actoren in de strafrechtketen (zie tabel 2). Meer specifiek is er voor de politie gevraagd naar hun laatste contact met de politie (de laatste keer dat ze gearresteerd werden). De vragen over de rechter hebben betrekking op de rechter die hun strafzaak behandelde of uitspraak deed. Voor de penitentiair inrichtingswerkers is gevraagd naar de bejegening door medewerkers in de inrichting waar de gedetineerde op dat moment verbleef, en voor de reclasseringswerker is gevraagd naar de huidige of laatste ­reclasseringswerker. Tot slot hebben de vragen over de advocaat betrekking op de huidige advocaat (of bij de meting na vrijlating: de advocaat die hen heeft bijgestaan).
      De ervaren bejegening door deze strafrechtactoren is gemeten door op alle meetmomenten stellingen aan de gedetineerden voor te leggen (vier stellingen voor de reclassering en elf stellingen voor de overige actoren; zie tabel 3 en 4). Voorbeelden van deze stellingen zijn: ‘de politie (of andere actor) was eerlijk tegen mij’; ‘de politie (of andere actor) gaf mij de kans mijn mening te geven voordat ze beslissingen namen’; en ‘de politie (of andere actor) behandelde mij met respect’. Deze items zijn gebaseerd op eerder nationaal en internationaal onderzoek en reflecteren alle componenten van procedurele rechtvaardigheid (Beijersbergen e.a., 2016; Casper e.a., 1988; Henderson e.a., 2010; Penner e.a., 2014; Reisig e.a., 2007; Tankebe, 2009). Aan de gedetineerden werd gevraagd om op een vijfpuntsschaal aan te ­geven (1=geheel mee oneens, 5=geheel mee eens) in hoeverre zij het eens of oneens waren met deze stellingen. Alle items zijn zo gecodeerd dat een hogere score op het item een positievere ervaren procedurele rechtvaardigheid weergeeft.
      Voor iedere actor is per meetmoment een schaal gemaakt door de waarden van de afzonderlijke items bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door het aantal items.1x De schaal werd gemaakt als gedetineerden ten minste bij acht van de elf items een geldige waarde hadden. De interne consistentie van deze procedurele rechtvaardigheidsschalen was uitstekend, met een Cronbach’s alpha variërend van .90 (reclassering, meetmoment 4) tot .96 (advocaat, meetmoment 2) (zie tabel 5). Hoe gedetineerden de procedurele rechtvaardigheid ervaren, kan veranderen over tijd. Tabel 5 laat echter zien dat de gemiddelde scores voor de ervaren bejegening door de advocaat, ­PIW’ers en de RW’er redelijk stabiel zijn voor de verschillende meetmomenten. De gedetineerden ervaren de bejegening door de rechter na vrijlating iets positiever dan op het moment dat ze negen maanden vastzitten (M=3,41 vs. M=2,89, respectievelijk).

      Analyses

      Om vast te stellen in hoeverre gedetineerden onderscheid maken in de door hen ervaren bejegening door verschillende strafrechtactoren, zijn er per meetmoment principale factoranalyses met een schuine rotatie uitgevoerd. Per factoranalyse zijn alle – voor dat meetmoment – beschikbare items met betrekking tot procedurele rechtvaardigheid van de verschillende actoren tegelijkertijd geanalyseerd. Variërend per meetmoment is er informatie beschikbaar over verschillende actoren. Omdat het presenteren van de factoranalyses van alle meetmomenten tot veel uitvoerige tabellen zou leiden, presenteren we de uitkomsten voor meetmoment 1 en 4 (zie tabel 3 en 4). Op deze manier worden factoranalyses voor de procedurele rechtvaardigheid van alle beschikbare actoren beschreven. De factoranalyses voor de overige meetmomenten resulteerden in dezelfde patronen.2x De analyses voor de overige meetmomenten zijn op te vragen bij de eerste auteur.
      Om te onderzoeken hoe gedetineerden de bejegening door verschillende strafrechtactoren ervaren, worden de gemiddelde scores en standaarddeviaties gepresenteerd (zie tabel 5). Aanvullend zijn de gemiddelde scores van de procedurele rechtvaardigheid per meetmoment tussen actoren vergeleken met t-toetsen.
      De samenhang in de bejegening door verschillende actoren op hetzelfde meetmoment is onderzocht met behulp van de correlatiematrix. Om de longitudinale ­samenhang in de bejegening door meerdere actoren te toetsen, is er gebruikgemaakt van (OLS) lineaire regressieanalyses. Zoals ook beschreven in de paragraaf ‘Onderzoeksgroep per meetmoment’, is er binnen het Prison Project op verschillende ­momenten naar de bejegening door verschillende actoren gevraagd en stromen door de korte detentieperiodes in Nederland gedetineerden relatief snel weer uit detentie. Hierdoor is er niet op ieder meetmoment informatie beschikbaar over elke ­actor en is er niet op ieder meetmoment informatie beschikbaar over alle gedetineerden (zie ook tabel 2). Daarom is ervoor gekozen om de samenhang telkens per combinatie van twee actoren en twee meetmomenten te onderzoeken. Op deze manier benutten we de longitudinale gegevens en kunnen we de bejegening door zo veel mogelijk actoren onderzoeken. Dit betekent dat er in de datastructuur geen sprake is van genestheid en dat in de analyses de respondenten de onderzoekseenheid vormen. Als leidraad bij het uitvoeren van deze analyses is de opeenvolging van actoren in de strafrechtketen aangehouden. Zo is bijvoorbeeld de samenhang tussen de door de respondenten ervaren bejegening door de politie en de bejegening door andere actoren op een later meetmoment, zoals de rechter, bij diezelfde respondenten geanalyseerd. Per combinatie van twee actoren, bijvoorbeeld de ervaren bejegening door de politie op moment 1 (x-variabele) en de ervaren bejegening door PIW’ers op moment 2 (y-variabele), zijn er telkens twee modellen gepresenteerd. Het eerste model toetst het bivariate verband, anders gezegd de samenhang in ervaren bejegening tussen de twee actoren (Xt1 → Yt2). In het tweede model is er rekening gehouden met de ervaren bejegening door de betreffende actor op eerdere meetmomenten (Xt1 → Yt2, gecontroleerd voor Yt1). Bij alle ­regressiemodellen zijn de respondenten die op beide meetmomenten de vragen hebben beantwoord de onderzoekseenheden.

    • Resultaten

      Onderscheid in ervaren bejegening door afzonderlijke actoren in de strafrechtketen

      De eerste onderzoeksvraag is of en in hoeverre gedetineerden onderscheid maken in de door hen ervaren bejegening door verschillende actoren in de strafrechtketen. Om dit te onderzoeken, zijn factoranalyses uitgevoerd. Deze factoranalyses tonen duidelijke factoren die corresponderen met de afzonderlijke actoren (zie tabel 3 en 4). Op meetmoment 1 laden de items op de verwachte latente constructen: de ervaren bejegening door de politie (factor 1), de ervaren bejegening door de ­advocaat (factor 2) en de ervaren bejegening door de PIW’ers (factor 3). Voor meetmoment 4 vinden we eenzelfde patroon met duidelijke factoren voor de ervaren bejegening door de advocaat, de rechter en de RW’er (zie tabel 4). Alle items van de ene actor laden hoog (>.50) op de eigen factor en laden niet op die van een andere actor. In bijlage 1 staan de meer technische details van de factoranalyses verder toegelicht. Kortom, gedetineerden ervaren – in lijn met de eerste hypothese – de bejegening in het strafrechtsysteem niet als één geheel, maar maken daadwerkelijk onderscheid in de bejegening door de politie, de rechter, de PIW’ers, de RW’ers en de advocaat.

      Tabel 3 Factoranalyse moment 1 (drie weken na aankomst in de PI; N=1.452)
      Item123h2
      1. De politie was eerlijk tegen mij 0,79 0,00 0,02 0,61
      2. De politie behandelde mij met respect 0,83 0,02 0,01 0,69
      3. De politie gebruikte de wet op een goede manier 0,83 0,02 0,02 0,68
      4. De politie respecteerde mijn rechten 0,79 0,04 −0,01 0,62
      5. De politie legde hun acties eerlijk aan mij uit 0,78 0,02 −0,02 0,62
      6. De politie probeerde eerst de feiten te achterhalen voordat ze iets deed 0,61 0,00 0,02 0,36
      7. De politie gaf mij de kans mijn mening te geven voordat zij beslissingen namen 0,72 −0,01 0,00 0,52
      8. De politie was beleefd tegen mij 0,75 −0,05 −0,04 0,58
      9. De politie luisterde naar mij bij beslissingen over wat er met mij moest gebeuren 0,72 −0,01 −0,04 0,54
      10. De politie behandelde mij rechtvaardig 0,82 −0,01 0,00 0,67
      11. De politie besliste op een rechtvaardige manier 0,74 −0,01 0,01 0,54
      12. Medewerkers van dit HvB zijn eerlijk tegen mij 0,00 0,03 0,77 0,59
      13. Medewerkers van dit HvB behandelen mij met respect −0,03 0,04 0,84 0,69
      14. Medewerkers van dit HvB gebruiken de regels op een goede manier 0,02 −0,01 0,82 0,68
      15. Medewerkers van dit HvB respecteren mijn rechten −0,01 0,01 0,83 0,68
      16. Medewerkers van dit HvB leggen hun acties eerlijk aan mij uit 0,02 −0,01 0,78 0,63
      17. Medewerkers van dit HvB proberen eerst de feiten te achterhalen voordat ze iets doen −0,01 −0,04 0,62 0,39
      18. Medewerkers van dit HvB geven mij de kans mijn mening te geven voordat ze beslissingen nemen 0,00 −0,01 0,71 0,50
      19. Medewerkers van dit HvB zijn beleefd tegen mij −0,02 0,02 0,77 0,59
      20. Medewerkers van dit HvB luisteren naar mij bij beslissingen over wat er met mij moet gebeuren 0,03 −0,05 0,68 0,48
      21. Medewerkers van dit HvB behandelen mij rechtvaardig −0,02 0,02 0,77 0,59
      22. Medewerkers van dit HvB beslissen op een rechtvaardige manier 0,02 0,00 0,75 0,57
      23. Mijn advocaat is eerlijk tegen mij 0,02 0,88 −0,03 0,77
      24. Mijn advocaat behandelt mij met respect 0,00 0,89 0,00 0,80
      25. Mijn advocaat gebruikt de wet op een goede manier −0,01 0,87 0,01 0,76
      26. Mijn advocaat respecteert mijn rechten 0,00 0,92 0,01 0,85
      27. Mijn advocaat legt zijn/haar acties eerlijk aan mij uit 0,03 0,89 −0,01 0,79
      28. Mijn advocaat probeert eerst de feiten te achterhalen voor hij/zij iets doet −0,02 0,72 0,00 0,52
      29. Mijn advocaat geeft mij de kans mijn mening te geven voordat hij/zij beslissingen neemt −0,01 0,86 0,00 0,74
      30. Mijn advocaat is beleefd tegen mij −0,02 0,83 0,01 0,69
      31. Mijn advocaat luistert naar mij bij beslissingen over wat er met mij moet gebeuren 0,00 0,84 0,01 0,71
      32. Mijn advocaat behandelt mij rechtvaardig 0,00 0,73 0,02 0,53
      33. Mijn advocaat beslist op een rechtvaardige manier 0,02 0,74 −0,02 0,54

      Noot: patrooncoëfficiënten groter dan .5 zijn vetgedrukt.

      Tabel 4 Factoranalyse moment 4 (zes maanden na vrijlating; N=791)
      Item123h2
      1. Mijn advocaat is eerlijk tegen mij 0,85 0,06 0,02 0,74
      2. Mijn advocaat behandelt mij met respect 0,87 −0,06 0,00 0,73
      3. Mijn advocaat gebruikt de wet op een goede manier 0,75 0,08 −0,03 0,59
      4. Mijn advocaat respecteert mijn rechten 0,87 −0,03 −0,02 0,75
      5. Mijn advocaat legt zijn/haar acties eerlijk aan mij uit 0,86 0,02 −0,01 0,75
      6. Mijn advocaat probeert eerst de feiten te achterhalen voor hij/zij iets doet 0,77 0,07 −0,01 0,61
      7. Mijn advocaat geeft mij de kans mijn mening te geven voordat hij/zij beslissingen neemt 0,82 0,03 −0,01 0,68
      8. Mijn advocaat is beleefd tegen mij 0,75 −0,12 0,03 0,54
      9. Mijn advocaat luistert naar mij bij beslissingen over wat er met mij moet gebeuren 0,85 −0,02 0,02 0,72
      10. Mijn advocaat behandelt mij rechtvaardig 0,84 0,01 0,00 0,72
      11. Mijn advocaat beslist op een rechtvaardige manier 0,73 0,01 −0,01 0,53
      12. De rechter was eerlijk tegen mij 0,02 0,71 −0,01 0,50
      13. De rechter behandelde mij met respect −0,02 0,75 −0,03 0,55
      14. De rechter gebruikte de wet op een goede manier −0,05 0,75 0,05 0,57
      15. De rechter respecteerde mijn rechten −0,01 0,76 −0,01 0,57
      16. De rechter legde zijn/haar acties eerlijk aan mij uit −0,02 0,62 0,03 0,39
      17. De rechter probeerde eerst de feiten te achterhalen voordat hij/zij iets deed 0,04 0,64 0,03 0,43
      18. De rechter gaf mij de kans mijn mening te geven voordat hij/zij beslissingen nam 0,06 0,55 0,03 0,33
      19. De rechter was beleefd tegen mij 0,02 0,63 −0,05 0,39
      20. De rechter luisterde naar mij bij beslissingen over wat er met mij moest gebeuren 0,06 0,60 −0,01 0,37
      21. De rechter behandelde mij rechtvaardig −0,05 0,80 −0,05 0,62
      22. De rechter besliste op een rechtvaardige manier −0,03 0,69 0,04 0,48
      23. Reclasseringswerkers geven mij goede informatie −0,01 0,06 0,71 0,53
      24. Reclasseringswerkers behandelen mij met respect 0,01 −0,04 0,86 0,73
      25. Reclasseringswerkers gedragen zich professioneel −0,01 0,01 0,89 0,79
      26. Reclasseringswerkers luisteren goed naar mij 0,00 −0,03 0,89 0,78

      Noot: patrooncoëfficiënten groter dan .5 zijn vetgedrukt.

      Verschillen in ervaren bejegening door diverse actoren in de strafrechtketen

      Nu hiervoor is vastgesteld dat gedetineerden onderscheid maken in de bejegening tussen diverse actoren, is vervolgens inhoudelijk onderzocht hoe ze de bejegening door deze actoren in de strafrechtketen ervaren (onderzoeksvraag 2). De resultaten laten zien dat gedetineerden het meest positief zijn over de bejegening door hun advocaat: op alle meetmomenten scoren ze gemiddeld een 4 op een schaal van 1 tot 5 (zie tabel 5). Deze score kan als positief worden bestempeld. Daarentegen zijn gedetineerden het minst positief over de bejegening door de politie. De score van 2,3 op een schaal van 1 tot 5 kan worden gezien als enigszins negatief. De ervaren bejegening door de PIW’er en de rechter is, met een score van ongeveer 3, als neutraal te kwalificeren. De bejegening door de RW’er is neutraal tot licht positief. Op elk meetmoment zijn de verschillen in de ervaren procedurele rechtvaardigheid tussen actoren significant (met uitzondering van het verschil tussen de rechter en de reclassering op moment 4).3x Analyses zijn op te vragen bij de eerste auteur. Zo is bijvoorbeeld het verschil tussen de ervaren bejegening door de politie (gemiddeld 2,34) en door de PIW’ers (gemiddeld 3,15) op moment 1 significant (t=−35,64; p<.001). Kortom, gedetineerden zijn – in overeenstemming met de tweede hypothese – het meest positief over de bejegening door hun advocaat en het minst positief over de bejegening door de politie.

      Tabel 5 Beschrijvende statistiek van de schalen van procedurele rechtvaardigheid
      Afhankelijke variabeleBeschrijvende statistiek
      MediaanGemiddeldeSDAlphaN
      Politie M1 2,27 2,34 0,88 0,94 1.712
      PIW’er M1 3,18 3,15 0,67 0,94 1.703
      M2 3,00 2,94 0,72 0,96 817
      M3 3,00 3,01 0,74 0,95 249
      Advocaat M1 4,09 4,22 0,67 0,96 1.652
      M2 4,00 4,16 0,60 0,96 784
      M3 4,00 4,16 0,62 0,96 241
      M4 4,00 4,12 0,68 0,96 930
      Rechter M3 3,00 2,89 0,80 0,94 207
      M4 3,55 3,41 0,70 0,91 802
      RW’er M4 3,75 3,42 0,96 0,90 603
      M5 3,50 3,37 1,00 0,90 605

      Noot: M1 t/m M5=moment 1 t/m moment 5.

      De samenhang in ervaren bejegening door strafrechtactoren – op één meetmoment

      De derde onderzoeksvraag betreft in hoeverre de door gedetineerden ervaren bejegening door diverse actoren in de strafrechtketen met elkaar samenhangt. Om dit te onderzoeken zijn eerst de correlaties in de ervaren bejegening op hetzelfde moment geanalyseerd. Er is een samenhang gevonden voor vijf combinaties van actoren (zie tabel 6). Drie weken na aankomst in de PI (moment 1) blijkt dat gedetineerden die zich rechtvaardiger bejegend voelen door de politie, zich ook rechtvaardiger bejegend voelen door de PIW’er (r=,30; p<.01). Tegelijk blijkt op moment 1 dat gedetineerden die zich minder positief bejegend voelen door de politie, zich juist wel rechtvaardiger bejegend voelen door hun advocaat (r=–,05; p<.05). Negen maanden na aankomst in de PI (moment 3) blijkt dat gedetineerden die zich rechtvaardiger bejegend voelen door de PIW’er, zich ook rechtvaardiger bejegend voelen door hun advocaat (r=,27; p<.01). Zes maanden na detentie (moment 4) is er een positief verband in de ervaren bejegening door de advocaat en de rechter (r=,18; p<.01). Tot slot, gedetineerden die dan positiever zijn over de bejegening door de rechter zijn ook positiever over de bejegening door de RW’er (r=,17; p<.01). Kortom, er is – in lijn met de derde hypothese – sprake van een samenhang in de ervaren bejegening door diverse strafrechtactoren op hetzelfde moment.

      Tabel 6 Samenhang in de ervaren bejegening door strafrechtactoren – op één meetmoment
      Afhankelijke variabelen Onafhankelijke variabelen
      Politie PIW’er Advocaat Rechter
      r N r N r N r N
      PIW’er M1 0,30** 1.676
      Advocaat M1 −0,05* 1.629 0,00 1.620
      M2 0,00 777
      M3 −0,04 234
      Rechter M3 0,27** 198 −0,08 195
      M4 0,18** 791
      RW’er M4 0,04 598 0,17** 534

      Noten: M1 t/m M5=moment 1 t/m moment 4; Pearson’s r is gepresenteerd.
      * p<.05; ** p<.01; *** p<.001.

      De samenhang in ervaren bejegening door strafrechtactoren – op meerdere meetmomenten

      Vervolgens is de longitudinale samenhang onderzocht in hoe gedetineerden de ­bejegening door verschillende actoren in de strafrechtketen ervaren. Tabel 7 laat deze longitudinale samenhang in procedurele rechtvaardigheid van strafrechtactoren zien. De politie blijkt een invloedrijke actor te zijn met betrekking tot de bejegening door actoren later in de strafrechtketen. Wanneer gedetineerden positiever zijn over de ervaren bejegening door de politie, dan zijn ze op een later moment ook positiever over de bejegening door PIW’ers (r=,15; p<.001), de rechter (r=,28; p<.001) en de RW’er (r=,15; p<.001). We vinden een ander en wisselend patroon wanneer we naar de samenhang kijken tussen de bejegening door de politie en de bejegening door de ­advocaat. De samenhang tussen de ervaren bejegening door de politie en de advocaat varieert. Waar de door gedetineerden ervaren bejegening door de politie niet significant samenhangt met de ervaren bejegening door de advocaat op moment 2 en moment 4, is er op moment 3 wel een significante en negatieve samenhang (r=–,20; p<.01).
      De door gedetineerden ervaren bejegening door PIW’ers lijkt in wisselende mate samen te hangen met de ervaren bejegening door andere actoren. Gedetineerden die kort na hun binnenkomst in het HvB vinden dat ze rechtvaardiger bejegend zijn door PIW’ers, vinden drie maanden later ook dat ze rechtvaardiger bejegend zijn door hun advocaat (r=,10; p<.01). De samenhang tussen de bejegening door PIW’ers kort na binnenkomst in het HvB en de bejegening door de advocaat op ­latere meetmomenten (negen maanden na binnenkomt in het HvB en zes maanden na vrijlating) is niet significant. In de ongecontroleerde analyses hangt de ­bejegening door PIW’ers samen met die van de rechter en de RW’er op een later ­moment, maar deze samenhang is niet meer significant wanneer we rekening houden met eerdere opvattingen van gedetineerden over de bejegening door de rechter en de RW’er.
      Tot slot, de door gedetineerden ervaren bejegening door de rechter hangt positief samen met de bejegening door de advocaat (r=,27; p<.01) en de RW’er (r=,12; p<.05) op een volgend moment. Voor de bejegening door de rechter zijn twee momenten gekozen: moment 3 (voor de samenhang met de advocaat) en moment 4 (voor de samenhang met de reclassering). Zodoende was het mogelijk om het verband tussen de advocaat en de rechter beide kanten op te toetsen (advocaat M3 → rechter M4; rechter M3 → advocaat M4). We vinden uitsluitend een significante samenhang tussen de door gedetineerden ervaren bejegening door de rechter en de bejegening door de advocaat op een later moment. Gedetineerden die negen maanden na binnenkomst in het HvB positiever waren over de bejegening door de rechter, waren zes maanden na hun vrijlating ook positiever over de bejegening door hun advocaat (r=,27; p<.01). Samenvattend, met uitzondering van de advocaat laat het merendeel van de analyses een longitudinale samenhang in de door gedetineerden ervaren bejegening door verschillende strafrechtactoren zien.

      Tabel 7 De (longitudinale) samenhang in ervaren bejegening door strafrechtactoren – op meerdere meetmomenten
      Onafhankelijke variabelen
      Politie – M1 PIW’er – M1 Advocaat – M1 Rechter – M3 & M4
      Afhankelijke variabelen (meerdere momenten) Model 1 Model 2 Model 1 Model 2 Model 1 Model 2 Model 1 Model 2
      r N r N r N r N r N r N r N r N
      PIW’er M2 ,34*** 782 ,15*** 770 -,03 767 -,02 754
      M3 ,30*** 235 ,14* 188 ,08 237 ,03 191
      Advocaat M2 -0,03 750 0,00 729 ,10** 749 ,10** 726
      M3 -0,24*** 228 -,20** 179 -,09 230 -,06 179
      M4 0,02 863 ,17 100 ,04 858 -,06 97 ,100 108 ,27** 79
      Rechter M4 ,28*** 744 ,28** 103 ,17*** 737 ,04 102 ,02 710 ,03 102
      RW’er M5 ,19*** 564 ,15** 320 ,16*** 560 ,10 324 -,00 543 ,04 312 ,16** 368 ,12* 301

      Noten: M1 t/m M5=moment 1 t/m moment 5; Model 1: geen controlevariabelen; Model 2: rekening houdend met alle eerdere opvattingen over de actor in de uitkomst­variabele (Xt1 → Yt2, rekening houdend met Yt1); Pearson’s r is gepresenteerd.
      * p<.05; ** p<.01; *** p<.001.

    • Discussie

      Kernbevindingen

      Gedetineerden ontmoeten verschillende actoren tijdens hun gang door de strafrechtketen. Hoewel de procedurele rechtvaardigheidstheorie veronderstelt dat de bejegening door al deze actoren van invloed is op de naleving van de wet (Reisig e.a., 2007; Tyler, 1990; 2003), is er weinig bekend over hoe gedetineerden de bejegening door meerdere strafrechtactoren eigenlijk ervaren. Bovendien staat het niet vast of – en in hoeverre – de ervaren bejegening door een actor samenhangt met de ervaren bejegening door een andere actor in de strafrechtketen. Om dit te onderzoeken, zijn longitudinale data uit een grootschalig onderzoeksproject, het Prison Project, gebruikt. In dit onderzoek zijn gedetineerden gevraagd naar de ervaren bejegening door de politie, de rechter, de penitentiair inrichtingswerkers (PIW’ers), de reclasseringswerker (RW’er) en de advocaat. De resultaten geven duidelijke antwoorden op de drie onderzoeksvragen en laten drie kernbevindingen zien: gedetineerden maken onderscheid in de bejegening door diverse actoren; gedetineerden zijn positiever over de bejegening door sommige actoren (bijvoorbeeld de advocaat) dan over de bejegening door andere actoren (bijvoorbeeld de politie); en er is een samenhang in de door gedetineerden ervaren bejegening door de diverse actoren.
      De eerste kernbevinding – dat gedetineerden onderscheid maken in de bejegening tussen verschillende actoren – bevestigt de eerste hypothese. Factoranalyses tonen een duidelijk patroon: de items van een actor laden op de eigen factor en niet of nauwelijks op die van een andere strafrechtactor. De analyses in deze studie bevestigen daarmee de uitkomsten van bestaand onderzoek, waarin eerder is aangetoond dat gedetineerden de bejegening door de politie onderscheiden van die door de rechter (Alward & Baker, 2019; Baker e.a., 2014). Het huidige onderzoek laat zien dat dit ook opgaat voor de bejegening door andere strafrechtactoren, zoals PIW’ers, RW’ers en de advocaat. Deze bevinding is relevant omdat zij laat zien dat gedetineerden de bejegening in de strafrechtketen als één geheel zien, maar de ­bejegening per actor verschillend (kunnen) ervaren.
      De tweede kernbevinding – dat gedetineerden de bejegening door diverse actoren verschillend ervaren – is in lijn met de tweede hypothese. Overeenkomstig de verwachting zijn gedetineerden het meest positief over de bejegening door hun advocaat en het minst positief over de bejegening door de politie. Concreet betekent dit dat de contacten met de advocaat als meest procedureel rechtvaardig en de contacten met de politie als minst procedureel rechtvaardig worden ervaren. Deze verschillen kunnen verklaard worden door de specifieke en uiteenlopende rollen van de betreffende strafrechtactoren. Het ligt voor de hand dat de positief ervaren bejegening door de advocaat samenhangt met de rol van de advocaat: het verlenen van juridische bijstand en het behartigen van de belangen van de verdachte gedurende het strafproces. Op deze manier kan het relatief negatieve oordeel over de bejegening door de politie ook begrepen worden. De politie heeft als opdracht om strafbare feiten op te sporen, mensen aan te houden bij een verdenking van een strafbaar feit, en hen te verhoren. De neutrale score van de rechter komt overeen met de neutrale(re) rol, namelijk de waarheidsvinding en het rechtspreken in strafzaken. Deze bevinding komt ook overeen met bevindingen uit eerder onderzoek, waaruit bleek dat jeugdige delinquenten het meest positief waren over de bejegening door hun advocaat (Sprott & Greene, 2010) en neutraal tot licht positief waren over de bejegening door de politie en de rechter (Fagan & Piquero, 2007; Kaiser & Reisig, 2019).
      Deze tweede kernbevinding is van belang omdat verondersteld wordt dat procedurele rechtvaardigheid een belangrijke voorspeller is voor de mate waarin men zich aan de wet gaat houden en voor de mate waarin men autoriteiten als legitiem beschouwt (Sunshine & Tyler, 2003; Tyler, 2006; Walters & Bolger, 2019). Inzicht in bij welke actoren de ervaren rechtvaardige bejegening relatief minder positief is, levert dus aanknopingspunten op voor waar mogelijk winst valt te behalen door de ervaren procedurele rechtvaardigheid te vergroten. Overigens kunnen verschillen in de ervaren procedurele rechtvaardigheid ook beïnvloed worden door persoons- en zaakkenmerken (o.a. type delict, proceshouding en opgelegde straf). Verder onderzoek is nodig om vast te stellen in hoeverre zulke kenmerken gerelateerd zijn aan de ervaren rechtvaardige bejegening door strafrechtactoren.
      De derde kernbevinding – dat de ervaren bejegening door de ene actor samenhangt met de ervaren bejegening door andere actoren zowel op hetzelfde moment als op daaropvolgende momenten – bevestigt onze derde hypothese. De resultaten laten zien dat hoe gedetineerden de bejegening door de politie, de rechter, de PIW’ers en de RW’ers ervaren, met elkaar samenhangt, zowel op hetzelfde moment als op ­opeenvolgende momenten. De sterktes van de gevonden verbanden variëren van ,12 tot ,34 en zijn te duiden als matig tot middelgroot (Cohen, 1988; 1992). Deze bevindingen suggereren, in lijn met eerder onderzoek en het voornoemde socialisatieproces, dat opvattingen over de bejegening door strafrechtactoren gerelateerd zijn aan eerdere ervaringen en contacten met strafrechtactoren en het strafrechtsysteem (Augustyn, 2016; Fagan & Piquero, 2007; Tyler e.a., 2014).
      De ervaren bejegening door de eerste strafrechtactor, de politie, hangt samen met de ervaren bejegening door de actoren later in de strafrechtketen. Het blijkt dat gedetineerden die zich door de politie rechtvaardiger bejegend voelen, zich op een later moment ook rechtvaardiger bejegend voelen door de rechter, de PIW’ers, de RW’er en de advocaat. Het contact met de politie dient niet alleen als een eerste ontmoeting met de strafrechtketen, maar vormt ook een basis voor de manier waarop de bejegening door volgende actoren wordt ervaren (Alward & Baker, 2019).
      In het onderzoek valt verder de bijzondere rol van de advocaat op. De resultaten laten zien dat hoe gedetineerden de bejegening door hun advocaat ervaren nauwelijks samenhangt met de ervaren bejegening door de andere actoren. Dit illustreert mogelijk de afwijkende rol van de advocaat ten opzichte van de andere strafrecht­actoren, waarbij de advocaat zich centraal richt op het dienen van het belang van de cliënt en het verzekeren van een eerlijke en juiste procesgang voor hem of haar.
      Hoewel er tot op heden weinig longitudinaal onderzoek is gedaan naar hoe gedetineerden de bejegening door meerdere strafrechtactoren ervaren, komt de derde kernbevinding van het huidige onderzoek overeen met die in de enkele bestaande studies. Zo is bijvoorbeeld eerder gebleken dat gedetineerden die de bejegening door de politie als rechtvaardiger beschouwen, de bejegening door de rechter op een later (meet)moment ook als rechtvaardiger beschouwen (Casper e.a., 1988; ­Fagan & Piquero, 2007; Piquero e.a., 2005; Tyler e.a., 1989). De longitudinale analyses in het huidige onderzoek bevestigen eveneens bevindingen uit eerdere cross-sectionele studies die een samenhang aantoonden tussen de door gedetineerden ervaren bejegening door de politie enerzijds en de rechter anderzijds ­(Alward & Baker, 2019; Baker e.a., 2014; Brown e.a., 2018) en tussen de ervaren bejegening door de begeleiders van de (jeugd)inrichting (ook wel PIW’ers) enerzijds en de rechter anderzijds (Tatar e.a., 2012). Aanvullend op eerder onderzoek heeft het huidige onderzoek aandacht besteed aan de bejegening door niet eerder onderzochte strafrechtactoren, waardoor het nieuwe kennis oplevert over de samenhang in de procedureel rechtvaardige bejegening door verschillende strafrechtactoren. Een voorbeeld hiervan is dat het huidige onderzoek laat zien dat hoe gedetineerden de bejegening door de rechter ervaren, samenhangt met hoe ze de bejegening door de RW’er ervaren. Het verbreden van de aandacht van de bejegening door één strafrechtactor naar de samenhang in de ervaren bejegening door meerdere strafrechtactoren is belangrijk. Allereerst omdat vanuit een wetenschappelijk perspectief de bevindingen suggereren dat eerder onderzoek naar de bejegening door maar één actor (bijvoorbeeld de rechter) mogelijk relevante voorspellers – namelijk de bejegening door andere actoren zoals de politie of PIW’ers – over het hoofd heeft gezien. Ten tweede is het van belang voor de praktijk en het beleid om zich te realiseren dat het waarborgen van een gevoel van procedurele rechtvaardigheid tijdens de rechtsgang plaatsvindt bij elke afzonderlijke actor in de strafrechtketen; en dat wanneer gedetineerden vinden dat ze op een procedureel rechtvaardige manier ­behandeld worden tijdens hun eerste contacten met de politie, dit mogelijk kan doorwerken in hoe ze de bejegening door andere actoren ervaren.

      Kanttekeningen bij het huidige onderzoek

      Het huidige onderzoek is wereldwijd een van de eerste onderzoeken waarin de door gedetineerden ervaren bejegening in relatie tot meerdere strafrechtactoren tegelijkertijd is onderzocht. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de bejegening door strafrechtactoren die tot nog toe niet of nauwelijks aan bod zijn gekomen in de bestaande literatuur, zoals PIW’ers en de RW’er. Dit tezamen met de longitudinale onderzoeksopzet maakt dat het huidige onderzoek bijdraagt aan meer kennis over procedurele rechtvaardigheid in de strafrechtketen.
      Net als bij ieder onderzoek zijn er ook kanttekeningen te plaatsen bij het huidige onderzoek. Een eerste kanttekening betreft de strafrechtactoren die in de huidige studie zijn onderzocht. Hoewel er informatie beschikbaar was over een uitzonderlijk aantal actoren in de strafrechtketen (de politie, de rechter, PIW’ers, RW’ers en de advocaat), betreft dit niet alle strafrechtactoren. Sommige actoren, zoals de officier van justitie en de rechter-commissaris, ontbreken, terwijl zij – zeker voor verdachten – ook een belangrijke rol spelen in de strafrechtketen. De rechter-commissaris beslist bijvoorbeeld over de inbewaringstelling en de officier van justitie is belast met de opsporing en vervolging van verdachten en legt in toenemende mate ook sancties op, zoals strafbeschikkingen. Het is dus belangrijk om in toekomstig onderzoek ook deze niet eerder onderzochte strafrechtactoren te includeren, en te onderzoeken in hoeverre gedetineerden vinden dat zij op een procedureel rechtvaardige manier door deze actoren worden behandeld en in hoeverre de bejegening door de rechter-commissaris of de officier van justitie samenhangt met de bejegening door andere actoren.
      Een tweede kanttekening betreft de manier waarop in dit onderzoek procedurele rechtvaardigheid in de strafrechtelijke keten gemeten is. In lijn met eerder onderzoek is in de vragenlijst van het Prison Project aan de gedetineerden gevraagd naar hun mening over hun contacten met de politie tijdens hun arrestatie, met medewerkers van de PI waarin zij op dat ­moment verbleven, met de rechter(s) die hun zaak behandelde(n) en daar uitspraak over deed (deden), en met hun huidige RW’er. Gedetineerden hebben dus weliswaar contact gehad met elke strafrecht­actor waarnaar gevraagd is, maar er is niet gevraagd naar de frequentie of intensiteit van het contact noch naar het contact met specifieke individuen binnen de betreffende strafrechtactor. Bij sommige actoren, zoals de politie, PIW’ers en mogelijk rechters, zijn er meerdere personen die de taak van de betreffende strafrechtactor uitvoeren en zijn er dus meerdere personen met wie gedetineerden contact hebben. Een gedetineerde kan zich, bijvoorbeeld, procedureel rechtvaardiger bejegend voelen in het contact met de ene politieagent of PIW’er dan in het contact met de andere politieagent of PIW’er. In de huidige studie is er dus sprake van een meer algemene, overkoepelende opvatting over de procedurele rechtvaardigheid per ­actor omdat gedetineerden meerdere politieagenten, PIW’ers en rechters ontmoet hebben. Hoewel onze aanpak in lijn is met eerder onderzoek (zie bijvoorbeeld ­Reisig e.a., 2007; Henderson e.a., 2010), is het relevant om in toekomstig onderzoek naar de procedurele rechtvaardigheid in de strafrechtketen meer gedetailleerd aandacht te besteden aan (verschillen in) procedurele rechtvaardigheid in specifieke contacten met individuele politieagenten, PIW’ers, rechters etc. en aan de duur en intensiteit van deze contacten, om vervolgens te onderzoeken in welke mate dit van invloed is op de samenhang in de bejegening door diverse actoren.
      Een aanvullend aandachtspunt bij het meten van procedurele rechtvaardigheid in de huidige studie heeft betrekking op het feit dat de tussenliggende tijd tussen het contact met strafrechtactoren en het moment van meten varieert, wat kan resulteren in een zogenoemde ‘recall bias’. Op meetmoment 1 is bijvoorbeeld zowel naar het contact met de politie als naar het contact met PIW’ers gevraagd. Dit betekent dat gedetineerden zich minder recente contacten met, bijvoorbeeld, de politie mogelijk minder volledig en nauwkeurig kunnen herinneren dan hun meer recente contacten met de PIW’ers.
      Een derde kanttekening betreft het ontbreken van informatie over de bejegening tijdens eventuele eerdere ontmoetingen met strafrechtactoren. Onderzoek heeft laten zien dat opvattingen over de procedurele rechtvaardigheid tijdens eerdere ontmoetingen met strafrechtactoren mogelijk kunnen doorwerken in hoe men de bejegening tijdens nieuwe ontmoetingen met actoren ervaart (Augustyn, 2016; Kaiser & Reisig, 2019). Een aanzienlijk deel van de gedetineerden in het huidige onderzoek was al eens eerder veroordeeld en heeft voorafgaand aan het huidige onderzoek dus al contact gehad met actoren in de strafrechtketen. Het is goed denkbaar dat deze eerdere ervaringen van invloed zijn (geweest) op hoe zij de bejegening door de actoren in dit onderzoek hebben ervaren. Echter, informatie over hoe gedetineerden de bejegening tijdens zulke eerdere contacten hebben ervaren, was in dit onderzoek niet beschikbaar.
      Een vierde, en laatste, kanttekening betreft de generaliseerbaarheid van de resultaten. Deze studie maakt gebruik van gegevens die verzameld zijn in het kader van het Prison Project, dat is uitgevoerd in Nederland onder mannelijke gedetineerden in reguliere detentie. Het Nederlandse strafrechtsysteem verschilt duidelijk van landen als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk (Beaujean, 2019; Tonry & Bijleveld, 2007; Van Dijk & De Waard, 2000). Daarnaast is er in Nederland sprake van relatief korte gevangenisstraffen ten opzichte van andere landen in de wereld (Downes, 1988; Downes & Van Swaaningen, 2007; Lickens & De Looff, 2012) en wordt het contact tussen gedetineerden en medewerkers van de PI gekenmerkt als informeel en ondersteunend (Dervan, 2011; Dirkzwager & Kruttschnitt, 2012; Van Ginneken e.a., 2020). Toekomstig onderzoek is dan ook nodig bij andere gedetineerdenpopulaties (zoals vrouwen en jeugdigen), andere detentiecontexten (bijvoorbeeld vreemdelingendetentie en tbs-klinieken) en in andere landen om inzicht te krijgen in hoeverre de bevindingen van het huidige onderzoek te generaliseren zijn.

      Implicaties

      Wat betekenen de bevindingen voor de praktijk? Uit de literatuur is bekend dat wanneer personen de bejegening door actoren uit de strafrechtketen als rechtvaardig(er) en respectvol(ler) ervaren, zij zich ook eerder aan de wetten en regels zullen houden (Walters & Bolger, 2019). Inzetten op het bevorderen van een procedureel rechtvaardige bejegening kan dus bijdragen aan het bevorderen van het naleven van de regels en het verminderen van recidive. Uit dit onderzoek blijkt dat de ervaren bejegening door de ene actor gerelateerd is aan de ervaren bejegening door andere actoren. Vertaald naar de praktijk betekent dit dat professionals die werkzaam zijn in het strafrechtsysteem zich dienen te realiseren dat elk van hen afzonderlijk, tijdens elk van hun ontmoetingen met gedetineerden een belangrijke mogelijkheid heeft om procedurele rechtvaardigheid in de praktijk te brengen, en dat dit vervolgens van invloed kan zijn op hoe gedetineerden de bejegening door zowel henzelf als hun collega-strafrechtactoren ervaren. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat wanneer men zich rechtvaardiger bejegend voelt tijdens eerste contacten met de politie, men ook eerder positiever is over de bejegening door andere actoren in het strafrechtsysteem. Omgekeerd betekent dit ook dat wanneer men zich ­onrechtvaardiger bejegend voelt tijdens eerste contacten met de politie, men ook eerder negatief is over de bejegening door andere actoren. Dit biedt dus de mogelijkheid om opvattingen over procedurele rechtvaardigheid in positieve zin te beïnvloeden en pleit ervoor om (meer) aandacht te besteden aan de inhoud en het belang van procedurele rechtvaardigheid in opleidingen en/of trainingen van ­bijvoorbeeld politieagenten en PIW’ers. Dergelijke aandacht zou in het bijzonder bij de politie kunnen worden toegepast, want het contact met de politie vormt veelal de eerste ontmoeting met de strafrechtketen.

    • Literatuur
    • Alward, L.M. & Baker, T. (2019). Justice-involved males’ procedural justice perceptions of the police and courts: examining the spill-over effect. Criminal Justice Studies, 1-15.

    • Augustyn, M.B. (2016). Updating perceptions of (in)justice. Journal of Research in Crime and Delinquency, 53(2), 255-286.

    • Baker, T., Pelfrey, W.V., Bedard, L.E., Dhungana, K., Gertz, M. & Golden, K. (2014). Female inmates’ procedural justice perceptions of the police and courts: is there a spill-over of police effects? Criminal Justice and Behavior, 41(2), 144-162.

    • Beaujean, R.G.A. (2019). Het Nederlandse strafrechtssysteem. In: R. Choenni, S.W. van den Braak & P.F.M. Platenburg (red.). Criminaliteit en rechtshandhaving 2018. Den Haag: ­Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, 10-39.

    • Beijersbergen, K.A., Dirkzwager, A.J.E. & Nieuwbeerta, P. (2016). Reoffending after release: does procedural justice during imprisonment matter? Criminal Justice and Behavior, 43(1), 63-82.

    • Brandl, S.G., Frank, J., Worden, R.E. & Bynum, T.S. (1994). Global and specific attitudes ­toward the police: disentangling the relationship. Justice Quarterly, 11(1), 543-580.

    • Brown, S.J., Tramontano, C., McKillop, N., Smallbone, S. & Wortley, R. (2018). Sex offend­ers’ perceptions of the police and courts: are there spill-over effects? Criminal Justice and Behavior, 45(3), 364-380.

    • Casper, J.D. (1978). Having their day in court: defendant evaluations of the fairness of their treatment. Law & Society Review, 12(2), 237-251.

    • Casper, J.D., Tyler, T.R. & Fisher, B. (1988). Procedural justice in felony cases. Law & Society Review, 22(3), 483-508.

    • Cohen, J. (1988). Statistical Power Analysis for the Behavioral Sciences. New York: Academic Press.

    • Cohen, J. (1992). A power primer. Psychological Bulletin, 112(1), 155-159.

    • Dekker, P. & Meer, T. van der (2007). Vertrouwen in de rechtspraak nader onderzocht. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

    • Dervan, L.E. (2011). American prison culture in an international context: an examination of prisons in America, the Netherlands and Israel. Stanford Law & Policy Review, 22(2), 413-428.

    • Dijk, F. van & Waard, J. de (2000). Legal Infrastructure of The Netherlands in International Perspective: Crime Control. Den Haag: Ministerie van Justitie.

    • Dirkzwager, A.J.E. & Kruttschnitt, C. (2012). Prisoners’ perceptions of correctional officers’ behavior in English and Dutch prisons. Journal of Criminal Justice, 40(5), 404-412.

    • Dirkzwager, A.J.E., Nieuwbeerta, P., Beijersbergen, K.A., Bosma, A.Q., Cuyper, R. de, Doekhie, J., Eichelsheim, V., Goede, S. de, Laan, P.H. van der, Lamet, W., Palmen, H., Raaij­makers, E., Ramakers, E., Reef, J., Stelt, S. van der, Wensveen, M. & Wermink, H. (2018). Cohort profile: the Prison Project – a study of criminal behavior and life circumstances before, during, and after imprisonment in the Netherlands. Journal of Developmental and Life-Course Criminology, 4(1), 120-135.

    • Downes, D. (1988). Contrasts in Tolerance: Post-War Penal Policies in the Netherlands and England and Wales. Oxford: Clarendon.

    • Downes, D. & Swaaningen, R. van (2007). The road to dystopia? Changes in penal climate of the Netherlands. In: M. Tonry & C.C.J.H. Bijleveld (eds.). Crime and Justice in the Netherlands. Chicago: University of Chicago Press, 31-71.

    • Fagan, J. & Piquero, A.R. (2007). Rational choice and developmental influences on recidivism among adolescent felony offenders. Journal of Empirical Legal Studies, 4(4), 715-748.

    • Fagan, J. & Tyler, T.R. (2005). Legal socialization of children and adolescents. Social Justice Research, 18(3), 217-242.

    • Ginneken, E.F.J.C. van, Bosma, A.Q., Pasma, A. & Palmen, H. (2020). Unhappy staff, unhappy prisoners? The relation between work climate and prison climate in Dutch prisons. Kriminologie – Das Online Journal, 2(2), 182-200.

    • Goodman-Delahunty, J. (2010). Four ingredients: new recipes for procedural justice in Australian policing. Policing: A Journal of Policy and Practice, 4(4), 403-410.

    • Henderson, H., Wells, W., Maguire, E.R. & Gray, J. (2010). Evaluating the measurement properties of procedural justice in a correctional setting. Criminal Justice and Behavior, 37(4), 384-399.

    • Hough, M. & Roberts, J.V. (2004). Confidence in Justice: An International Review. London: King’s College.

    • Jackson, J., Tyler, T.R., Bradford, B., Taylor, D. & Shiner, M. (2010). Legitimacy and procedur­al justice in prisons. Prison Service Journal, 191, 4-10.

    • Kaiser, K. & Reisig, M.D. (2019). Legal socialization and self-reported criminal offending: the role of procedural justice and legal orientations. Journal of Quantitative Criminology, 35(1), 135-154.

    • Lickens, P. & Looff, J. de (2012). Gevangeniswezen in getal 2007-2011. Den Haag: Dienst Justitiële Inrichtingen.

    • Mazerolle, L., Bennett, S., Davis, J., Sargeant, E. & Manning, M. (2013). Procedural justice and police legitimacy: a systematic review of the research evidence. Journal of Experimental Criminology, 9(3), 245-274.

    • Papachristos, A.V., Meares, T.L. & Fagan, J. (2012). Why do criminals obey the law? The influence of legitimacy and social networks on active gun offenders. Journal of Criminal Law and Criminology, 102(2), 397-440.

    • Penner, E.K., Viljoen, J.L., Douglas, K.S. & Roesch, R. (2014). Procedural justice versus risk factors for offending: predicting recidivism in youth. Law and Human Behavior, 38(3), 225-237.

    • Piquero, A.R., Bersani, B.E., Loughran, T.A. & Fagan, J. (2016). Longitudinal patterns of legal socialization in first-generation immigrants, second-generation immigrants, and native-born serious youthful offenders. Crime & Delinquency, 62(11), 1403-1425.

    • Piquero, A.R., Fagan, J., Mulvey, E.P., Steinberg, L. & Odgers, C. (2005). Developmental trajectories of legal socialization among serious adolescent offenders. Journal of Criminal Law & Criminology, 96(1), 267-298.

    • Raaijmakers, E., Nieuwbeerta, P., Keijser, J. de & Dirkzwager, A.J.E. (2013). Tevredenheid met advocaten onder Nederlandse gedetineerden: percepties van procedurele rechtvaardigheid en betrokkenheid van de advocaat. PROCES, 92, 234-249.

    • Reisig, M.D. & Meško, G. (2009). Procedural justice, legitimacy, and prisoner misconduct. Psychology, Crime & Law, 15(1), 41-59.

    • Reisig, M.D., Bratton, J. & Gertz, M.G. (2007). The construct validity and refinement of process-based policing measures. Criminal Justice and Behavior, 34(8), 1005-1028.

    • Skogan, W. (2006). Asymmetry in the impact of encounters with police. Policing and Society, 16(2), 99-126.

    • Sprott, J.B. & Greene, C. (2010). Trust and confidence in the courts: does the quality of ­treatment young offenders receive affect their views of the courts? Crime & Delinquency, 56(2), 269-289.

    • Sunshine, J. & Tyler, T.R. (2003). The role of procedural justice and legitimacy in shaping public support for policing. Law & Society Review, 37(3), 513-548.

    • Tankebe, J. (2009). Public cooperation with the police in Ghana: does procedural fairness matter? Criminology, 47(4), 1265-1293.

    • Tatar, J.R., Kaasa, S.O. & Cauffman, E. (2012). Perceptions of procedural justice among female offenders: time does not heal all wounds. Psychology, Public Policy, and Law, 18(2), 268-296.

    • Tonry, M. & Bijleveld, C.C.J.H. (2007). Crime, criminal justice, and criminology in the Netherlands. In: M. Tonry & C.C.J.H. Bijleveld (eds.). Crime and Justice in the Netherlands. Chicago: University of Chicago Press, 1-30.

    • Tyler, T.R. (1990). Why People Obey the Law. New Haven: Yale University Press.

    • Tyler, T.R. (2001). Public trust and confidence in legal authorities: what do majority and minority group members want from the law and legal institutions? Behavioral Sciences & the Law, 19(2), 215-235.

    • Tyler, T.R. (2003). Procedural justice, legitimacy, and the effective rule of law. In: M. Tonry (ed.). Crime and Justice: A Review of Research. Chicago: University of Chicago Press, 431-505.

    • Tyler, T.R. (2006). Why People Obey the Law. Princeton: Princeton University Press.

    • Tyler, T.R. & Huo, Y.J. (2002). Trust in the Law: Encouraging Public Cooperation with the Police and Courts. New York: Russell Sage Foundation.

    • Tyler, T.R. & Murphy, K. (2011). Procedural Justice, Police Legitimacy and Cooperation with the Police: A New Paradigm for Policing. Brisbane: ARC Centre of Excellence in Policing and Security.

    • Tyler, T.R. & Wakslak, C.J. (2004). Profiling and police legitimacy: procedural justice, attributions of motive, and acceptance of police authority. Criminology, 42(2), 253-282.

    • Tyler, T.R., Casper, J.D. & Fisher, B. (1989). Maintaining allegiance toward political authorities: the role of prior attitudes and the use of fair procedures. American Journal of Political Science, 33(3), 629-652.

    • Tyler, T.R., Fagan, J. & Geller, A. (2014). Street stops and police legitimacy: teachable moments in young urban men’s legal socialization. Journal of Empirical Legal Studies, 11(4), 751-785.

    • Van Damme, A., Pauwels, L. & Haas, N. (2012). Exploring the factor structure of measures of confidence in procedural justice and performance of the criminal justice system by actor: a latent-variables approach. In: M. Cools, B. De Ruyver, M. Easton, L. Pauwels, P. Ponsaers, G. Vande Walle, T. Vander Beken, F. Vander Laenen, G. Vermeulen & G. Vynnckier (eds.). Social Conflicts, Citizens and Policing. Antwerpen: Maklu, 119-140.

    • Walters, G.D. & Bolger, P.C. (2019). Procedural justice perceptions, legitimacy beliefs, and compliance with the law: a meta-analysis. Journal of Experimental Criminology, 15(3), 341-372.

    • White, M.D., Mulvey, P. & Dario, L.M. (2016). Exploring procedural justice, legitimacy, and willingness to cooperate with police across offender types. Criminal Justice and Behavior, 43(3), 343-364.

    • Bijlage

      Principale factoranalyses

      Aanvullend op de inhoudelijke beschrijving van de uitkomsten van de factoranalyses, presenteren we hier enkele technische details van de uitgevoerde analyses. Voor elk meetmoment zijn er principale factoranalyses uitgevoerd om te toetsen in hoeverre gedetineerden de bejegening door diverse actoren als één geheel zien of dat ze afzonderlijke actoren onderscheiden. De resultaten zijn weergegeven in tabel 3 (moment 1) en tabel 4 (moment 4). De analyses van de overige meetmomenten (2, 3 en 5) zijn op te vragen bij de eerste auteur. In alle factoranalyses is er een schuine rotatie uitgevoerd omdat de factoren mogelijk met elkaar correleren. In een eerste stap is bepaald in hoeverre de items geschikt zijn voor een principale factoranalyse.4x Oorspronkelijk was er een twaalfde item beschikbaar met betrekking tot de ervaren bejegening, namelijk: ‘de [actor] neemt beslissingen op basis van meningen in plaats van feiten’. Overeenkomstig met eerder onderzoek op deze dataset (Beijersbergen e.a., 2016) bleek dat dit item te lage ­patrooncoëfficiënten en communaliteiten opleverde. Om deze reden is dit item uit de analyses verwijderd en bleven er elf items over. Dit bleek het geval te zijn; de Kaiser-Meyer-Olkin-test om te toetsen of de steekproef adequaat is, is met ,95 (moment 1) en ,93 (moment 4) ver boven de grenswaarde van ,5. De Barlett’s test of sphericity geeft aan dat de items correleren (χ2=38.062,16, p<.001; χ2=9.462,298, p<.001). Vanwege de schuine rotatie worden de patrooncoëfficiënten getoond; deze coëfficiënten geven de unieke bijdrage van een item aan de factor weer. Daarnaast zijn de communaliteiten (h2) ­gepresenteerd, die verwijzen naar de variantie die wordt verklaard door de gemeenschappelijke factoren. Kijkend naar de Kaiser-criteria (eigenwaarde >1) laten de resultaten op beide momenten een oplossing zien met drie factoren. Op meetmoment 1 laden de items op de verwachte latente constructen: factor 1 betreft de procedurele rechtvaardigheid van de politie, factor 2 van de advocaat en factor 3 van de PIW’ers (moment 1). Op meetmoment 4 representeert factor 1 de procedurele rechtvaardigheid van de advocaat, factor 2 die van de rechter en factor 3 ­betreft de bejegening door de reclassering. In alle analyses zijn er geen dubbel ladende items en alle factorladingen zijn boven de .5. De drie factoren verklaren 62 procent van de variantie op moment 1 en 64 procent van de variantie op moment 4. De factoren correleren zwak tot matig (correlaties variëren van -,01 tot -,32 op moment 1 en van -,02 tot ,21 op moment 4). De procedurele rechtvaardigheid van de politie en PIW’ers heeft de hoogste gemeenschappelijke variantie (-,32). De factoranalyses voor de overige meetmomenten laten eenzelfde patroon zien.

      Tot slot, vanwege de gelijkluidende items die zijn gebruikt om procedurele rechtvaardigheid te meten (zie tabel 3 en 4), kan een ‘common method bias’ ontstaan. Dit houdt in dat relaties tussen de ervaren bejegening een gevolg kunnen zijn van de methode waarop de bejegening is gemeten. Een aanvullende analyse (‘Harman’s single factor score’) is toegepast om te achterhalen of deze bias een rol speelt in onze data. Dit is een factoranalyse waarin alle items van de ervaren bejegening door alle strafrechtactoren per meetmoment zijn meegenomen. Het aantal ‘factoren’ wordt vervolgens vastgezet op 1. Wanneer de totaal verklaarde variantie niet boven de 50 procent komt, dan is er geen aanwijzing voor een common method bias.
      Deze analyse toonde geen aanwijzingen voor het bestaan van een common method bias in de schalen van procedurele rechtvaardigheid (verklaarde variantie is 25,1 procent op meetmoment 1 en 29,6 procent op meetmoment 4).

    Noten

    • 1 De schaal werd gemaakt als gedetineerden ten minste bij acht van de elf items een geldige waarde hadden.

    • 2 De analyses voor de overige meetmomenten zijn op te vragen bij de eerste auteur.

    • 3 Analyses zijn op te vragen bij de eerste auteur.

    • 4 Oorspronkelijk was er een twaalfde item beschikbaar met betrekking tot de ervaren bejegening, namelijk: ‘de [actor] neemt beslissingen op basis van meningen in plaats van feiten’. Overeenkomstig met eerder onderzoek op deze dataset (Beijersbergen e.a., 2016) bleek dat dit item te lage ­patrooncoëfficiënten en communaliteiten opleverde. Om deze reden is dit item uit de analyses verwijderd en bleven er elf items over.


Print dit artikel