Nter_1382-4120_2017_023_005_large
Rss

Nederlands tijdschrift voor Europees recht

Meer op het gebied van Europees recht en mededingingsrecht

Over dit tijdschrift  
Aflevering 8, 2013 Alle samenvattingen uitklappen
Artikel

Bindingseisen passé?

Over een vereiste van ‘voldoende band’ met een gemeente om er te mogen wonen, een ‘sociale last’ voor een sociaal woonbeleid en compensatie voor openbare dienstverplichtingen

Trefwoorden vrij verkeer, bindingseisen, staatssteun, Altmark, ruimtelijke ordening
Auteurs Mr. dr. H.J. van Harten en Mr. R.A. Fröger
SamenvattingAuteursinformatie

    In het arrest Libert maakt het Hof van Justitie zeer korte metten met een Vlaamse regionale regeling die voor de overdracht van onroerend goed vereist dat een kandidaat-koper of kandidaat-huurder beschikt over ‘voldoende band’ met de betrokken gemeente: het Europees burgerschap, de vestigingsvrijheid en het vrij verkeer van werknemers, diensten en kapitaal staan daaraan in de weg. Wel mag een regionale overheid, onder voorwaarden, een ‘sociale last’ opleggen die verbonden is aan de verlening van een bouw- of verkavelingsvergunning. Verder biedt het arrest Libert een zeldzaam voorbeeld van toetsing aan de Altmark-uitzondering in het staatssteunrecht: onder welke voorwaarden kunnen fiscale stimuli en subsidiemechanismen voor projectontwikkelaars als compensatie voor een dienst van algemeen economisch belang worden beschouwd?
    HvJ EU 8 mei 2013, gevoegde zaken C-197/11 en C-203/11, Libert, n.n.g., zie <www.curia.eu>


Mr. dr. H.J. van Harten
Mr. dr. H.J. (Herman) van Harten is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.

Mr. R.A. Fröger
Mr. R.A. (Robert) Fröger is verbonden aan het Europa Instituut, Universiteit Utrecht.
Artikel

EU-Bewijsverordening soms toch exclusief

De EU-bewijsverordening is ook ten aanzien van rechtstreeks deskundigenbewijs geen uitputtende regeling, tenzij het onderzoek van invloed is op het openbaar gezag van de aangezochte lidstaat

Trefwoorden EU-Bewijsverordening 1206/2001, grensoverschrijdende bewijsverkrijging, deskundigenbewijs, openbaar gezag
Auteurs Mr. F.M. Ruitenbeek-Bart
SamenvattingAuteursinformatie

    Nadat het Hof van Justitie eerder (HvJ EU 6 september 2012, zaak C-170/11, Lippens c.s./Kortekaas c.s) bepaalde dat de EU-Bewijsverordening geen uitputtende regeling is voor het verkrijgen van getuigenbewijs, laat het Hof zich nu uit over de (niet-)exclusiviteit van de verordening met betrekking tot deskundigenbewijs. Als een rechter een deskundigenonderzoek rechtstreeks in een andere lidstaat wil laten uitvoeren, dan is hij niet noodzakelijkerwijs gehouden om de in de EU-Bewijsverordening neergelegde methode voor rechtstreekse bewijsverkrijging toe te passen. Een dwingende uitzondering geldt in de situatie waarin de bewijsverkrijging invloed kan hebben op het openbaar gezag van de lidstaat waarin het onderzoek moet worden verricht.
    HvJ EU 21 februari 2013, zaak C-332/11 (ProRail/Xpedys, c.s.). n.n.g.


Mr. F.M. Ruitenbeek-Bart
Mr. F.M. (Femke) Ruitenbeek-Bart is advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.
Artikel

Laten we geen boete opleggen...

Het arrest Schenker: de mogelijkheden voor een beroep op dwaling en afzien van boeteoplegging in het Europese mededingingsrecht

Trefwoorden Mededinging, Verordening 2003/1/EG, Boete-immuniteit, Vertrouwensbeginsel
Auteurs Mr. E.S. Lachnit LLM
SamenvattingAuteursinformatie

    Op 18 juni 2013 wees het Hof van Justitie arrest in de zaak Schenker. Deze zaak draaide om de mogelijkheid voor nationale mededingingsautoriteiten af te zien van boeteoplegging voor een schending van de Europese mededingingsregels. Enerzijds omdat de betrokken ondernemingen zich beriepen op dwaling, anderzijds omdat er medewerking was verleend in het kader van een nationale clementieprocedure. De uitspraak van het Hof van heeft gevolgen voor de positie van ondernemingen en advocaten, en voor de beschikkingsautonomie van nationale mededingingsautoriteiten.
    HvJ EU 18 juni 2013, zaak C-681/11, Bundeswettbewerbsbehörde, Bundeskartellanwalt/Schenker & Co. AG, e.a., n.n.g.


Mr. E.S. Lachnit LLM
Mr. E.S. (Eva) Lachnit is promovenda economisch publiekrecht aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Europa Instituut aldaar. Haar onderzoek ziet op alternatieve vormen van publieke handhaving binnen het mededingingsrecht.

    In deze bijdrage staat de vraag centraal welke consequenties de op 18 juli 2013 bekend gemaakte Richtlijn ADR consumenten en Verordening ODR consumenten hebben voor het Nederlandse stelsel van buitengerechtelijke geschillenbeslechting bij de geschillencommissies voor consumentenzaken (SGC en KiFiD). Deze vraag wordt beantwoord door het Nederlandse stelsel te toetsen aan de Richtlijn ADR consumenten en de Verordening ODR consumenten.
    Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG, Pb. EU 2013, L 165/63
    Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG, Pb. EU 2013, L 165/1


Mr. P.E. Ernste
Mr. P.E. (Paulien) Ernste is als universitair docent burgerlijk (proces)recht verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.