Nter_1382-4120_2017_023_005_large
Rss

Nederlands tijdschrift voor Europees recht

Meer op het gebied van Europees recht en mededingingsrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 1, 2010 Alle samenvattingen uitklappen
Jurisprudentie

Mickelsson & Roos – Markttoegang en de Euro-Defence tot het uiterste opgerekt

Trefwoorden markttoegang, gebruiksmodaliteiten, Euro-Defence, goederen
Auteurs Dr. H.H.B. Vedder
SamenvattingAuteursinformatie

    De zaak Mickelsson & Roos zal onder Europarechtler voornamelijk bekend zijn als het arrest waarin A-G Kokott uitdrukkelijk en uitvoerig concludeerde tot invoering van een uitzondering voor gebruiksmodaliteiten naar analogie met Keck. Na het arrest in Commissie/Italië inzake het brommeraanhangerverbod (zie de bijdrage ‘Goods Revisited’ van S.A. de Vries in NTER 2009/4) zal het geen verrassing zijn dat deze uitzondering er niet is gekomen. De onderhavige bijdrage bespreekt het arrest Mickelsson & Roos uiteraard vanuit het perspectief van de (gesneefde) uitzondering voor gebruiksmodaliteiten. Het arrest is echter ook interessant vanwege de overwegingen in verband met de verhouding van het primaire en secundaire Europese recht als toetsingskader voor nationaal (milieu)beleid en vanwege de algemene implicaties voor de inroepbaarheid van het Europees recht ter afwering van een op nationaal recht gebaseerde procedure (Euro-Defence). De conclusie is dat het Hof met het arrest in Mickelsson & Roos het recht inzake het vrije verkeer van goederen aanzienlijk heeft gecompliceerd en de (Euro-Defence) tot het uiterste heeft opgerekt, zowel juridisch-inhoudelijk als temporeel. Verder bevat het arrest een uitvoerige evenredigheidstoetsing.


Dr. H.H.B. Vedder
Dr. H.H.B. Vedder is Universitair Hoofddocent Europees en economisch recht, Rijksuniversiteit Groningen, raadsheer-plaatsvervanger bij het Hof Leeuwarden en lid van de Adviescommissie bezwaarschriften Mededingingswet.
Jurisprudentie

Coördinatie van sociale verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid: het arrest Ketty Leyman

Trefwoorden Leyman, WIA, sociale zekerheid
Auteurs Mr. A.P. van der Mei
SamenvattingAuteursinformatie

    Het Europees socialezekerheidsrecht is gestoeld op twee potentieel tegenstrijdige premissen. De eerste betreft de bevoegdheid van de EU-wetgever. De wetgever kan/mag de nationale sociale zekerheidsstelsels enkel coördineren, niet harmoniseren. Verordening (EG) nr. 1408/71 doet geen afbreuk aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels. De uitoefening van het recht op vrij verkeer is voor de sociale zekerheid dan ook niet neutraal. Tewerkstelling in of verhuizing naar een andere lidstaat kan soms voordelig, soms nadelig uitpakken. In het laatste geval is er een tegenstrijdigheid met de tweede, in de rechtspraak ontwikkelde, premisse: de uitoefening van het recht op vrij verkeer mag niet leiden tot een verlies van sociale zekerheidsrechten. De spanning tussen deze twee basisbeginselen kwam naar voren in het recente arrest in de Belgische zaak Leyman. Ook in Nederland werd met spanning naar het arrest uitgekeken, vooral vanwege de problematiek betreffende het zogenaamde ‘WIA-gat’.


Mr. A.P. van der Mei
Mr. A.P. van der Mei is universitair docent aan de capaciteitsgroep Internationaal & Europees recht van de Universiteit Maastricht.
Jurisprudentie

Zaak C-440/07 P, Commissie/Schneider Electric

Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Commissie in fusiecontrole

Trefwoorden Schneider, Legrand, niet-contractuele aansprakelijkheid, Europese Concentratieverordening, voorgenomen transactie
Auteurs Mr. M.F. Van Wissen
SamenvattingAuteursinformatie

    In zijn arrest van 16 juli 2009 in de zaak Schneider Electric/Legrand heeft het Hof van Justitie van de EG zich voor de eerste keer uitgesproken over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Commissie bij de beoordeling van concentraties onder de Europese Concentratieverordening. In het arrest wordt de mogelijkheid om de Commissie aansprakelijk te houden voor schade die het gevolg is van haar optreden bij de beoordeling van concentraties zonder meer aanwezig geacht. De voorwaarden voor deze aansprakelijkheid van de Commissie zijn echter strikt.


Mr. M.F. Van Wissen
Mr. M.F. van Wissen is advocaat te Amsterdam bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V.
Artikel

Non-discriminatie onder het EU- en Euratom-Verdrag: de doorwerking van artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 VWEU)

Trefwoorden Non-discriminatie, Wolzenburg, ČEZ, Euratom-Verdrag
Auteurs Mr. W.W. Geursen
SamenvattingAuteursinformatie

    In oktober 2009 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaken Wolzenburg en ČEZ; beide in een grote kamer. Deze zaken waren overigens niet gevoegd en betreffen materieelrechtelijk totaal verschillende regimes: het Europees Aanhoudingsbevel, respectievelijk het Euratom-Verdrag. Desalniettemin kwam in beide zaken de vraag aan de orde in hoeverre nationale wetgeving kon worden getoetst aan het verbod op discriminatie naar nationaliteit van artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Artikel 12 EG-Verdrag is alleen van toepassing binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag, terwijl beide zaken niet het EG-Verdrag betroffen, maar een kaderbesluit op grond van de (voormalige derde pijler) van het EU-Verdrag, respectievelijk het Euratom-Verdrag. Volgens het Hof in de zaak Wolzenburg kunnen uitvoeringsmaatregelen van een (derde pijler) kaderbesluit direct worden getoetst aan artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 VWEU). In de zaak ČEZ concludeerde het Hof daarentegen dat een zaak die binnen de reikwijdte van het Euratom-Verdrag valt niet (rechtstreeks) kan worden getoetst aan artikel 12 EG-Verdrag (thans art. 18 VWEU), maar dat dat slechts kon via de band van het algemene gelijkheidsbeginsel. Twee verschillende oplossingen, met hetzelfde resultaat. Deze oplossingen zijn mijns inziens overigens in lijn met het Verdrag van Lissabon en het lijkt erop dat het Hof daarmee alvast een voorschot neemt op de nieuwe (systematiek van de) verdragen.


Mr. W.W. Geursen
Mr. W.W Geursen is promovendus aan de Vrije Universiteit, Amsterdam.
Jurisprudentie

De gebruiksvergoeding bij de ontbonden koop op afstand: het onderscheid tussen ‘gebruiken’ en ‘uitproberen’

Trefwoorden gebruiksvergoeding, koop op afstand, ontbinding tijdens bedenktijd, non-conformiteit
Auteurs Prof. mr. M.B.M. Loos
SamenvattingAuteursinformatie

    De koper van een zaak wordt na levering eigenaar van die zaak en heeft als eigenaar uiteraard het recht om die zaak te gebruiken. Dat gebruik maakt de zaak wel tweedehands. Dat roept de vraag op of de koper gehouden is om een ‘gebruiksvergoeding’ te betalen indien hij de koopovereenkomst ontbindt (of vervanging van de zaak verlangt) en de zaak teruglevert aan de verkoper. In het Quelle-arrest, dat handelt over de vraag of bij de vervanging van de non-conforme zaak een gebruiksvergoeding betaald moet worden, beantwoordde het Hof die vraag ontkennend. In het Messner-arrest was dezelfde vraag aan de orde in het kader van de ontbinding van een op afstand gesloten koopovereenkomst. Ook nu beantwoordt het Hof de vraag ontkennend, maar het Hof geeft aan dat hier wel uitzonderingen op mogelijk zijn.


Prof. mr. M.B.M. Loos
Prof. mr. M.B.M. Loos is hoogleraar Privaatrecht (in het bijzonder het Europees consumentenrecht) aan de Universiteit van Amsterdam

    In Agenda worden lezingen, conferenties en andere evenementen aangekondigd.